Hoofdstuk III.

De opkomst der republieken.

tot c. 1200.

Gedeeltelijk aan de onvolledigheid hunner veroveringen, gedeeltelijk aan de uiteenloopende eigenschappen der rassen moet men het toeschrijven, dat geen der indringers en vreemde overheerschers er in geslaagd is een Italiaansche natie te stichten. De krachten, die onder bepaalde voorwaarden verschillende volken tot één natie vereenigen, openbaarden zich gedurende de middeleeuwen in Italië, zooals dat in het oude Griekenland was gebeurd, in een plaatselijk patriottisme en in de vorming van een aantal onafhankelijke steden, die, omdat er geen organisch verband tusschen bestond, veroordeeld waren om, evenals de steden van Griekenland, nooit samen te smelten tot een hechte confederatie, zooals gevormd wordt door het stevige lichaam van de moderne constitutioneele republiek of het beperkte koningschap, maar die er steeds naar streefden zich los van elkander te houden, behalve wanneer zij tijdelijk door een druk, die van buiten kwam, werden bijeengehouden. Wat de inwendige aangelegenheden betreft, hadden de Grieksche en Italiaansche steden ervaringen, welke, daar zij onder invloed van gelijke krachten, die onder ongeveer gelijke omstandigheden werkten, ontstonden, dikwijls groote overeenkomst vertoonen, maar soms ook merkwaardige tegenstellingen1. De binnenlandsche, godsdienstige zoowel als staatkundige twisten, de omwentelingen, de perioden van democratie, oligarchie en tyrannie, die vele van deze steden hebben doorgemaakt, bieden belangwekkende stof voor degenen, die vergelijkende staatkunde studeeren. Doch hier moeten wij er ons mede tevreden stellen in het kort de opkomst van deze Italiaansche gemeenten of republieken te verhalen, en haar ontwikkeling tot het einde van de twaalfde eeuw na te gaan, tot den vrede van Constanz ongeveer, terwijl wij eenige bijzonderheden zullen vermelden in verband met de meer belangrijke steden.

47. Tombe van Frederik II, Palermo.

47. Tombe van Frederik II, Palermo.

De republikeinsche regeeringsvorm vond natuurlijk geen gelegenheid om zich te ontwikkelen tijdens het militaire despotisme van de Goten, Byzantijnen, Longobarden en Saracenen, en het civiele en clericale leenstelsel van het herleefde Keizerrijk was een aartsvijand van dien regeeringsvorm. Het aangeboren verlangen naar vrijheid en zelfbestuur geeft een voldoende verklaring van zijn bestaan2. De wrok tegen de vreemde overheersching, die sinds den tijd van Theoderik steeds is blijven bestaan, kwam bij vele gelegenheden tot uitbarsting; vooral bleek dit bij de ernstige onlusten, die dikwijls zoowel te Rome als elders, plaats vonden bij de kroning van een keizer; en toen gedurende de slappe regeering van de Karolingische vorsten en de anarchie van de daarop volgende periode vele steden met eigen krachten oorlog moesten voeren tegen de verschillende vijanden, Saracenen, Magyaren, Byzantijnen, Lombardische hertogen of vijandige gemeenten, was het natuurlijk, dat zij op zich zelf moesten leeren vertrouwen en zelf hun onafhankelijkheid moesten handhaven.

Wij hebben reeds gezien (Deel III, hoofdst. III), hoe Venetië in vroege tijden reeds voordeel trok van zijn natuurlijke ligging om een bond te stichten van de steden op de eilanden en zich zoowel van het oostelijk als van het westelijk Keizerrijk vrij te maken. Ook in het zuiden vinden wij reeds vroeg ettelijke zeesteden, zooals Napels, Gaeta, Salerno en Amalfi3, die haar onafhankelijkheid trachten staande te houden (niet altijd als republikeinschen regeeringsvorm); deze steden bereiken door haar handel een hoogen graad van welvaart en door haar vloten worden zij belangrijke zeestaten, die den Mohammedaanschen indringers krachtigen weerstand bieden en zich ook weten staande te houden tegen de Byzantijnsche overweldigers en tegen de Noormannen, totdat zij ten slotte bij het koninkrijk van de Beide Siciliën worden ingelijfd. Toen de onafhankelijkheid van deze zuidelijke zeesteden door de Noormannen was gebroken, ging, ofschoon de Noormannen haar handel volstrekt niet vernietigden, toch een groot gedeelte van dien handel over op de Pisanen, Genueezen en Venetianen. In het begin van de elfde eeuw waren de vloten van Pisa en Genua er in geslaagd Sardinië te bezetten en de Saracenen4 van de Ligurische en Toskaansche kusten en zeeën te verdrijven, en sinds dien tijd groeide de macht van deze twee steden, onder het bestuur van hun republikeinsche consuls en volksvergaderingen zeer snel aan, zoowel te land als ter zee; Pisa werd heerscheres over de Toscaansche en Romeinsche Maremma van Spezia tot Civita-vecchia en ook over Sardinië en de Balearen, terwijl Genua het grootste gedeelte van de Riviera bezette en Pisa het bezit van Corsica betwistte. Beide steden hadden ook een werkzaam aandeel in de kruistochten en breidden om strijd hun handel naar het oosten5 uit, zoodat zij eeuwen lang alle andere machten ter zee, behalve de Venetianen, overvleugelden; maar Venetië had twee groote voordeden; het stond in nauwe verbinding met het Byzantijnsche Keizerrijk, en het had den transito-handel van de oostersche handelswaren, bestemd voor West- en Noord-Europa, waar nu de verfijning en de weelde van oudere culturen in hooge mate begon door te dringen.

In het voorbijgaan dient er de aandacht op gevestigd te worden, hoe tegelijk met de opkomst van deze Italiaansche republieken reeds dadelijk de onderlinge twisten begonnen. Nauwelijks waren Pisa en Genua door hun overwinningen op de Saracenen ter zee machtig geworden, of zij richtten hun vloten tegen elkander en toen namen die ellendige conflicten een aanvang, die eeuwen lang de krachten van Italië ondermijnden. Zelfs leenden zij, om sommige hunner mededingers te vernietigen, hun vloten aan vreemde overweldigers en vijanden van de republikeinsche vrijheid6.

Behalve de zeesteden, waarbij Venetië natuurlijk een belangrijke plaats innam en later onze aandacht zal vragen, verdienen nog de Lombardische en Toskaansche steden, en ook Rome, nadere beschouwing.

De pogingen van het Romeinsche volk om de Republiek te herstellen, zijn beschreven in het Historisch Overzicht. Dat deze pogingen, ofschoon zij een tijdlang met gunstigen uitslag bekroond werden, ten slotte schipbreuk leden, is zeer goed te begrijpen, wanneer wij denken aan de eindelooze botsingen tusschen de Pausen en de edelen, en wanneer wij ons ook rekenschap geven van het feit, dat de stad Rome zelf, ofschoon er groote rijkdom was onder de feudale aanzienlijken, zoowel onder de leeken als onder de geestelijken, toch niet zulk een handel bezat als die, waarop de nieuwe republieken gegrondvest waren. Rome was geen zeestad met een haven en een sterke vloot. Het was ook geen middelpunt van een productieve landstreek. Evenmin bezat het een talrijke en vermogende klasse van burgers, die handel dreven. De bevolking bestond bijna geheel uit het gepeupel en de aristocratie, die op veel grooter afstand van elkander stonden dan de plebejers en patriciërs van vroeger dagen, en tusschen hen bestond slechts een niet talrijke middenstand, de leden van de militaire scholae (stads-militie), die zekere staatkundige rechten hadden, bezitters mochten zijn van onbezwaard land, en wier eenige groote eerzucht was tot de klasse der nobiliteit te worden toegelaten.

