De zeer buitengewone omstandigheden, waarin Nederland thans verkeert, maken een ingrijpen van den wetgever ter voorkoming van het gevaar van vasthouding en prijsopdrijving van levensmiddelen grondstoffen van levensmiddelen, huishoudelijke artikelen en brandstoffen, dringend noodzakelijk.
In de eerste plaats is reeds thans, nu de buitengewone toestand slechts enkele dagen duurt, gebleken, dat onder de bevolking zich een vrees verspreidt, dat binnenkort het moeilijk zal vallen levensmiddelen of handelswaren naar gelang van de behoefte in te koopen en dat dientengevolge hier en daar men tot buitengewone inkoopen overgaat.
Die buitengewone inkoopen zouden niet alleen de prijzen in het algemeen kunnen opdrijven en daardoor pogingen van speculanten om prijsstijging in de hand te werken, kunnen bevorderen, maar ook gevaar kunnen doen ontstaan, dat bij mogelijk in de toekomst blijkend krap zijn van voorraden van sommige artikelen, er gebrek voor sommigen naast overvloed voor anderen zou zijn.
De wettelijke maatregel welke wordt voorgesteld, wordt in hoofdzaak als een preventieve bedoeld. Juist daarom zal hij gemakkelijk doorvoerbaar moeten zijn.
De maatregel bestaat hierin, dat na artikel 76 van de Onteigeningswet eenige bepalingen worden opgenomen, krachtens welke na machtiging van den Minister van Landbouw, Nijverheid en Handel de burgemeesters bevoegd zullen zijn, in de gemeente aanwezige levensmiddelen en grondstoffen van levensmiddelen alsmede huishoudelijke artikelen en brandstoffen voor de gemeente in bezit te nemen, en deze aan de gemeentenaren tegen redelijke prijzen ter beschikking te stellen, terwijl de schadeloosstelling voor de in bezit genomen artikelen zal worden geregeld in den geest van die bij de vordering van paarden (zie artikel 27 van het Koninklijk Besluit van 10 November 1892, Staatsblad no. 253, laatstelijk gewijzigd bij Koninklijk besluit van 16 December 1902, Staatsblad no. 222).
De bedoelde machtiging van den Minister zal in het algemeen voor het geheele land of, al dan niet op verzoek, voor bepaalde gemeenten kunnen worden verleend.
De kern van deze korte toelichting ligt in de alinea, waarin wordt gezegd dat de maatregel de bedoeling heeft preventief te werken. Bij het overwegen van hetgeen tegen prijsopdrijving en speculatieve vasthouding van waren te doen was, heb ik vooral gezocht naar een middel, dat door zijn preventieve werking zoowel betrekkelijk gemakkelijk hanteerbaar zou zijn, als afdoende zou wezen ter voorkoming of afwering van het gevaar dat niet alleen werd geducht, maar het hoofd reeds begon op te steken.
De beoogde preventieve werking mocht reeds worden verwacht van het bloote feit, dat aan den Minister van Landbouw gedurende den oorlog bij de wet de noodige macht werd verleend tot ingrijpen door tusschenkomst van de burgemeesters, zoo dikwijls hij dit noodig oordeelde. Zij die levensmiddelen en andere in de wet genoemde goederen met speculatieve doeleinden wilden achterhouden of ongemotiveerd hooge prijzen daarvoor vroegen, waren van het oogenblik dat de wet tot stand gekomen was, gewaarschuwd, dat zij, indien hun bedrijf aan het licht kwam, gevaar liepen hun voorraden onteigend te zien. Zij konden wel nagaan, dat hun dan geen buitensporig hooge schadeloosstelling zou worden toegekend, zoodat het niet vrijwillig zich onderwerpen aan den drang der wet tot beschikbaarstelling hunner voorraden tegen redelijke prijzen, een gevaarlijke speculatie zijn zou.
Toch zou de wet moeilijk zijn te hanteeren geweest, als telkens het middel van inbezitneming door den burgemeester bij elke poging tot vasthouding of tot prijsopdrijving van de bedoelde waren in toepassing had moeten zijn gebracht. Van het eerste oogenblik dat de zaak door mij werd overwogen, zocht ik dan ook naar een uitweg, waarlangs de inbezitneming kon worden beperkt tot de gevallen, waarin medewerking van de belanghebbenden, na eene algemeene of individueele waarschuwing, achterwege bleef. Daartoe werd bepaald, dat indien hij, onder wien de burgemeester in de wet genoemde waren in bezit wil nemen, onmiddellijk ten genoege van het hoofd der gemeente aanbiedt, zelf op door dezen goedgekeurde wijze die goederen ter beschikking te stellen tegen prijzen, die niet te boven gaan de daarvoor door den Minister van Landbouw bepaalde bedragen, de inbezitneming kan worden opgeschort.
Practisch gesproken kwam deze bepaling hierop neer, dat de winkeliers en andere handelaars, die hunne voorraden levensmiddelen enz. verkochten tegen niet hoogere prijzen dan door den Minister van Landbouw zouden worden vastgesteld, geen gevaar liepen van inbezitneming hunner voorraden. Op grond daarvan werden reeds vóórdat de wet was aangenomen, op Zondag 2 Augustus, bij voorbaat prijslijsten voor de meest belangrijke levensmiddelen en brandstoffen vastgesteld, voor het geval het ontwerp onveranderd tot wet zou worden verheven. Opdat de burgemeesters aanstonds, als de wet in werking zou zijn getreden, zouden weten wat van hen werd verwacht, werd denzelfden dag door mijn ambtgenoot van Binnenlandsche Zaken en mij een gezamenlijke circulaire tot hen gericht, waarin de strekking van het ontwerp (en dus eventueel van de wet) werd uiteengezet en eenige wenken werden gegeven voor de toepassing. De op 2 Augustus opgemaakte lijsten werden terstond na het in werking treden der wet openlijk bekend gemaakt. Dat zij herhaaldelijk moesten worden herzien, aangevuld en door nieuwe lijsten vervangen, is zoo van zelf sprekend, dat het nauwelijks vermelding behoeft.
De zooeven bedoelde bepaling heeft, voornamelijk in de eerste maanden van den oorlogstijd, de daarvan verwachte uitwerking niet gemist. Zij is in de handen der burgemeesters, vooral van die der grootere steden, een wapen geweest om verschillende regelingen op het gebied der levensmiddelenvoorziening door te zetten, zonder dat het tot inbezitneming en tot distributie van gemeentewege behoefde te komen. Bij den langen duur van den oorlogstoestand gaf de toepassing der levensmiddelenwet aanleiding tot telkens nieuwe vragen. Zoo bleek vrij spoedig, dat niet volstaan kon worden met het stellen van een enkelen maximum-prijs voor verschillende artikelen, maar dat onderscheiden moest worden tusschen groothandels- en détailprijzen. Natuurlijk werd dit van het begin af wel ingezien, maar men meende aanvankelijk met het stellen van maximale détailprijzen te kunnen volstaan en aan de burgemeesters het ingrijpen te kunnen overlaten, zoo dikwijls naar hun oordeel in verband met die prijzen in hunne gemeente te hooge groothandelsprijzen werden gevraagd.
In een der op 3 Augustus 1914 door mij tot de burgemeesters gerichte circulaires werd hieromtrent gezegd: „Ik maak van deze gelegenheid gebruik om er Uwe aandacht op te vestigen, dat deze lijst (die bij de circulaire was gevoegd) maximum-prijzen bevat voor den verkoop in het klein. Bij verkoop in het groot zou dus al het eischen van prijzen die lager zijn dan de in de lijst vermelde, aanleiding kunnen geven tot optreden Uwerzijds, wanneer de gevraagde prijzen sedert kort aanmerkelijk zijn verhoogd.” Later zijn voor een aantal artikelen zoowel maximale groothandels- als kleinhandelsprijzen vastgesteld. Het spreekt wel van zelf, dat bij deze materie aan de overheid, aan den Minister zoowel als aan de burgemeesters, de handen vaak wat verkeerd stonden. In normale tijden kan en moet de overheid de regeling van verkoopprijzen aan de belanghebbenden overlaten, die dit tot stand brengen, geleid in de eerste plaats door vraag en aanbod en daarnaast ook door gewoonte en ervaring, als resultaat van een aantal elkander doorkruisende factoren, welke in het vrije verkeer bij de bepaling van détailprijzen hun invloed mede doen gelden.
Toen de oorlogstoestand eenigen tijd had geduurd, werd het stellen van maximum-prijzen nog moeilijker, omdat er allengs meer mede gerekend moest worden, dat de productie- of de aanschaffingskosten der waren boven het normale waren gestegen en het niet zoo heel eenvoudig was, zonder eenerzijds onbillijkheden te begaan en zonder anderzijds de wet illusoir te maken, in de te stellen maxima met de verhooging van productie- of aanschaffingskosten in de juiste maat rekening te houden. Dit een en ander heeft de prijszettingen verzwaard naar gelang de oorlogstoestand langer aanhield.
Hoewel, gelijk zooeven werd opgemerkt, de wet zoodanig was ingericht, dat het middel der inbezitneming in den regel als stok achter de deur voldoende effect had om vrijwillige regelingen tusschen de burgemeesters en de belanghebbenden tot stand te doen komen, waarbij de eerstgenoemden meestal uit eigen beweging maar somtijds ook in opdracht van de Regeering handelden, toch kon de inbezitneming zelve niet steeds worden ontgaan. In den aanvang moest tot dezen maatregel eenige malen worden overgegaan ten aanzien van tarwe en rogge; eerst geschiedde het plaatselijk met voorraden tarwe, niet lang daarna op grooter schaal zoowel ten aanzien van tarwe als van rogge. Die inbezitnemingen geschiedden natuurlijk zonder aanzien des persoons van den eigenaar van het in bezit te nemen goed. Het deed er derhalve ook niet toe of die eigenaars Nederlanders dan wel vreemdelingen waren. Toch hebben enkele Duitsche belanghebbenden, wier in Rotterdam liggende tarwevoorraden onteigend werden, bij hunne regeering de stelling willen doen ingang vinden, dat met die inbezitnemingen art. 7 van de Rijnvaartakte, dat de vrije doorvaart op den Rijn waarborgt, zou zijn geschonden. Die bewering gaat mank aan beide beenen, waarop zij zou moeten loopen.
