Karel bezocht Rome voor 800 driemaal. De eerste keer was in 774, ongeveer 27 jaren voor zijn kroning. Sinds de eerste dagen van den herfst van 773 had hij Desiderius in Pavia belegerd en daar het scheen, dat de belegering nog lang zou duren, besloot hij Paschen (2 April) in Rome te vieren, waar hij van plan was belangrijke zaken met Paus Hadrianus te bespreken. Het eerste bezoek van den Frankischen vorst aan de stad, die de metropool van het oude Romeinsche Keizerrijk was geweest en weldra de hoofdstad zou worden van het nieuwe Romeinsche Keizerrijk, is van bijzonder belang wegens de z.g.n. Donaties. Hierom, en ook omdat de ontmoeting van den koning en den Paus plaats vond onder treffende en merkwaardige omstandigheden en samenhangt met eenige belangrijke vraagstukken over kunst, zullen wij deze episode en de Donaties ietwat uitvoeriger behandelen.
Men zal zich herinneren, dat Hadrianus, toen hij in 772 Paus was geworden, vergeefs getracht had op goeden voet te komen met den Longobardischen koning Desiderius, die hevig verontwaardigd was, dat zijn dochter Desiderata door Karel verstooten was, en die beproefd had den Paus over te halen Karloman’s zoon, die gevlucht was, als wettige koning van de Franken te wijden. Dit verzoek weigerde Hadrianus in te willigen en hij toonde zich, zooals de oude kroniekschrijver zegt, “zoo onbuigzaam als diamant”. Daarop wilde Desiderius de steden van het Exarchaat niet overgeven, nam bovendien Faenza en Ferrara in, bedreigde Ravenna en trok plotseling zuidwaarts tegen Rome op. Daarna,
quando ’l dente longobardo morse
La santa Chiesa, sotto alle sue ali
Carlo magno, vincendo, la soccorse,1
want als een adelaar schoot hij van de Alpen neer en de Longobardische koning had nauwelijks tijd noordwaarts te vluchten en zich in Pavia op te sluiten. De stad werd weldra door de Franken belegerd en na zes maanden besloot Karel, omdat, zooals wij zagen, de belegering waarschijnlijk nog lang zou duren, naar Rome te gaan om aldaar Paschen te vieren. Hij ging de Apennijnen over en trok aan het hoofd van een groot gevolg Toskane door langs de Via Clodia.
De oude basiliek van St. Pieter, te Rome.
Naar een oude teekening.
Toen Paus Hadrianus van zijn aankomst bericht kreeg, besloot hij hem met dezelfde eer te ontvangen, die den Byzantijnschen Exarch bewezen werd, wanneer hij de oude hoofdstad van het Keizerrijk bezocht. Hij zond dus een deputatie van edelen en magistraten om hem te verwelkomen en hem als een bewijs van hulde, de banier van de stad te overhandigen. Zij ontmoetten den Frankischen koning bij den Lacus Sabatinus, ongeveer 45 K.M. van de stad, in loco qui vocatur Nobas. Toen de koninklijke cavalcade met zijn gevolg van Frankische krijgslieden en Romeinsche autoriteiten den Pons Milvius, die ons in verband met Constantijn en Maxentius, zoo goed bekend is, bereikt hadden en den Tiber waren overgetrokken, troffen zij aan beide zijden van de Via Flaminia een groote menigte aan en werden zij ontvangen door een processie van studenten van alle militaire en burgerlijke scholen te Rome, “met palm- en olijftakken, onder het zingen van lofliederen”, terwijl de geestelijkheid venerandas cruces, id est signa, droeg; dit waren waarschijnlijk vaandels zooals het labarum.
