Men zal zich herinneren, dat, een jaar voordat Frederik Barbarossa in den Salef verdronk, zijn zoon Hendrik door zijn gemalin Constantia de opvolger werd van Willem den Goede van Sicilië, wiens huwelijk met Joan van Engeland kinderloos was gebleven. Vele Sicilianen echter weigerden den Duitschen vorst te erkennen, die hun door den Engelschen Aartsbisschop Of a Mill (Offamilio) was opgedrongen. De staatkundige mededinger van Offamilio, Aiello van Salerno, die jaren lang het ambt van Staatssecretaris (protonotario) van den overleden koning had bekleed, verwekte een opstand ten gunste van Tancred, Graaf van Lecce (in Apulië), bastaard-zoon van Hertog Roger, een zoon van Koning Roger en liet hem tot koning kronen; en Paus Clemens III zond zijn zegen. Dadelijk verzamelde Hendrik VI, die zich door zijn wreed en niets ontziend karakter reeds berucht had gemaakt, een leger en zwoer wraak te zullen nemen; maar de berichten van den dood van zijn vader in het oosten en de opstand van Hendrik den Leeuw noodzaakten hem weder om de Alpen over te steken. Hij overweldigde zijn mededinger naar de Duitsche keizerskroon snel en was weldra in Rome terug; aldaar kon hij den Paus (Celestinus III) dwingen hem tot Keizer te kronen (1191), nadat hij door een zeer laffe daad1 de gunst van de bevolking van Rome gewonnen had. Daarna marcheerde hij zuidwaarts om de “Beide Siciliën” te onderwerpen en belegerde met de hulp van schepen uit Pisa (die “schande van Italië”, zooals Dante de stad noemt) Napels, dat in dezen tijd een bijna onafhankelijke stad was. Maar de schepen van de Noormannen verdreven de Pisanen en Hendrik keerde met een leger, dat door ziekte gedecimeerd was, naar Duitschland terug2. Hierop werd de partij van Tancred in Zuid-Italië aanmerkelijk sterker. De inwoners van Salerno verbraken hun verbond met den Duitschen Keizer en leverden de Keizerin, Constantia, die juist in dien tijd in hun stad verblijf hield, aan Tancred uit; doch deze was ridderlijk genoeg om haar weder in vrijheid te stellen, een daad, die de ondankbaarheid en wreedheid van Hendrik des te sterker doet uitkomen; want, toen Tancred in 1193 gestorven was en zijn jonge zoon Willem tot Koning van de “Beide Siciliën” onder het regentschap van zijn moeder, Sibilla, was uitgeroepen, rukte Hendrik VI wederom naar het zuiden, nam Sibilla en haar kind gevangen en zond hen met andere gevangenen naar Duitschland, waar zij blind werden gemaakt.
Hij was nu heerscher over de “Beide Siciliën” en eveneens over Noord-Italië, waar hij door een verstandige toegevendheid gepaard aan strengheid de republieken in toom hield. Toskane gaf hij aan zijn broeder Philips en andere Duitsche hertogen kregen Umbrië en Romagna. Hij deed geen moeite zich te mengen in de aangelegenheden van den Paus en van Rome. Zooals gewoonlijk, bestonden er twisten tusschen den Paus en den adel. Juist in dezen tijd had een oligarchische partij met een Podestà aan het hoofd de macht in handen, die echter weldra plaats zou moeten maken voor een republikeinschen Senaat en een Prefect. Het was Hendrik volkomen onverschillig, welke partij de overhand had, want de Paus had beide in zijn macht.
Keizerin Constantia, een vrome en zachte vrouw, nu reeds tamelijk oud, leed zonder twijfel ten zeerste door de wreedheden die haar Duitsche gemaal bedreef. Zij had zich teruggetrokken naar het stadje Jesi, niet ver van Ancona, en daar schonk zij het leven aan een zoon3, den toekomstigen Keizer Frederik II. Door de Duitsche edelen, die te Aken in 1196 bijeen waren gekomen, werd het kind tot “Koning der Romeinen” gekozen; bij deze gelegenheid dwong Hendrik den keurvorsten de erkenning van het absolute erfelijke recht van zijn afstammelingen, hetzij in de manlijke hetzij in de vrouwelijke lijn, op de Duitsche kroon af. Kort daarna werd hij naar Zuid-Italië teruggeroepen door het opnieuw uitbreken van den opstand; hij dempte dien op de meest barbaarsche wijze. Aangemoedigd door den gelukkigen afloop, begon hij plannen te maken voor de verovering van Dalmatië, waarop hij aanspraak maakte als een gedeelte van het gebied, dat de koningen der Noormannen hadden bezet, en hij wilde zelfs Constantinopel innemen en het Oostelijke Keizerrijk annexeeren, en deze plannen werden inderdaad niet lang daarna verwezenlijkt, maar niet door hem; want hij stierf te Messina in 1197, slechts twee en dertig jaar oud.
Overeenkomstig de belofte, die de keurvorsten aan Hendrik VI hadden afgelegd, moest zijn zoontje Frederik hem opvolgen en inderdaad werd hij onder regentschap van zijn moeder koning van Duitschland en Italië, waaronder het rijk van de “Beide Siciliën” begrepen was; bovendien was hij door zijn titel “Koning der Romeinen” reeds aangewezen als Keizer. Maar in Duitschland maakten zich Hendrik’s broeder en een pretendent van de macht meester en werden beide tot koning gekroond. En voordat het kind vier jaar oud was geworden, stierf zijn moeder Constantia, nadat zij den Paus als voogd over hem had aangewezen, dien zij tevens tot regent over de “Beide Siciliën” (het koninkrijk Napels en Sicilië) had benoemd. Men kan wel vragen, welk recht zij had om dit te doen (zooals wij ook gevraagd hebben, met welk recht Mathilde het hertogdom Toskane aan de kerk naliet), maar een dergelijke daad behoeft ons niet te verbazen bij een vrouw, die men gedwongen had een geenzins gelukkig huwelijk te sluiten, toen zij haar leven reeds aan den godsdienst had gewijd en wellicht reeds non was (vgl. p. 367). Bovendien, hoe onwettig de daad misschien ook was, zij werd erkend en was derhalve een feit van historische beteekenis geworden. En het is niet gemakkelijk te bewijzen, dat de gevolgen de daad niet rechtvaardigden.
