Met aandacht heb ik geluisterd naar de woorden, waarbij Uwe Excellentie deze door H. M. de Koningin op voordracht van Harer Majesteits Regeering benoemde Commissie heeft geïnstalleerd.

Onze Commissie heeft in deze benoeming gezien een bewijs van vertrouwen, dat zij op hoogen prijs stelt: zij is zich bewust, dat haar eene groote verantwoordelijkheid wordt opgelegd.

Uwe Excellentie heeft terecht er op gewezen, dat, ofschoon onze Commissie is samengesteld uit personen uit verschillende groepen, alle leden zich op hetzelfde hooge onafhankelijke standpunt moeten plaatsen.

Ik ben overtuigd, Excellentie, dat wij allen hiervan doordrongen zijn.

Onze Commissie zal dan ook trachten, wanneer Uwe Excellentie zich—hetzij rechtstreeks, hetzij door Uwe Commissie van Bijstand—tot haar wendt, zooveel in haar vermogen is, juiste en onpartijdige adviezen te geven.

Terwijl ik mij veroorloof Uwe Excellentie mijn dank te betuigen voor de welwillende woorden tot de leden van de Commissie van deskundigen, tot den Onder-Voorzitter van de Amsterdamsche Kamer van Koophandel en tot mij als Voorzitter van die Kamer gericht, spreek ik de hoop uit dat, ook door medewerking van onze Commissie, het doel, waarvoor de Beurswet 1914 in het leven is geroepen, ten volle zal worden bereikt.

Het eerste wat gedaan moest worden en waarbij de beide commissies hadden samen te werken, was het vaststellen van de noodige beursvoorschriften. Daar hierbij met zeer verschillende belangen rekening moest worden gehouden, was dit een hoogst moeilijk werk, waarbij de Commissie van uitvoering voortdurend overleg moest plegen niet alleen met de Commissie van deskundigen, maar ook met andere belanghebbenden bij het beursverkeer. Zij ondervond daarbij ook groote medewerking van den president van de Nederlandsche Bank. Deze nam het zeer nuttige initiatief tot het instellen van een onderzoek naar den omvang van het bedrag, dat ter beurze op prolongatie was uitgezet. Dit leidde tot het resultaat, „dat in ronde cijfers het geld, ter beurze gebracht om in den vorm van prolongatie, on call, enz. te worden uitgezet, een som van ƒ 325 millioen beliep. Dit geld werd echter ter beurze voor een deel weder op nieuw uitgezet door geldnemers, die op hun beurt weder geldgevers werden; en zoo kon worden becijferd, dat de totaal ter beurze loopende contracten een bedrag van ƒ 460 millioen hadden bereikt. Gesteld dus, dat alle prolongaties, on calls enz. op een gegeven oogenblik zouden verrekend kunnen worden door terugbetaling, dan zou een bedrag van ƒ 460 millioen onderling verrekend en ƒ 325 millioen uit de Beurs aan de oorspronkelijke geldgevers teruggegeven moeten worden.”

Door dit onderzoek werden dus zeer waardevolle gegevens verkregen omtrent de beteekenis van het object, waarover men regelingen had te maken. Die regelingen zelf waren intusschen reeds gereed, voordat het onderzoek van den president van de Nederlandsche Bank was afgeloopen. De beursvoorschriften werden den 15en Januari 1915 vastgesteld. Het zou mij te ver voeren op den inhoud daarvan in te gaan. Slechts op één bepaling moet ik de aandacht vestigen. Voor de verschillende fondsen waren onderpandkoersen vastgesteld, die aanvankelijk weinig afweken van de beurskoersen op den dag vóór de sluiting. In de beursvoorschriften werd nu aan de geldnemers de bevoegdheid gegeven geldleeningen, dagteekenende van vóór 29 Juli 1914, waarvan het onderpand, berekend naar de eerst vastgestelde onderpandkoersen, een surplus aanwees van 20 pct. of tot dit surplus zou worden aangevuld, zooals men het in beurskringen heeft genoemd, te blokkeeren. Die blokkeering bestaat hierin, dat die leeningen door den geldgever niet eerder zullen kunnen worden aangezegd of opgevraagd dan zes maanden, nadat de vrede tusschen Duitschland, Engeland en Frankrijk zal zijn gesloten. Over de geblokkeerde posten moet een rente worden betaald, die aanvankelijk gesteld werd op 12% boven de rente van de Nederlandsche Bank voor voorschotten in rekening-courant, doch niet minder dan 6% ’s jaars.