Toen Karel de heilige banieren zag, steeg hij af en ging te voet naar de basiliek van St. Pieter, waar Paus Hadrianus bovenaan staande super grados [sic] juxta fores ecclesiae hem afwachtte. Karel besteeg op zijn knieën de groote marmeren trap, die tot de basiliek toegang geeft, terwijl hij elke trede kuste (omnes grados singillatim deosculatus), totdat hij Hadrianus bereikte; deze kuste hem en hand in hand gingen toen de sanctissimus papa en de excellentissimus Francorum rex het heilige gebouw binnen, terwijl een groot koor van geestelijken de woorden Benedictus qui venit in nomine Domini zong. Zij schreden eerst over den witmarmeren vloer van het portaal, waar onder den kolossalen bronzen dennekegel de fontein zich verhief; daarna gingen zij de basiliek zelf binnen en knielden voor het hoogaltaar, tegenover de “confessio”, de getraliede opening van de schacht, die toegang gaf tot het graf van den Heilige, en verheerlijkten de Goddelijke Almacht, die hun de overwinning had geschonken (over de Longobarden) per interventionum suffragia ejusdem principis apostolorum. Daarna daalden zij in de crypte af en voor het gebeente van den Heiligen Petrus zwoeren zij en alle edelen en prelaten elkander trouw.
Karel had verzocht ook in andere groote kerken van Rome zijn gebeden te mogen uitspreken; zij gingen dus op den Zaterdag voor Paschen (774) naar de basiliek van S. Salvatore (later S. Giovanni in Laterano), waar de Paus de volwassenen doopte, een ritus nog die tegenwoordig in het Lateraan-Baptisterium wordt verricht, doch niet door den Paus. Op Paaschzondag werd een mis gehouden in de oude kerk, de S. Maria Maggiore, in ecclesia sanctae Dei Genetricis ad Praesepe2, en een groot feestmaal in het Lateraan. Op den vierden dag van de Paaschweek, quarta feria, vond de belangrijke plechtigheid van de Donatie plaats in de St. Pieter, waar Hadrianus den koning verzocht in alle bijzonderheden (ut adimpleret in omnibus) de belofte van zijn vader Pepijn, van hemzelf, zijn broeder Karloman en alle Frankische edelen te vervullen. Karel liet zich de oorkonde van Koning Pepijn voorlezen en daarna betuigde die praeexcellentissimus et revera christianissimus rex Francorum vrijwillig, bono et libenti animo, zijn volledige instemming daarmede, zooals ook al zijn edelen deden, en beval, dat een tweede promissio zou worden opgesteld, die de vorige Donatie zou bevestigen en uitbreiden. Deze teekende hij propria manu (hetgeen hem misschien moeite kostte, want zijn biograaf Einhart vertelt, dat hij laat schrijven had geleerd), en liet het door al zijn edelen teekenen, die zich sub terribili sacramento verbonden alle voorwaarden na te komen. Hij liet het ook copieeren. Van deze afschriften schijnt hij een of twee te hebben mee genomen en een werd opgehangen in de “Confessio” van de St. Pieter, als wij den schrijver van Hadrianus’ leven in den Liber Pontificalis mogen gelooven.
De Frankische vorst bleef ongeveer twee maanden in Rome. Het beleg van Pavia, waar Koning Desiderius was opgesloten, liep nu ten einde en Karel haastte zich noordwaarts om nog bij de overgave aanwezig te zijn.
Zijn andere bezoeken aan Rome en zijn kroning zijn reeds beschreven. Toen hij gekroond werd, was hij 58 jaar oud, zoodat wij er om moeten denken, dat Karel bij het bezoek, dat in dit hoofdstuk is beschreven, slechts 32 jaar en een indrukwekkende verschijning was, daar zijn lengte, volgens Einhart, zeven maal die van zijn voet bedroeg. Zijn lange lichtblonde haren en knevel, die door Einhart zoo worden geroemd, kan men op zijn munten (plaat 45) of het Tricliniummozaïek (p. 216) niet gemakkelijk zien.
In verband met de bezoeken van Karel den Groote te Rome is het van belang iets meer te vertellen over de oude basiliek van St. Pieter.