De Paus, die aldus in naam regent over de “Beide Siciliën” werd (want dit was het eenige rijk, waarop Constantia, als erfgenaam van de Koningen der Noormannen, aanspraak kon maken) was Innocentius III, de zoon van een Lombardischen Graaf van Segni en van een Romeinsche moeder. Op den leeftijd van zeven en dertig jaar besteeg hij den pauselijken troon, ongeveer drie maanden na den dood van Hendrik VI. Hij was van alle pausen misschien de bekwaamste, zeer zeker de eerzuchtigste en door een geweldige begeerte tot heerschen bezield; en ten slotte slaagde hij erin een tijdlang zijn droom van een pauselijk rijk verwerkelijkt te zien en alle monarchen4 van Europa aan zich te onderwerpen, terwijl hij hun koninkrijken tot leengoederen van het Pausdom maakte. “Zulk een schouwspel”, zegt een schrijver uit den tegenwoordigen tijd, “had men sinds Karel den Groote niet meer gezien; en men zou het niet wederzien voor de komst van Napoleon”. En zijn veroveringen bepaalden zich niet tot de koninkrijken van het Westen; ook over het Oosten was hij leenheer; want toen (1202–1204) Constantinopel werd veroverd en op schandelijke wijze5 door Fransche, zoogenaamde Kruisvaarders en de Venetianen werd geplunderd, bekende hij eerst wel, dat dit feit ook op hem een smet wierp, maar weldra troostte hij zich er mede, dat de Paus te Rome door de nieuwe Latijnsche dynastie der Byzantijnsche Keizers erkend werd; de eerste Keizer aanvaardde het keizerlijk purper uit de handen van den gezant van Innocentius en de derde werd gekroond en ingehuldigd in de St. Pieter te Rome door den opvolger van Innocentius, Honorius. Inderdaad was geen ijdele bluf gelegen in de woorden, die aan Innocentius worden toegeschreven, dat een Keizer slechts een maan was, die haar licht ontleende aan de zon van het Pausdom6.
Een andere overwinning van Innocentius werd door een nog schandelijker kruistocht behaald en door middelen, die nog afschuwelijker waren dan de plundering van Constantinopel. De geschiedenis van de uitroeiing der Albigenzen en de verwoesting van een groot gedeelte van Zuid-Frankrijk zou te veel ruimte innemen, indien het uitvoerig verteld werd; het staat echter niet in rechtstreeksch verband met ons onderwerp en de korte opmerkingen, die hierover gemaakt kunnen worden, zullen in een later hoofdstuk volgen, zoodat die hier het verhaal niet behoeven te onderbreken.
In één opzicht echter faalden de plannen van Innocentius. Niet alleen Rome, waar, zooals gewoonlijk, tusschen het volk en den adel twisten heerschten, maar ook vele steden van Noord- en Midden-Italië waren, sommige meer andere minder openlijk, in opstand tegen het Duitsche gezag. Innocentius wakkerde deze ontevredenheid aan, daar hij hoopte bij die steden zelf de plaats van den Keizer te zullen innemen. Doch hierin bedroog hij zich. Al mochten ook keizers en koningen hun kronen uit de handen van den opvolger van den H. Petrus ontvangen, steden, die zoo hevig gestreden hadden om hun rechten te verwerven, waren niet van plan hun dienstbaarheid aan een Duitschen Keizer te verwisselen met de onderdanigheid aan den Paus te Rome. De bond der Welfen, die in 1197 door de steden van Toskane gesloten werd, weigerde het werktuig te worden van een eerzuchtigen priester, hoezeer hij hun ook mocht verzekeren, dat zij denzelfden vijand, den Duitschen Keizer, haatten.
En de republieken hadden redenen genoeg om Innocentius te wantrouwen, zooals weldra bleek, toen de toestanden in Duitschland zoodanig waren geworden, dat hij het noodig vond zijn haat tegen de Duitschers te verbergen. De oude twisten tusschen de Welfen en Waiblingen (zie p. 323) waren wederom ontbrand en twee mededingers waren gekroond (de een te Aken, de ander te Mainz), Otto van Brunswijk, een zoon van den oproerigen Hendrik den Leeuw en neef van Richard Leeuwenhart, en Philips, zoon van Barbarossa en broeder van den overleden Keizer. Tien jaren lang werd het land door den burgeroorlog geteisterd. Ten slotte werd Philips vermoord en Otto alleen als Keizer door de keurvorsten te Frankfurt uitgeroepen; deze trachtte de gunst van Innocentius te winnen door hem de souvereiniteit te beloven over het gebied (de nalatenschap) van Mathilde en andere streken in Noord-Italië. De poging gelukte en in 1208 werd Otto door den Paus te Rome gekroond7. Maar de bevolking van Rome, die den Paus reeds lang wegens zijn heerschzuchtige plannen vijandig gezind was, werd door dit huichelachtig optreden en door het feit, dat hij aan een vreemden vorst zonder hun toestemming de keizerlijke waardigheid had opgedragen, nog meer op hem verbitterd. Er ontstonden ernstige onlusten, toen Otto van het Vatikaan den Tiber trachtte over te trekken en een duizendtal van zijn Duitschers werden gedood. Woedend marcheerde hij noordwaarts, bezette wederom het gebied van Mathilde, en stelde in de steden, die hij beloofd had aan het Pausdom af te staan, zijn Podestà aan. Doch dit was niet voldoende om zijn toorn tot bedaren te brengen. Hij kwam met een groote legermacht terug en viel het land van de Kerk en het rijk van Frederik aan. Daarop (1210) sprak Innocentius den banvloek over hem uit, en gelijk zoo dikwijls het geval was geweest, had de daad van den heerzuchtigen priester een merkwaardig gevolg. De banbliksem scheen de macht van Otto te vernietigen. Hij week naar Duitschland terug en weldra werd hij, nadat hij bij Bouvines een verpletterende nederlaag had geleden tegen Philips II August van Frankrijk, door zijn edelen onttroond8.