Eerst lachte mij het blokkade-denkbeeld weinig toe, omdat ik er bij de ingewikkeldheid der beursrelaties verwikkelingen van vreesde. Toen echter alle kringen van beursbelanghebbenden met het denkbeeld ingenomen bleken te zijn, was er voor de Regeering geen reden daaraan niet haar goedkeuring te hechten. De belanghebbenden bleken trouwens de zaak juist te hebben ingezien; het blokkeeringsstelsel heeft goed gewerkt en de afwikkeling van prolongaties, die van vóór de crisis dagteekenden, bevorderd. Daartoe heeft ook de medewerking der Nederlandsche Bank veel bijgedragen. Met vermijding van het uitschakelen der commissionnairs-tusschenpersonen heeft zij zich bereid verklaard zoowel geblokkeerde als niet geblokkeerde posten, die van vóór 27 Juli 1914 dagteekenden, over te nemen. Het verslag van de Bank over 1914/15 zegt hierover o.m.: „Aangezien De Nederlandsche Bank in de eerste plaats zich geroepen gevoelde mede te werken om de oorspronkelijke geldgevers weder in het bezit van contant geld te stellen, vooral omdat onder die oorspronkelijke geldgevers behoorden vele der groote spoorweg-, stoomvaart- en cultuurmaatschappijen, fabrieken en coöperatieve vereenigingen, werkmansbonden, spaarbanken en nog vele anderen, die hun beschikbaar geld slechts tijdelijk hadden uitgezet, en nu zelven die gelden dringend behoefden, verklaarde De Nederlandsche Bank zich bereid het onderpand, in handen dier primaire geldgevers, over te nemen en daarop voorschotten te verleenen. Wel behield de Bank zich voor om het bedrag van het voorschot zelve te bepalen in verband met de koerswaarde, welke zij aan het onderpand wilde toekennen, zoodat niet altijd het volle bedrag van de prolongatie in voorschot kon worden uitgekeerd.

„Van eene tweede categorie, zijnde de commissionnairs-geldnemers ter beurze, die op hun beurt weder ter beurze geldgevers van anderen waren, wilde de Bank wèl prolongatieposten overnemen, doch met voorbehoud dat zij het onderpand naar eigen opvatting zou waardeeren.”

Door deze medewerking en ook door een stijging der Amerikaansche fondsen, waarvan men bij den aanvang der crisis zelfs niet had durven droomen, heeft de afwikkeling der oude posten een zoo ongedacht gunstig verloop gehad, dat het overgroote deel daarvan op het einde van het jaar 1915 reeds geliquideerd was.

Een wijziging in de beursvoorschriften moest spoedig worden aangebracht naar aanleiding van een gerechtvaardigd bezwaar van de Nederlandsche Bank tegen de vastknooping der prolongatierente voor de oude posten aan de rente der Bank voor voorschotten in rekening-courant. Boven[14] wees ik er op, dat tegen die vastkoppeling in de eerste crisisweken niets was te doen en dat zij een consequentie was van den geheelen crisistoestand. De Bank kwam er echter terecht tegen op, dat die op zich zelf ongewenschte consequentie officieel zou worden vastgesteld en bestendigd in een ministerieel voorschrift, dat bestemd was om gedurende den geheelen oorlogstijd te gelden. De desbetreffende artikelen werden daarom op haar aandrang den 11den Februari 1915 gewijzigd. Het verband tusschen de prolongatierente en de rente, welke de Bank voor hare voorschotten berekent, werd daarbij geheel losgeknipt. Practisch kwam de verdwijning van dit verband uit, toen op 30 Maart 1915 de prolongatierente door mij op 512% werd bepaald, zonder dat eene wijziging in de bankrente daarmede gepaard ging.