Het stadsgedeelte, waar de St. Pieter staat, in Raffael’s3 dagen en ook nu nog bekend als de Borgo (voorstad), heette in den Romeinschen tijd Ager Vaticanus, waarschijnlijk naar een Etrurisch dorp, dat daar lag. Daar het in een moerassige bocht van de rivier lag, was het onderhevig aan malaria en bevond zich nog niet binnen de stadsmuren, zelfs niet binnen de Aureliaansche (c. 270 n. Chr.). Caligula liet hier een groot circus en een amphitheater maken, dat onder Nero berucht werd door de vreeselijke martelingen, die de Christenen volgens Tacitus daar leden. Waarschijnlijk werd in dit amphitheater, tusschen de twee metae, zegt men, de apostel gekruisigd, of op de helling van den Janiculus, waar nu de S. Pietro in Montorio staat. Zijn lichaam werd eerst naar een catacombe aan de Via Appia, doch later naar de Vatikaansche heuvel gebracht. Op dit laatste graf richtte de vijfde Paus, Anacletus, die door den H. Petrus zelf tot priester was gewijd, een kapel op. Meer dan twee eeuwen later (306) stichtten Constantijn en Silvester op die plek een basiliek, terwijl de Keizer zelf het werk inwijdde door een hoeveelheid aarde uit te graven en weg te dragen.
34. Roger van Sicilië door Christus gekroond, Palermo.
Deze basiliek bleef, ofschoon er veel aan veranderd werd, bestaan tot ongeveer 1500–10, toen zij plaats moest maken voor de nieuwe St. Pieter, ontworpen door Bramante, wiens plannen, met vele veranderingen, zijn uitgevoerd door Raffael, Michelangelo en vele andere architecten. Maar het afbreken ging langzaam en het is zeer waarschijnlijk, dat, toen Raffael in 1508 Rome voor het eerst bezocht, de voorgevel van de oude basiliek, die hij in zijn Incendio del Borgo heeft geschilderd, en de groote zuilen van het schip, die wij op den achtergrond van de Donatie van Constantijn (fig. 29) zien, nog bestonden. Behalve deze frescos en een schilderij in de crypte van de St. Pieter hebben wij den plattegrond van Alfarano (1591), die door Rossi en den Abbé Duchesne met vele details wordt gegeven. De kleine reconstructie op blz. 261 is gebaseerd op dezen plattegrond.
De basiliek, die geflankeerd was door vele kapellen, en andere gebouwen, die op de schets niet voorkomen, had aan de voorzijde (de oost-zijde, want de St. Pieter heeft geen orthodoxe ligging) een zeer ruim atrium of quadriportus, waaraan andere gebouwen grensden o. a. de campanile met de drie klokken, die c. 755 door Paus Stephanus II is gebouwd. Dit atrium, “il Paradiso” geheeten, had een witmarmeren vloer; in het midden stond een fontein, c. 370 door Paus Damasus voor de pelgrims opgericht, en c. 498 door Paus Symmachus van een metalen dak voorzien, waarop hij den reusachtigen bronzen dennekegel plaatste, die misschien vroeger op het Pantheon of de Moles Hadriani stond en die nu in den Giardino della Pigna van het Vatikaan staat. Dit is de pijnappel, waarover Dante spreekt, wanneer hij een van de reuzen beschrijft, die den rand van de Helleput “omtorenden”:
La faccia sua mi parea lunga e grossa
Come la pina di San Pietro a Roma.
Het dak van de kerk bestond uit vergulde pannen, een geschenk van Paus Honorius (c. 625). De voorgevel was met mozaïek versierd. Boven het portaal waren oorspronkelijk de Verlosser en de H. Petrus afgebeeld, wien Constantijn de kerk toonde (of een model van de kerk gaf?). Op Raffael’s Incendio kan men nog flauwe sporen van mozaïek op het gebouw zien. De latere mozaïeken bestonden uit drie gedeelten: in den gevel stonden Christus en de H. Maagd, tusschen en naast de bovenvensters de vier Evangelisten en tusschen de benedenvensters de 24 oudsten, die hun gouden kronen tot den Verlosser omhoog hieven. Het schip van de basiliek was aan de zijden geflankeerd door twee zijbeuken. Zes en negentig zuilen4, waarvan vele genomen waren uit oude gebouwen, zooals b.v. het amphitheater van Nero, scheidden de beuken en droegen de clerestory5, die evenals de apsis was versierd met mozaïekwerk. Kostbare lampen, schitterende gordijnen van brokaat, gouden, zilveren en bronzen kandelabres, lampen, altaren en beelden luisterden het inwendige van de kerk op.