In vorige hoofdstukken hebben wij vele gewichtige punten besproken in verband met de oudste geschiedenis van de meer belangrijke steden van Noord- en Midden-Italië. Wij moeten nu onze aandacht beperken tot eenige van deze steden, die een voornaam aandeel hadden in de groote republikeinsche beweging van de twaalfde eeuw tegen Frederik I. Deze beweging bepaalde zich eerst tot eenige Lombardische steden, waarvan de voornaamste waren Milaan, Brescia, Piacenza, Parma en Modena (tegen de keizersgezinde steden Pavia, Como, Lodi, Cremona en andere), maar bij den Bond sloten zich weldra ook de steden, die meer in het oosten lagen aan, namelijk Verona, Padua, Bologna, Mantua en Vicenza. De leiding van deze steden had Venetië7.

Een uitbarsting zooals deze, waardoor de Lombardische Stedenbond tot stand kwam, moet het gevolg geweest zijn van krachtige invloeden, die zich ver hadden doen gelden en jaren lang gewerkt hadden. Eenige van deze krachten hebben wij reeds leeren kennen in verband met de republikeinsche bewegingen in de aan zee gelegen steden. Wat betreft de meeste steden van Lombardije en Toskane, belette zonder twijfel de herhaalde aanwezigheid of doortocht van sterke Duitsche legers de vroegtijdige ontwikkeling van het republikeinsche regeeringstelsel en blijkbaar was het eerst gedurende den hevigen en langdurigen strijd over de Investituur (1073–1122), dat deze steden hun eigen gewicht als bondgenooten en steunpunten begonnen in te zien en zich gingen aansluiten bij de eene of de andere partij, zooals het hun voordeelig toescheen. Florence, en evenzoo een groot deel van Toskane, stond, gelijk wij in een vorig hoofdstuk hebben gezien, langen tijd onder regeerders, die het Duitsche imperialisme zeer vijandig gezind waren en toen na den dood van Gravin Mathilde in 1115 de stad een zekere mate van onafhankelijkheid verwierf, bleef haar gezindheid vele jaren lang Welfsch. Maar noch Florence, noch een van de andere Toskaansche steden, waarvan er sommige Florence vijandig gezind en hevig Ghibellijnsch waren, nam eenig werkzaam aandeel in de oorlogen tusschen de republieken en Frederik, ofschoon in dezen tijd vele van de Toskaansche steden, zooals Siena, Volterra en S. Gimignano, zich het recht verworven hadden om door jaarlijks gekozen consuls8 bestuurd te worden—een voorbeeld, dat weldra door vele andere steden van Midden-Italië, zooals Spoleto, Assisi, Perugia en Foligno, zou nagevolgd worden.

De geschiedenis van de botsing tusschen de verbonden republieken en Frederik Barbarossa is reeds elders verteld. Wij zullen dus eenige bladzijden besteden aan de inwendige historie van de twee belangrijkste steden van den Lombardischen Bond, Venetië en Milaan, terwijl wij er ons niet om zullen bekommeren de feiten nauwkeurig in de omlijsting van oorlogen en politieke gebeurtenissen te passen.

Venetië (800–1200).

Een vluchtige schets van de geschiedenis van Venetië, of juister Venetia, van den eersten oorsprong tot de dagen van Karel den Groote is reeds vroeger gegeven in het derde deel (hfdst. III). Wij zullen hier nog iets uit de annalen vertellen van de daarop volgende periode tot de dertiende eeuw. Men zal zich herinneren, dat de vergeefsche pogingen van Pepijn, den zoon van Karel den Groote, om de Venetianen te overwinnen, ten gevolge hadden, dat er een nieuwe hoofdstad gesticht werd op de oevers van den Rivoalto, een plaats, die onneembaar gebleken was. De aanvoerder van de dappere eilanders, die den aanval van den Frankischen indringer hadden afgeslagen, werd tot Doge gekozen (811). Deze nu, Agnello Partecipazio, was de eerste Doge van Venetië, ofschoon er wel tien Doges van Venetia Maritima waren geweest, van welke de eerste, Anafesto, reeds in 697 was gekozen. In 813 werd de zetel der regeering plechtig naar den Rivoalto overgebracht. Hier, op den westelijken oever van den “Diepen Stroom”, op de plaats waar later, in 1173, de eerste houten Rialto-brug gebouwd werd, was drie of vier eeuwen lang de marktplaats geweest van deze eilandbewoners, de Campo di Rialto, en hier was in 421, zooals de overlevering verhaalt, hun eerste kerk, de S. Giacomo, verrezen9. Op den oostelijken oever van den Rivo Alto stond midden in een grasrijk veld, de Broglio of Brolo geheeten, de oude kerk van S. Teodore, den eersten beschermheilige van Venetië, die ongeveer drie eeuwen voor de dagen van Partecipazio, (wanneer de annalen waarheid spreken), was opgericht door Byzantijnsche bouwmeesters, die door Narses uit Constantinopel ontboden waren (zie p. 255). Dicht bij deze kerk werd weldra, misschien door den zoon en opvolger van Partecipazio, het oorspronkelijke Paleis van de Doges10 gebouwd. Ook verrees nu de oorspronkelijke kerk van S. Zaccaria, om het vermeende stoffelijke overschot van den vader van Johannes den Dooper11 te ontvangen en als begraafplaats van de oudste Doges te dienen.

Munt van Venetië c. 860.

Munt van Venetië c. 860.

Omstreeks 828 werd het gewaande lijk van den H. Marcus naar Venetië gebracht, wanneer men het verhaal van de vrome dieven mag gelooven; en het werd gered uit de handen der goddelooze Saracenen, die het aan een onderzoek wilden onderwerpen door het aan den mast te binden en met varkensvleesch te bedekken. Een kapel (memoria) werd op den Broglio opgericht om de reliquie te ontvangen.

In 976 verwoestte een groote brand deze gedenk-kapel, en ook, ten minste gedeeltelijk, het hertogelijk paleis. Dit gebeurde gedurende de korte regeering van den Doge Pietro Orseolo I, die, zooals in een vroeger hoofdstuk is verteld, door St. Romualdus van Ravenna werd overreed om kluizenaar te worden en Venetië in het geheim te verlaten (zie p. 304). Men zegt, dat Orseolo een verzoek naar Constantinopel heeft gestuurd om bekwame bouwmeesters te zenden en zijn geheele vermogen heeft verbruikt om de kapel te herbouwen of misschien om den bouw van de veel grooter kerk te beginnen, die op dezelfde plaats langzamerhand verrees.