In de eerste plaats werd niets in beslag genomen, dat als doorvoergoed moest worden aangemerkt. Bedriegt mijne herinnering mij niet zeer, dan betrof de kwestie enkele partijen tarwe, die in Rotterdam ter beurze verkocht waren of verkocht zouden worden. Uit dit enkele feit blijkt reeds dat, zoo die partijen al aan Duitschers behoorden of aan Duitschers waren verkocht, zij, zelfs als uit de Duitsche woonplaats des eigenaars of koopers zonder meer de bestemming voor vervoer naar Duitschland had moeten worden afgeleid, bestemd waren voor uitvoer en niet voor doorvoer. Het betrof hier goederen welke overeenkomstig de geldende handelsusantiën in het vrije verkeer waren ingevoerd en die, na hier daarin te zijn gekomen, de bestemming kregen naar elders te worden uitgevoerd. Die bestemming nu konden de bedoelde partijen tarwe niet bereiken, omdat uitvoer daarvan reeds van 1 Augustus 1914 af verboden was. Dat een uitvoerverbod ook uitvoer over den Rijn treft en de Rijnvaartakte niettemin geheel intact laat, is niet voor betwisting vatbaar en is dan ook van Duitsche zijde niet betwist.
Maar gesteld eens, de feitelijke toestand ware anders en de in bezit genomen tarwe wèl doorvoergoed geweest, dan nog zou die inbezitneming aan de stipte uitvoering der Rijnvaartakte van de zijde der Nederlandsche Regeering niets hebben tekort gedaan. Het feit dat dit verdrag den vrijen doorvoer op den Rijn waarborgt, neemt niet weg, dat ten doorvoer bestemde goederen, zoolang zij op het Nederlandsche gedeelte van den Rijn varende zijn, zich bevinden op Nederlandsch territoir en onderworpen zijn aan de Nederlandsche wetten. Daartoe behoort ook de wet van 3 Augustus 1914 ter voorkoming van vasthouding en prijsopdrijving van waren. Worden volgens die wet goederen onteigend, dan geschiedt dit door den Staat krachtens zijn souvereiniteitsrecht op eigen territoir, dat hij tegenover elk en een iegelijk kan doen gelden. Het gevolg van zulk eene onteigening is, dat het goed overgaat in het bezit van de overheid, welke de wet aanwijst en dat deze nu verder de bestemming van het goed bepaalt. De onteigende partijen tarwe, die vóór de inbezitneming aan Duitschers behoorden, verloren op het oogenblik der inbezitneming de bestemming, welke die rechthebbenden daaraan hadden gegeven. Aangenomen dus, hoewel het feitelijk niet aldus gesteld was, dat die Duitsche rechthebbenden zonder met de geldende handelsusantiën en met de wettelijke voorschriften voor doorvoergoed in strijd te zijn, die waren voor doorvoer naar Duitschland hadden bestemd, was toch de doorvoerbestemming verdwenen op het oogenblik dat de goederen bij de inbezitneming overeenkomstig de wet door de Nederlandsche overheid, van den nieuwen eigenaar, hier de Regeering, een andere bestemming kregen.
De inbezitneming der bewuste partijen tarwe kwam niet alleen niet in botsing met de Rijnvaartakte, maar zij kon daarmede niet in botsing komen. Indien en zoolang het goed doorvoerbestemming had gehad, werd het overeenkomstig de Rijnvaartakte volkomen vrij en ongemoeid gelaten. Toen het in beslag genomen werd, viel het daarbuiten, omdat het van dat oogenblik af geen doorvoergoed meer was. De van Duitsche zijde gelanceerde bewering dat hier de Rijnvaartakte zou zijn geschonden, of zelfs maar zou kunnen zijn geschonden, staat of valt met de al of niet erkenning van het recht van den Staat op onteigening, overeenkomstig de wet van zijn eigen land, van goederen die zich op zijn territoir bevinden, ook al behooren die aan buitenlandsche rechthebbenden. De Duitsche regeering kan en zal dat souvereiniteitsrecht van iederen onafhankelijken staat zeker niet loochenen. Zij zelve nam op grond daarvan zelfs oorlogsschepen in beslag, welke voor de Nederlandsche Regeering op Duitsche werven in aanbouw waren. Dit was haar recht; maar dan moet zij of moeten enkele van haar onderdanen ook niet pogen, langs den omweg van een onhoudbaar beroep op de Rijnvaartakte, te tornen aan het even onaantastbaar recht van de Nederlandsche Regeering tot inbeslagneming overeenkomstig de Nederlandsche wet van goederen welke zich in Nederland bevonden, ook al behoorden die goederen aan Duitschers toe en al waren zij bestemd geweest om naar Duitschland te worden uit- of doorgevoerd. De laatste alinea van de in hoofdstuk V[9] medegedeelde kennisgeving van onze Regeering van 21 Augustus 1914 betreffende den doorvoer in verband met de Rijnvaartakte, had tot strekking het onbeperkte recht van den Staat tot inbezitneming der daarin genoemde zaken algemeen kenbaar te maken.
Zooals de Grondwet dit waarborgt, geschiedden de inbezitnemingen krachtens de wet van 3 Augustus 1914 tegen schadeloosstelling. De Duitsche belanghebbenden zullen zich zeker niet beklagen over de vergoedingen, welke hun werden toegekend. De schadeloosstellingen werden, voor zoover daaromtrent niet in der minne werd overeengekomen, bepaald door twee schatters. Het was voor een goede toepassing van de wet van overwegende beteekenis, dat de schattingen zouden worden opgedragen aan volkomen vertrouwbare en voor hun taak berekende personen. Opdat de Regeering hiervoor zou kunnen zorgen, werd in de wet bepaald dat de schatters door den Minister van Landbouw, Nijverheid en Handel zouden worden benoemd, tenzij deze het recht daartoe aan den burgemeester delegeerde. Het is intusschen wel duidelijk, dat de Regeering zonder voorlichting der burgemeesters niet overal waar het noodig zou blijken, schatters had kunnen vinden. Vandaar dat reeds den 3den Augustus een circulaire aan de burgemeesters werd gericht, waarin werd gevraagd namen op te geven van personen, die, zoo noodig, als zoodanig zouden kunnen dienst doen.
Daar het gevaar niet denkbeeldig was, dat de schatters, ook al werden zij met zorg gekozen, de bedoeling der wet niet geheel zouden begrijpen en de waren taxeeren zouden niet volgens haar normale verkoopwaarde, doch naar de paniekprijzen welke daarvoor waren te maken, werd den 9den Augustus aan de burgemeesters een circulaire gericht van den volgenden inhoud:
„Ik acht het nuttig te Uwer kennis te brengen, dat naar mijne bedoeling de ingevolge art. 76a der Onteigeningswet door U met mijne machtiging eventueel te benoemen schatters als maatstaf voor de waardebepaling der in bezit genomen waren zullen aannemen ten aanzien van industrieelen den inkoopsprijs van de grondstof plus de kosten van fabricage, ten aanzien van handelaren den inkoopsprijs van de waren plus bedrijfskosten, een en ander voor beide categorieën vermeerderd met een normaal percentage voor winst.—Ik verzoek U bij voorkomende gevallen de schatters dienovereenkomstig te instrueeren.”
Op deze wijze werd voorkomen dat door verkeerde of ongelijkmatige toepassing de wet haar werking zou missen. In het algemeen legde de wet de uitvoering, onder den Minister van Landbouw, Nijverheid en Handel, in handen van de burgemeesters. In de plaatsen die in staat van oorlog of in staat van beleg waren verklaard, mochten deze echter niet optreden zonder overleg met het militaire gezag. Ook dit werd hun, ter voorkoming van wrijvingen, enkele dagen na de inwerkingtreding der wet bij circulaire nader uiteengezet.
Toen de wet eenigen tijd gewerkt had, is enkele malen beproefd, voor sommige artikelen den gestelden maximum-prijs op te heffen en het handelsverkeer ten aanzien van den prijs vrij te laten. Zulke proefnemingen zijn intusschen niet bevallen. Heel spoedig moest men er weer van terugkomen en ter voorkoming van buitensporigheden nieuwe maximum-prijzen stellen. Dit is wel het meest doorslaande bewijs van de goede werking der wet, zoo niet van haar onmisbaarheid in den oorlogstijd.
Hoewel de levensmiddelenwet aan den Minister van Landbouw de bevoegdheid geeft algemeene inbeslagnemingen van bepaalde levensmiddelen, veevoeder of brandstoffen of grondstoffen van levensmiddelen of van veevoeder door middel van de burgemeesters te doen en van die bevoegdheid, met name ten aanzien van rogge, ook wel gebruik gemaakt is, toch is zij in de eerste plaats bedoeld als een wapen voor de burgemeesters om vasthouding van die waren en opdrijving der prijzen daarvan boven de door den Minister gestelde maxima in hunne gemeenten tegen te gaan. De verdeeling van bevoegdheden is aldus geschied, dat de Minister maximale prijzen vaststelt en dat de burgemeester, na bekomen machtiging van dien bewindsman, de genoemde waren in beslag kan nemen, zoo zij worden achtergehouden of boven de gestelde maximale prijzen worden verkocht. Wenscht de Minister zelf volgens de levensmiddelenwet in te grijpen, dan kan hij aan alle burgemeesters of aan de burgemeesters uit een bepaalde streek of van bepaalde gemeenten of wel aan een bepaalden burgemeester opdracht daartoe geven. De wet laat dus ruimte voor allerlei schakeering in de toepassing, en in de practijk werd er op elk der genoemde wijzen van gebruik gemaakt. Tot het treffen van minnelijke regelingen binnen de grenzen der door den Minister gestelde maximale prijzen, ter voorkoming van inbezitneming van waren bij dengene of degenen met wie de regeling wordt getroffen of die daaronder vallen, zijn de burgemeesters bevoegd, zonder dat zij daartoe een ministerieele machtiging behoeven.