Trappen van het Presbyterium en “Confessio” S. Giorgo in Velabro.
Confessio in het Oratorium van de Catacombe van S. Alessandro, Rome.
Aan de westzijde werden het schip en de beuken gekruist door een kort transsept; daaraan grensde een hooger gebouwd presbyterium, zooals men in de Florentijnsche S. Miniato, S. Giorgio te Rome en andere kerken kan zien. Om het presbyterium te bereiken besteeg men, rechts of links van het hoogaltaar, zeven treden van porfier. Onder het hoogaltaar bevond zich de crypte, met de graven van den H. Petrus en den H. Paulus; de fenestella confessionis was onder het altaar6 tusschen de beide porfieren trappen, zooals men kan zien op Raffael’s fresco, waar Leo III den eed voor Karel den Groote aflegt. Dit “venster van de belijdenis” was een traliewerk met een opening, waardoor men in een loodrechte schacht kon zien naar het graf van den Heilige. St.-Gregorius vertelt, wat zijn diaken in de St. Pieter-basiliek zag, en spreekt van een “parvula fenestella”, waardoor men, als het traliewerk geopend was, zijn hoofd kon steken (immisso introrsum capite) en aldus zijn beden kon uiten. De schacht en het graf in de St. Pieter werden waarschijnlijk in 846 na den inval van de Saracenen volgegooid en begraven onder het puin. Ongeveer zeven en een halve eeuw later (1594) schijnt, toen de fundamenten werden uitgegraven, de oude tombe weer aan het licht gekomen te zijn en inderdaad zag Paus Clemens VIII door een opening een zilveren sarcophaag en een gouden kruis; doch hij liet alles weer dichtmetselen.
Zooals zij, die de Grotte nuove in de St. Pieter hebben bezocht, weten, bevindt zich thans de “confessio” ongeveer tien voet onder den vloer van de tegenwoordige kathedraal. Het vraagstuk over de echtheid van de reliquieën en de sarcophagen van den H. Petrus en den H. Paulus (want ook het lichaam van den H. Paulus is van de catacomben van de Via Appia daarheen gebracht en in de 16e eeuw is bij den herbouw de sarcophaag gezien) behoeft hier niet besproken te worden; maar dit dient vermeld te worden, dat, toen de Saracenen in 846 de S. Pietro en de S. Paolo plunderden, zij den inhoud van de groote bronzen (zilveren?) sarcophaag van den H. Petrus wegwierpen, zooals Anastasius, de schrijver van dit gedeelte van den Liber Pontificalis, vertelt, en “het graf van den H. Paulus, dat in de basiliek bij de Via Appia was, verwoestten”.
Op den vijfden dag van zijn eerste bezoek aan Rome liet Karel, zooals wij zagen, in de basiliek van de St. Pieter zich de Donatie van Pepijn voorlezen; en deze Donatie, overgeschreven en met eenige bijzonderheden vermeerderd, werd plechtig door hem bekrachtigd en voorzien van zijn handteekening en die van zijn voornaamste edelen en prelaten.
