Hy (Justinianus), koning met of zonder kop

Hy sloeg den spijker op zijn kop.

Bilderdijk.

Weet ik een S—, hy weet een gat (hy heeft altijd een uitvlucht; ik kan hem niet pal zetten).

S—s op laag water zoeken (met nietige vitteryen voor den dag komen, onbeduidende gronden voorbrengen; ook: iets voorwenden om een kwade zaak te verheelen). Bilderdijk in zijn Gesl. op ’t woord Spei geeft van dit spreekwoord, een verklaring, welke ik twijfel dat aan eenig zeeman voldoen zal en die bovendien niet met de beteekenis van ’t spreekwoord rijmt. Hy wil namelijk een schip, dat aan den grond zit, weder vlot maken, door ’t water, dat zich in ’t scheepsruim bevindt, door de spijgaten weg te laten loopen—!—en beweert, dat men, op laag water zittende, zijn toevlucht dus neemt tot de spijen,—welk woord wederom in spijkers zoû zijn veranderd.—!—Ik waag het, een andere verklaring voor te stellen. Het is alleen als ’t water laag is, dat men de gezonken waren en kostbaarheden, die uit een gestrand schip te gronde zijn gegaan, op den bodem gaat zoeken. Maar wie daarvoor duikt en zijn leven waagt, brengt gaarne iets boven, dat waarde heeft, en laat de gezonken spijkers liggen. Die dus, op laag water, beweert, S—s te zoeken, is of een dwaas, of iemand, die zijn wezenlijk doel verbergen wil.

Spijkeren, b. w. — Met Spijkers beslaan.

Spijkerhuid, z. n. v. — Buitenhuid van het schip, die, zoo ver zy in ’t water komt, geheel met breedkoppige Spijkers beslagen is, om haar tegen den worm vrij te waren.

Spijkyzer, z. n. v. — Yzer, dienende om Spijkers om te klinken.

Spijl, z. n. m. — Pen, spie.

Spijlbouten, z. n. m. mv. — Bouten met een gat aan ’t vooreinde, waardoor een spijl gestoken wordt.

Staaf, z. n. m. — Baar, metalen strook.

Staal, o. w. of Staalgrond (veroud.) — Plaats, die met bagger of modder is opgehoogd.

Spreekwijze: Noch Grond noch S— (noch vleesch, noch visch).

Staan, o. w. — Zich bevinden, in een bepaalden toestand zijn. De golven S— hoog:—Aan het roer S—:—De zeilen S— goed:—Het glas laten S— (zonder het te ledigen).

Staand, deelw. — Wat vast staat. S— en loopend want:—Een S—e wind (die uit een vasten hoek blijft waaien.

Staander, z. n. m. — Koning, as, stijl. S— van een kraan, van een spil.

Staart, z n. m. — Achterste gedeelte. S— van een kraanbalk (het gedeelte, waarmede die in het schip is vastgemaakt).

Staartblok, z. n. o. — Balk, waaraan een eind oud touw is gesplitst om het ergends mede aan vast te maken.

Staartstoppers, z. n. m. mv. of Zwiepingstoppers. — Naam van twee zware Stoppers, die het dichtst achter aan de betings zijn aan bakboord- en stuurboordzijde.

Staat, z. n. m. — 1o. Rol, lijst, inventaris. S— van bouw, uitrusting en wapening (geschrift, dat de byzonderheden bevat van al wat betrekking heeft tot den aanbouw, de tuigaadje, enz. van een uit te rusten schip). S— der mondbehoeften (geschrift, waarop de hoeveelheid en hoedanigheid van den ingescheepten leeftocht vermeld wordt). S— van kosten, van uitgaven, enz. en S— van dienst, (waarop iemands ouderdom, rang, diensttijd, enz. vermeld staan).

2o. Houding, toestand. Het schip is in goeden S—:—Wy zijn door den toevoer van nieuwen voorraad, weder in S— eenige dagen zee te houden.

Stadig, b. n. — Langzamerhand, loopsgewijze S— aanstrijken, hand over hand bijvieren (een gespannen koord langzamerhand laten doorschieten).

