1 Hij gaf aan hun wraak de stad en vesting Tusculum over; deze stad (dit moet men toegeven) was langen tijd een nest van “Tusculaansche Graven” geweest en berucht door dergelijke Pausen als Benedictus IX en bovendien het republikeinsche Rome een doorn in het oog. Het werd nu geheel en al verwoest. Zoo verdween dan de stad gesticht door den zoon van Odysseus en Circe, Telegonus (vgl. Horatius, Oden III. 29.8), de vaderstad van Cato, het tooneel van Cicero’s Tusculanae Disputationes.
2 In 1192 werd Richard Leeuwenhart door Leopold van Oostenrijk, dien hij na de inneming van Akko beleedigd had, te Weenen gevangen genomen en aan Hendrik VI overgeleverd. Deze gevangenneming, zegt men, was gerechtvaardigd, omdat Richard Leeuwenhart gekomen was om Hendrik den Leeuw in zijn opstand tegen den Keizer te steunen. In het begin van 1194 werd Richard na betaling van een hoog losgeld weder vrij gelaten.
3 Zie hier een andere lezing:
Het bericht van dit late moederschap (volgens Villani was Constantia reeds over de vijftig!) stemde de bevolking van Palermo nog al sceptisch; men vermoedde, dat een kind onderschoven zou worden. Om die geruchten den kop in te drukken, bedacht men een eenvoudig middel: de koningin beviel op een openbaar plein te Palermo, in een groote tent, waar alleen vrouwen toegang hadden. [Vertaler].
4 Ook de koning van Engeland, Jan zonder Land (1199–1216). Nadat hij zich eerst hevig verzet had en Innocentius den banvloek over hem had uitgesproken, wierp hij zich ten slotte voor de voeten van Pandulf, den pauselijken gezant, toen deze te Dover landde, en kreeg uit diens handen, als vazal van den Paus, zijn kroon terug.
5 Zie “Aanteekening over de Byzantijnsche Keizers”. De zoogenaamde vierde Kruistocht, waar Gibbon in hfdst. LX–LXI een schilderachtige beschrijving van geeft, heeft weinig met de geschiedenis van Italië te maken, tenzij wat Venetië en Doge Dandolo betreft. Innocentius had een kruistocht gepreekt, en een groot aantal Franschen en Vlamingen verzamelden zich in Noord-Italië en huurden Venetiaansche schepen; maar, toen zij niet in staat waren te betalen, haalden de Venetianen hen over om hen te helpen Zara, in Dalmatië, dat vroeger aan Venetië had behoord, te veroveren. Zara werd genomen. Toen overreedden de Venetianen de kruisvaarders Constantinopel aan te vallen en den verdreven Keizer op zijn troon te brengen, daar de Pisanen, de groote mededingers van Venetië in het Oosten, begunstigd werden door den usurpator. De Keizer werd in zijn waardigheid hersteld; maar er ontstonden twisten en wederom bestormden de Kruisvaarders en Venetianen Constantinopel en plunderden het op de meest barbaarsche wijze. Daarna plaatsten zij Boudewijn van Vlaanderen op den keizerlijken troon (1204), den eersten van de zes Latijnsche Keizers van het Oosten.
6 Een vergelijking, die ook door Dante aan het einde van zijn de Monarchia wordt gebruikt, ofschoon hij in den Purgatorio (XVI, 106) juister van twee zonnen spreekt:
Soleva Roma, che il buon mondo feo
due soli aver.
7 Dit schijnt niet in overeenstemming te zijn met zijn haat tegen de Duitschers en de keizerlijke maneschijn van p. 414; maar de belooning was hoog, en Innocentius was er zeer op gesteld, dat de jonge Frederik in ieder geval zou blijven en geen Keizer zou worden.
8 In zijn strijd tegen zijn edelen en tegen Frankrijk werd hij krachtig geholpen door Koning Jan van Engeland (Jan zonder Land): een gevolg van deze nederlaag bij Bouvines was de Magna Charta (1215).