Doch er bestond, ofschoon Karel hiervan blijkbaar niet op de hoogte was, een dergelijk charter, dat voor veel ouder gehouden werd, de z.g.n. Donatie van Constantijn. Dit vrome bedrog werd misschien het eerst beraamd door Stephanus II, toen hij Koning Pepijn in 754 te Parijs bezocht. Wanneer dit zoo is, dan gebruikte hij de legende van het bestaan van een dergelijk stuk om den Frankischen vorst over te halen hem hulp te brengen tegen de plunderende Longobarden. Maar het document zelf, waarschijnlijk een imitatie van een oud handschrift, schijnt iets later vervaardigd te zijn, misschien door een handigen secretaris van Paus Paulus I. Hadrianus kende ongetwijfeld het stuk wel, doch daar hij ook wist, hoe het ontstaan was, durfde hij het Karel, ofschoon deze waarschijnlijk niet kon lezen, niet toonen, toen in 774 de Donatie van Pepijn aan den koning werd voorgelezen. Drie jaren later evenwel, toen hij zijn gezag in de hem geschonken landen ten noorden van de Apennijnen niet kon handhaven en hevig geplaagd werd door de vijandigheid van Ravenna, Spoleto en Benevento als ook door den opstand van Tarracina en andere steden, was Hadrianus wederom genoodzaakt de hulp van Karel in te roepen, en bij deze gelegenheid (777) werd de Donatie van Constantijn, die eenige eeuwen later zoo beroemd7 is geworden, voor het eerst openlijk en plechtig genoemd en richtte Hadrianus tot Karel het dringend verzoek “een tweede Constantijn te worden”. De historische waarde van het stuk bestaat niet in de legende, die het bewaart, maar in het feit, dat het, ofschoon het een monsterachtig bedrog is, ons een zeer juist oordeel geeft over de gedachten en overtuigingen van de priesterschap, die het heeft ontworpen.
Laten wij deze Donatie van Constantijn nog iets nauwkeuriger beschouwen, voordat wij de Donatie van Pepijn en de bekrachtiging daarvan door Karel behandelen.
Volgens een oud verhaal, dat het eerst verschijnt in een Vita S. Silvestri van 490 ongeveer, daarna ook in het Grieksch en het Syrisch, en dat even wordt aangeroerd door den schrijver (c. 510) van Silvester’s leven in den Liber Pontificalis, werd Constantijn door melaatschheid aangetast en rieden zijn geneesheeren hem aan zich in kinderbloed te baden. Drie duizend onschuldige kleinen moesten voor dit doel geslacht worden, maar het weeklagen en de smeekbeden van de moeders wekten Constantijn’s medelijden zoo zeer op, dat hij weigerde zich aan de voorgeschreven kuur te onderwerpen. Daarop kreeg hij ’s nachts in een visioen een bezoek van den H. Petrus en den H. Paulus, die hem prezen en zeiden: “Zoek Silvester, den Bisschop van Rome, die zich in de bergen schuil houdt; hij zal u een bron wijzen, waarin gij u drie keer moet wasschen; dan zult gij gereinigd zijn”. Constantijn zond soldaten uit, die Silvester dicht bij den top van de Syraptim (op de Soracte, zegt Dante, evenals de Liber) vonden en de Heilige doopte hem en hij kwam bevrijd van zijn melaatschheid uit den bron. Toen liet hij afkondigen, dat in het geheele Keizerrijk Christus alleen mocht aanbeden worden en dat de Bisschop van Rome aan het hoofd zou staan van alle bisschoppen (ut in toto orbe sacerdotes pontificem Romanum caput habeant). Op den achtsten dag bezocht hij de “Confessio” van de tombe van den H. Petrus, groef met eigen handen wat aarde uit voor de stichting van een nieuwe basiliek en legde den eersten steen. Den volgenden dag legde hij den grondslag voor zijn paleis en een nieuwe basiliek bij het Lateraan.