[14] Zie bl. 213/4.

Reeds spoedig nadat de eerste crisisweken voorbij waren, begon zich te Amsterdam een niet-officieele beurs te ontwikkelen. Ik heb toen gemeend, eenigszins tegen het advies van mijn raadgevers in, daartegen te moeten optreden. Als reden daarvoor gaf ik in de Eerste Nota betreffende den Economischen Toestand op: „Natuurlijk kan niet verhinderd worden, dat ondershands, buiten de beurs om, effecten worden verhandeld. Ondergeteekende heeft echter gemeend maatregelen te moeten nemen om tegen te gaan, dat deze handel toch een eenigszins officieus, zij het dan al niet officieel, karakter zou aannemen. Dit toch zou de bedoeling der Beurswet kunnen verijdelen en zou tot moeilijkheden moeten aanleiding geven, als de beurs te zijner tijd voorloopig slechts voor enkele fondsen geopend zal worden. Er moet dan voor worden gewaakt, dat de handel ter beurze tot die toegelaten fondsen beperkt zal blijven. Dit zou echter zeer worden bemoeilijkt, als vóór de beperkte officieele opening der beurs oogluikend reeds een onbeperkte beurshandel in effecten was toegelaten.”

De beurs werd op 9 Februari 1915 weer geopend; eerst slechts voor een zeer beperkt aantal fondsen. Langzamerhand kon de noteering worden uitgebreid, zoodat thans bijna alle vóór de crisis courante fondsen weer genoteerd worden. Met de opening der beurs was zoowel de mogelijkheid tot executies als tot het geven van nieuw geld op prolongatie geopend. Verschillen over de bepalingen, waaraan de nieuwe prolongaties zouden onderworpen zijn, gerezen tusschen de Vereeniging voor den Effectenhandel en de groote geldgevers, gaven aanleiding dat de laatstgenoemden een Prolongatievereeniging oprichtten, waartoe niet alleen de groote bankiers maar ook een aantal handelsondernemingen, verzekeringmaatschappijen en spaarbanken als oorspronkelijke geldgevers op prolongatie toetraden. Zij had ten doel den grooten geldgevers het vertrouwen in de wijze waarop hun geld ter beurze wordt uitgezet, dat door hetgeen gebeurd was, zeer was geschokt, te hergeven en daartoe de bepaling der prolongatievoorwaarden niet langer—voorloopig behoudens het staatstoezicht krachtens de Beurswet—uitsluitend over te laten aan de Vereeniging voor den Effectenhandel, maar ook de primaire geldgevers medezeggenschap daarin te verzekeren. De oprichting dezer vereeniging, welke weder onder het presidium van den heer Van Aalst gesteld werd, werkte op de zooeven bedoelde verschillen niet juist als olie op de golven, veeleer als olie in het vuur. Het scheen alsof de heeren niet tot overeenstemming waren te brengen. Het is een niet geringe verdienste van de Commissie van uitvoering der Beurswet, dat zij niet heeft gerust, vóór zij een compromis had weten tot stand te brengen. Toen dit eindelijk, na veel vergeefsche pogingen, gelukt was, verklaarde de Nederlandsche Bank zich bereid ook dergelijke nieuwe prolongatieposten over te nemen, indien deze bij opzegging eventueel niet weder ter beurze zouden kunnen worden overgeplaatst. Daarmede heeft de Bank tot de ontwikkeling der nieuwe prolongatiemarkt veel bijgedragen. De ruimte van geld, die in den loop van het jaar 1915, met slechts enkele golvingen in nedergaande richting, gestadig toenam, werkte natuurlijk tot die ontwikkeling krachtig mede.