Staf, z. n. m. — Benaming, die in ’t algemeen gegeven wordt aan officieren en onderofficieren zonder troepen:—somtijds ook de hoofdofficieren van een korps aanduidt. Generale S— (het lichaam der Hoofdofficieren). Chef van den S— (officier, belast met het uitdeelen van al de bevelen, het verslag geven der militaire operatiën, enz.) Zie Etat-major. Op een oorlogschip bestaat de S— uit den Amiraal, den Vlagkapitein (die het Amiraalschip kommandeert) en de Adjudanten.

Stafofficier, z. n. m. — Kolonel, Luitenantkolonel en alzoo: Kapitein-ter-zee, Kapitein Luitenant. De Subalternen, die by den Staf dienen, heeten: “Officier naby den Staf.”

Stag, z. n. v. — Staand touw, dienende om een mast te steunen en te beletten achterover te slaan. Groot S— (van den grooten mast.) FokkeS— (van den fokkemast.) Looze S— (die nevens een ander geplaatst is en weêrstand bieden moet, als deze breekt.) StangeS— (zwaar touw, waarmede, by slecht weer, de fok geschoord wordt.) Zie BakS—. Spaansche S— (daar de ra van het blind mede vast gehouden wordt.) Over S— smijten (schielijk wenden.) Over S— loopen (buiten nood de hoogte zoeken of loeven).

Spreekwijze: Iemand over S— werpen (iemand van zijn stuk brengen, iemand overreden).

Zy smeken even graegh

En smijten endlijck hem gezeghlijck over staegh.

Vondel. Verovering van Grol.

Stagkraag, z. n. m. — Kraag van een Stag.

Stagzeil, z. n. o. — Zie Zeil.

Stagzeilringen, z. n. m. mv. — Ringen, door de oogen van het Stagzeil gehaald.

Stampen, o. w. of Heien. — Een schip wordt gezegd te S— wanneer de boeg diep in zee steekt.

Stampen, b. w. — Indrukken, inpressen, stuwen. Waren in een ton S—. Het kruid in den mond van een stuk geschut S—.

Stamper, z. m. m. — Werktuig, waarmede een lading wordt aangestampt.

Stampstag, z. n. m. — Zie Stag.

Stampsteven, z. n. m. (veroud.) — Breede Steven.

Stampstooten, o. w. — ’t Zelfde als Stampen.

Stampsel, z. n. v. — Zware baar of golf, die tegen den boeg aanslaat.

Stand, z. n. m. — Vaste plaats. Vaste S— van een mast, goede S—, goede richting van een mast.

Standert of Standaart, z. n. m. — 1o. Vlag eener galei. Koninklijke S— (die van de hoofd- of koninklijke galei, breede wimpel, gevoerd door een kapitein, die schepen onder zijn bevelen heeft).

2o. ’t Zelfde als Staander, met de versterkende t.

Stang, z. n. v. — Zie Steng.

Stapel, z. n. m. — 1o. Naam der vereeniging van stijlen, waar een schip in aanbouw op rust. Het schip staat op S—. Een schip op S— laten zetten.

Spreekwijze: Daar is wat op S— (daar is wat gaande, gewoonlijk: daar is een kleintjen te verwachten).

2o. of Stapelplaats. Marktplaats, vereenigingspunt, waar goederen worden heengebracht. De S— van het koren is van deze naar gene plaatse verlegd.

Stapelbocht, z. n. v. — Bocht, welke men aan een scheepswerf geeft, om die aan de kiel van een schip in aanbouw mede te deelen.

Stapelen, b. w. — Stuwen, ophoogen, op Stapel zetten.

Stapelplaats, z. n. v. — Zie Stapel.

Stapelrecht, z. n. o. — Recht, aan deze of gene plaats toegekend, om er een bepaald getal goederen te mogen opstapelen.

Station, z. n. o. — Standplaats, post, kruispad, ligplaats: streek, aan een of meer oorlogschepen aangewezen, waar zy belast zijn, voor de veiligheid der koopvaardyschepen hunner natie te waken, of de onderdanen dier natie te beschermen. Op S— zijn. Het S— aflossen.

Steek, z. n. m. — 1o. Vereeniging van twee saamgevlochten touwen.

2o. End van een kabel, dat door den ring van een ankeroog gestoken wordt.