Wat men ook wil denken van het overige dezer geschiedenis, de doop van Constantijn in het Lateraan-Baptisterium is toch, ofschoon die door Raffael op een beroemd fresco geschilderd en door Chaucer in zijn Confessio Amantis is beschreven, en ofschoon in den Liber een volledige beschrijving wordt gegeven van de prachtige porfieren doopvont door Constantijn voor die plechtigheid geschonken, een legende, want hij is eerst kort voor zijn dood gedoopt; en al is het mogelijk, dat hij aan Bisschop Silvester het Lateraanpaleis en een zekere hoeveelheid land heeft gegeven, en aan de Kerk en de Bisschop verschillende privileges en patrimonia heeft toegekend, men heeft alle reden om te gelooven dat geen souvereine rechten van eenigen aard door Constantijn zijn toegestaan, en evenmin, zooals wij zullen zien, door Karel den Groote. En toch verklaarde het valsche document—en verklaart nog, want er bestaan nog vertalingen van—dat het edict de volgende woorden bevatte: “Wij, als ook onze Satrapen, de geheele Senaat, de Edelen en het Volk, achten het wenschelijk, dat evenals de H. Petrus op aarde de Vicarius van God was, evenzoo de Hoogepriesters, zijn plaatsvervangers, van ons en van ons imperium een macht en een waardigheid zullen ontvangen, die grooter is dan de onze, en wij decreteeren, dat de heilige zetel van den H. Petrus zal verheven worden boven onzen wereldlijken troon. Wij overhandigen en schenken aan den heiligen Hoogepriester en Paus (een titel, die eerst twee eeuwen later werd gebruikt!) Silvester ons paleis, de stad Rome, alle provincies, plaatsen en steden van Italië en de landen van het Westen en wij bevelen, dat die door hem en zijn opvolgers zullen bestuurd worden en zullen blijven onder het gezag van de heilige Roomsche Kerk”.
Het is nauwelijks te gelooven, dat zulk een document ooit in ernst is aangehaald als een bewijs, zelfs door de brutaalste verdedigers van de wereldlijke macht van den Paus. Men zou denken dat een dergelijke buitensporige onbeschaamdheid met minachtend ongeloof zou zijn ontvangen. Doch onder de aanhangers van den paus werd de legende langen tijd geloofd. Dante zelfs twijfelde niet aan de waarheid van de Schenking, ofschoon hij bitter klaagde over “de slechte vrucht van hetgeen met goede bedoeling was gedaan”. “Wee! Constantijn”, riep hij uit8,
van hoeveel kwaad was moeder,
Niet uwe bekeering, maar de gift,
Die de eerste rijke vader van u ontving!
Maar ten tijde van Ariosto werd de Donatie door spotters belachelijk gemaakt. In den Orlando Furioso9 vindt de Paladijn Astolfo de pauselijke domeinen op de Maan:
Toen kwam hij aan een berg met bonte bloemen,
Die eens heerlijk geurde, maar nu afschuwelijk stonk;
Dat was die gift, (als het geoorloofd is te zeggen)
Die Constantijn aan den goeden Silvester schonk.
En de aanspraken, die de Pausen maakten op grond van de Donatie van Pepijn, zooals deze door Karel was bekrachtigd, waren, zooals wij zullen zien, niet minder onbeschaamd.
Wij hebben gezien, hoe Pepijn, de vader van Karel den Groote, in 751 den titel van koning aannam op aanraden van Paus Zacharias, die St. Bonifacius, den Engelschen zendeling in Duitschland, uitzond om hem te kronen, en hoe de opvolger van Zacharias, Stephanus II, daar zijn verzoek aan Astulf zonder uitwerking bleef, de Alpen overstak en de eerste zes maanden van 754 de gast was van den Frankischen koning in de abdij van St. Denis, bij Parijs. Wij hebben ook gezien, hoe Pepijn hem met nadruk beloofde te zullen restitueeren “de steden van het Exarchaat en de andere plaatsen en rechten”, die de Longobarden zich toegeëigend hadden; en deze belofte heeft hij, naar men zegt, plechtig hernieuwd en bekrachtigd (misschien schriftelijk) in tegenwoordigheid van zijn edelen, die te Quierzy (Carisiacus in den Liber), bij Laon, vergaderd waren. Stephanus kroonde toen Pepijn in de kerk van St. Denis en kort na deze plechtigheid vergezelde hij den koning en zijn leger naar Italië, waar Astulf gedwongen werd zijn verzet te staken en al zijn veroveringen beloofde terug te geven.