9 Zie blz. 320. Frederik baande zich niet met wapengeweld een weg naar Jeruzalem. Voordat hij Italië verliet, had hij door handig diplomatiek optreden er voor gezorgd, dat de stad zou worden overgeleverd door den Sultan van Egypte, dien hij beloofd had te zullen helpen tegen zijn mededinger, den Sultan van Damascus. Door de aanneming van de kroon schond Frederik de rechten van zijn schoonvader, Jean de Brienne, die in 1228 Keizer van het Oosten werd en zich aansloot bij het bonte leger van den Paus tegen Frederik.
10 Gregorius was naar Rome teruggeroepen door de burgers, die hevig verschrikt waren door een groote overstrooming van den Tiber, waardoor, naar men vertelt, duizenden waren verdronken en de Pons Aemilius (Senatorum) gebroken was. De overblijfselen van deze brug, die nog erger vernield is door de overstrooming van 1598, vormen den welbekenden Ponte Rotto.
11 Paus Gregorius evenwel weigerde terug te keeren naar Rome, “dat leger van brullende wilde beesten.” Hij bleef nog twee jaren in ballingschap en hield in 1237 een roemrijken intocht, terwijl Frederik in een strijd met de Lombardische steden gewikkeld was.
12 Inferno XII, 109
e quella fronte, c’ ha il pel cosí nero,
è Azzolino.
Men vertelde, dat hij zeer behaard was. Op zijn voorhoofd, juist boven zijn neus, had hij een lang zwart haar, dat rechtop ging staan, wanneer hij toornig werd. Pietro di Dante, de zoon van den dichter, verhaalt, dat zijn moeder voor de geboorte van Ezzelino droomde dat zij een brandende fakkel voortbracht. Dante noemt hem una facella (Paradiso IX, 29). (Vgl. een dergelijke legende van Hecuba voor de geboorte van Paris). De oude kroniekschrijvers hebben uitvoerige verhalen over zijn wreedheid; Villani zegt: fu uno grande flagello al suo tempo [Vertaler].
13 Inferno XIII, 58.
Io son colui, che tenni ambo le chiavi
del cor di Federico.
Later werd hij, volgens Dante ten onrechte, beschuldigd de staatsgeheimen verraden te hebben en op bevel van Frederik gevangen genomen en misschien van het gezicht beroofd; daarop pleegde hij zelfmoord. In den Inferno woont zijn ziel in een bloedenden boom (in het Bosch van de Zelfmoordenaars); op verzoek van Vergilius breekt Dante een twijg van dien boom af om hem zijn geschiedenis “in bloed en woorden” te laten vertellen.
14 Fere centenarius, zegt een Engelsch kroniekschrijver. Toen hij in 1227 tot Paus werd gewijd, was hij reeds meer dan tachtig jaar oud.
15 Hij meldde zich bij de hoven van Arragon, Frankrijk en Engeland aan, maar “zij verzochten hem beleefd hun de eer van een bezoek te sparen” (Gregorius).
16 Soleva Roma . . . Duo Soli aver . . . L’un l’altro ha spento ed è giunta la spada Col pasturale, Rome bezat vroeger twee zonnen; de eene heeft nu de andere gedoofd en het zwaard is vereenigd met de herderstaf (Purgatorio XVI, 106).
17 Er zijn nog brieven van Innocentius IV over, waarin hij de samenzweerders “roemruchtige zonen van de Kerk” noemt.
18 Waarschijnlijk in den (thans herstelden) Palazzo del Rè Enzio te Bologna. Men zegt, dat hij in zijn gevangenschap getroost werd door de liefde van de schoone Lucia Viadagola, van wie de Bentivogli beweren af te stammen.