3o. Staketsel van palen, waardoor de zalmen, steuren enz. gestuit en in de fuiken gedrongen worden.

Steekspeen, z. n. v. — Sprong van de beting.

Steel, z. n. m. — Handvatsel, van een bijl, hamer enz.

Spreekwijze: Hy wint op een eerlijke wijze met S—en de kost (hy is een handwerksman).

Steengrond, z. n. m. of Steenrif. — Rif, uit steenachtige zelfstandigheid bestaande.

Steenrif, z. n. o. — Zie Steengrond.

Steiger, z. n. m. — Houten getimmerte langs den oever, dat tot aanlegplaats dient aan de vaartuigen. Het schip ligt aan den S—. Men heeft aan den S— gelost.Hooft noemt in zijn Ned. Hist. Calais den ZeeS— van Frankrijk.

Steigeren, o. w. — Een Steiger maken.

Spreekwijze: Ik heb zoo veel van S— als van metselen (ik heb zoo veel van ’t een te doen als van ’t ander).

Steigerschuit, z. n. v. — Schuit, die gewoon is van denzelfden Steiger af te varen.

Steil, b. n. — 1o. Recht opstaande: Een S—e kust.

2o. Strak, scherp. Een S—e wind.

Steken, b. w. — Een Steek doen, of geven. Een knoop S— (een knoop leggen.) In zee S— (t. w. het schip); voor: zich in zee begeven, uitloopen De zware touwen S— (Die uit de kluis steken).

Steker, z. n. m. — Vorkvormige vrang.

Stel, z. n. o. — 1o. Volledige verzameling. Een S— zeilen: een S— vlaggen: een S— riemen.

2o. Voor Stal. Op S— zijn (gereed zijn, klaar zijn).

Stelen, b. w. — Benemen. Het land Steelt den wind van dat schip.

Stelhout, z. n. o. — Stelling, dienende om een kanon in goede richting te houden.

Stellaadje, z. n. v. of Stelling. — Opgerichte planken, op palen rustende en dienende om de bedden te dragen by het bouwen of vertimmeren.

Stellen, b. w. — Richten. Een stuk geschut S—.

Stelling, z. n. v. — Zie Stellaadje. S— van windboomen (driehoek, gevormd van drie met de uiteinden in een punt saamgebrachte boomen, uit welk punt zy hun kracht uitoefenen).

Stelpnet, z. n. o. — Soort van bun, in den vorm van een kippehok, waarmede men den visch overdekt, die men onder in ’t water ziet. Met het S— visschen.

Stelsel, z. n. o. — Yzerwerk van het roer.

Stempelbout, z. n. m. — Zie Drevel, Drijfbout.

Stempelen, b. w. — Uitdrijven, uitjagen. Een bout S—.

Steng, z. n. v. of Stang. — Bovenmast. Blinde S—, BoegS— (mast van den boegspriet.) Groote BramS—, KruisS—, Groote MarsS— enz. (Stengen, waar het Bram-, Kruis- of Marszeil enz. aan vast zijn.) De vlag ter halver S— laten zakken (ten bewijs van rouw.) De S— schieten, (laten zakken.) De S— om hoog winden (ze op haar plaats brengen.) Met een geschoten S— varen (voor den storm vluchten).

Steun, z. n. m. of Steunder. — Stut, schoor.

Steunders, z. n. m. mv. — Verbindingsstukken in sommige kruisverbanden. Zie Trekkers.

Steunstuk, z. n. o. — Rechthoekig stuk hout naast elke poort tegen de inhouten geplaatst en zich van den balkweger tot den zetweger uitstrekkende, tegen de doorzetting dienende.

Steunwegers, z. n. m. mv. — Zware wegers, omstreeks de kim en waar de Steunders op rusten.

Steven, z. n. m. — De stijving of sterkte van ’t schip, waar de deelen zich tot een punt vereenigen. Zie VoorS—, Achter S—, BinnenS— of looze S—. Den S— ergends heen wenden (ergends heen varen.) Het schip schiet over S— (het gaat vooruit.) Wy liepen den vyand op S— (wy ontmoetten den vyand.) Met den S— in den wal (naar het land toe leggende).

Stevenen, o. w. — Den Steven wenden. Wy moeten naar huis S—.