Als gevolg van deze regeling, een gevolg dat zich trouwens geheel aansluit bij onze gansche staatsinrichting, moet de Minister optreden, als er maatregelen te treffen zijn, welke de grenzen van een enkele gemeente overschrijden en is de burgemeester, in de meest belangrijke gevallen behoudens machtiging van den Minister, bevoegd tot ingrijpen binnen de grenzen zijner gemeente. Bij de geheele uitvoering der wet heeft de burgemeester een groote rol te vervullen.
Zooals zij daar ligt, is de levensmiddelenwet zeker niet volmaakt, maar zij heeft in het bijzonder in den aanvang zeer nuttig gewerkt, vooral in de steden. Op het platteland was zij—afgezien van de zoo aanstonds te bespreken inbezitnemingen van rogge—van minder beteekenis, en voor zoover zij daar moest worden toegepast, was het bijna altijd ter doorvoering van een maatregel, die in zijn werking de grenzen eener enkele gemeente overschreed en geschiedde het ingrijpen der overheid slechts zelden in het belang der bevolking van de gemeente, waar op grond der wet ingegrepen werd. Vandaar dat het bij de uitvoering der wet in de eerste plaats aankwam op de medewerking der stedelijke burgemeesters.
Zoolang ik aan het hoofd van het Departement van Landbouw heb gestaan, heb ik over gebrek aan medewerking van die zijde niet te klagen gehad. Opdrachten behoefden aan die burgemeesters slechts in uitzonderingsgevallen te worden gegeven, en voor zoover zij werden gegeven, werden zij steeds stipt en prompt uitgevoerd. Van de bevoegdheid tot het maken van interne regelingen binnen de perken der door den Minister van Landbouw gestelde maximale prijzen ter voorkoming van inbezitnemingen, is door die burgemeesters een druk gebruik gemaakt. Natuurlijk is er wel eens verschil van gevoelen geweest, maar een ernstig conflict met een stedelijken burgemeester herinner ik mij uit den tijd, dat ik op de Prinsessegracht zetelde, niet.
Later is er meer wrijving tusschen de Regeering en de burgemeesters, vooral die der grootste steden, gekomen. Men begon elkander allengs minder te begrijpen en minder te waardeeren. Dit heeft natuurlijk niet gunstig gewerkt en is zeer te betreuren. Aan welke zijde bij dergelijke conflicten het grootste ongelijk was, moet ik in het midden laten. Ik heb geen roeping en geen lust mij als ongevraagd scheidsrechter op te werpen. Een enkel geval herinner ik mij, waarin een burgemeester openlijk frondeerde tegen een maatregel door den Minister van Landbouw op grond der levensmiddelenwet genomen. Dat dit niet kon worden toegelaten, ook al was het inzicht van het tegenstribbelende gemeentehoofd in de zaak zelve, waarom het ging, beter geweest dan dat van den Minister, spreekt van zelf.
Zulke conflicten zouden bij den langen duur van den oorlogstoestand toch wel niet geheel zijn uitgebleven; maar het wil mij niettemin voorkomen dat daartoe minder aanleiding zou zijn gegeven, indien men niet van regeeringswege allengs wat te uitsluitend heil gezocht had in de uitvoerregelingen, welke in de vorige paragraaf werden besproken en indien, in verband daarmede, behalve ten aanzien van de rogge, de levensmiddelenwet niet wat op den achtergrond was gekomen. Maar ook afgezien hiervan ware het beter geweest, indien men—behalve ten aanzien van de broodvoorziening—zich wat minder uitsluitend had bewogen in de richting eener extra-legale regeling van uitvoerconsenten en wat meer gebruik gemaakt had van de speciaal voor den oorlogstijd bedoelde levensmiddelenwet. In de vorige paragraaf wees ik er op[10]: 1º. dat een der hoofdoorzaken van de moeilijkheden, welke men bij de levensmiddelendistributie heeft ondervonden, hiermede samenhangt, dat men goederen, welke eigendom van het Rijk waren geworden, aan den man moest brengen door tusschenkomst van groothandelaars, grossiers en winkeliers, die er vaak belang bij hadden, ze niet tot het eindpunt van hun bestemming te doen komen; 2º dat uit dien hoofde een zeer strenge contrôle noodig was, en 3º dat ondanks die contrôle toch heel wat lekkage plaats had.
Indien de Regeering, in plaats van door haar regeling van de uitvoerconsenten, door inbezitneming daarvan krachtens de levensmiddelenwet, voor het Rijk eigenares was geworden van de benoodigde levensmiddelen, zou dit reeds één groot voordeel hebben gehad boven de eerstbedoelde eigendomsverkrijging. Zij zou dan regelmatig door de burgemeesters der gemeenten, waar de benoodigde levensmiddelen worden geproduceerd, hebben kunnen doen inbezitnemen wat noodig was; de beschikbaarstelling zou zich dan hebben kunnen richten naar de vraag, in stede van, gelijk nu het geval was, onafhankelijk van de vraag, bepaald te worden door de ups en downs van den exporthandel.
Na hetgeen ik reeds over de inbezitnemingen schreef, behoef ik intusschen wel niet te herhalen, dat ik mij de groote bezwaren van het bewandelen van dezen uitweg niet ontveins. De levensmiddelenwet geeft echter—gelijk wij zagen—een, vooral in zijn practische werking, veel eenvoudiger middel aan de hand ter bereiking van het doel dat hier nagestreefd moest worden. De Regeering had zoowel aan de burgemeesters van de plaatsen, waar de benoodigde levensmiddelen worden geproduceerd, als aan die van de gemeenten, waar daaraan behoefte was, kunnen voorschrijven, dat zij gebruik zouden maken van de bepaling der levensmiddelenwet, welke toelaat met belanghebbenden, ter voorkoming van inbezitneming, bepaalde regelingen te treffen. De regelingen zelf had zij den burgemeesters kunnen aangeven. In hoofdzaak zouden deze hierin hebben kunnen en moeten bestaan, dat de burgemeesters der plaatsen, waar de benoodigde levensmiddelen worden geproduceerd, met de producenten daarvan zouden overeenkomen over het—op straffe van inbezitneming—afstaan van de kwantiteiten hunner producten, die door de Regeering telkens als benoodigd zouden zijn aangegeven en dat wel tegen prijzen, welke boven vergoeding van productiekosten ook een behoorlijke winst zouden waarborgen. Daarbij zou aan die producenten de verplichting kunnen zijn opgelegd (natuurlijk tegen vergoeding ook van de kosten daarvan) de af te leveren waren te brengen op een bepaald centraal punt of bij een bepaalden winkelier in de naastbijzijnde stad. Parallel loopend met die regeling voor de productieplaatsen, waarbij de producent het gevaar van inbezitneming van zijn geheelen voorraad krachtens de levensmiddelenwet eerst zou hebben afgewend, als hij de overeengekomen hoeveelheden ter bestemder plaatse had afgeleverd, zou een, wat de hoofdlijnen betreft uniforme regeling kunnen zijn voorgeschreven voor de gemeenten, welker ingezetenen aan de aldus beschikbaar gekomen levensmiddelen behoefte hadden. Zij zou hoofdzakelijk hebben kunnen bestaan uit overeenkomsten met winkeliers (en slagers) om hetzij de beschikbare waar af te halen, hetzij haar te ontvangen en haar te verkoopen tegen prijzen, welke tevens een behoorlijke belooning voor hun distributiemoeite inhielden. Overtreding of ontduiking van de vrijwillig met den burgemeester omtrent de aldus beschikbaar gekomen levensmiddelen getroffen schikkingen, zou de winkeliers (en slagers) aan het gevaar hebben bloot gesteld, hun ganschen voorraad door den burgemeester te zien in bezit nemen. Ik breng hier de regeling tot haar eenvoudigsten vorm terug, maar het spreekt van zelf, dat daarin plaats is voor medewerking (op straffe van inbeslagneming hunner voorraden) zoowel van groothandelaars als van grossiers.
Aangezien een regeling in dezen trant, getroffen op grond der levensmiddelenwet, de proef der practische toepassing niet heeft doorstaan, is er niets positiefs van te zeggen. Maar op grond mijner ervaring omtrent economische oorlogsmaatregelen durf ik toch het vermoeden uitspreken, dat zij beter zou hebben voldaan, dan de distributieregeling op de basis der uitvoerconsenten. Er zou daarbij allereerst een behoorlijk verband zijn geweest tusschen behoefte en beschikbaarstelling, en men had op die wijze voorts kunnen vermijden, dat de ter beschikking komende levensmiddelen het principieel en practisch ongewenschte station der overdracht in Rijkseigendom moesten passeeren. Een onmisbare voorwaarde voor een goede werking ervan zou geweest zijn, dat vooral in den aanvang, zonder pardon, elke overtreding van zulke schikkingen of elke weigering er op in te gaan, onverbiddelijk de inbeslagneming van den geheelen voorraad van den ontduikenden of weigerachtigen producent of distribuant zou hebben ten gevolge gehad.
Het zou mij ook zeer verwonderen, indien de Regeering het meerendeel der betrokken burgemeesters niet tot geheel vrijwillige medewerking had kunnen brengen en de daartoe niet geneigd zijnde minderheid, met de middelen welke de levensmiddelenwet haar geeft, niet tot medewerking had kunnen nopen. Maar.... de beste stuurlui staan aan wal!