De effecten- en de geldhandel hebben zich spoediger van den schok van Juli 1914 hersteld, dan iemand in den eersten tijd van de crisis had durven droomen, laat staan: hopen. De gunstige keer der omstandigheden, inzonderheid de onverwacht hooge stijging der Amerikaansche fondsen en de toenemende ruimte van geld, is hierin ongetwijfeld de belangrijkste factor geweest. De Beurswet kon dat effect niet teweeg brengen; dat hebben haar ontwerpers zich ook geen oogenblik van haar voorgesteld. Haar doel was geen ander dan ongelukken in den crisistijd te voorkomen en de geleidelijke afwikkeling van zaken, zonder dat dit tot onheilen zou leiden, te bevorderen naar gelang de donkere wolken van den eersten crisistijd voor het blauw aan den financieelen hemel zouden plaats maken. Dat doel heeft zij bereikt, n’en déplaise de sombere voorspellingen, die bij haar voorbereiding in enkele politieke, juridieke en financieele kringen omtrent hare werking nog meer werden gemompeld dan openlijk uitgesproken.

§ 4. De aandrang tot een moratorium.

Het zou onvolledig zijn den aandrang tot een moratorium met stilzwijgen voorbij te gaan. Die aandrang was zóó groot en kwam van zóó verschillende kanten, dat er heel wat weerstandskracht voor noodig was om daaraan het hoofd te bieden. Het is niet onwaarschijnlijk, dat de Regeering er voor zou zijn bezweken, indien zij bij haar afwijzing niet krachtdadig ware gesteund geworden. In de eerste dagen van de oorlogscrisis werd ik overstroomd door allerlei zenuwachtige raadgevingen en adviezen over hetgeen op economisch gebied moest worden gedaan, en door allerlei uitingen van angstgevoel over hetgeen er van den economischen toestand terecht zou komen. De vragen om hulp waren even bont van samenstelling als de ongevraagde adviezen; maar als een reus onder de dwergen stak de aandrang tot het uitschrijven van een moratorium boven al het andere uit. De een smeekte er om, een andere eischte het, een derde beval het aan als redder in den nood, een vierde bracht mij in herinnering, dat „aux grands maux les grands remèdes” moeten worden toegepast. Particuliere middenstanders en groothandelaars, deputaties van Kamers van Koophandel en belangstellende rechtsgeleerden vroegen als om strijd om een moratorium. Mondeling zoowel als schriftelijk kwam de aandrang. Het regende brieven zoowel als bezoeken met die strekking; het scheen een oogenblik haast een niet te stuiten sneeuwbal. En in de Staten-Generaal vond die gemoedsstemming van een groot deel van het publiek weerklank bij alle partijen. Op 3 Augustus drong de heer De Visser aan op het in overweging nemen van „wat men met een algemeenen term noemt een moratorium”. Bij hem sloot zich onmiddellijk de heer Troelstra aldus aan: „Met hetgeen door den geachten afgevaardigde uit Katwijk hier in het midden is gebracht, kan ik mij vereenigen. Ik wensch dien aandrang te ondersteunen.... Door den heer De Visser is gesproken over het moratorium. De bedoeling van den heer De Visser zal waarschijnlijk ook zijn, dat daaronder zullen vallen de woninghuren, want het moet ook niet kunnen voorkomen, dat gedurende den oorlogstoestand menschen, die onmachtig zijn om huur te betalen, uit hun woningen zouden worden gezet.”

In de Eerste Kamer bleef het daar niet bij. De heer Fokker stelde er de volgende motie voor: „De Eerste Kamer noodigt de Regeering uit binnen korten tijd een wetsontwerp tot instelling van een moratorium aan de goedkeuring der Staten-Generaal te onderwerpen.” Die motie vond bestrijding bij de heeren Laan en Van Nierop. Toen deze daarbij ook tegen het moratorium zelf waarschuwden, kwam de heer Woltjer tusschenbeide. Hij verdedigde wel is waar de motie niet en achtte het verkeerd, dat zij was ingediend, maar—zoo zeide hij—”het spijt mij ook, dat de heeren Laan en Van Nierop er tegen gesproken hebben, zooals zij deden, omdat hun spreken eigenlijk tegen een moratorium was gericht.”