Stevenkroon, z. n. v. — ’t Lat. corona rostralis. Zie Scheepskroon.

Stevig, b. n. en bw. — Sterk, kras. Een S—en voor-de-wind hebben. Dat schip gaat S— voor den wind.

Stikgrond, z. n. m. — Bodem van zware klei.

Stiklijn, z. n. v. (veroud.) — Beslagseizing, zesdraadslijn.

Stil, b. n. — Wordt de zee genoemd, wanneer zy noch wassende noch afnemende, of tusschen eb en vloed is. Wy gingen met S— water onder zeil, om van de eb gebruik te maken.

Stillen, o. w. — Bedaard worden. De wind begint te S—.

Stilstaand, b. n. — Dat zich niet van zelf beweegt. S— water (dat geen stroom heeft).

Stilte, z. n. v. — Kalmte, rust. Wy hadden vier dagen S— van wind (vier dagen, dat het niet woei). S— overal! (komm.)

Stinkpot, z. n. v. — Vuurpot, vuurdrager. De S—ten plachten in zeeslagen gebruikt te worden, om, by het enteren, den vyand uit de hut, kajuit of andere voordeelige stellingen, door den stank te doen verhuizen.

Stoel, z. n. m. — Rustplaats. De S— van den vlaggestut, of het hout, waar de vlaggespil in staat of rust.

Stofregen, z. n. m. of Motregen. — Fijne regen.

Stok, z. n. m. — Dun en lang hout. Zie AanzettersS—, HelmS—, KolderS—, LontS—, PompS—, VlaggeS— enz.

Stokken, b. w. — Van een Stok voorzien. Een Anker S—.

Stokvisch, z. n. m. — Gedroogde en gebeukte Kabeljauw.

Spreekwijze: Een drooge S— (een houten klaas, een stijve hark van een vent).

Iemand op S— zonder boter onthalen (hem slagen geven).

Stomp, z. n. v. — Kleine mast of brok van een mast.

Stooken, o. w. (veroud.) — Hard waaien.

Als door ’t langdurigh stoocken

’t Plechtancker naulycx vat.

Vondel. Lof der Zeevaart.

Stooker, z. n. m. — Harde wind. ’t Woei een fikschen S—.

Daer nochtans een eyke stam

Die hier aen den Hemel quam,

Licht ter aerden wort geruckt,

Licht ter neder wort gedruckt,

Licht daer henen wort gedrayt,

Alser maer een stooker waayt.

Cats.

Stoomboot, z. n. o. — Zee- of Rivier-Vaartuig, dat door Stoom wordt voortgedreven. De S— op Londen. De S— op Alkmaar.

Stoomjacht, z. n. o. — Jacht, dat door Stoom gedreven wordt.

Stoompaket, z. n. o. — Stoomvaartuig, dat met het overbrengen der maal belast is en op vaste beurten vaart.

Stoomschip, z. n. o. of Stoomvaartuig. — Vaartuig, dat door Stoom gedreven wordt.

Stoomsleeper, z. n. m. — Zie Sleepboot.

Stoomvaartuig, z. n. o. — Zie Stoomschip.

Stooten, o. w. — 1o. Stampen, bonzen. Dit vaartuig Stoot geweldig (men ondervindt, daarin gezeten, een S—de beweging).

2o. Raken, tegenkomen. Het schip heeft op de Haaks gestooten.

De bodem slorpte ’t nat

Door ’t stooten op een pael,

zegt Vosmeer in den Gysbreght.

Stootgaren, z. n. o. — Wanneer men de beslagbanden van de marszeils losmaakt, en deze alleen met kabelgarens op de ra samenbindt, zoo dat die maar los te snijden—of als ’t ware te Stooten—zijn, noemt men dit: de zeilen op S— zetten.

Stootkeggen, z. n. v. mv. — Keggen, op de werven in gebruik.

Stootklamp, z. n. m. — Klamp, die onder een schoor of stut gezet wordt.

Stootlap, z. n. m. — Lap of oordubbeling, op een zeil tot versterking aangebracht.

Stootmat, z. n. m. — Matwerk, ter afweering van ’t een of ander ingericht.