Doch ook met beperking en regeling van den uitvoer en met toepassing der levensmiddelenwet kon de Regeering niet volstaan. De zorg voor de levensmiddelenvoorziening eischte nog andere en nog dieper ingrijpende maatregelen. Bij alles wat tot nog toe besproken werd, trad de Regeering slechts regelend op; zij belemmerde buitensporigheden ten aanzien van den uitvoer en van prijzen van voedingsartikelen, maar liet binnen het aldus afgebakende terrein de zorg voor de voortbrenging en de distributie dier artikelen zelf, voor zoover zij niet krachtens de levensmiddelenwet in bezit waren genomen of ingevolge de regeling der uitvoerconsenten „vrijwillig” ter beschikking van de Regeering waren gesteld, aan hen over, die daarvoor ook in normale omstandigheden zorgen, aan de boeren, de tuinders, de groothandelaren, de grossiers en de winkeliers. Dit ging goed, behoudens de in § 1 besproken moeilijkheden van de distributie der regeeringswaren, voor al die producten, waarvan het land zelf meer voortbrengt dan voor de eigen behoefte der bevolking noodig is, en het kon volstaan voor levensmiddelen, welke van elders moeten worden ingevoerd, maar waarvan het beschikbaar zijn voor de voeding der bevolking wèl gewenscht, maar niet broodnoodig is. Voor één voedingsmiddel, waarvan de grondstof hier niet in voldoende mate voortgebracht wordt en dat wèl broodnoodig is, kon het niet volstaan. Dat was voor het brood zelf. Ten einde zeker te zijn, dat aan broodkoren geen gebrek zou komen, moest de Regeering zelve den invoer daarvan ter hand nemen. Reeds in de eerste weken na het uitbreken van den oorlog bleek het noodzakelijk, hiertoe over te gaan en omtrent de distributie van het graan onder de meelfabrikanten en den afzet van het meel door die fabrikanten maatregelen te nemen, waardoor het karakter der meelfabrieken en indirect ook dat van de bakkerijen grootendeels veranderde. Van bedrijven, die voor eigen rekening hun grondstof kochten en hun product aan hun afnemers afleverden, werden de meelfabrieken loonmaalderijen, die hun grondstof tegen een bepaalden prijs van de Regeering ontvingen en hun product tegen dienzelfden prijs, verhoogd met hetgeen als maalloon was berekend, aan de bakkerijen hadden af te leveren. Bij de bakkerijen had dezelfde karakterwijziging plaats, hoewel het hier niet zoo duidelijk in het oog sprong, daar deze hun grondstof, althans grootendeels, niet rechtstreeks van Rijkswege ontvingen maar van de meelfabrikanten, die formeel hun eigen zelfstandig bedrijf waren blijven uitoefenen en hun product als eigen handelswaar aan de bakkers afleverden. Dit was echter slechts de uiterlijke vorm waaronder de meelfabrieken en bakkerijen in den oorlogstijd werkten, in wezen werden deze bedrijven verlengstukken van het Departement van Landbouw, dat hun de grondstoffen leverde en hunne verkoopsprijzen vaststelde.
Toen ik op 26 Augustus 1914 als Minister van Landbouw eenige vragen van den heer Troelstra en van andere kamerleden betreffende den economischen toestand beantwoordde, was de Rijksgraanhandel, wegens de zorg die de geregelde aanvoer van broodkoren baren moest, indien deze bij de moeilijkheden, welke de oorlog ter zee aan handel en scheepvaart berokkende, aan de particuliere graanimporteurs werd overgelaten, reeds in voorbereiding.
„Er wordt—zoo zeide ik in die vergadering—voor de Regeering dezer dagen door een van degenen die de Regeering nu met hun ervaring op handelsgebied steunen, in Londen onderzocht of het mogelijk is contracten af te sluiten tot aankoop in Amerika van graan voor de Regeering zelf. Ik kan daaromtrent op het oogenblik geen nadere mededeelingen doen, omdat degene, die daarvoor in Londen is en, naar ik hoopte, gisteren zou zijn teruggekomen, heden zich nog niet heeft gemeld, wat met de tegenwoordige moeilijke communicatiemiddelen zeer begrijpelijk is.” Daarmede doelde ik op den heer A. G. Kröller, die niet alleen bij de regeling van de graanaanvoeren voor Rijksrekening aan de Regeering groote diensten heeft bewezen. Op die mededeeling liet ik volgen, dat ook een belangrijke hoeveelheid meel was overgenomen van een handelaar die meel in Amerika in koop had en „dat hoogstwaarschijnlijk in de volgende dagen nog belangrijkere hoeveelheden op dezelfde wijze zullen worden overgenomen door de Regeering, zoodat er dan van regeeringswege zal worden verscheept meel op cognossement geconsigneerd voor de Regeering op een neutraal schip. Zeer vermoedelijk zal hetzelfde binnenkort gebeuren met tarwe en voor zooveel noodig met rogge”.
Die verwachting is vooral uitgekomen wat de tarwe betreft. Van de overneming van Amerikaansch meel van handelaren, die dat in Amerika in koop hadden, is niet veel gekomen. Bij de onderhandelingen daarover bleek namelijk, dat de ter overneming aangeboden partijen, op hooge uitzonderingen na, niet vrij waren, namelijk dat verschillende binnenlandsche afnemers die partijen reeds tegen bepaalde prijzen in voorkoop hadden en dat de Regeering, als zij ze overgenomen had, daarmede tevens de daaromtrent gesloten contracten had moeten gestand doen. Over die zaak werden door mij en door mijn opvolger aan het Departement van Landbouw herhaalde besprekingen met belanghebbenden gevoerd, zonder dat het mogelijk was tot overeenstemming te komen op een basis, die voor beide partijen aannemelijk bleek. Er werd later ook wel tarwemeel uit Amerika voor Rijksrekening aangevoerd, maar indien mijne herinnering mij niet bedriegt, zijn dit in den regel partijen geweest welke voor de Regeering zelfstandig in Amerika werden gekocht, niet partijen die van Nederlandsche meelimporteurs werden overgenomen, althans niet voor zoover de aankoop van die partijen dagteekende van vóór den oorlog. Ook rogge is niet in belangrijke mate van overzee gekomen; er werd wel gepoogd dit broodkoren tegen redelijke prijzen in Amerika te koopen, maar de rogge-export zoowel van Noord-Amerika als van Argentinië is, in verhouding tot den tarwe-uitvoer, zóó gering, dat groote rogge-aankoopen niet mogelijk waren.
Doch ik loop op deze wijze onwillekeurig op het verloop van de Regeeringszorg voor de broodvoorziening vooruit. In de vergadering van de Tweede Kamer van 26 Augustus 1914 moest ik aan mijne mededeeling toevoegen: „dat de quaestie van tarwemeel en tarwe de werkelijk ernstige zorg van de Regeering eischt.”
„Toen ik eenige dagen geleden,—zoo vervolgde ik—sprak van een voorraad voor slechts 2 of 3 weken, zonder hetgeen in beslag genomen is te Rotterdam, was dit volstrekt niet te pessimistisch gesproken. Er was met dien in beslag genomen voorraad voor slechts hoogstens 4 weken. Daarvan zijn thans weer 10 dagen voorbij, en men kan aannemen, dat ongeveer 10 millioen K.G. tarwe per week voor onze bevolking, afgezien van de rogge en andere voedingsmiddelen, noodig is. Het geldt dus inderdaad een zaak van zeer ernstige overweging.”
De besprekingen door den heer Kröller te Londen gevoerd, hadden gelukkig het gewenschte resultaat. Het bleek mogelijk een geregelden aankoop van tarwe in Amerika voor Rijksrekening te organiseeren. Het bleef bovendien niet bij den aankoop van regeeringswege van tarwe, rogge en meel, ook veevoederartikelen werden in overzeesche landen voor Rijksrekening gekocht. De veevoederaankoop en -distributie laat ik hier intusschen onbesproken; ik kom daarop in hoofdstuk V terug.
De aankoop van het broodkoren in Amerika werd opgedragen aan den heer C. A. P. van Stolk, die daarbij zou handelen in overleg met den heer Kröller. Door de zaak aan deze heeren in handen te geven, was de Regeering zeker dat de aankoopen zouden geschieden door bij uitstek bevoegden en dat niet door onoordeelkundig optreden van personen, die op het gebied van den graanhandel niet geheel vertrouwd waren, voor het regeeringsgraan hoogere prijzen zouden worden besteed, dan noodig was. Het spreekt wel vanzelf dat het aan deze wijze van doen verbonden nadeel voor de Regeering niet verborgen bleef. Daardoor werden de graanimporteurs uitgeschakeld en schiep het Rijk zich een tijdelijk monopolie, dat bovendien, voor zoover er bij de uitoefening daarvan toch van deskundigen gebruik moest worden gemaakt, tot gevolg had dat de provisie welke voor de aankoopen door het Rijk verschuldigd werd, slechts aan een tweetal firma’s ten goede kwam. Van het aanbod van den heer Van Stolk om geheel belangeloos voor de Regeering in deze op te treden, heb ik aanstonds gemeend geen gebruik te mogen maken. Handelszaken moeten ook in oorlogstijd, al worden zij van Rijkswege gedreven, naar handelsgebruik worden behandeld. De provisie werd intusschen veel lager gesteld, dan in normale omstandigheden gebruikelijk is en zij werd later op voorstel der heeren van Stolk en Kröller nog verlaagd; dit neemt intusschen den principieelen kant van het bezwaar niet weg. Maar.... het was onvermijdelijk en het moest op den koop worden meegenomen. Had men den aankoop in Amerika aan verscheiden importeurs opgedragen of de gewone importeurs allen laten mededingen en wat zij in Amerika zouden koopen voor het Rijk van hen overgenomen, dan zou men niet hebben kunnen verhinderen dat zij, door met elkander als koopers op de Amerikaansche markt te concurreeren, den prijs hadden opgedreven en zou het Rijk duurder zijn uitgekomen. Dit zou het geval zijn geweest, zonder dat eenige overvraging van de zijde der importeurs had behoeven plaats te hebben, en zelfs al had men een afdoende contrôle hebben kunnen inrichten om pogingen tot overvraging tegen te gaan. Door den oorlog waren zooveel graanexporteerende landen van de wereldmarkt uitgeschakeld, dat de vraag zoowel in de Vereenigde Staten als in Argentinië toch reeds ver buiten de normale verhouding tot het aanbod was gestegen. Het was daarom dubbel noodig een regeling te treffen, waarbij althans voorkomen werd, dat de Regeering door het intermediair van een aantal tusschenpersonen bovendien nog met zichzelve in concurrentie zou treden. Niet dat bij dien aankoop te veel werd gecentraliseerd, is te betreuren geweest; als er hier een fout werd begaan, ligt zij in het niet volledig doorzetten der centralisatie van den aankoop.
