Die tegen stroom zijn schuitje roeit

Dient nimmermeer te zijn vermoeid.

Cats.

2o. Vloed, rivier, die in zee uitloopt. De RijnS—; e GangesS— (de Rijn, de Ganges). De uitleggers zijn gelegd op alle onze S—en.

3o. S—en voor: “de zee.” De zilte S—en.

Spreekwijze: Den S— volgen (denken of handelen gelijk de menigte doet).

’t Is doodS— (er is geen handel, geen bedrijvigheid: om dat een doode S— gelijk staat met een stilstaand water). Zoo zegt Hooft:

De winden zonder toom

Aan ’t rennen schut ik kort en maak een dooden stroom.

Stroomen, o. w. — Met kracht vloeien.

Strop, z. n. m. — Touw, waarvan de enden aan elkander zijn gesplitst en ’t welk men om een blok of kous bindt. S— met een kous, (om een haakblok in te hangen.) Enkele S— (die ergends omheen wordt geslagen, om het op te hijschen, strak te zetten enz.) Yzeren S—, (yzeren band, die om het blok is geslagen.) Zoo RoeiS—, RoerS—, WantS—.

Stroppen, b. w. — Een Strop omleggen. Een blok, een kous, een juffer S—.

Strijken, b. w. — Neêrhalen, doen zakken. Een ra S— (een ra langs den mast doen zakken.) Een vlag S— (de lijn, waar de vlag aan vast zit, om laag halen.) De vlag S— (zich overgeven, om dat een schip, dat voor zijn vyand de vlag strijkt, daarmede sein doet, dat het zich overgeeft.)

Ter zee is dit gebruik, daer moet de minder strijcken,

Te lant is ’t even zoo, daer moet de minder wijcken.

Cats.

Dikwijls wordt het voorwerp verzwegen en er by verstaan: Geheel S—. S— overal, (al de zeilen in eens bergen) of, om by ’t in- of uithijschen, de takels tegelijk te vieren. Een schip doen S— (een schip tot de overgave dwingen.) Met de riemen S—: S— stuurboord! het tegenovergestelde van roeien, (komm.)

Wy vinden strijken onz. genomen by Cats in ’t navolgende gedicht:

Hy is een pijl, die nimmer wijckt,

Hy is een zeil, dat nimmer strijkt;

Hy is een rots, die nimmer beeft,

Wie recht en rond daarhenen leeft.

Stuik, z. n. m. — Vergaring van een oplanger. Eind, waarin een stuk hout in een ander sluit. Een S— oprichten. S— van een lasch, (het schuins gesneden end eener lasch, dat de richting volgt van het stuk, waarin het sluiten moet).

Stuinder, z. n. m. — Zie Staander.

Stuiten, b. w. — Stoppen, ophouden. De vaart van een schip S—.

Stuitklamp, z. n. v. — Driehoekig stuk hout, ’t welk men achter de wielen van een rolpaard plaatst, om, by het slingeren van het schip, het kanon vast te zetten.

Stuitwind, z. n. m. — Zoo noemt men die windvlagen, welke in de Japansche zee tegen de opkomende stormwolken waaien.

Stuk, z. n. o. — Stuk geschut. Dat schip voert 100 S—ken. De S—ken zijn aan boord gebracht. De S—ken zijn gesjord.

Stukgoederen, z. n. o. mv. — Goederen, die Stuk voor Stuk worden ingeladen. Hy heeft een lading S— aan boord. Ook wordt met S— laden gezegd, wanneer verschillende afzenders goederen afzonderlijk laden. De bepalingen tot invoer omtrent onbekende S— worden gevonden in art. 15 der Alg. Wet van 26 Aug. 1827.

Stukschavielen, o. w. — Zie Schavielen.

Stulpluik, z. n. v. — Luik, dat over een gat heengestolpt wordt.

Sturen, b. w. — Een schip of schuit, ’t zij volgends theoretische of praktische ervarenis, ’t zij alleen met lokale kennis, geleiden. Het schip in behouden haven S—.

Sturen, o. w. — Het roer besturen. Het is zijn beurt te S—, (aan ’t roer te staan.) Er is verkeerd Gestuurd. N. S—, op N. streken S—, (aan een schip een zekeren afstand doen afleggen, evenredig aan zijn snelheid op een gegeven windstreek.) By-de-wind S—, (het schip zoodanig richten, dat de wind, er voorlijk inschietende, met het schip van een hoek 46° tot 34° make.) In den koers S—, op de zee, op ’t zeetjen S—, (den voorsteven zoo keeren, dat hy zoo min mogelijk de werking der golven ondervinde.) In het kielwater van een ander schip S—, (het schip in het zog van een voorgaand schip doen volgen.) Met een stuurrad, met een rad S— (het roer door middel van een rad in beweging brengen.) Met een inspit, met de roerpen S— (het roer door middel der handen in beweging brengen).

Sturen, b. w. — Door stuurmanskunst geleiden. Hy nam de taak op sich, het schip in behouden haven te S—.

Spreekwijze: Een zaak verkeerd S—, in de war S—, (voor: haar verkeerd leiden, in de war brengen).

Het schuitjen in ’t riet S— (de zaak verknoeien).

Iemand om een boodschap naar een ander toe S— (voor: zenden: omdat men hem als ’t ware den koers voorhoudt, opgeeft, dien hy volgen moet).