19 En toch had Paus Gregorius hem dikwijls een godslasteraar, een beest en nog erger genoemd. Maar, ofschoon Frederik een ongeloovige was, had hij toch genoeg Christelijk en ridderlijk gevoel om de edele woorden van Odysseus tot de zijne te maken: “Het is een goddelooze daad te juichen over de dooden”. (Odyss XXII 412). Frederik was een van die ingewikkelde en rijk begaafde naturen, die onmogelijk te analyseeren zijn. Zijn voortreffelijkste eigenschappen had hij aan zijn moeder Constantia, de dochter van Roger, koning der Noormannen, te danken. Bréholles heeft een uitvoerige biografie van hem geschreven. Hij tracht te bewijzen, dat Frederik zich beschouwde als een soort Messias, maar de Bijbelsche uitdrukkingen, die Frederik gebruikt, (b.v. wanneer hij zijn geboorteplaats “Bethlehem” noemt en Pier delle Vigne beveelt “zijn schapen te weiden”) kan men door de gewoonte van die tijden wel verklaren. Zonder twijfel was hij een vrijdenker, een cosmopoliet op godsdienstig gebied, met een sterke voorliefde voor Oostersche gedachtevormen en Oostersche gewoonten, zooals het concubinaat; en wij kunnen er van overtuigd zijn, dat hij gewoon was over Mozes, Christus en Mohammed te spreken als over drie teleurgestelde bedriegers, wier godsdienstige stelsels hij wel kon verbeteren; en wij behoeven er ons niet over te verbazen, dat Dante hem als ketteraanvoerder in zijn Inferno tot een vlammende graftombe heeft veroordeeld. (Infern. X, 119). Maar hetgeen verwondering wekt, is, dat Frederik zelf streng Katholiek was en een ijverig vervolger van degenen, die niet orthodox waren, en zelfs, wanneer Dante geen onwaarheid spreekt, een zeer wreede marteling en doodstraf voor dergelijke ketters uitvond. Het doet denken aan Poggio’s geschiedenis van een boef, die vele moorden op zijn geweten had, maar met gevaar voor zijn leven in een stad kwam om absolutie te vragen, daar hij in den vastentijd een paar druppels melk had gedronken.
20 Hendrik, de zoon van Frederik en Isabella van Engeland, was onderkoning van Sicilië geworden. Hij stierf omstreeks denzelfden tijd als zijn vader. Paus Innocentius bood (!) Karel van Anjou en Richard van Cornwall de kroon van Sicilië aan, die er beiden voor bedankten. Daarna haalde hij Hendrik III van Engeland over zijn jongen zoon, Edmund van Lancaster, acht jaar oud, dien titel te laten aannemen. Maar Hendrik toonde geen lust, op het verzoek in te gaan, toen de Pausen hem opriepen om de rechten van zijn zoon met wapengeweld te handhaven en Sicilië te veroveren.
21 Er is nog een grafschrift op hem over, dat de stemming van het volk voortreffelijk weergeeft:
Hic jacet Suncini tumulus canis et Ezzelini
quem lacerant manes tartareique canes.
[Vertaler].
22 Inferno X, 86. che fece l’Arbia colorato in rosso.
23 Dit was de eerste maal, dat iemand, die geen Keizer of Paus was, in de St. Pieter werd gekroond. Bij zijn aankomst had Karel het Lateraan als zijn woning betrokken, maar hij ontving een zeer verontwaardigd schrijven van den Paus en moest het Lateraan ontruimen.
24 Als een geëxcommuniceerde, sine cruce et luce.
25 Het zal wel niet noodig zijn de lezers van Dante te wijzen op den prachtigen derden zang van den Purgatorio, waar Manfred zelf dit alles aan den dichter verhaalt.
Biondo era e bello e di gentile aspetto
ma l’un de’ cigli un colpo avea diviso.
“Blond was hij, schoon en edel van gezicht, maar een houw had een zijner wenkbrauwen gespleten.” Deze beschrijving brengt de verschijning van Prins Edward in herinnering, zooals hij zich aan zijn moordenaar, Clarence, vertoont:
“Then came wandering by
A shadow like an angel, with bright hair
Dabbled in blood;”
(Shakespeare, Richard III Act I Scene IV).
26 Astura, waar Cicero een villa had en het eerst op zijn vlucht aankwam, is nu een eiland van ruïnen midden in moerassen. Er bestaan nog muren van het Frangipani-kasteel en nog een enkele toren. Op verren afstand ziet men vaag de Circejische kaap.
27 In de dichtbijzijnde kerk van S. Croce is een porfieren zuil, die, naar men zegt, op de plaats stond, waar Konradijn werd onthoofd.
28 Dante (Inferno XII, 120) maakt een toespeling op het feit, dat het hart van Hendrik in een gouden vaas naar Engeland werd gestuurd en “nog aan den oever van de Theems vereerd wordt” (le cor, che in sul Tamigi ancor si cola). Men zegt, dat de vaas geplaatst is op de graftombe van Koning Eduard, den Belijder, in de Westminster-Abdij.