Stootschaal, z. n. v. of Brasklamp. — Zie Schaal.

Stoottalie, z. n. v. — Zie Talie.

Stop, z. n. m. — 1o. Tap, deuvik, kurk.

2o. Tonnetjen proviand op de vischschuiten.

Stoppegeld, z. n. o. — Geld voor proviand.

Stoppen, b. w. — 1o. Doen ophouden. De vaart van een Schip S—. Stop! Stop dat! (komm.).

2o. Tegenstand bieden, gaande houden. Wy wierpen het anker om het tij te S— (om te beletten, dat wy door het tij uit onzen koers gedreven werden). De vyand bevond zich te loefwaart van ons, hetgeen onzen Amiraal deed besluiten om elke eb tij te S—. De zeilen tegenbrassen om vaart te S—.

3o. Stoppers opzetten, opvangen. S— om touw te steken wordt gezegd wanneer men de lengte vermeerderen wil van het touw, dat van de beting naar een gezonken anker loopt. Men Stopt alsdan dat touw voor de beting, waardoor het gemakkelijk valt, het ankertouw om de beting te slaan. Het komm. luidt: Stopt en legt beting!

4o. Dicht maken. Een lek S—.

Spreekwijze: Dit lek is niet te S— (die schuld is te groot dan dat er aan te helpen valt).

Stopper, z. n. m. — Min of meer kort en stevig touwwerk, dat, met het eene end aan eenig steunpunt verbonden, om een kabel of ander tuig met herhaalde en stijf toegehaalde slagen gewonden wordt, ten einde het gespannen te houden. S— met een zwieping (S— die het touw vat, wanneer het schip ten anker ligt).

Stopstuk, z. n. o. — Stuk, dat in het boord van een schip wordt aangebracht om een gat te stoppen, ’t welk men tot het laatste toe open houdt om er de groote stukken door te laten gaan.

Storm, z. n. m. of Stormwind. — Hevige beweging van de lucht, doorgaands vergezeld van regen, hagel, onweer enz. Schepen, door den S— geslingerd. De Schepen zijn door S— beloopen, overvallen. Het woei een zwaren S— uit het N. W.

Stormgolf, z. n. m. — Een massa water van meer of minder uitgebreidheid, naarmate van den stroom, opgeheven boven de gewone vlakte des Oceaans door de verminderde dampkringsdrukking en wellicht door andere oorzaken, in haar geheel door den Storm voortgedreven en by het bereiken van baaien, riviermonden en andere engten, door de rijzing ten gevolge der samenpersing, vreeslijke overstroomingen veroorzakende.

Stormfok, z. n. m. — Voorstagzeil.

Stormhoek, z. n. m. of Stormkaap. — Landhoek of kaap, waar gewoonlijk zware stormen waaien.

Stormkaap, z. n. m. — Zie Stormhoek.

Stormkluiver, z. n. m. — Voorstengestagzeil.

Stormladder, z. n. m. — Touwladders, die achter over het hek hangen.

Stormstroom, z. n. m. — Cirkelvormige Stroom in den omtrek van een cirkelvormigen Storm.

Stormweer, z. n. m. — Harde wind, wiens richting gedurende eenige dagen, ja weken, dezelfde blijft.

Stormwind, z. n. m. — Zie Storm.

Stormzeil, z. n. o. — Zie Zeil.

Storten, o. w, — Nedergaan. De baren S— (als zy hoog geweest zijn en weder dalen).

Stortgoederen, z. n. o. mv. — Goederen of waren, die niet ingepakt worden, als b. v. granen, zout, enz. Met S— laden. De bepalingen omtrent S—, waarvan by invoer de hoeveelheid in vreemde maat of gewicht is uitgedrukt, zijn te vinden in art. 16 der Alg. Wet van 22 Aug. 1820.

Stortregen, z. n. m. — Zie Plasregen.

Stortvloed, z. n. m. — Ondiepe, maar hevige stroom, waarin zich gewoonlijk een schuit niet durft wagen.

Stortzee, z. n. v. — Hooge zee, die, boven het schip brekende en er op neêrstortende, alles wegspoelt.

Stouwen, b. w. of Stuwen. — Goederen in het ruim pakken, dicht op elkander drukken. Die kapitein verstaat zich op het S—.