Reeds twee jaren, voordat deze slag geleverd werd, hadden de Duitsche edelen Frederik uitgenoodigd de Alpen over te steken. Dit deed hij, en in 1215 werd hij te Aken als Koning gekroond. Als kind was hij, eveneens te Aken tot “Koning der Romeinen” uitgeroepen en thans werd deze titel, waardoor hij tevens als Keizer werd aangewezen, plechtig bevestigd door een groot Concilie, dat in het Lateraan gehouden werd en waarbij meer dan 1500 prelaten en vele edelen aanwezig waren. Maar ofschoon aldus erkend werd, dat hij Otto in diens waardigheden was opgevolgd, werd hij toch door Innocentius niet uitgenoodigd om als Keizer gekroond te worden. De sluwe en eerzuchtige Paus achtte het blijkbaar veiliger om deze plechtigheid nog uit te stellen, misschien wegens het feit, dat Otto nog in leven was.
53. Assisi.
Op zijn tocht van Palermo naar Duitschland had Frederik Rome bezocht en Paus Innocentius, dien hij toen voor het eerst ontmoette. De edele en impulsieve jongeling, niet ouder dan achttien jaar, schijnt zeer vriendelijk jegens zijn vroegeren voogd geweest te zijn en gaf blijk van zijn innige dankbaarheid, daar hij de rechten van den Paus op het gebied, waar de Kerk aanspraak op maakte, bevestigde, en hem verzekerde een kruistocht te zullen ondernemen en ook zelfs beloofde zijn zuidelijke koninkrijken af te staan als een leen van het Pausdom onder het bestuur van zijn jongen zoon Hendrik, zoodra hij de keizerskroon zou ontvangen. Doch gelukkig is deze laatste belofte nooit vervuld. Reeds voor den dood van Innocentius, die in 1216 plaats vond, had Frederik berouw van zijn belofte en herriep die, en weldra zou hij zich een even heftigen tegenstander van het Pausdom toonen als Otto was geweest. En Frederik was niet de eenige, die zoo snel van front veranderde. Een algemeene beweging was begonnen, die bestemd was ten slotte het geheele gebouw der wereldlijke macht van het Pausdom omver te werpen en het eerst zou Innocentius’ geweldige Toren van Babel plotseling ineen storten, daar deze slechts gegrondvest was op den bijgeloovigen eerbied voor een verouderde instelling, die haar grootheid reeds lang verloren had.
Hoe de Kerk een tijdlang een deel van hare vroegere zedelijke hoogte en haar zedelijken invloed herwon, niet door toedoen van de Pausen en kardinalen, maar omdat in nederiger harten het gevoel van Christelijke liefde en verachting der wereldsche dingen weder opleefde, zooals St. Franciscus het door zijn daden bewees en St. Dominicus dit preekte, zullen wij weldra zien.
In 1220 besloot Frederik zijn zuidelijke gewesten weder te bezoeken, en liet in Duitschland als “onderkoning” zijn zoon Hendrik achter, die nu een jongen van tien jaren was en dien hij te Frankfurt tot Koning der Romeinen had laten kiezen. Daarna hield hij zich gedurende dertig jaren bijna uitsluitend bezig met Sicilië en Italië. In Noord-Italië bestond zijn gezag voornamelijk slechts in naam, want vele van de steden, die door den Welfschen bond en den buitengewonen groei van den handel steeds machtiger waren geworden, genoten volkomen vrijheid, behalve wanneer zij zoo nu en dan bang werden gemaakt door de aanwezigheid van keizerlijke troepen. Bovendien had zijn Noord-Italiaansch gebied weinig bekoring voor hem; het was vooral het zuiden, in het bijzonder Sicilië en Apulië, dat hij als zijn vaderland en zijn eigenlijk koninkrijk beschouwde. En hij had ook nog andere redenen om terug te keeren. Tijdens zijn afwezigheid in het noorden hadden er onlusten plaats gehad op Sicilië. Zijn Mohammedaansche soldaten waren aanmatigend opgetreden en de Christenen waren verontwaardigd. Hij vond het noodzakelijk de orde te herstellen en bracht dit op krachtdadige wijze tot stand door al zijn Saraceensche troepen van Sicilië te verwijderen en hun dicht bij Pompei een woonplaats aan te wijzen, welke plaats sinds dien tijd bekend was als Nocera dei Pagani en voor hem een onschatbaar steunpunt werd.