Dat Venetië reeds in deze vroegste tijden, niettegenstaande den merkwaardigen groei van zijn handel en zijn macht ter zee en niettegenstaande den schijnbaar stevigen vorm van regeering, blootgesteld was aan dergelijke gevaren, als die waarvan alle andere Italiaansche republieken te lijden hadden, blijkt uit de vele en ernstige intriges en ongeregeldheden, waarover wij berichten hebben in verband met de verkiezingen van de Doges, en de talrijke veeten en partijtwisten, die voortdurend in de stad heerschten. Om dit nader toe te lichten kunnen wij vermelden, dat tijdens de regeering van Memo, een zwakken en slechten man, die in 991, van moord verdacht, is afgezet, de invloedrijke familie van de Caloprini er bijna in slaagde hun geboortestad op te offeren aan de wraak, die zij wilden nemen op hun staatkundige mededingers, de Morosini; de Caloprini zochten hun toevlucht aan het hof van Otto II en overreedden hem met een sterke vloot en een groot leger op te trekken tegen Venetië, waar hun partijgenooten bereid waren om de belegeraars door verraad te helpen. Maar, gelukkig voor Venetië, werd het plan verijdeld door den dood van Otto.

Memo werd opgevolgd door een van de grootste van de Doges, Pietro Orseolo II, onder wiens regeering Venetië een aanvang maakte met die veroveringen, waardoor het zulk een belangrijke macht werd aan de Middellandsche zee; want hij onderwierp de Kroaten en de Adriatische zeeroovers en annexeerde Dalmatië. Sinds dien tijd werd door den Venetiaanschen Doge de titel “Doge van Dalmatië” gevoerd, en maakte Venetië zelf er aanspraak op heerscher van de Adriatische zee te zijn; het recht op deze heerschappij werd ook zinnebeeldig voorgesteld door een feest, de Sensa geheeten, waarbij de schepen van den Staat uitzeilden naar de open zee en de Doge door den Bisschop met zout water werd besprenkeld. Dit feest ontwikkelde zich in later tijden tot de schilderachtige plechtigheid van den Sposalizio, de bruiloft van Venetië met de Adriatische zee, een plechtigheid, die stand hield tot het jaar 1797, ongeveer achthonderd jaar, nadat de Sensa was ingesteld. Orseolo II wekte een groote bewondering op in het overgevoelige gemoed van Otto III. Men zal zich herinneren, dat deze vrome, overspannen vorst het plan (dat nooit verwezenlijkt zou worden) koesterde om zich uit de wereld terug te trekken, zooals de eerste Doge Orseolo had gedaan, en dat hij een tijdlang in het klooster van Classe, bij Ravenna, leefde, waar St. Romualdus tevergeefs trachtte hem te overreden zich voor altijd aan het kloosterleven te wijden. Gedurende zijn verblijf te Ravenna (omstreeks 1000) heeft Otto, “in slaafsche kleederen vermomd”, naar men vertelt, Venetië bezocht en tranen van ontroering kwamen hem in de oogen, toen hij den luister van de onlangs herbouwde kathedraal en het hertogelijk paleis aanschouwde. Maar ondanks deze tranen schijnt Doge Orseolo toch de Venetiaansche vloot niet beloofd te hebben (of in ieder geval niet geleend te hebben), die Otto zoo gaarne had willen gebruiken om zekere plannen van niet zeer godsdienstige strekking te volvoeren.

48. Karel van Anjou, Rome.

48. Karel van Anjou, Rome.

Omstreeks het jaar 1032 waren er reeds zoovele Doges afgezet, in ongenade gevallen of zelfs gedood, dikwijls wegens het vermoeden, dat zij er naar streefden een erfelijk despotisme te grondvesten, dat de Arengo wetten liet aannemen, die blijkbaar waren bedoeld als stappen in democratische richting, doch een tegengestelde uitwerking bleken te hebben. Tot dusverre had de Doge een bijna absolute macht bezeten, ofschoon hij door de stemmen van het volk werd gekozen en afgezet. Aldus was de Venetiaansche staat een republiek met een president, aan wien koninklijke macht was opgedragen; en toen dit een gevaarlijke proef bleek te zijn, beperkte de Arengo, in plaats van (zooals de koningen der Noormannen op Sicilië hadden gedaan) te werken in de richting van een regeeringsvorm met volksvertegenwoordiging, de macht van den Doge door hem twee consiglieri (raadslieden) te geven en hem te dwingen andere voorname en verdienstelijke burgers uit te noodigen om hem in zaken van groot gewicht met hun raad bij te staan. Deze particuliere raadslieden en deze kamer van de Pregadi (“uitgenoodigden”) maakten het absolutisme van de Doges onschadelijk, maar tevens was dit de kern, waaraan de Venetiaansche oligarchische tyrannie en de Raad van Tienen, die zulk een beruchten naam heeft, hun ontstaan te danken hebben.

Vijftig jaren later (1082–84) werd door Venetië, als bondgenoot van Alexius, den Keizer van het Oosten, de oorlog ondernomen tegen Robert Guiscard en werd de ongelukkige zeeslag bij Durazzo (zie p. 360) geleverd, waarin de vloot van de Venetianen werd vernield en die tengevolge had, dat Doge Selvo werd afgezet. Maar deze ramp kwamen de Venetianen weldra te boven. De dood van Robert Guiscard in 1085 was de oorzaak, dat de Noormannen van het oostelijk gedeelte der Adriatische zee wegtrokken, en daarna nam de Venetiaansche Doge zijn titel van Hertog van Dalmatië weder aan. Na dien tijd begon de macht van de Venetianen in het oostelijk deel van de Middellandsche zee zich snel te ontwikkelen.

Men zegt, dat Doge Selvo, wiens regeering van dertien jaren zulk een droevig einde nam, de nieuwe S. Marco met vele kostbare marmeren beelden en Byzantijnsche mozaïeken heeft versierd, zooals hij ook gedaan had met de S. Giacomo di Rialto12. Doge Orseolo I begon kort na den brand van 976 misschien een nieuw gebouw volgens het plan van de oude kerk van de Heilige Apostelen te Constantinopel, maar of het gebouw van Orseolo vernield is door een anderen brand of nooit is voltooid en weder is afgebroken, weten wij niet. In ieder geval neemt men gewoonlijk aan, dat de herbouw van de S. Marco in Byzantijnschen stijl omstreeks 1065, kort voor de regeering van Selvo, begonnen is. (Dat de overblijfselen van de oude gedenk-kapel en van de nog oudere kerk van S. Teodoro voor het nieuwe gebouw gebruikt zijn, wordt bewezen door het feit, dat ongeveer dertig jaren geleden gedeelten van deze kerken in het tegenwoordige gebouw gevonden werden). In 1094 was de nieuwe, prachtige kerk gereed om ingewijd te worden; maar na den grooten brand van 976 was het stoffelijk overschot van den H. Marcus verdwenen, blijkbaar door de vlammen vernield. De merkwaardige geschiedenis van zijn gelukkige redding, de miraculeuze wijze, waarop hij zichzelf door den geur en het uitstrekken van een hand met den gouden ring openbaarde, behoeft hier niet verteld te worden. Diegene van ons, die niet dadelijk bereid mochten zijn de legende aan te nemen, zooals deze door de Venetiaansche kunstenaars wordt voorgesteld, kunnen misschien overtuigd worden door de mededeeling dat in 1811 het lichaam van den Heilige13, of hetgeen als zoodanig dienst moest doen, ontdekt werd in de crypte van de kerk en dat aan den vinger de beroemde gouden ring werd gevonden en niet ver daarvandaan een metalen plaat, waarop de datum (8 October 1094) en de naam van Selvo’s opvolger, Doge Vitale Falieri gegraveerd was.