Tegenover dat algemeene verlangen werd de Regeering gesterkt vooral door een krachtig afwijzend advies van de groote bankiers. In de Eerste Kamer zeide ik daarvan: „De quaestie van een moratorium heeft reeds sinds eenige dagen de ernstige overweging uitgemaakt van den Ministerraad. Over de quaestie van het moratorium is Zaterdag zeer uitvoerig gesproken in de vergadering die de Ministers van Financiën en Justitie en ik zelf gehad hebben met den president van de Nederlandsche Bank, het consortium van bankiers, waarop de heer Van Nierop doelde, den voorzitter van den Provincialen Bond van effectenhandelaren, den voorzitter van de Rotterdamsche Vereeniging en die van de Amsterdamsche Vereeniging voor den Effectenhandel. Na zeer ampele bespreking van het voor en tegen is men toen gekomen tot de conclusie, dat men hoopte, gelijk zooeven de heer Van Nierop het zeide, zonder moratorium den toestand meester te kunnen blijven. Ik geloof dat er op dit oogenblik geen reden is om daaraan te wanhopen. Nadat Zaterdag het besluit genomen was, waarmede de Regeering zich eenstemmig verklaarde, wordt door de Regeering geen voorstel tot een moratorium gedaan. En nu is mij gisteren door den voorzitter van den Provincialen Bond voor den effectenhandel telephonisch medegedeeld.... (De heer Van Nierop: die het moratorium het meest wenschte).... dat het bestuur van den Provincialen Bond overleg heeft gepleegd met het bewuste syndicaat van bankiers te Amsterdam, en dat men daarbij is gekomen tot een regeling, speciaal wat betreft de wijze van handelen met opvragingen van deposito’s, waardoor de beschikbare kredietmiddelen op zoo goed mogelijke wijze ter beschikking zullen worden gesteld van hen, die ze werkelijk absoluut noodig hebben....”. In de Tweede Kamer had ik even te voren in gelijken geest gesproken. Daar had ik er nog aan toegevoegd:

„Maar ik kan aan den heer Troelstra de verzekering geven, wanneer het mocht gebeuren dat op het oogenblik op eenigszins belangrijke schaal personen, die in de tegenwoordige omstandigheden hun woninghuur niet kunnen betalen, uit hun woning werden gezet, zij het dat dan ook niet een algemeen moratorium zal worden afgekondigd, toch maatregelen zullen worden genomen om dat tegen te gaan.

„Dat op het oogenblik geen executies worden gedaan wegens achterstallige belastingen—de heer Troelstra zeide het zelf—het spreekt zoo absoluut van zelf, dat men daaromtrent van de zijde der Regeering wel geen verklaring zal verlangen.

„Ik kan dus dit zeggen, wat betreft het punt van het moratorium, dat de zaak in ernstige overweging is geweest bij de Regeering; dat men op het oogenblik heeft gemeend ter wille van het krediet niet verder op dit denkbeeld te moeten ingaan en voorloopig het geheele denkbeeld van het instellen van een moratorium ter zijde te moeten stellen....

„Waarom heeft de Regeering begrepen dat men in de kringen van den geld- en crediethandel hier juist zag? Omdat het groote gevaar, natuurlijk naast het oorlogsgevaar, is dat het Nederlandsche publiek onder den indruk van de toch reeds zoo ernstige toestanden, de zaak nog veel erger maakt door wantrouwen te toonen, waar dat wantrouwen niet op zijn plaats is. Wanneer nu van de Regeering reeds uitging een voorstel om een algemeen moratorium in te stellen, d. w. z. om ieder die schuld heeft gedurende zekeren tijd te ontslaan van de verplichting om die te betalen, kan men vooruit verwachten, dat dit opnieuw groote schokken op de credietmarkt tengevolge zou hebben.”

Intusschen was met deze afwijzende houding de aandrang tot het uitschrijven van een moratorium niet gebroken. In de vergadering van de Tweede Kamer van 6 Augustus bepaalde de heer Bos zich er toe, nogmaals het oordeel van de Regeering omtrent de zaak te vragen. De heer Aalberse daarentegen ging verder. In aansluiting aan hetgeen door den heer De Visser in de vorige vergadering was opgemerkt, vroeg hij „of in de dagen die sinds de vorige vergadering verloopen zijn, door de Regeering nog overwogen is, of de bezwaren van den toestand zooals die nu is, misschien toch niet erger zijn dan de bezwaren welke men vreest van de invoering van een moratorium.”