Innocentius was in 1208 opgevolgd door Honorius III, die Frederik in den beginne vijandig gezind was; maar toen deze te Rome kwam, haalde hij dien zachtaardigen Paus door rijkelijke concessies en beloften van kruistochten en andere middelen over om hem als Keizer te kronen, een plechtigheid, waartoe hij des te gemakkelijker besloot, omdat de onttroonde Otto onlangs was gestorven. De kroning van Frederik en zijn koningin, Constantia van Arragon vond in 1220 plaats. Twee jaren later—het jaar van de geweldige aardbeving, die op Kerstdag den dood van vele duizenden in Noord-Italië ten gevolge had—stierf de gemalin van Frederik en de Paus, die steeds een heftig voorstander van kruistochten was, overreedde hem toen Jolanthe de Brienne, de zuster van den Franschen patriarch van Jeruzalem, Jean de Brienne (den lateren Keizer van het Oosten), te trouwen. Toch toonde Frederik geen grooten lust om zijn belofte gestand te doen en zich als kruisvaarder te onderscheiden. Ofschoon hij later als een vurige en wreede vervolger van ketters optrad, was hij niet alleen verdraagzaam jegens ongeloovigen, maar bewonderde hen zelfs; inderdaad was hij waarschijnlijk, om geen sterker uitdrukking te gebruiken, een even goed Muzelman als Christen. Zoo gingen de jaren voorbij; Honorius stierf in 1226 en de belofte bleef nog steeds onvervuld. Maar de volgende Paus, Gregorius IX, ofschoon meer dan tachtig jaar oud, drong zoo krachtig bij Frederik aan, dat hij genoodzaakt was toe te geven, een groot leger van Kruisvaarders, voornamelijk Duitschers, verzamelde, en van Brindisi wegzeilde. Een hevige epidemie brak evenwel onder zijn volgelingen uit, die verschrikkelijk te lijden hadden van de Apulische hondsdagen en hij gaf haastig bevel, dat de vloot den steven zou wenden en liet de bemanning te Otranto aan wal zetten.
Hierop sprak de heftige, oude Paus den banvloek over hem uit en kondigde een Encycliek af, waarin hij hem als verrader en lafaard brandmerkte. Maar de jonge Keizer, niet minder heftig van aard, beantwoordde dezen zendbrief met een moed en oprechtheid, die, zooals Villari zegt, Luther zelf tot eer zouden gestrekt hebben. Zijn beroemd Manifest was het eerste, werkelijk belangrijk en plechtig protest van de hoogste civiele macht tegen de aanmatigende overheersching van de Kerk en den Paus, waarvoor Innocentius met zulk een gunstig gevolg had gewerkt. “Het was gericht tot alle Vorsten en Volkeren van het Keizerrijk en herinnerde hen aan het lot van den ongelukkigen Raimond, Graaf van Toulouse, en Koning Jan van Engeland (Jan zonder Land), terwijl het bovendien zonder eenig medelijden een levendige beschrijving gaf van het zedelijk verval der Kerk en de wereldlijke eerzucht der Pausen. De Keizer van het Christendom verklaarde sympathie te gevoelen voor de zienswijze der ketters ten opzichte van de onchristelijke neigingen van het Pausdom.” (Gregorovius). Het Manifest werd in het openbaar op het Kapitool te Rome voorgelezen onder groote geestdrift van een menigte toehoorders. Er ontstond een oploop en Gregorovius vluchtte naar Viterbo en daarna naar Perugia, vanwaar hij banbliksems tegen zijn tegenstanders slingerde.
Men zou er zich over kunnen verwonderen, wanneer men hoort, dat Frederik onder dergelijke omstandigheden uit eigen beweging besloot een kruistocht te ondernemen, ditmaal in vollen ernst, doch na eenig nadenken zal men inzien, dat dit een meesterlijke zet van hem was. Hij wenschte de wereld te laten zien, dat Keizers en Kruisvaarders zich niet bekommerden om krachtelooze banbliksems en hij wilde bewijzen, dat de Paus zijn eigen kleinzielige wraak hooger stelde dan de bevrijding van het Heilige Graf. Terwijl de banvloek nog steeds op hem rustte en de geestelijken hem brandmerkten als een “zeeroover, geen Kruisvaarder”, bereikte hij Jeruzalem. Daar geen priester die plechtige handeling durfde verrichten, hief hij met eigen hand de kroon van het altaar van het Heilige Graf op en zette die op zijn hoofd, een daad, die door de tegenstelling ons herinnert aan dien gran capitano van den eersten kruistocht, die weigerde gekroond te worden in de stad, waar de Koning der Koningen een doornenkroon had gedragen9.
Ondertusschen had in Italië Paus Gregorius, die nog steeds te Perugia in ballingschap was, een Heiligen Oorlog afgekondigd tegen den afwezigen en geëxcommuniceerden Keizer en toen Frederik in Apulië landde (1229), stootten zijn Kruisvaarders, waaronder vele Muzelmannen waren, op een bonte menigte, die zich geschaard had onder de banier van het Pausdom. Maar de Saraceensche soldaten van het Kruis joegen de pauselijke huurlingen op de vlucht en de Paus sloot gaarne vrede en was zoo genadig den banvloek over den Keizer op te heffen10. Daarna richtte hij zich met zijn troepen tegen een nederiger, doch niet minder gevaarlijken vijand—de Patarini en andere ketters, die sinds korten tijd hun verderfelijke leerstellingen in Noord-Italië en elders met grooten ijver verspreidden; en wij vernemen, hetgeen bevreemding wekt, dat Frederik zijn hulp verleende bij die ellendige vervolgingen. Gregorius IX kan aanspraak maken op de eer (die weinigen hem zullen benijden), dat hij het eerst de gevreesde rechtbank van de Inquisitie te Rome heeft ingevoerd en vele veroordeelde ketters heeft laten verbranden, waarschijnlijk op de piazza van de S. Maria Maggiore, om een Romeinschen feestdag te maken. In het voorbijgaan kunnen wij wijzen op het vreemde feit, dat het gepeupel te Rome, dat om staatkundige redenen zoo dikwijls Pausen verjoeg en terugriep, blijkbaar ten opzichte van zulke onmenschelijke daden, die in naam van den godsdienst werden bedreven, het steeds met de Pausen eens was. Maar toen het wispelturige gepeupel zijn oogen aan dergelijke autos-de-fé verzadigd had, keerde het zich plotseling tegen zijn weldoener en verjoeg hem weder uit Rome.