Stut, z. n. m. — Hout, balk, stijl, die een voorwerp Stut of schoort. S— aan den mast, verkeerde S—, (kromme rib aan het achterschip).

Stutten, b. w. — Ondersteunen. Stut zoo! Stut voor vallen, (komm. aan den stuurman, om niet voor den wind te laten vallen).

Stuur, z. n. o. — Hetzelfde als Roer. S— hebben, S— in het schip hebben, (gang hebben, zoo, dat het schip naar al de bewegingen van het roer luistert).

Spreekwijzen: Hy is het S— kwijt, (hy weet zich niet meer te helpen).

Hy raakt over S— (hy raakt achteruit, in de war).

Er is niets over S— (er is niets aan verbeurd).

Stuurboord, z. n. o. — Het rechter boord van het schip, wanneer men van den achtersteven naar voren ziet. Over S— liggen. S—s halsen toe hebben, (met de zeilen op het rechter boord liggen.) Over S— met bakboordshalzen toe liggen, (over S— by-de-wind zeilen.) Dat schip ligt over S—, (het helt naar de rechterzijde over.) S— het roer, of eenvoudig S—: (komm. aan den roerganger, om de roerpen rechts te draaien.) Zie voorts Bakboord.

Spreekwijze: Iemand van S— naar Bakboord zenden. (Zie Bakboord.)

Stuurboordswacht, z. n. v. — Zie Wacht.

Stuurlast, z. n. m. of Stuurlastigheid. — Het verschil in diepgang van den voor- met den achtersteven van het schip. Op zijn S— gebracht worden, (wanneer de S— overeenkomstig de berekeningen des bouwmeesters wordt aangebracht, om het schip wel naar het roer te doen luisteren).

Stuurlastig, b. n. — Geeft het verschil van den Stuurlast te kennen. Dat schip is S—. De diepte is van achteren grooter.

Stuurman, z. n. m. — Oorspronkelijk de man die Stuurde, in welken zin thands het woord Roerganger gebezigd wordt: vervolgends hy, die met het toezicht over het Sturen belast was. Thands verstaat men door S— den persoon, die, op koopvaardyschepen, onmiddellijk in rang volgt op den schipper of kapitein. Eerste S—, tweede S—, derde S—. Bepalingen aangaande de verplichtingen des S—s vinden wij in art. 398, 406, 407, 408 en 409 Wetb. v. Kooph. In sommige zaken rust de verantwoordelijkheid des kapiteins mede op den S—. Zoo is hy volgends art. 210 der algemeene Wet van 16 Augustus 1822 voor een derde boetschuldig in geval van ontdekte overtredingen, en aan de meeste der verplichtingen, op den schipper rustende, mede onderworpen. Zie art. 8, 10, 12, 16 en 59 der voormelde wet.

Van de taak, aan dezen betrouwd, gewaagt Vondel in zijn Lof der zeevaart op navolgende wijze:

Aan boord van een oorlogschip is de S— een dekofficier, belast met het waarnemen van lengte en breedte, met het houden van den koers, met het peilen van de diepte, het berekenen van vooruitgaan, het opmaken van ’t bestek, het naauwkeurig houden van ’t journaal, enz.

Spreekwijze: De beste Stuurlui staan aan wal, (het valt gemakkelijk de daden van anderen te beoordeelen, wanneer men zelf niet in hun plaats verkeert).

Zoo zegt Cats:

Voorwaer het is so licht geseyt:

De lieden hebben geen beleyt

De schipper of de man te roer,

Dat is voorwaer een rechte loer,

Wis, soo ick stuurman wesen mocht,

Ick stierd het schip in gene bocht,

Ick stierd het schip in genen kolck,

Soo hield ick ’t schip en al het volck.

Stuurrad, z. n. o. — Rad, dienende om de roerpen, ’t zij rechts, ’t zij links te bewegen.

Stuurreep, z. n. v. — Lijn, waarvan het middelste gedeelte om het stuurrad gerold is; terwijl de beide enden door touwhozen heenloopen naar de boorden van het schip boven het tusschendek, om op het uiteinde van de roerpen tot elkander te komen. Op schepen, waar de roerpen op het bovendek is, loopen de S—en door bloks, die ter wederzijden aan het staande boord bevestigd zijn.

Stuurriem, z. n. m. — of Wrikriem. Riem, die, in een ronde keep achter aan een licht vaartuig geplaatst, gebezigd wordt om dat vaartuig voort te krijgen of te besturen.

Stuurstoel, z. n. m. — Bank, waarin de schipper eener trekschuit gezeten is en waar de roerpen overloopt.

Stuwaadje, z. n. v. — Lading, en al wat verder in het ruim van een schip is samengestouwd.

Stuwen, b. w. — Samenpakken, bergen. Die lading valt zwaar te S—. Een goed Gestuwd schip. Meer gebruikelijk is Stouwen. Zie ald.

Stijfhalen, b. w. — Strak aanhalen. De loosbrassen S—.Een slap geworden touw weêr S—.In de broekings S—.

Stijl, z. n. m. — Zie Stut.

Superkarga, z. n. m. — Opzichter eener lading: zaakgelastigde des bevrachters, die met de koopwaren medereist en zich met den verkoop belast.

Sultane, z. n. v. — Soort van Turksche galei.