Niettegenstaande het aan het legerbestuur bekend was, dat aan het Departement van Landbouw een tijdelijk Rijksgraanbureau was georganiseerd, ging de legerintendance maandenlang door, met voor de legerbehoeften zelf in Amerika graan in te koopen. In hoever die concurrentie invloed heeft gehad op de prijzen, welke door het Rijksgraanbureau besteed moesten worden, is niet na te gaan. Ik wil aannemen dat, waar de Amerikaansche graanmarkt door zooveel landen werd bestormd, die invloed niet van beteekenis is geweest, maar wèl heeft de uitkomst bewezen, dat het voor het leger bestemde graan aan het Rijk minder zou hebben gekost, indien ook de legerintendance haar eigen aankoopen niet had voortgezet en van de tusschenkomst van het Rijksgraanbureau had gebruik gemaakt.
Intusschen was het aankoopen van het benoodigde broodkoren in Amerika voor Rijksrekening ter voorziening in de behoefte van broodvoeding wel veel, maar niet alles. Ook de binnenlandsche distributie van het aangekochte moest geregeld worden. Hierbij behoefde gelukkig de bestaande tusschenhandel niet te worden uitgeschakeld; wel echter was noodig dat de distributie van een centraal punt uit werd beheerscht en gecontroleerd, opdat terughouding en prijsopdrijving van het regeeringsgraan van meet af onmogelijk zou worden gemaakt. Toen ik zocht naar iemand, die aan het hoofd van zulk een Rijksdistributiebureau kon worden gesteld, werd mijn aandacht gevestigd op den heer A. G. A. van Eelde, een civiel-ingenieur die door den aard van het werk dat hij in den regel verricht, veel en velerlei ervaring heeft opgedaan en wien de leiding van zulk een bureau met vol vertrouwen in zijn onpartijdigheid kon worden opgedragen. Toevallig was de heer van Eelde tijdelijk beschikbaar en was hij bereid de Regeering ter zijde te staan, echter stond hij er op, zijn dienst belangeloos aan het land te verleenen en moest die wensch worden geëerbiedigd.
De inrichting van het Rijksdistributiebureau van graan en meel is, natuurlijk onder oppertoezicht van- en in overleg met den verantwoordelijken Minister, geheel door den heer van Eelde geschied, die gedurende den tijd, dat hij aan het hoofd daarvan heeft gestaan, d. w. z. gedurende de maanden waarin alles moest worden georganiseerd en in gang gezet, aan het land groote diensten heeft bewezen. Hier was, in tegenstelling met hetgeen bij den aankoop hoofdzaak was, handelskennis en ervaring op de graanmarkt bijzaak; hoofdzaak was hier, naast organiseerend talent, volstrekte onpartijdigheid tegenover de verschillende bij de distributie uit elkander loopende belangen en helderheid van inzicht, gepaard aan stevigheid van karakter, opdat partijdige adviezen, ook al werden die te goeder trouw gegeven, als zoodanig werden doorzien en van hun partijdigen kant ontdaan, van wien of van wie het advies ook kwam. De inrichting en het op gang brengen van het Rijksgraanbureau was waarlijk geen gemakkelijke taak, maar ik meen te mogen zeggen, dat bij de vervulling daarvan geen groote fouten werden begaan en dat na eenig zoeken en tasten het bureau getoond heeft op de hoogte te zijn van de opgaaf, waarvoor het zonder eenige voorbereiding werd gesteld.
In de Eerste Economische Nota werd over den Rijksaankoop van granen en voederartikelen en over het Rijksdistributiebureau van die waren gezegd: „Bij de uitoefening van dezen zeer buitengewonen diensttak zit de dubbele bedoeling voor: 1º. zoolang deze dienst zal werken, de distributie der aangekochte artikelen zooveel mogelijk te doen geschieden met gebruikmaking van de diensten van hen, die in het vrije verkeer gewoon zijn die distributie te bezorgen, en 2º. zoodra gebleken zal zijn, dat de toevoer langs den minder van het gewone verkeer afwijkenden weg van aankoop door particuliere importeurs, met adresseering van de goederen aan de Regeering, zonder dat deze goederen daardoor ophouden geheel voor rekening der importeurs te zijn, in voldoende mate verzekerd kan worden, zich allengs terug te trekken en zoodoende den invoerhandel, voor zoover dat onder de tegenwoordige omstandigheden mogelijk is, zoo spoedig mogelijk weer tot de particuliere importeurs terug te leiden”.
Het tweede deel van deze tweeledige bedoeling is voor den oorlogstijd een vrome wensch gebleven. Behalve de bezwaren die ik zooeven reeds noemde, verzette zich tegen de vervulling daarvan eene allengs meer nijpende schaarschte aan scheepsruimte, gepaard met toenemende moeilijkheden, waarmede ook de onzijdige scheepvaart te kampen had. Deze laatste bezwaren wogen voor de Regeering natuurlijk evenzeer als voor particuliere importeurs, maar zij konden toch bij gecentraliseerden aanvoer voor Rijksrekening gemakkelijker worden overwonnen. Daartoe werd o.a. al heel spoedig met de Holland-Amerika lijn gecontracteerd over het beschikbaar houden van de noodige laadruimte voor het vervoer van regeeringsgraan en werd er zooveel mogelijk de hand aan gehouden, dat bij vertraagde naleving van de aangegane verplichtingen, het beroep op overmacht tot ernstige uitzonderingsgevallen zou worden beperkt.
De verzekering van den geregelden toevoer van de noodige tarwe alsook van rogge, voor zoover die kon worden verkregen, was zulk een levensbelang voor de bevolking, dat proefnemingen met vrijlating van den aanvoer door particuliere importeurs niet mochten worden genomen. Bij sommige veevoederartikelen, met name ten aanzien van maïs, geschiedde dat wel, maar het resultaat was zoo weinig bevredigend, dat aan uitbreiding daarvan tot het broodkoren niet viel te denken. Een schip op het strand, een baken in zee.
Bij de graandistributie kwamen, vooral in den aanvang, toen er nog geen regeling was, die eenige vastheid had verkregen, moeilijkheden van zeer verschillenden aard voor, die nog vergroot werden, doordat plotseling in bestaande verhoudingen moest worden ingegrepen en er voor gezorgd moest worden, dat dit ingrijpen niet tot te groote ongelijkheden en onbillijkheden voeren zou.
Een der eerste vragen die beantwoord moest worden, was het bedrag waarop de maximum-prijs voor graan en meel moest worden vastgesteld. Deze vraag deed zich reeds aanstonds voor, eenige weken zelfs voordat het Rijksgraanbureau in werking trad. Zij was hierom nog te moeilijker, omdat op het oogenblik dat zij door de omstandigheden werd gesteld en zonder verwijl beantwoord moest worden, er nog geen zekerheid bestond of, en zoo ja op welke wijze, regelmatige aanvoer van Amerikaansch graan kon worden verkregen. De maximum-prijsbepaling voor het meel zoowel als voor het inlandsche graan moest dus geschieden onafhankelijk van den prijs voor het uitheemsche graan, waarvan hier nog slechts een voorraad voor 2 of 3 weken aanwezig was. Als gevolg van een langdurige bespreking, welke ik in het midden van Augustus in het bijzijn der betrokken afdeelingschefs op het Departement van Landbouw had met enkele meelfabrikanten en enkele bakkers, werd de maximum-prijs van het tarwemeel door mij bepaald op ƒ 14 per 100 K.G. In de vergadering van de Tweede Kamer van 26 Augustus 1914 zeide ik daaromtrent, in antwoord aan den heer Troelstra:
„De prijs van het tarwemeel was lager en het is dus niet te ontkennen, dat sommigen, die een eenigszins grooten voorraad meel hadden, door deze hoogere prijszetting een zeker voordeel hebben behaald. Aan den anderen kant moet men echter niet vergeten, dat de prijs van het meel, die nu officieel is vastgesteld op ƒ 14 per 100 K.G., buitengewoon laag is in verhouding tot den prijs van de Amerikaansche tarwe, welke prijs ongeveer ƒ 16, ƒ 17, ƒ 18 is, en welke tarwe niet gemist kan worden voor vermenging met inlandsche tarwe ter bereiding van goed brood. Men heeft dus deze abnormaliteit, dat de prijs van het meel per 100 K.G. belangrijk lager is dan de prijs van de Amerikaansche tarwe op dit oogenblik.
„Dit nu is uitstekend te verdedigen, aangezien inderdaad bij die prijszetting gerekend werd met de hoeveelheid, die men reeds had. Doch daartegenover staat, dat in het vrij verkeer, als men de zaken had laten gaan, op het oogenblik de prijs van het meel, die vastgesteld is op ƒ 14, ongetwijfeld zou zijn ƒ 20 en daarboven.... Men heeft natuurlijk bij deze prijszetting allerlei moeilijkheden, en precies juist zal men het wel nooit doen. Maar dat deze prijs te hoog zou zijn gesteld, meen ik, alle omstandigheden in aanmerking genomen, te moeten betwisten.”
Al heel spoedig na die prijszetting kwamen bij het Departement van Landbouw berichten in, dat sommige meelfabrikanten toch boven den vastgestelden maximum-prijs verkochten en zelfs dat een burgemeester, wien de schrik om het hart geslagen was, een partij meel van een meelfabrikant in zijn gemeente in koop had aangenomen voor ƒ 20 per 100 K.G. Door eenige telegrammen, waarbij aan burgemeesters opdracht werd gegeven de voorraden bij enkele onwillige meelfabrikanten in hunne gemeente in beslag te nemen, en waarbij de circulaire van 8 Augustus omtrent de wijze van taxatie werd in herinnering gebracht, kwam men deze moeilijkheden spoedig te boven. De meelfabrikanten maakten bij den vastgestelden maximum-prijs voor hun voorraad toch niet zulke slechte zaken en hoewel zij, als men de zaak op haar beloop had gelaten, daaraan heel wat meer verdiend zouden hebben, moesten zij wel „faire bonne mine à mauvais jeu”, omdat hun spoedig duidelijk werd, dat diegenen onder hen, die zich niet goedschiks aan de regeeringsmaatregelen onderwierpen, gevaar liepen bij de distributie van het regeeringsgraan te worden voorbijgegaan.