De jaren 1230–35 waren van groot gewicht voor Rome. Tweemaal deed het een wanhopige poging om zich van den Ouden Man van het Pauselijk Hof te bevrijden; doch bij elk van deze gelegenheden luisterde Frederik, die zich liet leiden door staatkundige beweegredenen, vooral door de verraderlijke kuiperijen van zijn zoon, naar de wanhopige smeekbeden van den verbannen Paus, die nu de Christenen opriep om een Heiligen Oorlog tegen de Romeinen te ondernemen, zooals hij kort te voren een kruistocht had afgekondigd tegen Frederik zelf. Wanneer Rome in deze omstandigheden zich onafhankelijk had gemaakt en zich aan het hoofd van een Romeinschen Bond had geplaatst, dan zouden de latere lotgevallen van Italië geheel anders zijn geweest, dan zij zich nu ontwikkeld hebben; of het ten voordeele van Italië of van de menschheid zou geweest zijn, is moeilijk te zeggen. Maar ondanks de heldhaftige inspanning van de Romeinen eindigde de worsteling ten gunste van het Pausdom. Het leger van Romeinsche burgers volgde onder aanvoering van hun Senatoren de rood-en-gouden banier, waarop het trotsche S. P. Q. R. van de oude republiek stond en zij plunderden de steden van Toskane en Latium, die de voortvluchtige Paus trachtte te versterken en te vereenigen tot een anti-Romeinsche Confederatie. Daarna stonden zij, door bemiddeling van Frederik, Gregorius toe terug te keeren. Maar weldra hadden zij er berouw van, of, om de symbolische uitdrukking van een ouden paus-gezinden kroniekschrijver te gebruiken, zeven booze duivels drongen bij hen binnen, en tot razernij gebracht door de gedachte aan de vrije republieken in het noorden en hun eigen slaverij, stonden zij wederom op en eischten onafhankelijkheid. Hun senator Lucas Sorelli liet afkondigen dat Beneden-Toskane en de Campagna gebied was van de Romeinsche Republiek. Toen vluchtte Gregorius en sprak over Rome het interdict uit. Om zich hierover te wreken plunderden de Romeinen het Lateraan. Ten slotte kwamen op zijn luid geroep om hulp van heinde en verre troepen om den Paus te helpen en Frederik stond hem ook weder bij. Een hevig gevecht werd dicht bij Viterbo geleverd. De Romeinen werden verslagen en naar hun stad gedreven; en weldra waren zij genoodzaakt hun hoop op vrijheid op te geven en zich aan den Paus te onderwerpen11, op voorwaarde, dat zij gemeentelijke autonomie zouden genieten, maar dat aan den anderen kant de geestelijken vrij zouden zijn van belastingen en niet onder de burgerlijke wet zouden staan.
De zoon van Frederik, Hendrik, die sinds het jaar 1220 was opgetreden als onderkoning in Duitschland, verwekte nu een opstand, stelde zich in verbinding met de Lombardische steden en den Paus, en liet zich tot Koning uitroepen. Nadat Frederik de pogingen van zijn zoon had verijdeld door den Paus hulp te zenden, haastte hij zich over de Alpen; het gelukte hem den opstandeling te overweldigen en gevangen te nemen; daarna (1235) werd Hendrik naar Apulië gestuurd, waar hij het overige van zijn leven in de gevangenis doorbracht, een lot, dat, zooals wij zullen zien, ook een ander van Frederik’s zonen trof.
In plaats van Hendrik koos Frederik als onderkoning van Duitschland zijn tweeden zoon, Koenraad. Daarna richtte hij zijn aandacht op de Welfsche Lombardische steden, die een groote welvaart hadden bereikt en daardoor onafhankelijker en oproeriger waren geworden, zoodat zij zelfs de passen over de Alpen hadden bezet en in voortdurenden strijd waren met de steden, die de zaak van den Keizer begunstigden. Het gezag van den Keizer had evenwel onlangs grooten steun gekregen door toedoen van den zoon van een monnik, den “Zoon van den Duivel” zooals men hem algemeen noemde, den “zwart-harigen Ezzelino”12, dien Ariosto een kind van de hel heeft genoemd en die met Alexander en Dionysius door Dante in de rivier van kokend bloed, de Phlegethon, wordt geplaatst. Ezzelino had zich reeds van verscheidene steden meester gemaakt; toen Frederik kwam en Vincenza innam, werd deze stad aan dien condottiere overgegeven; kort daarna nam hij Padua en Mantua en werd aldus tyran of onderkoning van een aanzienlijk gebied. Milaan stond aan het hoofd van den opstand der Welfsche steden, maar bij Cortenova leden zij een nederlaag even zwaar als die bij Legnano en Frederik trok Cremona zegevierend binnen, terwijl hij den Milaneeschen Carroccio met zich voerde, die door een witten olifant werd getrokken; aan den mast van den wagen was de Podestà van Milaan, Tiepolo, de zoon van den Doge van Venetië, gebonden. Gebroken overblijfselen van den Carroccio zond Frederik naar Rome om daar ten toon te worden gesteld en op het Kapitool te worden bewaard.
Dit alles was voor Paus Gregorius in hooge mate onaangenaam. Hij riep een Concilie in het Lateraan bijeen en sprak den banvloek over den Keizer uit. Het antwoord hierop werd gestuurd door Pier delle Vigne, den trouwen secretaris van den Keizer, die, zooals Dante zegt, de beide sleutels van Frederik’s hart bewaarde13. Frederik stelde voor zich te onderwerpen aan de uitspraak van een algemeen Concilie. De Paus schreef een Concilie uit, maar dit zou alleen uit geestelijken bestaan en te Rome gehouden worden. Dit was volstrekt niet hetgeen Frederik bedoelde en toen in 1241 een menigte, een bende, turba, zooals Frederik hen noemde, kardinalen en bisschoppen en andere geestelijken zich te Genua naar Rome inscheepten, besloot men, dat Pisaansche en keizerlijke schepen hen zouden aanvallen. Deze vreemde ontmoeting ter zee vond plaats dicht bij het eiland Monte Cristo. Het convooi van Genueesche galeien werd verslagen en de gevangen geestelijken werden in triomf naar Napels gevoerd.