Onder hen, die in dezen tijd Venetië bezochten om hun hulde brengen aan de overblijfselen van den Heilige14 en de nieuwe kathedraal met haar oostersche mozaïeken en marmeren beelden te zien, was Hendrik IV. Hij werd op luisterrijke wijze ontvangen en uit dankbaarheid voor de privileges, die hij aan de Venetiaansche kooplieden toestond, ontving hij waarschijnlijk de belofte, dat de Venetiaansche vloot hem zou bijstaan tegen zijn talrijke vijanden, want in dit tijdperk van zijn regeering was hij niet slechts gewikkeld in den wanhopigen strijd tegen het Pausdom en tegen de steden, die overal in Italië waren opgestaan, maar ook was hij in botsing gekomen met zijn eigen zonen, hetgeen een veel droeviger ramp voor hem was.

De Venetianen namen op schitterende wijze deel aan den eersten en tweeden kruistocht, misschien meer met het oog op handelsbelangen dan uit godsdienstige beweegredenen, ofschoon Ruskin ons verzekert, dat Venetië, al was het ook zeer begeerig, toch oprecht vroom was en niet alleen zonder meer beheerscht werd door een begeerte naar geld maar ook naar roem en marmeren zuilen. Als een bewijs van zijn commercieele afgunst kunnen wij misschien het feit beschouwen, dat Venetië op den eersten kruistocht met gunstigen afloop een zeer belangrijken zeeslag tegen de Pisanen leverde bij Rhodus, en als een staaltje van zijn begeerte naar het bezit van marmeren zuilen kunnen wij ons de drie prachtige zuilen in herinnering brengen, die in 1127 door Doge Michieli naar zijn vaderstad werden gebracht; Michieli was naar het oosten getrokken om Koning Boudewijn te helpen, had de Saraceensche vloot bij Jaffa (Joppe) een verpletterende nederlaag toegebracht, had Tyrus helpen innemen en op zijn terugtocht vele eilanden, die aan den Keizer van het Oosten behoorden, veroverd en geplunderd. Bij den schitterenden buit, dien hij in triomf naar Venetië bracht, waren de lichamen van de twee heiligen, waarover reeds gesproken is en deze drie groote zuilen; éen van deze ligt nog in het groote kanaal en de andere twee werden met veel moeite opgericht onder de bekwame leiding van een Lombardisch ingenieur, Barattieri, en hebben reeds meer dan 700 jaar op de Piazzetta gestaan15.

In 1172 vond er weder een verandering in de staatsregeling plaats. Het gezag van den Doge werd nogmaals beperkt, maar voor den tweeden keer werd de macht van de edelen vergroot door een maatregel, die zooals het volk geloofde, een democratische strekking had, doch inderdaad een tegengestelde uitwerking bleek te hebben. De sestieri (zes wijken van de stad) kregen in naam het recht den grooten jaarlijkschen Raad te kiezen; maar ofschoon dit lichaam voor de eerste maal gekozen werd door de twaalf, die de zes wijken benoemd hadden, benoemde de Raad na het eerste jaar zelf de twaalf kiezers. Er werd ook door den Raad een commissie uit zijn leden afgevaardigd om den Doge te kiezen. Aldus werd het volk ten opzichte van zijn kiesrecht bedrogen.

In 1177 had te Venetië de dramatische ontmoeting plaats van Frederik Barbarossa en Paus Alexander III. Dit is reeds beschreven in het Historisch Overzicht (p. 337). Tijdens den derden kruistocht (1189–92), waarbij Frederik Barbarossa het leven verloren heeft, zonden de Venetianen, waarschijnlijk weder met het oog op hun handelsbelangen en misschien ook om andere redenen, een sterke vloot naar het oosten, waar zij zich onderscheidden bij het ontzet van Tyrus en de belegering van Akkon (Acre).

In 1193 werd tot Doge de beroemde Enrico Dandolo gekozen, wiens naam misschien bij sommigen van ons eerst bekend is geworden door Byron16, al is het twijfelachtig of Byron hem met recht blind noemt17. Reeds gedurende een halve eeuw had hij uitgeblonken zoowel in de staatkunde als in den oorlog, en ofschoon hij nu reeds ongeveer vijf en tachtig jaar oud was, zullen wij toch nog veel meer van hem hooren in een later hoofdstuk, want op den leeftijd van zeven en negentig veroverde hij tweemaal Constantinopel en zijn wapenfeiten bij de bestorming van die stad hebben hem met een nimbus van roem omgeven, die zelfs door de onrechtvaardigheid en de verschrikkingen van dezen zoogenaamden vierden kruistocht niet verbleekt is.

Milaan.

De geschiedenis van Milaan biedt een zeer sterke tegenstelling met die van Venetië. Het was geen zeemogendheid en evenmin een welvarende handelstad. Het bezat geen natuurlijke verdediging, en daar het dicht bij de noordelijke poorten van Italië lag, is het steeds de prooi geweest van indringers en heeft het wellicht meer dan eenige andere stad in Europa, met uitzondering misschien van Rome, geleden, door verwoesting en vreemde overheersching, van den val van het Romeinsche Keizerrijk tot onze dagen. Venetië was, ofschoon het volstrekt niet altijd een voorbeeld van politieke vrijheid was, toch onder haar eigen Doges gedurende elf eeuwen (697–1797) autonoom, terwijl Milaan tweemaal bijna geheel met den grond gelijk werd gemaakt, en gedurende al deze lange eeuwen zuchtte onder het juk van vele vreemde heerschers18, uitgezonderd de twee eeuwen (1076–1277) van stormachtige en onzekere republikeinsche vrijheid.

Van het Romeinsche Mediolanum, ofschoon het van de dagen van Diocletianus tot den tijd van Attila de residentie was van de Westersche Keizers was en, naar men zeide, Rome in omvang en belangrijkheid evenaarde, is nauwelijks iets overgebleven, behalve de zestien Corinthische zuilen in den Corso della Porta Ticinese. Uit de dagen van St. Ambrosius en St. Augustinus bestaan waarschijnlijk nog slechts eenige gedeelten van de basiliek van S. Ambrogio, die geheel gereconstrueerd is in de negende eeuw, en ofschoon de Franken en Bourgondiërs, die in 538 de stad plunderen en volgens Procopius 300.000 inwoners slachtten, naar men vertelt een paar kerken hebben gespaard, is naar alle waarschijnlijkheid het oudste ongeschonden gebouw in Milaan de S. Lorenzo, die eenige jaren na de zoo even vermelde ramp gebouwd werd19 op de fundamenten van een Romeinschen tempel.