Meer moeilijkheden dan bij de prijszetting van het meel leverde het op, de medewerking van de meelfabrikanten te verkrijgen bij de uitvoering van een maatregel,—waartoe enkele gemeentebesturen spoedig na het uitbreken van den oorlog, na overleg met- en met groote instemming van het Departement van Landbouw besloten—er toe strekkende dat binnen de gemeente, behalve voor zieken, geen wittebrood mocht worden gebakken. De toestand was in den aanvang van den oorlogstoestand zóó onzeker, dat verschillende proeven werden genomen met „noodbrood”. Zelfs werd mij als proef een brood toegezonden, bestaande voor een deel uit tarwemeel, voor een deel uit gedroogde aardappelen. Toen dit brood versch was, rook het inderdaad heel goed en was de smaak ook niet onaangenaam, maar een dag later was het reeds heelemaal duf geworden. Het noodbrood met 20 of 30 pct. rijstemeel hield zich daarentegen zeer goed en dit werd dan ook in vele gemeenten het brood. Algemeen was de medewerking der gemeentebesturen echter niet. In één der publicaties van het Kon. Nat. Steuncomité wordt over het noodbrood-tijdperk geschreven: „Langzaam aan heeft het noodbrood zich omgevormd in het gewone bruinbrood en de kleur hiervan is hoe langer hoe witter geworden. In sommige gemeenten is echter, vrijwel de geheele crisis door, wit brood in groote hoeveelheden verkrijgbaar geweest, terwijl andere gemeenten tijden gekend hebben, waarin uitsluitend of bijna uitsluitend bruin brood verkrijgbaar was. En terwijl sommige gemeenten reeds vóór de regeeringsmaatregelen uit zichzelf hare inwoners beperking in het verbruik van tarwebloem oplegden, waren er andere, die zelfs na het afkondigen van de regeeringsmaatregelen de magen der bewoners klaarblijkelijk wilden sparen”.
Onder de hierbedoelde maatregelen die van regeeringswege werden genomen, neemt een eerste plaats in, dat aan de meelfabrikanten werd opgedragen, de regeeringstarwe niet tot bloem, maar met een kleine uitzondering voor zieken en zwakken alleen tot ongebuild meel te vermalen. Tot het opleggen van die verandering in het bedrijf kon ik als Minister van Landbouw overgaan reeds vóórdat regeeringstarwe van over zee was aangevoerd, omdat ter regeling van de verhouding tusschen het Rijk en de meelfabrikanten, de Regeering ook de voorraden van de meelfabrikanten had overgenomen. Bij de voorbereiding van dien maatregel, die tot December 1914 gehandhaafd moest worden, werd aanvankelijk van de zijde der meelfabrikanten het technische bezwaar geopperd, dat hunne fabrieken wel ingericht waren op de voortbrenging van bloem, maar niet van ongebuild meel. Met eenigen goeden wil bleek dat echter, met kleine tijdelijke veranderingen in de inwendige inrichting der fabrieken, wel te ondervangen. Voor zoover ik mij herinner, werd slechts een enkele fabrikant op een poging tot listige ontduiking der regeling, waaraan hij zich had onderworpen, betrapt. De ernstige waarschuwing, dat hij bij herhaling geen tarwe meer ter vermaling zou krijgen en zijn fabriek gedurende den oorlogstoestand wel zou kunnen stopzetten, was intusschen voldoende om dien fraudeur tot reden te brengen.
Minder gemakkelijk ging het met de graanboeren en met de handelaars in binnenlandsch graan. Deze konden zich niet indenken in den nieuwen toestand, die door den oorlog en door de maatregelen, welke de Regeering in verband daarmede nemen moest en nemen mocht, was geboren. Zij meenden dat de zoogenaamde wet van vraag en aanbod (een economische „wet” welke meer aangehaald dan begrepen wordt) meer kracht had en moest houden dan de Rijkswet, welke aan de Regeering het middel in de hand had gegeven om terughouding en prijsopdrijving van waren tegen te gaan. Zij verkozen niet zich aan de maximumprijzen voor inlandsche tarwe en rogge te houden, tenzij die prijzen niet lager waren dan op de graanmarkt konden worden bedongen. Natuurlijk kon de Regeering zich zulk een houding van de graanboeren en van den graanhandel niet laten welgevallen. Toen de Groningsche graanbeurs, de grootste graanbeurs van het land, blijk gaf zich aan de gestelde maximum-prijzen voor inlandsche tarwe en inlandsche rogge niet te storen en telegrafische uiteenzetting aan den voorzitter dier beurs van de onhoudbaarheid van het standpunt van den graanhandel en van den plicht van dien handel om zich evengoed als ieder ander te houden aan de wettelijk vastgestelde maximum-prijzen, geen effect had, zat er niet anders op dan het graan, dat aldaar ter beurze werd aangevoerd, door den burgemeester te doen in beslag nemen. Ik ging tot dien maatregel zeer ongaarne over en ik heb eenige dagen geaarzeld vóór ik dat deed; achteraf gezien ware het beter geweest, dat ik minder gedraald had en op het eerste bericht had ingegrepen met alle middelen die de levensmiddelenwet den Minister van Landbouw in oorlogstijd geeft.
Men meene intusschen niet, dat naar mijn oordeel speciaal de Groningsche graanhandel en de Groningsche boeren zich vergrepen hebben en daardoor ongunstig afsteken bij hun vakgenooten in andere deelen van het land, zooals geheel ten onrechte wel uit uitlatingen, door mij als Minister gedaan, is afgeleid. Het conflict tusschen de Regeering eenerzijds en graanhandel en graanboeren aan den anderen kant speelde zich alleen hierom in de provincie Groningen eerder en in meer geprononceerden vorm af, omdat de graanbouw aldaar van meer beteekenis is dan in andere provinciën, en vooral omdat de Groningsche beurs een leidende rol in den graanhandel vervult. De meening die bij sommigen schijnt te hebben postgevat, dat de Groningsche boeren onhandelbaarder waren dan de landbouwers in andere provinciën mist elken grond. Over het algemeen viel over medewerking van de zijde der boeren ter vergemakkelijking van de uitvoering van regeeringsmaatregelen, welke door den oorlogstoestand noodig waren geworden, niet te roemen; de Groninger boeren hebben het echter in dit opzicht niet erger gemaakt dan de anderen. De billijkheid eischt bovendien te erkennen, dat ook in andere kringen der bevolking niet te veel op medewerking kon worden gerekend, als het maatregelen gold, die een streep haalden door oorlogswinsten, welke men meende te kunnen behalen.
Over het algemeen hebben de moeilijkheden ten aanzien van het binnenlandsche broodkoren zich meer voorgedaan bij de rogge dan bij de tarwe. Er wordt meer rogge dan tarwe verbouwd, daar de laatste graansoort zwaarderen grond noodig heeft dan de rogge; bovendien wordt de hier verbouwde rogge in normale omstandigheden voor het grootste deel in het boerenbedrijf zelf als veevoeder, speciaal varkensvoeder, gebruikt. Bij de schaarschte aan rogge niet minder dan aan tarwe als grondstof voor brood, kon in den oorlogstijd niet vrijelijk worden toegelaten dat een eenigszins aanzienlijk deel daarvan voor veevoeder werd besteed. Het was hier echter gemakkelijker het doel te stellen dan de maatregelen die tot bereiking daarvan moesten leiden, door te voeren.
Het is wel duidelijk, dat, om een oogenblik bij de provincie Groningen te blijven, de inbezitneming van het aangevoerde graan op de Groningsche beurs, indien de maatregel op zich zelf was blijven staan, weinig had kunnen baten. Het gevolg zou dan geweest zijn, dat ten deele à la barbe van de wet, buiten de beurs om, voorraden zouden zijn verhandeld, tegen hoogere dan de vastgestelde maximumprijzen en dat voor een ander deel de voorraden door de boeren zouden zijn vastgehouden, hetzij met speculatief oogmerk, hetzij tot gebruik in het eigen bedrijf. De inbezitneming ter beurze moest gevolgd worden en werd gevolgd door de inbezitneming van de aanwezige voorraden rogge en tarwe bij de boeren zelf. Dit was echter gemakkelijker gezegd dan gedaan. Niet alleen moest er mede rekening worden gehouden, dat het boerenbedrijf niet geheel van rogge kon worden verstoken, te minder omdat er schaarschte was ook aan veevoeder, met name aan maïs, en de prijs hiervan ver boven het normale was opgeloopen, maar bovendien was een deel van de rogge en de tarwe ongedorscht en werd zij in ongedorschten toestand vaak onder andere graanvruchten of onder peulvruchten bewaard. Daarbij kwam nog dat, als de maatregel der inbezitneming goed zou werken, de medewerking der burgemeesters noodig was niet alleen voor de inbezitneming zelve, maar ook voor de distributie van het inbezitgenomene onder de bakkers, voor zoover het niet voor andere gemeenten was bestemd. In een vergadering van burgemeesters uit de provincie Groningen werden de verschillende moeilijkheden besproken en werd besloten aan de Regeering mede te deelen, dat een krachtig optreden volgens een van te voren goed overwogen plan noodig scheen en dat zij bij de uitvoering van zulk een plan op de medewerking der Groninger burgemeesters zou kunnen rekenen. Naar aanleiding van die vergadering kwamen drie burgemeesters uit de provincie mij op het Departement van Landbouw bezoeken en mij hunne meening zeggen over hetgeen zou kunnen en zou moeten geschieden, om zooveel mogelijk rogge voor brood beschikbaar te houden en de boeren zonder te veel onbillijkheid en te veel ongelijkheid te behandelen. Voor de Groninger burgemeesters was de tarwe als broodkoren van veel minder belang dan de rogge, omdat Groningen behoort tot de provinciën waar het gewone brood van de bevolking niet gebakken wordt uit tarwebloem of tarwemeel, maar uit zoogenaamde gebroken rogge. De zekerheid van de medewerking der burgemeesters van de provincie Groningen maakte het mogelijk voor die provincie een maatregel door te voeren, welke tevens als proef voor de andere provinciën zou kunnen dienen. De burgemeester van Veendam, Jhr. Mr. E. A. van Beresteijn, die bij het geheele optreden der Groninger burgemeesters in deze gewichtige aangelegenheid de leiding had gehad, verklaarde zich op mijn verzoek bereid, de afdeeling van het Departement van Landbouw, welke zich daarmede inzonderheid had bezig te houden, bij het ontwerpen der regeling van de inbezitneming van rogge en van de distributie van het in bezit genomene ter zijde te staan. Zoo kwam mijne circulaire van 5 October 1914 aan de burgemeesters in de provincie Groningen tot stand, waarbij hun opdracht werd gegeven, de rogge en de tarwe in hunne gemeenten, voor zoover dat graan in het bedrijf niet strikt noodzakelijk was, in bezit te nemen. De inbezitneming der tarwe was op zichzelf minder noodig; tot dien maatregel werd hoofdzakelijk overgegaan om de inachtneming der daarop gestelde maximumprijzen op de Groninger beurs af te dwingen. Toen dit doel was bereikt, kon de tarwe ongeveer 14 dagen later weer worden vrijgegeven.