Ondertusschen was Frederik naar het zuiden gemarcheerd en maakte het plan Rome aan te vallen, toen in zijn legerplaats bij Grottaferrata (dicht bij het Albaansche meer) het bericht kwam, dat zijn oude tegenstander, Paus Gregorius, die bijna zijn honderdste jaar had bereikt14, gestorven was. Vele geestelijken waren nog in de macht van Frederik en de Tien Kardinalen, die in Rome waren, werden twee maanden lang streng gevangen gehouden door den Senator Rubeus, een despotisch individu, die in dezen tijd in de stad de baas speelde; eindelijk werden zij uit hun wreede gevangenschap (waarin een van hen was gestorven) verlost, nadat zij een Paus hadden gekozen, een zwakken ouden man, Celestinus IV. Deze overleefde zijn benoeming slechts achttien dagen. Daarop volgde een pauselijk interregnum van ongeveer twee jaren, gedurende welken tijd alle kardinalen verdwenen en hun toevlucht zochten in verschillende kasteelen op het land. Ten slotte, na herhaalde aanmaningen en bedreigingen van Frederik, die nog steeds de Campagna verwoestte, ofschoon hij Rome niet durfde aanvallen, kwamen de kardinalen te Anagni bijeen.
Frederik had eenige van de prelaten, die hij had gevangen genomen, de vrijheid gegeven om zich van hun steun bij de keuze van een Paus te verzekeren en zoo werd Kardinaal Fieschi van Genua, die langen tijd zijn vriendschap had genoten, tot Paus gekozen. Maar door dezen verkiezing verloor Frederik een vriend zonder iets te winnen, want, zooals hij zelf uitriep, “geen Paus was ooit een Ghibellijn.” Inderdaad toonde Innocentius IV zich een even beslist tegenstander als Gregorius was geweest. Reeds dadelijk weigerde hij den banvloek, die over den Keizer was uitgesproken, op te heffen, omdat deze zekere vestingen niet wilde ontruimen en in 1245 voer hij naar Genua en ging vandaar naar Lyon, in Frankrijk15, waar hij een Concilie bijeenriep en Frederik van den troon vervallen verklaarde.
54. S. Gimignano.
Er ontbrandde een strijd van twee Titanen, waarbij Encyclieken en Manifesten werden geslingerd als rotsblokken en bliksemschichten, terwijl Europa zwijgend, vol ontzag, toekeek. Voorloopig scheen er nog geen beslissing te zullen vallen. De aanvallen van Frederik tegen de hebzucht, aanmatiging en ondeugden van het Pausdom werden door de groote meerderheid der Christenen met geestdrift toegejuicht, maar Innocentius vond ook levendigen bijval voor zijn bewering, dat “aan het Hoofd van de Kerk twee zwaarden waren gegeven, de geestelijke en de wereldlijke macht, en dat hij de vrije beschikking had om er een aan den Keizer te leenen.” Europa was nog niet gekomen tot dat onderscheid tusschen de koninkrijken van den godsdienst en de wereldlijke macht, waarvoor Dante in zijn Monarchia en in zijn Divina Commedia16 zoo krachtig opkomt. En zonder twijfel had deze geweldige botsing ver strekkende gevolgen, die niet gemakkelijk te bemerken waren, en in dien tijd ontstonden naar aanleiding daarvan gevaarlijke opstanden en werd zelfs een pretendent tot Keizer uitgeroepen; aan den anderen kant herleefde de anti-pauselijke stemming, waarvan de Ghibellijnsche partij in Noord-Italië voordeel trok om de jonge republieken te onderdrukken. De bloeddorstige Ezzelino, die nu de schoonzoon van Frederik was, onderwierp, geholpen door Frederik’s onwettigen zoon Enzio (of Enzo), vele steden van Lombardije, Emilia en Venetia en trachtte die in “Signorie” te veranderen, (een lot, dat weldra de meeste Italiaansche republieken zou treffen) of liever, één groote Signoria van vele steden te stichten.
Een tijdlang bleef Frederik in het zuidelijk deel van zijn rijk, waar hij voortdurend in botsing kwam met de bondgenooten van den Paus, die nog steeds in zijn preeken tot kruistochten tegen den geëxcommuniceerden opwekte en zich voor geen middel schaamde de fanatieken tegen den “ongeloovigen vijand van den Godsdienst” en den “tweeden Nero” op te stoken, in de hoop, dat hij het “addergebroed” van de Hohenstaufensche vorsten zou kunnen uitroeien. Bedelmonniken, die door den Paus met goud waren omgekocht, trachtten de Siciliaansche edelen over te halen den Keizer te vermoorden17. Gelukkig evenwel werd de samenzwering ontdekt en kort daarna (1247) baande Frederik zich een weg naar Noord-Italië om met zijn zoon Enzio een veldtocht tegen de republikeinsche steden te ondernemen. Hier leed hij een verpletterende nederlaag, want gedurende het beleg van Parma, dat zich heldhaftig verdedigde, namen de belegerden, toen hij op jacht was, de gelegenheid waar om een uitval te doen, slaagden er in zijn legerplaats te verwoesten, doodden duizenden van zijn mannen en maakten vele gevangenen, zoodat hij in een toestand geraakte, die bijna even beklagenswaardig was als die, waarin Frederik-Barbarossa na den slag bij Legnano verkeerde, en met groote moeite zijn strijdkrachten in Cremona verzamelde om den oorlog weder te beginnen. Maar een tweede slag trof hem. Zijn zoon Enzio werd door de Bologneezen gevangen genomen en de ongelukkige jongeling bracht het overige van zijn leven, bijna 23 jaar, in gevangenschap door.18
Zooals ook het geval was met grooten Theoderik, werden de laatste jaren van Frederik niet alleen door rampen, maar ook door sombere verdenkingen en wreede, onrechtvaardige daden bewolkt. Het lot van zijn secretaris en raadsman Pier delle Vigne van Capua, die langen tijd zijn vertrouwen had genoten, is reeds verteld. Het schijnt, dat Frederik hem te Cremona liet gevangen nemen en misschien ook blind liet maken, en dat Pier te Pisa zelfmoord heeft gepleegd. In hetzelfde jaar trok Frederik, door rampen gebroken, zich naar zijn geliefd Apulië terug en een paar maanden later (1250) stierf hij, na een korte ziekte, op een van zijn kasteelen (Castel Fiorentino, dicht bij Lucera), volgens sommigen omringd door zijn trouwe Saracenen, volgens anderen (zooals ook Gregorovius gelooft) “gekleed in het gewaad van een Cisterciënser monnik, nadat zijn oprechte vriend, de aartsbisschop van Palermo, hem absolutie had gegeven”.