Sinds de dagen van St. Ambrosius was de kerk van Milaan, evenals die van Ravenna, geneigd haar onafhankelijkheid tegenover Rome te handhaven, en in tijden van gevaar of wanorde na den val van het Longobardische koninkrijk maakten de Aartsbisschoppen van Milaan zich soms van de leiding van de stad meester en namen de teugels van het burgerlijk gezag in handen. Een treffend voorbeeld hiervan ziet men in den persoon van den Aartsbisschop Aribert (Heribert, Herbert), die ongeveer tien jaar lang, van 1035 tot 1045, zich tegen de Keizers Koenraad II en Hendrik III verzette. Eerst stond hij aan den kant van de keizerlijken (voor kroning van Koenraad en Gisela zie p. 310) en voerde den adel aan tegen het volk en de lagere nobiliteit; maar er viel verdenking op hem en hij werd door Koenraad gevangen genomen. Ten slotte stelde hij zich aan het hoofd van de volkspartij en trotseerde de keizersgezinde edelen en de strijdmacht van den Keizer, die Milaan aanviel, maar stierf, terwijl het nog steeds belegerd werd. Aribert schijnt de geheele burgerij met geestdrift voor de vrijheid bezield te hebben en sloeg de aanvallen van de belegeraars dapper af. Een uitvinding van hem, die later door andere Italiaansche steden werd nagevolgd20, bleek zeer krachtig de vaderlandslievende gevoelens van de burgers op te wekken. Dit was de Carroccio, die, evenals de Ark van de Israelieten, de burgers naar het slagveld vergezelde, een wagen, die door ossen werd getrokken, en waarop een mast stond met een groot crucifix en twee wapperende vaandels. Van dezen wagen of van een tweeden, die daar achter kwam, weerklonk de bel, die aan den strijders signalen gaf.

Ondanks den gunstigen uitslag van dezen strijd bevond Aribert zich toch in een zeer moeilijken toestand als tegenstander van de aristocratische partij, waartoe hij behoorde als een verdediger van de onafhankelijke Milaneesche Kerk en van het huwelijk der geestelijken. De hervormers van Cluny en Hildebrand, die de partij van het Pausdom en het coelibaat vertegenwoordigden, waren op de hand van het volk van Milaan, evenals Aribert, maar zij waren bittere vijanden van de autonomie der Milaneesche Kerk van St. Ambrosius, waarvan hij, evenals de adel, een vurig voorstander was. Eindelijk trok hij zich uit het openbare leven terug en stierf kort daarna (1045). Na zijn dood hadden er hevige gevechten plaats, daar het volk voor zijn politieke vrijheid en religieuze slavernij streed, terwijl de adel, die krachtig opkwam voor de onafhankelijkheid van zijn Kerk en gehuwde geestelijken, zelfs bereid was zijn staatkundige vrijheid aan den vreemden vijand te verraden. Ten slotte kreeg de partij van den Paus en het volk de overhand; de gehuwde priesters werden uit de kerken gejaagd en hun echtgenooten in het openbaar door de vrouwen van de stad gehoond en beleedigd. Een diaken van de Kerk van Rome, Erlembald, maakte zich meester van het hoogere gezag en regeerde een tijdlang over Milaan met een Raad van Dertig, terwijl hij zich zulk een ijverig voorstander van de pauselijke partij betoonde, dat hij door den Paus vereerd werd met den titel van il Gonfaloniere della Chiesa. Doch er waren nog vele, die aan hun Ambrosiaansche Kerk verknocht waren, en toen Erlembald bij een oproer was gedood, besloten de Milaneezen zich voor een nieuwen aartsbisschop te wenden tot Hendrik IV, en niet tot Gregorius; wegens die daad werd Milaan door den banbliksem van den Paus getroffen.

Niet lang daarna hooren wij voor het eerst van Consuls te Milaan. Het schijnt wel alsof de Milaneezen besloten hadden hun godsdiensttwisten ter zijde te zetten ter wille van hun republikeinsche vrijheid. Ongeveer zestig of zeventig jaren lang wordt er weinig vermeld, een feit, dat men zonder twijfel moet toeschrijven aan betrekkelijk vreedzame en welvarende toestanden. Omstreeks 1154 wordt deze rust afgebroken door de geweldige botsing van Frederik Barbarossa met de Lombardische steden en, zooals wij reeds weten, was Milaan het middelpunt, de Carroccio als het ware, waar om heen zich de strijd ontwikkelde. Den uitslag van dien strijd en de lotgevallen van Milaan hebben wij reeds beschreven.

Florence (tot 1200)

La bellissima e famosissima figlia di Roma, Fiorenza.

Dante.

In verband met Florence, dat later in het bijzonder onze aandacht zal vragen, is er betrekkelijk weinig van algemeen belang te vermelden gedurende deze vier eeuwen en dit onderwerp wordt dan ook, niet alleen door den Taciteïschen Machiavelli, maar zelfs door Sismondi in zijn uitvoerig werk van zestien deelen kort afgehandeld. Er zijn echter verschillende bijzonderheden, die alleen door het feit, dat zij betrekking hebben op de “schoonste dochter van Rome”, een sterke bekoring uitoefenen op allen, die de Italiaansche kunst en de Italiaansche literatuur liefhebben. Wij zullen hier in het kort de vroegste lotgevallen van de stad beschrijven en dan eenige van deze details geven, zonder ons bij het laatste al te zeer om den historischen samenhang te bekommeren.

Florentia was ongetwijfeld oorspronkelijk niets anders dan een aanlegplaats aan de rivier van de Etruriërs en Galliërs, die de vesting Faesulae op den heuvel bewoonden. Het werd eerst een stad, toen de pax Romana na de burgeroorlogen van Marius en Sulla grootere veiligheid aan de laaglanden verschafte. Faesulae deed dienst als hoofdkwartier van het leger van Catilina. Toen dit genomen werd, zijn waarschijnlijk de zware Etruscische muren (waarvan nu nog overblijfselen zijn gevonden) geheel afgebroken; maar de stad bleef bestaan. Florentia werd volgens de overlevering door Julius Caesar gesticht. Hij vergrootte het waarschijnlijk en omgaf het met muren, gelijk Romulus het gedaan had met Roma quadrata, als Romeinsche castra (zie p. 68). Hij voorzag het van baden en tempels, een citadel en een amphitheater, en bevolkte het niet alleen met bewoners van Faesulae maar ook met Romeinsche coloni21. Overblijfselen van het oude Romeinsche Florentia kan men misschien vinden in den onderbouw van het Baptisterium22, dat volgens den ouden geschiedschrijver Villani († 1348) oorspronkelijk een tempel van Mars, den beschermgod van Florence, was geweest. Een ander zeer belangrijk overblijfsel, dat ten slotte verdwenen is door de groote overstrooming van 1333, twaalf jaren na den dood van Dante, was een standbeeld van Mars. Dat stond misschien vroeger in dien tempel. Later werd het op een zuil dicht bij de rivier geplaatst; het werd er door de Goten afgeworpen en lag eeuwen lang in of bij het water. Toen de Ponte Vecchio werd herbouwd (volgens sommigen door Karel den Groote, waarschijnlijk gebeurde dit niet voor 1180 ongeveer) werd het verweerde standbeeld, of beter hetgeen er nog van over was, aan het begin van de brug gezet, waar het later met sombere gebeurtenissen in verband werd gebracht; want dicht bij dezen “verminkten steen, die de brug bewaakt”23, zooals Dante zegt, werd aan den oorlogsgod de jonge Buondelmonte geofferd; en deze moord had de uitbarsting van den bitteren strijd tusschen de Neri en Bianchi te Florence ten gevolge.