Bij circulaire van 20 October 1914 gaf ik den burgemeesters der gemeenten in de overige provinciën in overweging, onverwijld over te gaan tot het voor rekening der gemeenten aankoopen van alle partijen rogge binnen de gemeente, voor zoover zij voor de broodbakkerijen geschikt waren. Ten einde te bewerken, dat de burgemeesters bij het gevolg geven aan dien aandrang niet los van elkander zouden handelen, noodigde ik de Commissarissen der Koningin uit, hun invloed te doen gelden, opdat zooveel mogelijk samenwerking zou worden verkregen tusschen de verschillende burgemeesters in hunne provincie en zoodoende zou kunnen worden bereikt, dat een overschot in de eene gemeente kon strekken tot dekking van een tekort in eene andere. Daarbij werd in overweging gegeven, dat een „roggecommissie” zou worden ingesteld, die als centraal lichaam in de provincie de verdeeling der rogge over de verschillende gemeenten leiden zou. In alle provinciën, waarin daaraan behoefte bestond, werden als gevolg van het beroep op de medewerking van de Commissarissen der Koningin zulke rogge-commissies ingesteld; vóór het einde van het jaar 1914 was in elke provincie een zoodanige commissie.
Hoewel die commissies onder de centrale leiding van het Rijksgraanbureau zeer nuttig werkzaam waren, bleef het roggevraagstuk voortdurend veel hoofdbreken kosten. Een aantal boeren ging, ondanks de maatregelen die van den Haag uit genomen of bevorderd werden, voort de rogge, die zij hadden, aan hun vee, voornamelijk aan de varkens, op te voeren, en onder de burgemeesters ten platte lande waren er maar al te veel, wier medewerking om dit tegen te gaan veel, zoo niet alles te wenschen overliet. Den boeren, die aldus niet alleen tegen de bedoelingen der Regeering in handelden, maar bovendien gevaar deden ontstaan voor gebrek aan brood in die streken, waar het roggebrood volksvoedsel is, valle men intusschen niet al te hard. Te verontschuldigen is hun handelwijze niet; verzachtende omstandigheden daarvoor zijn er wèl. Rogge is in normale omstandigheden in hoofdzaak een voederartikel in het bedrijf van den boer zelf en aan dat voederartikel was nu nog meer behoefte, nu de maïs schaarsch en peperduur was geworden.
Om hierin te voorzien, was reeds door mij de aanvoer van maïs van Regeeringswege en de distributie daarvan onder de boeren ter hand genomen. De heer Posthuma ging in die richting met kracht voort. Om bij de distributie der maïs zoo goed mogelijk georiënteerd te zijn over de behoeften aan veevoeder ter vervanging van rogge in de verschillende plattelandsgemeenten, werd door hem den 17den December 1914 aan de Commissarissen der Koningin verzocht op te geven, in welke gemeenten het in beslag nemen van rogge een noodtoestand ten opzichte van het veevoeder veroorzaakt had. Intusschen was reeds in het laatst van November aan de burgemeesters der gemeenten, waarin door de bevolking algemeen roggebrood wordt gegeten, in overweging gegeven, te bevorderen, dat de inlandsche gebroken rogge met buitenlandsch tarwemeel zou worden vermengd en hun medegedeeld, dat uit proeven was gebleken dat op die wijze een zeer smakelijk baksel werd verkregen. Toen het met die raadgeving ging, zooals het, jammer genoeg, met dergelijke wenken in den regel is gegaan, d. w. z. toen het meerendeel der plattelandsburgemeesters de circulaire, waarin die raad werd gegeven, eenvoudig naast zich neerlegden, schreef de Minister van Landbouw op 19 Januari 1915 voor, dat het verboden zou zijn verder roggebrood te bakken dat niet voor de helft uit tarwemeel zou bestaan. Iets zal dat wel geholpen hebben, maar de Regeering hing bij de uitvoering ook van dit voorschrift in hoofdzaak van de medewerking der plattelandsburgemeesters af; en....
In Juli 1915 meende de Minister van Landbouw, met een ernstig beroep op de boeren om niet meer rogge als veevoeder te gebruiken dan strikt noodzakelijk was en met herinnering aan hetgeen de Regeering gedaan had en nog steeds deed om maïs ter beschikking te stellen, ter vermijding van de in het vorig jaar gerezen moeilijkheden, alsook in verband met de gewijzigde omstandigheden, de proef te kunnen nemen met het niet toepassen voor den oogst van 1915 der in 1914 genomen maatregelen, „zoodat de landbouwers dus vooralsnog de vrije beschikking (konden) behouden over dezen oogst”. Doch reeds in Augustus d. a. v. bleek dat het zóó, zonder meer, niet ging. Een nieuwe circulaire moest aan de burgemeesters worden gericht, om hun medewerking in te roepen opdat er voldoende rogge voor menschelijk voedsel in de streken, waar algemeen roggebrood en geen tarwebrood gegeten wordt, behouden zou blijven. De grootere vrijheid die in 1915 werd gelaten, heeft evenwel niet voldaan, al werd zij spoedig in dezer voege ingekort, dat de burgemeesters der roggeverbouwende gemeenten er voor hadden te waken, dat niet meer rogge dan strikt noodzakelijk was als veevoeder werd gebruikt, en dat, voor zoover in hun gemeente rogge ten verkoop beschikbaar was, dat broodkoren tegen de gestelde maximale prijzen door tusschenkomst van de roggecommissies alleen en uitsluitend aan het Rijk zou worden verkocht. Deze commissies hadden er dan voor te zorgen, dat de aangekochte rogge zou worden gedistribueerd over de gewesten, welke daaraan voor brood behoefte hadden. Voor 1916 moesten weer strengere maatregelen getroffen worden.
Het is met de rogge een ware lijdensgeschiedenis geweest en het zal dat, naar ik vrees, tot het einde van den oorlogstoestand blijven. Deze aangelegenheid en de moeilijkheden, welke daaraan verbonden waren, zijn op zich zelf van zoodanig belang, dat zij eenigszins uitvoerig behandeld moesten worden. Bovendien zijn zij ook van gewicht om te doen uitkomen, hoe eenzijdig en daardoor hoe onjuist de bewering is, welke van agrarische zijde werd geuit, als zou de zorg der Regeering voor de levensmiddelenvoorziening een zorg zijn voor de stedenbewoners op kosten van de boeren. Rogge wordt in de steden weinig verbruikt. Het is daarentegen, naast den aardappel, het hoofdvoedsel van de plattelandsbevolking in het Noord-Oosten en het Oosten van het land. Het spreekt van zelf, dat de maatregelen welke in het belang der volksvoeding moesten worden genomen, in het algemeen meer drongen voor de stedelingen dan voor de bewoners van het platteland. Deze laatsten krijgen als regel veel minder spoedig gebrek aan levensmiddelen dan de eersten; niet alleen omdat velen hunner zelf wat aardappelen en groenten telen, maar ook omdat zij het voorrecht hebben van dichter bij de bron te zitten en alleen reeds daardoor gemakkelijker geholpen worden of zich hulp kunnen verschaffen. Vandaar dat de levensmiddelenpolitiek der Regeering wel in de eerste plaats op de ingezetenen der steden moest gericht zijn. Daaruit af te leiden dat dus de Regeering de belangen der stedelingen boven die van het platteland voortrok, mist elken grond. Over het algemeen kon het platteland zich zelf helpen en konden de steden het niet. Voor zoover ook het platteland gevaar liep van gebrek te zullen lijden, greep de Regeering evengoed in, als wanneer zulk een gevaar den steden bedreigde; de roggevoorzieningen zijn hiervan sprekende en afdoende getuigen.