Laetentur caeli et exsultet terra, schreef Innocentius, de Hoogepriester van de Christelijke Kerk, aan het Siciliaansche volk, toen hij den dood van hun koning vernam en tegenover deze ruwe uiting kunnen wij de woorden van deze koning stellen, toen hij hoorde, dat zijn groote tegenstander, Paus Gregorius IX gestorven was: de morte ejus multa compassione conducimur, et licet digno contra eum odio moveremur19.
Het eenige levensdoel van Innocentius schijnt geweest te zijn het addergebroed van de Hohenstaufen-dynastie uit te roeien. Hij haastte zich dadelijk van Lyon naar Italië, dat hij sinds zes jaren niet bezocht had en slingerde banbliksems en preekte kruistochten tegen den jeugdigen Koenraad, den zoon van Frederik, die thans koning van Duitschland was. Koenraad kwam naar het zuiden om aanspraak te maken op zijn rechten; maar hij stierf weldra (1254) en liet een nog zeer jongen zoon na, Conradino (Konradijn), den laatsten wettigen erfgenaam van het keizerlijk huis der Hohenstaufen20.
Een onwettige zoon van Frederik, Manfred, Prins van Taranto, was door zijn vader’s laatsten wil aangewezen als onderkoning van Zuid-Italië onder de souvereiniteit van zijn half-broeder Koenraad. Na den dood van Koenraad ondersteunde Manfred, die toen twee en twintig jaar oud was, eerst zeer oprecht den jongen erfgenaam, Conradino, en verzocht Innocentius hetzelfde te doen. Maar Innocentius eischte volledige en openlijke onderwerping aan het pauselijk gezag en Manfred gaf de voorkeur aan openlijke vijandschap; geholpen door zijn trouwe Saracenen gelukte het hem de pauselijke huurlingen bij Foggia (in Apulië) te verslaan. Vijf dagen daarna stierf Paus Innocentius te Napels.
De nieuwe Paus, Alexander IV (1254–61), werd in den beginne zeer belemmerd in zijn bewegingen door den stand van zaken te Rome, waar onder leiding van een Bologneezer Podestà, Brancaleone geheeten, een republikeinsche regeeringsvorm tot stand was gekomen met volksvergadering en gilden (Arti), zooals in de steden van Noord-Italië; derhalve werd te Rome een tijdlang de zaak van Manfred, als tegenstander van het Pausdom, begunstigd. Ondanks herhaalde pauselijke excommunicaties, waarvoor het Christendom langzamerhand onrustbarend onverschillig werd, begon de partij van Manfred door deze omstandigheden zoo machtig te worden, dat hij het beter vond de teugels der regeering uit de handen van een zwak kind te nemen, vooral toen hij het (valsche) gerucht van Konradijn’s dood vernam; bovendien waren er in Duitschland pretendenten opgetreden, zooals Richard van Cornwall en Alfonso van Kastilië; Manfred volgde dus het voorbeeld van Koning Roger en nam de koningskroon aan in de kathedraal van Palermo (1258).
Manfred had nu niet slechts den Paus tegen zich en de Welfen, maar ook de legitimisten onder de Ghibellijnen, d.w.z. zij die de rechten van Konradijn wilden handhaven. In het zuiden hield hij zich staande door de hulp van zijn Duitsche troepen en zijn trouwe Saracenen; doch dit vermeerderde zijn populariteit niet en hij verergerde den wrok door nieuwe contingenten van Mohammedaansche huurlingen uit Afrika in te voeren.
Ondertusschen had in het noorden de partij der Ghibellijnen, die toch altijd—ofschoon de groote veete weleens aanleiding gaf tot onderlinge oneenigheid—als de partij van het leenstelsel en de vreemde overheersching tegenover de voorstanders van de republikeinsche vrijheid stond, een ernstige nederlaag geleden door den ondergang van Ezzelino. Twintig jaren lang had zijn naam in Noord-Italië schrik en angst verspreid. Hij heerschte als een despoot, ofschoon hij in naam leenman van den Keizer was, over alle steden tusschen den Lago di Garda en de Venetiaansche lagunen. Maar de republikeinsche geest kon niet gedoofd worden. Met de hulp van de Welfsche gemeenten maakten de onderdrukte steden zich vrij en Ezzelino werd in de gevangenis geworpen, waar hij, naar men zeide, zich van kant maakte door de verbanden van zijn wonden af te trekken (1259)21. Aldus kreeg een tijdlang de volkspartij in het noorden de macht in handen, terwijl in Toskane de Florentijnsche Welfen er in slaagden de Uberti en hun Ghibellijnsche aanhangers te verdrijven. Maar deze overwinning was van korten duur, want, zooals wij later zullen zien, de ballingen verzamelden een leger en brachten hun tegenstanders bij Montaperti (dicht bij Siena) een verpletterende nederlaag toe, en Florence zou geplunderd zijn en met den grond gelijk gemaakt, indien niet de machtige aanvoerder van de Ghibellijnen, Farinata degli Uberti tusschen beiden was gekomen. In dezen slag, die, zooals Dante zegt, “de Arbia rood verfde”22 door het bloed van de Welfen, onderscheidde zich in het bijzonder de Duitsche ruiterij van Manfred. Dit bevestigde nu ook zijn gezag in Midden-Italië en zijn stadhouder, Guido Novello, bestuurde een tijdlang Florence.