49. S. Maria di Collemaggio, Aquila.

49. S. Maria di Collemaggio, Aquila.

Maar, om terug te keeren tot vroegere tijden, men zal zich herinneren, hoe, omstreeks het jaar 405 Florence, evenals Fiesole, werd belegerd door Radegast en zijn geweldig leger van barbaren uit het noorden en hoe Stilicho aanrukte om de stad te ontzetten en de belegeraars versloeg (zie p. 69). Villani schrijft de redding toe aan de uitwerking van de gebeden van den eersten, grooten bisschop van Florence, St. Zenobius; de meesten van hen, die Florence bezocht hebben, zullen de legenden, die met hem in verband staan, wel kennen. Ongeveer honderd en vijftig jaren later, heeft Totila, zegt men, de stad geplunderd en alles verwoest, behalve het Baptisterium, een daad, waarvan Dante ten onrechte Attila beschuldigt. Nadat wederom eenige eeuwen waren verloopen, bracht Karel de Groote een bezoek aan de stad; hij stichtte, zooals de overlevering en een inscriptie op den voorgevel verzekeren, de kleine basiliek van de Santi Apostoli, die hij door den Aartsbisschop Turpin in tegenwoordigheid van Orlando en andere van zijn paladijnen liet inwijden(!).

Over de gebeurtenissen gedurende de heerschappij van de Karolingers en de woelige tijden van den zoogenaamden regno d’ Italia indipendente kan weinig met zekerheid vermeld worden. Dat de stad nu zeer welvarend was, blijkt wel uit de herhaalde bezoeken, die de Keizers, zooals de Otto’s, er brachten, en ook uit het feit, dat vele prachtige Romaansche bouwwerken door de kroniekschrijvers genoemd worden. Onder deze moeten wij in het bijzonder op de S. Miniato de aandacht vestigen, die volgens Machiavelli door Hendrik II in 1002 gesticht is. Zij is van al deze Romaansche kerken, die nog in Florence over zijn, het eenige ongeschonden voorbeeld.

Ten tijde van Otto II en Otto III werd Florence (tot 1001 of misschien tot 1006) bestuurd door den beroemden Markies Ugo van Brandenburg, il gran barone, zooals hij door Dante wordt genoemd, den voorvader van vijf adelijke Florentijnsche geslachten, wiens graftombe, gebeeldhouwd door Mino da Fiesole, men in de Badía (de Abdij-kerk, gesticht door zijn moeder, Gravin Willa, in 978) kan zien. Zijn opvolger, Markies Bonifacius, die zijn macht uitbreidde als Hertog van Ferrara, Modena en Mantua, was de vader van de bekende Gravin Mathilde, van wie wij reeds zooveel gehoord hebben.

Onder Bonifacius († 1052), zijn weduwe Beatrice († 1076) en hun dochter Mathilde († 1115) werd Florence een belangrijk handelscentrum en breidde zich uit buiten de cerchia antica van haar oude muren, waarbinnen nog in de dagen van Dante de klokken den Florentijnen de uren verkondden24. Dit was de Gouden Eeuw van Florence, die met zoo groote liefde door den ouden Cacciaguida in den Paradiso25 wordt beschreven. De stad was wat haar gezindheid betrof geheel Welfsch, en de ellendige inwendige veeten waren nog niet binnengedrongen. Mannen en vrouwen leidden het eenvoudige leven van den heldentijd. Zij konden nog aan iets hoogers denken dan aan het vermoorden van hun medeburgers. Cacciaguida zelf, zooals wij reeds weten, gordde het zwaard van kruisvaarder aan en volgde Keizer Koenraad III naar het oosten, waar hij in den strijd tegen de ongeloovigen werd gedood, “ontzwachteld uit de bedriegelijke wereld”, om zijn eigen vreemde uitdrukking26 te gebruiken. En wij vernemen, hoe een andere Florentijnsche kruisvaarder, een lid van het edele geslacht der Pazzi, uit Jeruzalem stukken van het Heilige Graf meebracht, waaruit de bisschop in tegenwoordigheid van een opgewonden menigte vuur sloeg om daarmede de kaarsen op het hoogaltaar aan te steken—een feit, dat nog steeds met Paschen herdacht wordt door de plechtigheid van de witte duif, de columbina della casa de’ Pazzi, die hetzelfde heilige, altijd brandende vuur van het altaar van den Duomo brengt om het vuurwerk van den carro de’ Pazzi op de Piazza te ontsteken.

Omstreeks 1063, tijdens de regeering van Gravin Beatrice en haar tweeden gemaal, Godfried van Lotharingen, kwam de stemming van het volk tot een uitbarsting, die door haar heftigheid en hardnekkigheid bewees, hoe onafhankelijk en onhandelbaar de Florentijnen werden. Keizer Hendrik IV, die zooals wij gezien hebben, met de Pausen over de verkiezing en de investituur van de bisschoppen streed en die vele van zijn eigen bisschoppen had benoemd, trachtte den Florentijnen een bisschop, Mezzabarba geheeten, op te dringen; zijn vijanden beschuldigden er hem zelfs van den bisschopsstaf aan dien man verkocht te hebben. Ongeveer vijf jaren lang heerschten er voortdurende onlusten. De Paus zond tevergeefs Pietro Damiano om den vrede te herstellen. Ten slotte verscheen een kampioen, een dweepzieke monnik, die aanbood zich aan den vuurproef te onderwerpen en, gelukkiger dan de arme Savonarola, daar ongedeerd afkwam. Daarop werd hij tot bisschop gekozen en moest Mezzabarba verdwijnen.

In 1114, een jaar voor den dood van Mathilde, verzochten de Pisanen (die later zoo gehaat waren in Florence, dat Dante op hen schimpt als “vossen vol bedrog” en als “de schande van het schoone land waar men si hoort”) de Florentijnen, of zij hun land tegen Lucca wilden beschermen, terwijl zij op hun expeditie naar de Balearische eilanden waren. Dit deden de Florentijnen en de Pisanen schonken hun uit dankbaarheid de twee prachtige porfieren zuilen, die bij den oostelijken ingang van het Baptisterium en de bronzen deuren van Ghiberti staan. Het lijkt wel een uiting van lage wraak, dat de Florentijnen juist aan deze zuilen de kettingen uit de haven van Pisa hebben opgehangen, die de Genueezen op de Pisanen veroverd hadden. In onze dagen evenwel is dit onrecht hersteld, en thans hangen de kettingen in den Campo Santo te Pisa.