Die hernieuwde aandrang was trouwens een weerklank op hetgeen nog bij een groot deel van het publiek daaromtrent leefde. Het gesprokene in de vergaderingen van 3 Augustus had de stroom van verzoeken tot het wettelijk toestaan van uitstel van betalingen niet gestuit. Woensdag 5 Augustus had ik zelfs een bezoek gehad van verschillende voorzitters van Kamers van Koophandel ter mondelinge toelichting van een verzoek in dien geest. Die heeren bracht ik bij dat bezoek de groote bezwaren tegen voldoening aan hun wensch onder het oog, en ik kreeg den indruk, dat, zoo zij al niet door mij bekeerd waren, ik hun eigen overtuiging toch aan het wankelen had gebracht. In overeenstemming met wat ik hun binnenskamers had gezegd, gaf ik den volgenden dag in de Tweede Kamer voor de tweede maal een afwijzend betoog, dat ik hier laat volgen, omdat daarin alle gronden van de Regeering tot afwijzing van het moratorium zijn samengevat:

„De Regeering is ook geheel doordrongen niet alleen van de gewettigdheid, maar ik mag wel zeggen ook van het sympathieke van de vrees van zoovele handelaars en industrieelen, dat zij door de omstandigheden zouden kunnen komen in faillissement.

„Het is inderdaad gelukkig, dat onder degenen, die zich met handel en nijverheid bezighouden, hier in Nederland een zóó sterk gevoel bestaat dat zij moeten opkomen voor hun goeden naam, dat de vrees dat zij in faillissement zouden kunnen geraken, hun reeds in zoo hooge mate benauwt.

„Ik begrijp dus ten volle den aandrang, die telkens weer geoefend wordt tot het uitschrijven van een moratorium, maar ik ben het met den geachten afgevaardigde uit Winschoten eens, dat—het bleek tusschen de regels door in hetgeen hij zeide—wat een moratorium eigenlijk beteekent, niet altijd helder voor den geest staat bij hen die er naar vragen. Nu wil het mij voorkomen, dat zoo algemeen als men het zich voorstelt, dat van regeeringswege zou kunnen worden bepaald, dat men eenvoudig gedurende eenigen tijd zijn schulden niet meer behoeft te voldoen, dit toch wel een onmogelijkheid zijn zal.

„Ik wijs in de eerste plaats op de vorderingen wegens gepraesteerden arbeid. Niemand zal toch willen dat de werklieden aan het eind der week niet meer zouden kunnen rekenen op de betaling van hun loon. Ik wijs verder op alles wat betreft de levensmiddelenindustrie. Stel eens dat het zóó ver ging, dat men zou bepalen, dat men niet verplicht was te betalen schulden, die gemaakt zijn in verband met de levensmiddelenindustrie of de levensmiddelendistributie. Ik behoef wel aan niemand te zeggen dat men de zaak daardoor niet beter zou maken. Wanneer fabrikanten wel verplicht zouden zijn om aan allerlei verplichtingen te voldoen wat werkloonen betreft, en wat betreft ook het betalen van grondstoffen—want zij zouden die grondstoffen niet anders dan tegen contant geld kunnen krijgen, zoodra er een moratorium was—maar wanneer zij uitstaande vorderingen hadden, die niet binnen zouden krijgen, iedereen voelt dat dan al heel spoedig het geheele economische leven vast zou loopen, veel erger dan op het oogenblik het geval is.

„Daarbij komt dat sommigen zich van het moratorium niet meer voorstellen dan alleen de opheffing van de verplichting om wisselschulden te betalen. Die opheffing van de verplichting om wisselschulden te betalen, wanneer het niet verder ging dan dit, zou natuurlijk niet zóó ernstige gevolgen hebben. Maar daar zouden andere ernstige gevolgen aan verbonden zijn, namelijk dit, dat men dan wel min of meer misschien den groothandel zou helpen en enkelen van den middenstand, maar dat de middenstand in het algemeen daarmede niet geholpen zou worden.