Spreekwijze: Hy kan wat S— (hy kan wat in zijn maag stoppen).

Straat, z. n. v. of Zeestraat. — Zeeëngte tusschen twee landen. De S— van Gibraltar: de S— van Babelmandeb.

Strand, z. n. o. — De oever die zich langs de zee strekt. Een effen S—. Een zandig S—. De scheepjens steken van ’t S— af. Een schip van het S— halen. Hy zit met zijn vaartuig op ’t S—.

Stranddief, z. n. m. — Die op het Strand geredde goederen steelt.

Stranden, o. w. — Op het Strand geraken. Wy vonden een op de kust gestranden walvisch. Ook, eenvoudig, stooten, vastraken. Het fregat Strandde op een rots.

Stranding, z. n. v. — De daad van stranden. Zie Schipbreuk.

Strandjut of Strandjutter, z. n. m. voor Stranddief.

Strandrecht, z. n. o. — Recht van den eigenaar der kust op gestrande wrakken of goederen.

Strandvonden, z. n. m. mv. — Aan Strand gespoelde goederen.

Strandvonder, z. n. m. — Ambtenaar, belast met het beheer der aangespoelde of geborgen goederen uit een gestrand schip.

Strandvondery, z. n. v. — Het beheer of bestier van den Strandvonder.

Streek, z. n. v. mv. — 1o. Windstreek, kompasstreek. Eene der tweeendertig afdeelingen, waarin het zwerk wordt verondersteld te zijn afgedeeld, en het kompas werkelijk afgedeeld is. Dat schip zeilt op zes S—en (er zijn maar zes windstreken tusschen de richting van den wind en die van het schip.)

Spreekwijze: Dat (het kompas) houdt geen S— (dat gaat niet door, dat is niet juist).

Dat woort moet weer berijmt zijn

Of ’t streeck houdt of geen streeck of ’t dicht soud ongelijmt zijn.

Huyghens. Hofwijck.

Hy is van zijn S— (hy is ongesteld).

Hy heeft werk om weder op zijn S— te komen (om weder te herstellen).

RechtS—s (recht door zee).

2o. Plaats, uitgestrektheid, omtrek. Wy hebben in die geheele S— geen schip ontmoet. Die S— wordt door zeeroovery onveilig gemaakt.

3o. Luchtstreek. Wy komen weldra in een heeter S—.

Streektafels, z. n. v. mv. — Tafels, die het verschil van breedte en omtrek aanwijzen.

Strekken, o. w. — Zich richten. Die kust Strekt 4 mijlen zuidwaarts heen.

Strekking, z. n. v. — Richting, wending, ligging. De S— eener kust.

Streng, z. n. v. — Lang verbindsel van in elkander gewerkte draden, geschikt om met dergelijke verbindsels gestrengeld te worden en een dik touw of kabel te vormen. Drie S—s-touwwerk. Vier S—s-touwwerk.

Spreekwijze: De derde S— maakt den kabel (Zie Kabel).

Striem, z. n. m. — Zie Binnenrahout.

Strik, z. n. m. — Zie Strop.

Strook, z. n. m. — 1o. Smalle band of baan. Een S— zeildoeks.

2o. Smal vooruitstekend stuk lands.

Strooken, o. w. — 1o. Zich voordoen. Dat schip Strookt wel.

2o. Overeenkomen. Dit bevel Strookt niet met de gegevene instruktie. Die bepaling van lengte en breedte, waarop die klip is gezien, Strookt niet met die van den kapitein N.

Strooking, z. n. v. — Vorm, voorkomen. De S— van een schip.

Stroom, z. n. m. — 1o. Hoeveelheid water, die zich met meer of mindere snelheid in een bepaalde richting beweegt. Geregelde S—en (die door de beweging des aardbols, of door de bewerking van regelmatige winden, of door de zon ontstaan.) Veranderlijke S—en (die aan wisselingen onderhevig zijn.) Tegen den S—en op- of ingaan. Het bed, de bedding van een S— (de ruimte, door welke hy gewoonlijk vloeit.) Door den S— medegevoerd worden, afdrijven. Die S— loopt N. knoopen (heeft de snelheid van N.) Op S— liggen.