29 Purgatorio VII, 113.
30 Paradiso VIII, 55, zegt Karel Martel: assai m’amasti, ed avesti bene onde.
“Gij hield veel van mij en gij hadt daar wel reden voor”.
31 Ook door Dante (Purgat. VII, 94) wordt hij Imperador genoemd, ofschoon hij nooit door den Paus is gekroond. Op een afgelegen plaats van den Louteringsberg zit Rudolf, droevig en eenzaam, als een “die verzuimd heeft te doen, wat zijn plicht was”, n.l. zich te bemoeien met Italië en zich te Rome laten kronen. Niet ver daarvandaan, in aangenaam gezelschap, bevindt zich Hendrik III van Engeland, “de koning van eenvoudige levenswijze” en Karel van Anjou, die met zijn doodvijand, Pedro van Arragon, samen hymnen zingt (door “zijn manlijken neus”). Zie plaat 48 en de verklaring der illustraties.
32 Ofschoon Florence Welfsch was, werkte het den Paus zoo tegen, dat hij het interdict over de stad uitsprak; toen hij door een overstrooming gedwongen was een Florentijnsche brug over den Arno over te gaan, hief hij den ban voor slechts enkele uren op, totdat hij de stad was doorgetrokken. De termen Welfsch en Ghibellijnsch hebben in dezen tijd hun oorspronkelijke beteekenis van pausgezind en keizersgezind geheel verloren. Hier zien wij, dat de Pausen den Duitschen Keizer steunen en den Florentijnschen Welfen vijandig gezind zijn. De pauselijke politiek was natuurlijk nooit op de hand van de republikeinsche vrijheid.
33 Indien hij zijn plannen had kunnen verwezelijken, zegt Gregorovius, had hij zijn kleinzonen koningen van Toskane en Lombardije gemaakt. “In waarheid was ik een berenkind, zoo begeerig om de berenwelpen (Orsatti) vooruit te brengen, dat ik hier boven rijkdommen en hier mijzelf in den buidel stak.” Zoo beschrijft hij zichzelf (Inferno XIX, 70) bij Dante, die hem, als Simonist, in Malebolge plaatst, met het hoofd naar beneden in een kuil, terwijl hij rusteloos met zijn voeten, die eruit steken en branden, kwispelt. Wanneer hij Dante Italiaansch hoort spreken, roept hij uit: “Zijt gij daar reeds, Bonifacius?”, daar hij meende, dat het Paus Bonifacius VIII was, die in 1303 in hetzelfde gat voorover zou geworpen worden en later zou gevolgd worden door Clemens V, die den zetel van het Pausdom naar Avignon heeft verplaatst. (e farà quel d’ Alagna esser piú giuso, Parad. XXX. 148).
34 Purgator. XXIV, 24. Hij liet den paling in melk bewaren en in wijn koken. Daarom verscheen na zijn dood het volgende spotvers:
Gaudent anguillae, quod mortuus est homo ille
qui quasi morte reas excruciabat eas.
[Vertaler].
35 Paradiso VIII, 75.
36 Inferno XXVII, 85. lo principe de’ nuovi farisei.
37 Paradiso XIX, 126. Dante zegt, dat men zijn goede eigenschappen met een I (éen) en zijn slechte met een M (duizend) zal aangewezen zien.
38 Karel Martel was door zijn moeder, Maria van Hongarije, ook erfgenaam van den Hongaarschen troon. Hij huwde Clemenza, de dochter van Rudolf van Habsburg en stierf in 1295, veertien jaar voor den dood van zijn vader. (la bella Clemenza van Parad. IX, 1, zal wel de dochter van Karel Martel zijn). Zijn broeder Robert van Calabrië besteeg den troon van Napels. Karel Martel had innige vriendschap met Dante gesloten, die hem te Florence had ontmoet (Parad. VIII).
39 Het huis Anjou in Napels en Zuid-Italië eindigde in 1442, toen le bon roi René werd onttroond door den Spaanschen koning Alfonso, die aldus Koning van de Beide Siciliën werd. Caltabelotta ligt in het Westen van Sicilië, niet ver van de reusachtige ruïnes van Selinus. Het (Saraceensche) woord beteekent “Kasteel van de Kurk-eiken.”