Het is daarom te minder te vergoelijken, dat over het algemeen op de medewerking der plattelandsburgemeesters bij de uitvoering der maatregelen, welke ten doel hadden land- en tuinbouwproducten tegen niet te hoogen prijs voor de bevolking beschikbaar te houden, zoo weinig viel te rekenen. Herhaaldelijk bleek, dat een aantal hunner, zoo zij al niet zelf landbouwbelangen hadden, welke met het algemeen volksbelang in den oorlogstijd in botsing kwamen, weinig geneigdheid toonden het noodige voor de volksvoeding te doen, wanneer daarbij aan winstkansen van de boeren in hun gemeente een breidel werd aangelegd. Bij de beoordeeling van de vaak onbevredigende uitvoering van op zich zelf niet slechts goed bedoelde maar ook goed overwogen en voorbereide maatregelen, waarbij op de medewerking inzonderheid van de plattelandsburgemeesters moest worden vertrouwd, mag dit niet uit het oog worden verloren. De zorgzaamheid voor het bedrijf van de eigen bevolking, voor zoover het gemeentebestuur daartoe kan medewerken, is onder normale omstandigheden in den burgemeester eener plattelandsgemeente een onvermengde ambtsdeugd te achten. In een abnormalen tijd als de oorlog heeft te weeg gebracht, met zijn ingrijpen in den uitvoer en in de prijsvorming binnenslands en zijn noodzakelijkheid van inbeslagneming van hetgeen noodig is en niet vrijwillig wordt ter beschikking gesteld, kan zij een hinderpaal blijken voor spoedige en correcte uitvoering van regeeringsmaatregelen in het belang der verbruikende bevolking. Men moet trachten dien hinderpaal zoo goed mogelijk te ontgaan; ruw ter zijde stellen kan men hem niet, zonder gevaar te loopen later, als weer normale tijden zullen zijn teruggekeerd, te zullen bespeuren, dat men, misleid door den drang der omstandigheden, het kind met het badwater heeft uitgeworpen. Een buitenburgemeester, die sterk voor de belangen van zijn gemeentenaren, dat wil hier in den regel zeggen, voor de boerenbelangen gevoelt en opkomt, kan in den oorlogstijd vaak hinderlijk zijn; onder normale omstandigheden zijn zulke burgemeesters de besten voor de gemeenten aan welker hoofd zij staan, en daarmede indirect voor het land in zijn geheel. Ik zeg dit niet om daarmede alle buitenburgemeesters schoon te wasschen. Er zijn er voor wie dit den moriaan geschuurd zou wezen en die verdienden van hun ambt te worden ontheven; maar het ongunstig oordeel, dat in deze tijden zoo vaak over de buitenburgemeesters werd geveld, is in zijn algemeenheid onbillijk en onverdiend, al moge het verklaarbaar zijn, als uiting van wrevel over schaarschte en duurte van land- en tuinbouwproducten, welke bij hartelijker medewerking van die zijde vaak beter ware te voorkomen en te bestrijden geweest.
Waar ik ook zelf onder gebrek aan medewerking van plattelandsburgemeesters heb gezucht en op dat euvel in de vorige bladzijden de aandacht heb moeten vestigen, scheen het billijk en niet overbodig ook op de andere zijde van het vraagstuk het licht te doen vallen. Die burgemeesters toonden in den oorlogstoestand, voor zoover zij uit overweging van het belang hunner gemeentenaren en niet bloot uit traagheid of onverschilligheid passieven weerstand boden, les défauts de leurs qualités. Het was alleen wat jammer, dat in een tijd, waarin de Regeering zulk een behoefte had aan aller medewerking, die „défauts” een werking ten kwade hadden, die heel wat sterker uitkwam dan de werking ten goede in vredestijd van de „qualités” der door mij bedoelde burgemeesters.
Doch ik ben nog niet ten einde met hetgeen door de Regeering in het belang der broodvoorziening werd gedaan. Toen niettegenstaande de verschillende maatregelen, die in het belang der volksvoeding werden genomen, de prijzen van allerlei levensmiddelen toch voortdurend stegen en ook de tarwe en het tarwemeel, welke van Amerika en Argentinië werden aangevoerd, zoowel wegens de hoogere inkoopsprijzen als wegens de stijgende scheepsvrachten, steeds duurder werden, besloot zij voor een der hoofdposten op het budget der bevolking, het brood, een maatregel te treffen, waardoor dit ver beneden den prijs, dien de tarwe aan het Rijk kostte en eerder beneden dan boven den normalen prijs, beschikbaar werd gesteld. Die maatregel werd uiteengezet in de circulaire van Minister Posthuma aan de gemeentebesturen van 24 April 1915. Voordat het daartoe kwam, zijn er gedachtenwisselingen tusschen den Minister van Landbouw en de burgemeesters der groote steden gevoerd, die aanvankelijk dreigden niet tot eenig resultaat te zullen leiden. De Minister stelde zich op het volkomen verklaarbare standpunt dat hij geen maatregelen op het gebied der volksvoeding mocht nemen, welke het Rijk op groote uitgaven zouden te staan komen, als hij het effect daarvan niet bepaalde tot die lagen der bevolking welke wegens hun beperkt inkomen, in de termen vielen op ’s Rijks kosten te worden geholpen. De burgemeesters voerden van hun standpunt met niet minder recht aan, dat zij, indien brood of ander voedsel op ’s Rijks kosten tegen verminderden prijs werd beschikbaar gesteld, niet in staat waren, regelingen te treffen tot schifting tusschen degenen, die daarvan wel mochten profiteeren en hen, die daarbuiten behoorden te blijven. Men kwam toen tot een middenweg, die hier inderdaad wel den naam van gulden middenweg verdient, niet alleen omdat hij het Rijk op een aanzienlijk aantal guldens is te staan gekomen.
In de eerste plaats, zoo redeneerde de Minister van Landbouw, bereik ik hetzelfde met een hoofdbestanddeel van het budget der bevolking terug te brengen tot of beneden vredespeil, als met het in veel mindere verhouding in prijs drukken van een aantal voedingsartikelen. Brood heeft elk huishouden noodig en de grootste huishoudens het meest. Waar nu de medewerking der burgemeesters onmisbaar was en deze geen kans zagen goedkoop brood alleen ter beschikking te stellen van de minvermogende ingezetenen hunner gemeente, nam men zijn toevlucht tot algemeene verkrijgbaarstelling met een dubbele rem. Deze bestond hierin: 1º. werd alleen ongebuild tarwebrood, bruinbrood, (of ongebuild tarwemeel) ter beschikking gesteld; zij die wittebrood wenschten te eten en zich die weelde konden veroorloven, moesten daarvoor een prijs blijven betalen, die de verschillende kosten dekt; 2º. werd het bruine regeeringsbrood alleen verstrekt aan hen die aan het gemeentebestuur een brood- (of meel-) kaart aanvroegen. De broodkaart gaf recht op een half kilogram ongebuild tarwebrood per dag en per persoon tegen contante betaling van zes centen per half kilogram. Ook voor de uitvoering van dezen maatregel was nog heel wat administratie noodig. Maar aangezien door de feitelijke verandering welke, zooals boven werd uiteengezet, het bakkerijbedrijf in den oorlogstijd had ondergaan, de bakkers indirect toch reeds onder overheidscontrole stonden, was het mogelijk een regeling van de broodkaarten te treffen, waarbij al te groote knoeierijen werden voorkomen. Voor die gemeenten waar het roggebrood volksvoedsel is, werd een overeenkomstige regeling getroffen als ten aanzien van het tarwebrood voor de andere gemeenten. Ten einde het den gemeentebesturen gemakkelijk te maken, werd bij de circulaire van 24 April 1915 door den Minister van Landbouw een model gevoegd van een door het gemeentebestuur te maken uitvoeringsbeschikking.
De bruinbroodregeling kost aan het Rijk heel wat, maar dat geld is bij uitstek goed besteed; het goedkoope bruine brood was in tal van gezinnen met kleine beurzen een ware uitkomst. Helaas is men bij het beoordeelen van regeeringsmaatregelen maar al te zeer geneigd de goede uitkomsten daarvan spoedig te vergeten en zich zelf en anderen over de minder goede resultaten op te winden en, naar aanleiding daarvan, den verantwoordelijken bewindsman het „steenigt hem” toe te schreeuwen. Minister Posthuma heeft die eenzijdige en hoogst onbillijke beoordeeling van zijn moeilijk en ondankbaar werk ruimschoots ondervonden.
Tot slot van dit hoofdstuk schijnt mij een korte beschouwing over het algemeen karakter van de daarin besproken maatregelen en van de daartegen geopperde principieele critiek niet misplaatst. De Regeering heeft, zooals uit het volgend hoofdstuk nader blijken zal, zich niet onttrokken, waar en voor zoover dit noodig was, haar medewerking te verleenen bij het steunen van economisch zwakkeren, op wie de druk der tijden bijzonder zwaar neerkwam. Maar toch was haar streven in de allereerste plaats gericht niet op het lenigen maar op het voorkomen van nood, en heeft zij zich bovenal toegelegd op het algemeen beschikbaar stellen en beschikbaar houden van voorraden tegen redelijke prijzen. Het te hulp komen der mindergegoeden door maatregelen, die alleen hen betroffen, werd niet verwaarloosd maar kwam eerst in de tweede plaats. Voor zoover ik aan de inzetting van deze vreedzame economische oorlogspolitiek heb medegewerkt, is daarover door mij weinig gephilosofeerd.
In de eerste dagen van Augustus 1914, toen leiding gegeven moest worden aan het ontwrichte economisch leven en richting aan het staatsbeleid op economisch gebied onder de zoo plotseling veranderde omstandigheden, ontbrak daartoe de tijd. Wat geschiedde kon ook geen uiting zijn van theoretische overtuiging, want die geldt op economisch gebied alleen voor normale omstandigheden. Men behoefde zulk eene overtuiging, toen de toestanden plotseling geheel abnormaal waren geworden, niet af te zweren, haar niet geschikt te achten om in de rommelkamer te worden opgeborgen; maar wèl was het besef noodig, dat zij tijdelijk niet tot leiddraad kon strekken. Men moest zich los maken van theorieën, die alleen voor normale omstandigheden bedoeld zijn en die, voor zoover zij het moderne economisch leven betreffen, steeds den meestal onuitgesproken ondergrond hebben, dat het internationaal verkeer, behoudens belemmering door protectionistische tarieven, geen hinderpalen op zijn weg vindt; dat de handel zonder aanzien der nationaliteit, met dat voorbehoud, ongehinderd en veilig kan worden uitgeoefend en dat inzonderheid de economische tendensen sterk genoeg werken, om voor elk modern georganiseerd land schaarschte van levensmiddelen als ernstig gevaar uitgesloten te achten. Onder die onuitgesproken voorwaarde, is het voor de overheid geraden den weg der prijszetting niet op te gaan. Hoezeer ik die meening ben toegedaan, bleek nog kort vóór het uitbreken van den oorlog, toen ik bij de behandeling der Stuwadoorswet tegen sterken aandrang zoowel van links als van rechts mijn verzet heb volgehouden tegen regelingen, welke principieel de kiem van officieele prijs- of loonzetting van overheidswege in zich droegen.