„Men moet in de zeer abnormale omstandigheden waaronder het economisch leven thans moet worden geleid, nu het kredietwezen gestoord is zonder dat iemand daar iets aan verhelpen kan, uiterst voorzichtig zijn die stoornis niet grooter te maken. Welnu, Mijnheer de Voorzitter, degenen in overleg met wie de Regeering thans bezig is te trachten aan de economische crisis het hoofd te bieden, ontraden, blijven ontraden met de meeste beslistheid het instellen van een moratorium.

„Hedenmorgen heb ik het volgende telegram ontvangen:

„Vergadering Bankconsortium bijgewoond door de Nederlandsche Bank is na rijp beraad van oordeel, dat moratorium een allerbedenkelijkste sprong in het duister zou zijn, waardoor de ongerustheid niet verminderd, doch vermeerderd zou worden. Bij de groote elasticiteit der Nederlandsche Bank, welke blijkens laatsten bankstaat nog over zeer voldoende middelen beschikt en de bevredigende werking van het Banksyndicaat, dat handel en industrie zooveel mogelijk gaande houdt en spaarbanken steunt en waaraan nog grooter publiciteit zal worden gegeven, adviseert zij ten sterkste tegen moratorium dat het geheele credietwezen zou ontwrichten en groote rampen speciaal voor Indië zou medebrengen, alsook den goeden naam van Nederland voor langen tijd onnoodig zou schokken. Uit die kringen welke thans op moratorium aandringen, ontving het bankiersconsortium geen noemenswaardige aanvragen. Eerst indien de toestanden nog veel ernstiger mochten worden, zou aan speciale wettelijke maatregelen gedacht moeten worden.”

Dat was de laatste maal, dat ik mij tegenover aandrang tot uitschrijving van een moratorium behoefde schrap te zetten. Ik beeld mij intusschen niet in, dat dit op rekening van mijn overredingskracht mag worden geschreven. De oorzaak daarvan ligt elders en dieper. De algemeene economische toestand zelf werd, zooals wij reeds zagen en in het volgende hoofdstuk nog nader zal uitkomen, spoedig daarna zooveel minder gespannen, dat het verlangen naar een moratorium daarin met den dag minder voedsel vond. De ontwikkeling van den toestand zette de kroon op het hoofd van hen, die het uitschrijven van een moratorium zoo positief hadden ontraden en wettigde daarmede tevens de afwerende houding der Regeering.

Intusschen meene men niet, dat er geen verandering in betalingsplicht was gekomen. In het algemeen gesproken en de feiten alleen toetsend aan de rechtsregelen, die er op van toepassing zijn, werd er daarin inderdaad niets gewijzigd, voordat de Uitwinningswet en de Beurswet in het Staatsblad kwamen. Maar toch waren er vóór die wettelijke veranderingen reeds feitelijke afwijkingen van den betalingsplicht gekomen, die als een gedeeltelijk moratorium waren op te vatten. De beursbezoekers waren daarmede begonnen, toen zij de sluiting der beurs doorzetten. Immers, daar aanzegging van prolongaties alleen op een beursdag kan geschieden, hadden de commissionnairs-geldnemers zich met die eigenmachtige daad tevens een uitstel van betaling bezorgd, dat zoolang de beurs niet geopend werd, zou duren. Door de Beurswet werd die daad van eigen richting, welke in de omstandigheden haar verontschuldiging en zelfs haar rechtvaardiging vond, in het begin van September wettelijk gesanctionneerd. Aan de Rijkspostspaarbank werd langs wettelijken weg een uitstel van betaling voor een maximalen termijn van zes maanden verzekerd. De bankiers decreteerden voor zichzelf een uitstel van betaling van deposito’s, voor zoover hunne cliënten niet konden bewijzen daaraan werkelijk behoefte te hebben, en dat wel na overleg en met medeweten van de Regeering. Bij de wet werd voorts voorzien in het geval, dat de Nederlandsche Bank uitstel van betaling voor haar circulatiepapier zou behoeven, een geval dat zich gelukkig niet heeft voorgedaan. Gedeeltelijke, deels wettelijke deels feitelijke, moratoria waren er dus wèl.