Ten opzichte van haar bekende nalatenschap schijnt Mathilde zich als particuliere eigenares een recht te hebben aangematigd, waarop zelfs de machtigste van de feudale monarchen ternauwernood aanspraak zou durven maken. Het was haar bedoeling aan de Kerk, en wel aan den Paus als vertegenwoordiger van de Kerk, niet alleen haar allodiale bezittingen na te laten, maar ook het geheele Toskaansche gebied, dat voornamelijk uit leengoederen bestond, die volgens het feudale stelsel aan het Keizerrijk vervielen. Deze nalatenschap bracht veel ellende met zich mede, maar voor Florence was het indirect een zegen, daar de poging om het gebied van de stad bij ontstentenis van een rechtmatigen opvolger willekeurig weg te schenken voor de stad een prikkel werd om te streven naar republikeinsche vrijheid.

De republikeinsche regeeringsvorm, die langzamerhand werd ingevoerd, zal bij latere gelegenheden onze aandacht trekken. Het zal hier voldoende zijn er op te wijzen, dat het eenige krachtige bolwerk van de volkspartij bestond in de Kooplieden-gilden (Arti), waardoor de middenstand, die vooral veel invloed had door den handel en de ambachten, zich vereenigde tegen den adel. Een feit, dat het zelfvertrouwen van de burgers verhoogde en hun besef gaf van hun eigen kracht, was de inneming en verwoesting van Fiesole, dat, ofschoon het geen sterke vesting meer was, den burgers van de jonge republiek een doorn in het oog was geworden.

In 1173 werd de stad met een nieuwen, tweeden kring van muren omgeven. Deze sloten een aanmerkelijk grooter ruimte in dan het oude Florentia quadrata, ofschoon veel van hetgeen wij gewoon zijn te beschouwen als typisch Florentijnsch buiten die muren staat. Een paar jaren later werd de volksregeering voor eenigen tijd omvergeworpen door een opstand van den adel, die geleid werd door het Duitsche geslacht der Uberti, voorvaders van Farinata, dien Dante in den Inferno uit zijn vlammende graftombe zag oprijzen met somberen en uitdagenden trots, “alsof hij de Hel in groote verachting hield”27, maar die zeker een beter lot verdiend had als degenen, die Florence van volkomen ondergang na de nederlaag bij de Arbia gered had.

Munt van Florence, c. 1200.

Munt van Florence, c. 1200.

De Uberti zetten de republikeinsche Consuls af en hadden gedurende twee jaren ongeveer (1177–79) het hoogste gezag in handen, maar toch bleek ten slotte de volkspartij krachtiger te zijn en niettegenstaande Frederik Barbarossa hen trachtte te overweldigen, dwongen zij eindelijk den adel zich te onderwerpen aan den door het volk gekozen magistraat28 en zich, voor een deel ten minste, te vestigen binnen den kring van de nieuwe muren in de nieuwe stadswijken (Sestieri). Deze regeling was blijkbaar noodzakelijk, maar het bracht een nieuw en verschrikkelijk gevaar mede, want deze edelen begonnen nu onneembare torens29 binnen de grenzen van de stad te bouwen en vormden de zoogenaamde “torenvereenigingen” (Società delle Torre), die gericht waren tegen de Arti of Kooplieden-Gilden. Bovendien begonnen zij, daar zij zoo dicht bij elkander woonden, onderling strijd te voeren. Het kwam tot een uitbarsting in 1215, toen, zooals wij reeds verteld hebben, de jeugdige Buondelmonte werd vermoord om de beleediging te wreken, die hij de aanzienlijke, aan de Uberti verwante familie der Amidei had aangedaan door zijn verloving te verbreken en een meisje van het geslacht der Donati te trouwen. Dit had het uitbreken van de familie-veeten ten gevolge, die, in verband met de politieke twisten der Welfen en Ghibellijnen, gedurende vele jaren Florence zoo veel ellende zouden brengen.


1 Met het Pausdom, een staatkundige macht, die om zoo te zeggen over “tooverwapens” beschikte, kan uit de Grieksche geschiedenis niets vergeleken worden, ofschoon de listen van de Delphische priesters dikwijls grooten invloed hadden. Wat betreft de ellendige inwendige twisten en het verraderlijke heulen met buitenlandsche vijanden, Perzen, Macedoniërs, Saracenen, Duitschers, geven Griekenland en Italië elkander weinig toe.

2 Sommigen hebben getracht de Italiaansche republiek in verband te brengen met het Romeinsche municipium, anderen met het volkselement in het Longobardische regeeringsstelsel; maar de ware bron moet men zonder twijfel in den menschelijken aard zoeken.

3 Amalfi, dat nu een visschersdorp is, gelegen tusschen de steile rotsen, die de Baai van Salerno insluiten, was in die dagen een stad van 50.000 inwoners. Onder zijn Dogen en later onder het bestuur van de Noormannen strekte het zijn handel uit tot Egypte, Syrië en Arabië en bracht een belangrijk gedeelte van de eerste Kruisvaarders naar het Oosten. Een bewijs van zijn macht ter zee zijn de Tavole Amalfitane, een maritieme code, die langs de geheele Middellandsche zee gebruikt werd. Naar een stichting, die door een rijk koopman uit Amalfi te Jeruzalem gegrondvest was, droegen de Hospitaalridders (Johanniters) hun naam. Het lage gedeelte van de stad Amalfi is door overstroomingen weggespoeld.

4 De Saracenen hadden tot nog toe Sardinië, Corsica, de Balearen en een groot gedeelte van Spanje en Noord-Afrika in hun macht gehad. Zij hadden zelfs Genua geplunderd (936) en staken een deel van de stad der Pisanen in brand en breidden hun rooftochten uit tot Ostia. Op Sicilië heerschten zij, totdat zij door de Noormannen werden overwonnen (1070–1090).

5 Na de verovering van Sardinië en Corsica versloegen de Pisanen de Saracenen bij Tunis en in 1063 vernielden zij een sterke vloot van de Muzelmannen op de hoogte van Palermo. In 1114 veroverden zij de Balearen. Het hoogtepunt van de macht van Pisa ter zee kan men wellicht het jaar 1203 noemen, toen zij de drie en vijftig scheepsladingen aarde van Jeruzalem naar hun stad voerden om hun Campo Santo te maken. Tachtig jaar later werd hun door de Genueezen en Florentijnen een verpletterende nederlaag toegebracht bij het rotseilandje Meloria (bij Livorno).

6 Zij leenden b.v. dikwijls schepen aan Frederik I en Hendrik VI. De gunst van den Keizer bekrachtigde wel is waar vele van hun rechten en hielp hen tegen mededingers, maar deze hardnekkige Ghibellijnen en boosaardige republikeinen zijn toch een schandelijk verschijnsel, waarop men liever terugziet als een achtergrond voor de verroeste ketenen, die nu op den Campo Santo hangen, oude zegeteekenen, die Genua en Florence aan Pisa hebben teruggegeven in de negentiende eeuw, toen Italië het waard bleek te zijn een natie te worden.

7 Het schijnt, dat Ravenna zich op een afstand hield en imperialistisch gezind was. Het stond onder keizerlijke Podestà en later onder de Polenta. Ferrara werd bestuurd door de Markiezen van Este sinds den tijd van Hendrik IV tot de dagen van Tasso, meer dan vijfhonderd jaar. Bologna werd door Hendrik V tot een vrije stad gemaakt in 1112 en sloot zich bij den Bond aan; maar eerst in 1228 verjoeg het zijn edelen en aanvaardde een volledigen republikeinschen regeeringsvorm, zooals die van Florence.