40 Toen hij Gregorius X te Lyon bezocht om bekrachtiging van zijn nieuwe Orde te verkrijgen, verbaasde hij dien Paus door zijn monnikskap aan een zonnestraal op te hangen. Frescos te Aquila stellen zijn mirakelen voor.
41 Dante geloofde dit ten minste, want hij beschuldigt Bonifacius ervan, dat hij door bedrog la bella donna (de Kerk) verschalkt heeft (Inferno XIX, 57).
42 Purgatorio XX, 86.
43 Zooals bekend is, brandmerkt Dante Celestinus (want zonder twijfel wordt deze Paus bedoeld, ofschoon hij niet genoemd wordt) als dengene, die uit lafheid de groote weigering had gedaan en plaatst hem onder de groote menigte van onedele zielen die nooit levend waren (che mai non fûr vivi) en veroordeeld zijn te rennen achter een banier over een donker plein bij den Acheron, terwijl zij door muggen en wespen worden gestoken. (Inferno III).
44 In den Inferno (zang XXVII) vertelt Guido di Montefeltro, die door den dichter gezet wordt bij hen die wegens het geven van een slechten raad door vlammen geteisterd worden, hoe hij een groot aanvoerder der Ghibellijnen was tegen Karel van Anjou (hij maakte te Forli van de Franschen een bloedigen stapel), hoe hij Franciskaner monnik te Assisi werd, hoe Bonifacius hem onder zijn invloed kreeg en hem het verraderlijke plan afdwong, waardoor Palestrina werd veroverd; naar aanleiding daarvan werd zijn ziel, die St. Franciscus kwam oproepen, naar den hel gesleurd door een zwarten cherubijn. Palestrina, het oude Praeneste, ligt ongeveer 30 K.M. ten Zuid-Oosten van Rome. Het was beroemd om zijn tempel van Fortuna (door Sulla verwoest), die zich hoog op groote terrassen verhief. Hiervan bestaan nog overblijfselen. In het kasteel heeft Konradijn gevangen gezeten. Door de Colonna’s werd de stad weder opgebouwd, en nog eens verwoest door een Paus in 1436. Sinds 1630 was het wederom in de macht van het geslacht Colonna.
45 Het is merkwaardig, dat er geen vorsten schijnen gekomen te zijn, een beteekenisvol feit. Gregorovius zegt, dat Karel van Hongarije de eenige uitzondering was. Maar aangezien deze in 1295 is gestorven, en Dante hem op 1 April 1300 in den hemel zag, is dat zeker een vergissing.
46 Bij gelegenheid van dit gezantschap zou hij, volgens Boccaccio, de beroemde woorden gesproken hebben: Si io vo’ chi resta? e si io resto chi va? Als ik ga, wie blijft er? Als ik blijf, wie gaat er? [Vertaler].
47 Inferno XVIII, 25–33.
48 De laatste datum, die door den oudsten Villani wordt vermeld, is 11 April 1348; hij spreekt dan over de groote pest van dat jaar, die door Boccaccio in zijn Introduzione van de Decamerone wordt beschreven. “Deze pest duurde tot...” zegt Villani en was van plan den datum later in te vullen: maar dit heeft hij nooit kunnen doen; want hij is er zelf aan gestorven.
49 Hij werd door de Florentijnen als gezant naar Bonifacius gezonden. Hij kwam te Rome en zag Florence niet weder.
50 Duitschland geeft hierin een groote tegenstelling. Ofschoon Albrecht van Habsburg (en Oostenrijk) zijn mededinger Adolf van Nassau overwonnen had, werd zijn gezag toch niet door een nationaal gevoel gesteund. Dante beschuldigt er hem van, dat hij Italië verwaarloosde, maar hij werd te zeer bezig gehouden door oneenigheden in zijn eigen rijk en opstanden, zooals dien van de Zwitsers (Wilhelm Tell!); en Bonifacius had niet geheel en al ongelijk, toen hij toornig tot de gezanten van Albert uitriep: “Imperator! Imperator sum ego!”