Maar nauwelijks was Pepijn de Alpen weder overgetrokken, of de doortrapte Longobard weigerde zijn woord te houden en bedreigde zelfs Rome. Vele brieven werden er nu tusschen Pepijn en Stephanus gewisseld; de Paus smeekte steeds dringender om hulp, totdat ten laatste de Frankische koning terugkwam en Astulf dwong al het veroverde gebied weer af te staan. Daarop werden de sleutels van al deze steden, ongeveer twintig, aan den Paus overgegeven, met een formeele akte van Donatie “aan den Apostel van God, aan Zijn Vicarius, den allerheiligsten Paus en al zijn opvolgers”. Deze Donatie, met de sleutels, werd gelegd in de “Confessio” van de St. Pieter te Rome, en was naar men verzekerde, hetzelfde document, dat door Karel in 774 gelezen en bekrachtigd was. Het oorspronkelijke manuscript is niet over en evenmin een van de afschriften, die Karel heeft laten maken; maar wij behoeven er niet aan te twijfelen, dat zij werkelijk hebben bestaan, want wij hebben in den Liber een getuigenis van den schrijver van Hadrianus’ leven, die blijkbaar bij de plechtigheid tegenwoordig was en de copie van het stuk zag, die in de “Confessio” van de tombe van den H. Petrus was opgehangen.
Het is echter zeer moeilijk eenige zekerheid te verkrijgen omtrent den inhoud van de bekrachtigde Donatie; en nog moeilijker de juiste verklaring te geven van hetgeen er van aangehaald wordt door den biograaf van Hadrianus in den Liber Pontificalis. De nieuwe belofte (alia promissio) van Karel was waarschijnlijk in denzelfden geest als Pepijn’s charter (ad instar anterioris, zegt de Liber); doch dit is niet van zoo groot belang, want in elk geval was de belofte van Karel bindend en had geen precedent noodig. Belangrijk zijn de volgende drie punten. Ten eerste, is de Liber Pontificalis betrouwbaar, wat betreft de steden en landen, die geschonken zijn, of vertelt de schrijver slechts waarop pauselijke hebzucht en eerzucht aanspraak maakten? Ten tweede, aan wien werd het gebied afgestaan? Ten derde, werden deze steden en landen eenvoudig beschouwd als patrimonia d.w.z. afgestaan aan de Kerk als eigendom, waar de geestelijke autoriteiten hun Kerkelijke rechten en eischen konden doen gelden; of werden zij overgegeven met souvereine rechten, zoodat zij gescheiden werden van het gebied van den Frankischen Koning (en het nieuwe Keizerrijk) en niet zoozeer een imperium in imperio vormden als wel een afzonderlijk, onafhankelijk rijk?
35. Tombe van Koning Roger, Palermo.
Hierop kan men antwoorden, dat, wanneer het gebied, door Pepijn en Karel afgestaan, werkelijk zoo groot was, als de Liber aangeeft, het Corsica, Lunigiana, Parma, Mantua, Reggio, universum Exarchatum Ravennatium, provincias Venetiarum et Istriae, necnon et cunctum ducatum Spoletinum et Beneventinum omvatte, inderdaad ongeveer hetzelfde als “alle provincies, plaatsen en steden van Italië”, zooals in de valsche Donatie van Constantijn staat. Indien dit alles nu met souvereine rechten aan de Kerk of den Paus gegeven werd, en indien de Frankische Koning werkelijk bedoelde (zooals de Donatie van Constantijn het omschrijft), dat de allerheiligste zetel van den H. Petrus zou verheven worden boven alle aardsche tronen, dan zou men wel kunnen vragen, wat Karel nog voor zichzelf wilde houden ten zuiden van de Alpen! Dat echter Karel—de rex Longobardorum—van plan was al, of bijna al zijn nieuw Italiaansch gebied te behouden, is duidelijk genoeg en het is zeer waarschijnlijk, dat hij slechts bedoelde de belangen van de Kerk, wat betrof haar privaat eigendom, haar inkomsten en geestelijke privileges, in deze “geschonken” landen te verdedigen. Slechts een paar jaren later zien wij hem handelen alsof hij alleen de leenheer was van geheel Italië, behalve misschien van Rome en het Hertogdom Rome, en dat dit door den Paus zelf werd erkend wordt duidelijk aangetoond door het feit, dat in denzelfden tijd (c. 777), toen Hadrianus de Donatie van Constantijn aanhaalde om zijn aanspraken op de uitgestrekte landen in Noord-Italië te bewijzen, hij verplicht was aan Karel toestemming te vragen, voordat hij het waagde op de Spoletaansche heuvels eenige boomen te vellen, die hij noodig had om het dak van de basiliek van St. Pieter te herstellen. En wanneer men daar tegen aanvoert, dat Karel bij zijn latere bezoeken aan Rome, in 781 en 787, zijn concessies vernieuwde, dan kunnen wij daarop antwoorden, dat hij bij die gelegenheden niets deed, waardoor hij blijk gaf eenig souverein recht aan den Paus toe te kennen, al vroeg hij hem ook den jongen Pepijn als Koning van Italië te kronen, een feit, dat Hadrianus zonder twijfel uitlegde als een erkenning van zijn souvereiniteit in Italië. Deze “vernieuwde concessies” bepaalden zich eenvoudig tot een zekere uitbreiding van het Hertogdom Rome, dat nu voortaan ook het twistzieke stadje Tuscania of Toscanella bevatte, waarover wij in een ander hoofdstuk hebben gesproken.