Maar zijn gelukster ging nu tanen. Paus Alexander stierf in 1261 en de kardinalen kozen, na maanden lang geaarzeld te hebben, den zoon van een schoenmaker van Troyes, die geklommen was tot de waardigheid van patriarch van Jeruzalem. De verkiezing van dezen Franschen Paus, Urbanus IV, had weldra belangrijke gevolgen. Toen hij zag, dat Hendrik III van Engeland door zijn edelen werd bezig gehouden, bood hij de kroon van Sicilië, die door Innocentius reeds aan den jongen Engelschen prins was gegeven, Karel van Anjou, den broeder van Lodewijk IX (den Heilige) van Frankrijk, aan. En dit aanbod werd, ongelukkig genoeg, aanvaard.
Karel, Graaf van Anjou en door zijn gemalin ook Graaf van Provence, had zich met zijn koninklijken broeder bij den zevenden kruistocht onderscheiden en was onlangs door de Romeinen tot Senator gekozen. Door zijn eerzuchtigen, vermetelen, gewetenloozen en wreeden aard en zijn buitengewoon geluk vond hij weldra gelegenheid, zooals wij zullen zien, om rampen over Italië en Sicilië te brengen. Dit bracht hij voornamelijk tot stand door de hulp van het Pausdom. Toen de Fransche Paus was gestorven (1265), werd een Provençaal, een onderdaan en bewonderaar van Karel, gekozen. Deze Paus, Clemens IV, kon den broeder van Karel, den Franschen Koning, gemakkelijk overreden, toe te staan, dat er in Frankrijk een kruistocht gepreekt werd tegen Manfred en zoo werd er een groot leger geworven door middel van de bijdragen der vromen en door pauselijke aflaten. Manfred, van zijn kant, verzamelde te Capua zijn Duitsche en Saraceensche strijdkrachten, die hoonend de aankomst van den Franschen avonturier afwachten, terwijl een vloot van Siciliaansche en Pisaansche schepen langs de kusten kruiste om te verhinderen, dat de indringer een landing zou doen.
Maar de vermetele Karel vertrouwde op zijn geluk. Hij voer met slechts duizend ruiters van Marseille weg. Zijn armada van zeventig kleine schepen werd door de winden verstrooid, maar hij verbrak de blokkade met drie schepen en bereikte in een boot veilig het strand, dicht bij Ostia. Door zijn Romeinsche vrienden werd hij met geestdrift ontvangen en hij mocht zijn manschappen legeren in het klooster van S. Paolo fuori le mura. Twee dagen later kwam de rest van zijn schepen, daar de storm den vijand had verdreven. Toen hield hij een plechtigen intocht in Rome (21 Mei, 1265, de maand en het jaar, waarin Dante werd geboren). Hier moest hij acht maanden wachten op zijn landleger. Ondertusschen, ofschoon hij door geldgebrek dikwijls in groote verlegenheid zat, vermaakte hij zich door de rol van Senator te spelen, de Universiteit van Rome te stichten en liet zich ook tot Koning van de Beide Siciliën kronen, welke plechtige handeling door de kardinalen werd verricht23, daar Paus Clemens het niet gewaagd had naar Rome te komen, maar nog steeds te Perugia vertoefde.
Indien Manfred in deze omstandigheden het gewaagd had Rome te overvallen en den Franschen avonturier gevangen te nemen, zou de geschiedenis van Italië geheel anders zijn dan zij nu is. Maar hij kon zijn edelen niet vertrouwen, en terwijl hij aarzelde, baande het landleger van Karel, waarbij zich vierhonderd Florentijnsche ballingen hadden aangesloten, zich een weg naar Rome. Manfred stelde zich bij Benevento op en daar viel Karel hem aan. De slag, waarvan de afloop lang twijfelachtig scheen, werd beslist, toen Manfred’s edelen hem in den steek lieten; daarop wierp hij zich midden in de vijanden en werd gedood. Onder de duizenden van de gevallenen werd eindelijk zijn lijk gevonden en de soldaten richtten daar een steenhoop als gedenkteeken op om hun dapperen vijand te eeren; maar de Aartsbisschop van Cosenza liet het op bevel van Paus Clemens weghalen en “met uitgedoofde kaarsen”24 buiten de grenzen van het koninkrijk brengen, naar de “oevers van de Verde” (waarmede misschien de Liris wordt bedoeld), waar het lijk werd neergeworpen ten prooi van den winden, den regen, de roofvogels en andere dieren25. Karel koelde zijn woede ook aan de jonge vrouw en vier van de kinderen van Manfred, die allen de rest van hun leven, sommige langer dan dertig jaar, in gevangenschap moesten doorbrengen. Een ontsnapte en werd later Koningin van Sicilië; aan haar, zijn bella figlia, la buona Costanza, zendt Manfred van den Louteringsberg zijn groeten door tusschenkomst van Dante.
De val van Manfred had natuurlijk een krachtige herleving van de Welfsche heerschappij in de noordelijke steden ten gevolge. Florence verjoeg de ambtenaren van Manfred en de Welfsche regeeringsvorm werd op een hechten grondslag gevestigd.