Toen Hendrik in Italië kwam, was Dante reeds ongeveer tien jaren in ballingschap en misschien onlangs teruggekeerd van zijn zwerftochten, die hem naar Parijs en Nederland of zelfs naar Engeland61 kunnen gebracht hebben. Wellicht was hij er bij tegenwoordig, toen Hendrik de IJzeren Kroon te Milaan ontving en men zegt, dat hij bij deze gelegenheid “zijn raad, zoo niet zijn zwaard aan den Bevrijder van Italië gewijd heeft”, terwijl hij hem misschien een afschrift van de Monarchia aanbood, dat Hendrik zonder twijfel niet gelezen heeft. Kort daarna zendt de dichter uit het Casentijnsche (de bovenvallei van den Arno), waarheen hij zich teruggetrokken had, aan zijn vaderstad een heftigen open brief, die begint met de woorden: Dantes Allagherius florentinus et exsul immeritus sceleratissimis Florentinis intrinsecus. Hij is vol sarcasme en schimpscheuten. “Wat zullen”, zoo vraagt hij, “uw gracht, uw muren, uw torens u baten, wanneer de adelaar, schrikwekkend met zijn gouden vleugels, op u neerschiet?” En terwijl Hendrik nog te Pisa toefde, stuurde Dante hem in de lente van 1312 den brief, waarover wij reeds gesproken hebben, en richt zich tot den zoogenaamden Romeinschen Keizer met merkwaardige woorden, noemt hem niet alleen een Zonnegod en een Heilig Graf, maar zelfs het Lam Gods, terwijl hij Florence uitscheldt voor een vos, een adder, een hydra, een schurftig schaap, dat de geheele kudde aansteekt enz. Maar, zooals wij reeds zagen, Hendrik nam zijn raad niet ter harte.
Van veel grooter belang dan deze buitensporige en woedende brieven is de Monarchia, een verhandeling in drie Boeken, die waarschijnlijk geschreven is omstreeks den tijd, toen Hendrik naar Italië kwam. Dit werk geeft duidelijk de hoop weder, die de gedachten van velen vervulde en is een hartstochtelijk beroep op de goddelijke Rechtvaardigheid om een “Bode van den hemel” te zenden, zooals de Engel, die in de Divina Commedia de beide dichters te hulp kwam en met zijn staf de poort van de vlammende stad van Dis opende62.
58. Kansel in la Trinità della Cava, bij Salerno.
In de Monarchia bewijst Dante zeer uitvoerig, met groote scherpzinnigheid en geleerdheid, dat de tweevoudige natuur van den mensch twee verschillende leiders noodig heeft (twee Zonnen, zooals hij in zijn gedicht63 zegt), een geestelijken en een wereldlijken, en hij verklaart, dat de Keizer in wereldlijke aangelegenheden de hoogste macht heeft. Door een alles omvattend Keizerrijk alleen is het mogelijk een algemeenen vrede te bereiken, zulk een vrede als voor de menschheid noodig is om zich te kunnen wijden aan het hoogste doel van het bestaan. Hij behandelt de vraag, of het Romeinsche volk alleen het recht heeft iemand met de keizerlijke waardigheid te bekleeden en haalt bewijzen aan om te toonen, dat het zoo is, dat Rome het eenige, ware middelpunt van het Christendom en het Keizerrijk is. Daarna stelt hij de vraag, of het keizerlijke gezag rechtstreeks van God moet worden afgeleid of door bemiddeling van den Paus wordt verleend en hij vindt het antwoord in het feit, dat Christus de wereldlijke macht als verschillend van de geestelijke heeft erkend.
Maar Dante was veel meer dan een middeleeuwsche casuïst en dialecticus. Hij had inzicht in veel dingen, waarvan de geleerden met hun philosophie geen vermoeden hadden. Met dit algemeene Keizerrijk heeft Dante getracht in niet zeer scherpe, maar toch onmiskenbare omtrekken den denkbeeldigen vorm te schetsen van een volkomen vrede en broederschap en alles omvattende Federatie, welke sommige van de grootste en edelste menschen van alle tijden hebben gepoogd op te roepen van den Limbo van onvervulde verwachtingen naar het licht van de rede en werkelijkheid, maar die nu weder, evenals Eurydice, verdwenen is in de sombere duisternis van een oorlog, zooals de wereld er nog nooit een gekend heeft.64. Dante’s ontwerp was een evenwicht van krachten, een bond van steden en volkeren, die vrijheid en eigen bestuur bezaten, maar onder een hoogst, centraal gezag stonden. Een dergelijk Imperium, zoo zullen sommige zeggen, is verwezenlijkt in den tijd van de Antonini, den eenigen tijd, volgens Gibbon, waarin het leven werkelijk waarde genoeg bezat om geleefd te worden.