Wat de tweede vraag betreft—aan wien was het gebied geschonken?—is het leerzaam en eenigzins vermakelijk, op te merken, hoe Paus Stephanus II in zijn brieven aan Pepijn en aan Astulf eerst schrijft alsof deze steden en landen moeten worden teruggegeven aan het Keizerrijk; vervolgens lezen wij, dat zij moeten worden teruggegeven “aan Rome of de Romeinsche Republiek”; een weinig later is het geworden “aan den H. Petrus”; en eindelijk krijgen wij de volledige bekentenis, dat het geheele Exarchaat in de Pentapolis en al deze andere landen en steden met souvereine rechten worden opgeëischt door de “Heilige Kerk” en door haar hoogepriester en Zijn opvolgers voor alle eeuwigheid.
1 Dante, Par. VI, 94. De ali zijn de vleugels van den Keizerlijken Adelaar, van welk gesternte in den zesden hemel (van de planeet Jupiter) de ziel van Constantijn den Groote, die hier spreekt, een van de vijf sterren is, die het oog vormen. Zoowel Karel als zijn paladijn Orlando worden door Dante in den hemel (in het vlammende kruis van Mars) geplaatst, als strijders voor het christendom.
2 Oudtijds “S. M. ad Nives” geheeten, omdat een sneeuwval de juiste grenzen van haar ligging had bepaald; of “ad Praesepe” wegens het vermeende bezit van vijf planken van de Kribbe van Bethlehem.
3 Vgl. de fresco L’incendio del Borgo. Het woord is van noordelijken oorsprong (burg, burgh) en werd misschien in Rome, c. 700 eerst gebruikt om de allerminst brandvrije, van houten daken voorziene stadsgedeelten (scandalicia) aan te duiden van de Engelschen, Saksen enz. die daar hun scholae hadden gesticht. Vandaar beteekent het woord in het Italiaansch “voorstad”. De Borgo werd ommuurd en versterkt door Leo IV (c. 852) en kreeg den naam Civitas Leonina.
4 Eenige bijzonderheden geeft St. Gregorius van Tours volgens de verhalen, die een zijner diakenen deed na een bezoek aan Rome in 590 ongeveer.
5 Clerestory of clear-story noemt men de ramen in het bovengedeelte van het middenschip van een kerk. [Vertaler].
6 Zie de illustraties. In de eene Confessio is het (vermeende) hoofd van den Engelschen St. George. Het catacombe-altaar (waarschijnlijk van 320 ongeveer) heeft het traliewerk en venster aan de voorzijde, omdat het presbyterium niet verhoogd was.
7 Plaat 29 laat zien hoe lang de Pausen deze voorstelling lieten voortleven. Hier biedt Constantijn Silvester een symbolisch beeld van Rome aan.
8 Parad. XX. 56 en Inferno XIX. 115.
9 Orlando Furioso XXXIV. 80.