8 Na den dood van Gravin Mathilde in 1115 verwierf Siena de onafhankelijkheid en kort daarna nam het, tenzij de stad reeds lang geleden daartoe het recht had gekregen van Karel of Otto den Groote, zooals de overlevering beweert, als zijn banier een witten leeuw op een rood veld aan met het woord Libertà. Omstreeks dezen tijd bracht Siena dien grooten en gelukkigen tegenstander van Frederik, Paus Alexander III voort. Later kregen de edelen weder de overhand en het was door de hulp van Siena, dat de Florentijnsche Ghibellijnsche ballingen den bloedigen slag bij Montaperti aan de Arbia wonnen (1260). S. Gimignano, dat het eerst vermeld wordt in de 10e eeuw en langen tijd aan Volterra onderworpen was, verwierf zijn vrijheid reeds voor 1200 en had zijn eigen consuls en gemeenteraad.

9 Geheel herbouwd en met Grieksche mozaïeken voorzien door Doge Selvo in 1073 en op een andere plaats gebouwd in 1322.

10 Dit paleis is in 976 afgebrand en herbouwd in 1025, en daarna is het dikwijls veranderd.

11 Een geschenk van Leo, den keizer van het Oosten. De tegenwoordige kerk, die omstreeks 1470 op dezelfde plaats is gebouwd, ten oosten van het hertogelijk paleis, bevat geen gedeelten, waarvan bewezen is, dat zij van het oorspronkelijk gebouw zijn.

12 Zie p. 374, noot. De liefde van Selvo voor Byzantijnsche bouwkunst en mozaïekwerk werd ongetwijfeld aangewakkerd door zijn echtgenoote, een Grieksche prinses, di tanta delicatezza, dat zij gewoon was zich in dauw te baden en een gouden vork in plaats van haar handen gebruikte om het voedsel naar haar mond te brengen.

13 Naar aanleiding hiervan wijs ik op een bijzonder bruikbaar boekje op dit gebied: “De Heiligen in de Kunst” door M. E. Tabor [Vertaler].

14 Het aantal lichamen van heiligen, die genoemd worden in verband met de geschiedenis van Venetië, is verbazingwekkend. Wij lezen b.v. van het lichaam van den H. Stephanus, dat uit Constantinopel gestolen is; van een hand van Johannes den Dooper en het lichaam van zijn vader, die beide door Keizers van het Oosten ten geschenke zijn gegeven; van de lichamen van den H. Isidorus en den H. Donatus; de aanwinst van deze twee laatste werd als een grooter triomf beschouwd dan de inneming van Tyrus of van Jeruzalem.

15 Voor bijzonderheden zie men Ruskin’s St. Mark’s Rest en ook Venice, in Mediaeval Towns. Een vreemde toelichting op de verklaringen van de schrijvers, zoowel van oude als van moderne, ten opzichte van de reusachtige welvaart van Venetië in deze periode is de mededeeling van anderen, dat gedurende de regeering van Doge Vitale Falieri (1085–96) twee derde van de burgerij omkwam door hongersnood en aardbeving.

16 De Schrijver vindt het onnoodig aan te teekenen, waar dit vers bij Byron voorkomt. Bedoeld wordt: Childe Harold’s Pilgrimage IV. 12 “Oh, for one hour of blind old Dandolo!” [Vertaler].

17 De blindheid van Dandolo is een van de raadsels in de geschiedenis. De kroniekschrijvers verschillen hopeloos op dit punt. Een van hen, die voortdurend in zijn gezelschap was, zegt, dat hij volstrekt niets kon zien. Anderen zwijgen over dit onderwerp.

18 Goten, Longobarden, Franken, Saksers, Hohenstaufen, de Visconti, Sforza’s, Lodewijk XII, Frans I, Karel V, Philips van Spanje, Oostenrijkers, Napoleon, daarna weder Oostenrijkers. De Franschen veroverden Milaan viermaal.

19 In navolging van de S. Vitale te Ravenna. Er zijn verscheidene Romaansche kerken (Simpliciano, Sepolcro en andere), die door de latere ramp van 1162 niet verwoest zijn.

20 Ook door de Engelschen in 1138 nagevolgd. Bij Montaperti in 1260 boden de Florentijnsche Welfen het laatst wanhopig weerstand rondom hun Carroccio. Deze Florentijnsche Welfsche Carroccio was rood geverfd, zooals hun giglio vermiglio, dien Dante (Parad. XVI. 154) vermeldt. Hun bel heette, volgens Machiavelli, de Martinella.

21 Dante was overtuigd dat hij van Romeinsche afkomst was. Het is waarschijnlijk, dat zijn geslacht (Alighieri) afstamde van de Romeinsche Frangipani van later dagen. In de Divina Commedia (Inferno XV, 61) laat hij zijn ouden leermeester Brunetto Latini met minachting en haat spreken over de bestie Fiesolane, “dat ondankbaar en kwaadwillig volk, dat in vroeger dagen van Fiesole nederdaalde” en twist en andere ellende in Florence bracht. In den Paradiso spreekt Justinianus over den Romeinschen adelaar, die verderf bracht over den heuvel, aan welks voet Dante was geboren.

22 Blijkbaar gebouwd op de plaats van den tempel, misschien door St. Ambrosius, die zooals bekend is, in 394 de S. Lorenzo gesticht heeft of door zijn vriend Zenobius of misschien in de zesde eeuw? of door Theodelinda? Het was de kathedraal tot 1128, toen deze eer overging op de S. Salvatore (S. Reparata?), het origineel van S. M. del Fiore. Gedurende veertien eeuwen ongeveer heeft Dante’s il mio bel San Giovanni gediend als het eenige Katholieke baptisterium voor de Florentijnen. Hier werd Dante, evenals zijn voorvader Cacciaguida, gelijk hij ons vertelt, gedoopt, en hier hoopte hij, tevergeefs, eenmaal als dichter gekroond te worden (Paradiso XV, 135).

23 Paradiso XVI, 145. Men zie ook Inferno XXVIII, 107, waar Dante het beroemd geworden gezegde van Mosca dei Lamberti aanhaalt: “Cosa fatta capo ha” d.w.z. wie eenmaal begonnen is, dient door te zetten. [Vertaler].

24 Ond’ ella (Fiorenza) toglie ancora e terza e nona, Paradiso XV, 98.

25 Paradiso XV en XVI.

26 Disviluppato dal mondo fellace. Par. XV, 146.

27 Inferno X, 36, come avesse lo inferno in gran dispitto.

28 Omstreeks dezen tijd stelden de Florentijnen, in plaats van Consuls, als hun hoogsten magistraat een Podestà aan (een “Macht” of “Autoriteit”, bijna een dictator, oorspronkelijk de naam van een Duitsch bestuurder, die door den Keizer voor een stad werd benoemd). Hij was geen Florentijn, maar een vreemdeling en hij mocht geen Florentijnsche trouwen en ook niet eten of drinken in het huis van een burger.

29 Een treffend voorbeeld van deze wijze van bouwen wordt gegeven door de vijftig (thans dertien) torens van het kleine stadje S. Gimignano. Zie Plaat 54.