51 Tot de bezittingen van de Gaetani behoorde ook de beroemde Tombe van Caecilia Metella, waar Bonifacius, naar men zeide, de borstweringen had opgericht.
52 Sommige schrijvers, zooals de Engelschman Walsingham (c. 1400) hebben de behandeling van Bonifacius zeer overdreven voorgesteld. Het is echter zeer merkwaardig, dat Dante, “die zijn vijand Bonifacius rondom de muren van de vlammende stad van Dis sleurt, zooals Hector rondom Troje werd gesleept”, van verontwaardiging trilt over de heiligschendende behandeling van denzelfden Paus door dien modernen Pilatus, die Pest van Frankrijk (il mal di Francia, Purgator. VII, 109; XX, 91), zooals bij Philips den Schoone noemt (zie ook: Inferno XIX. 52–84, waar Dante Bonifacius hevig aanvalt en Paradiso XXVII, 19–30, waar de H. Petrus van hem zegt: “hij heeft van mijn rustplaats een cloaca van bloed en stank gemaakt” (fatto ha del cimitero mio cloaca del sangue e della puzza).
53 Dante beschrijft Philips en Clemens als een reus en zijn minnares; zij kusten elkander, maar wanneer la puttana de oogen naar den dichter wendt, sleept de reus haar een bosch in; met ziet hierin gewoonlijk een toespeling op de Babylonische gevangenschap (Purgatorio XXII, 148–160). Dante werpt zooals wij zagen Clemens ook voorover in een hol in den Inferno, met Bonifacius en Nicolaas III (Inferno XIX, 52). Un pastor senza legge heet hij iets verder (83).
54 Purgat. VI, 97–117, verwijt Dante in scherpe bewoordingen Albrecht, dat hij niet naar Italië is gekomen, om het weerspannige en lastige veulen te temmen.
Vieni a veder la tua Roma che piagne,
vedova e sola e dì en notte chiama:
“Cesare mio, perchè non m’accompagne!”
55 Karel II van Anjou was in 1309 gestorven en Robert, zijn derde zoon, werd door Clemens V te Lyon als koning der Beide Siciliën gekroond (Karel Martel was in naam Koning van Hongarije en een tweede zoon van Karel II was geestelijke geworden).
56 Dante behoorde tot de Bianchi (Witten), meer gematigden.
57 Zie Henri Hauvette, Inleiding tot de studie van de Divina Commedia, p. 167. Dit uitstekend werk over Dante is verschenen in de Wereldbibliotheek [Vertaler].
58 Men zal zich herinneren, dat de oude basiliek van het Lateraan in 896 was ingestort, niet lang nadat het lijk van Paus Formosus voor een Synode ter verantwoording geroepen was. Het nieuwe gebouw was in 1308 verbrand en nu weder opgebouwd en misschien reeds versierd met de fresco’s van Giotto.
59 De gezant en de kardinalen weigerden eerst deze handeling te verrichten, maar het volk van Rome dreigde hen met den dood, terwijl zij uitriepen, dat zij, en niet de Paus het recht hadden de keizerlijke waardigheid te schenken. Misschien heeft Dante gedacht aan de mislukking van het plan om in de St. Pieter gekroond te worden, toen hij beschreef, hoe op een ledigen troon een kroon lag te wachten op de aankomst van Hendrik in den hoogsten hemel (Paradiso XXX, 134).
60 Nog dichter bij S. Gimignano (Plaat 42 en 54) en Certaldo, de woonplaats van Boccaccio, wiens vader een handelsman van dat stadje was. Boccaccio werd in ditzelfde jaar geboren (1313), maar waarschijnlijk te Parijs.
61 William Gladstone beweerde, dat Dante Engeland bezocht had. [Vertaler].
62 Inferno IX, 73–91.
63 Purgator. XVI, 107.
64 De Limbo is het voorportaal van de hel, het verblijf der reine zielen, die niet in Christus geloofd hebben, hetzij omdat zij te vroeg geboren werden, hetzij omdat zij zijn wet niet gekend hebben; daar zijn ook de kinderen, die sterven zonder den doop te hebben ontvangen. “Zij leven in verlangen zonder hoop.” Inferno IV. 42. [Vertaler].