Maar de Regeering is daarbij niet blijven staan. Den 6den Augustus kon ik in de Tweede Kamer mededeeling doen van een circulaire, welke de Minister van Justitie op mijn aandrang dienzelfden dag had gericht tot de verschillende rechterlijke colleges, de ambtenaren van het Openbaar Ministerie en de notarissen, en waarvan ook exemplaren waren gezonden aan advocaten en deurwaarders. De hoofdinhoud daarvan bestond hierin dat de Minister van Justitie, met eerbiediging van de zelfstandigheid der rechterlijke macht, haar zoowel als het Openbaar Ministerie en de notarissen op het hart drukte, de tijdsomstandigheden in aanmerking te nemen en er toe bij te dragen „een gerechtelijke of buitengerechtelijke uitwinning van goederen of faillietverklaring voorshands te voorkomen, wanneer het niet-voldoen aan zijn verplichtingen door den debiteur alleen of hoofdzakelijk moet worden toegeschreven aan de buitengewone omstandigheden” en daarmede „voor zooveel in hun vermogen is, te voorkomen dat de economische toestand voor talrijke Nederlanders niet nog ongunstiger worde dan onvermijdelijk is.”

Die circulaire en haar bekendmaking in ruimen kring was vooral bedoeld als een geruststelling aan den middenstand. Het gevaar van faillietverklaring was daardoor, ook zonder moratorium, hoewel wettelijk niet verminderd, toch feitelijk zeer verkleind. Het is intusschen niet te verwonderen dat de Minister van Justitie met zulk een toestand, welke wettelijken grondslag miste, geen vrede kon hebben. Van daar dat door hem onverwijld werd gearbeid aan een wetsontwerp, dat den rechter wettelijke bevoegdheid zou geven tot uitstel van executie in alle gevallen, waarin hij de overtuiging bij zich droeg, dat de schuldenaar door de omstandigheden buiten staat was geraakt, aan zijn betalingsplicht te voldoen, alsmede dat een uitstel hem zou kunnen baten. Dat wetsontwerp kwam met het ontwerp-beurswet ter tafel in de vergadering van financiers, waarin ook het laatstgenoemd ontwerp werd behandeld. Het kwam daar eenigszins in verdrukking, doordien dit ontwerp bijna den ganschen beschikbaren tijd in beslag nam, maar toch bleek wel dat principieel bezwaar er niet tegen bestond. Ook in de beide Kamers der Staten-Generaal vond het geen principieele tegenkanting. Alleen ging het sommigen, met name den sociaal-democraten, niet ver genoeg.

Zoo kwam de Uitwinningswet tot stand, die op denzelfden dag als de Beurswet, namelijk op 4 September 1914, werd afgekondigd. Volgens die wet kreeg de rechter, indien hij de overtuiging had dat de schuldenaar door de omstandigheden tijdelijk niet in staat was te betalen, niet alleen de bevoegdheid dezen ten hoogste zes maanden uitstel te verleenen, maar werd bovendien wettelijk vastgesteld, dat met zulk een rechterlijk uitstel ook de contractueele nadeelige gevolgen van niet-betaling op tijd—men denke aan het niet tijdig betalen van verzekeringspremies, van huurpenningen enz.—zoolang het verleende uitstel niet was verstreken, zouden worden opgeschort en dat deze geheel zouden vervallen, indien binnen den verleenden termijn door den debiteur alsnog betaald werd.

Deze wet heeft vooral een preventieve werking gehad en sloot zich te dien aanzien geheel aan bij de circulaire van den Minister van Justitie van 6 Augustus. Zij gaf daaraan niet alleen wettelijke wijding, maar zij regelde tevens het juridisch gevolg van het uitstel van executie, dat de rechter wegens de bijzondere tijdsomstandigheden kon verleenen. Op verbintenissen aangegaan nà 29 Juli 1914 en op hetgeen geregeld werd bij de Beurswet is de Uitwinningswet niet van toepassing. Bij de eerstbedoelde verbintenissen valt het motief van deze wettelijke afwijking van het gemeene recht weg, bij de laatste was de Uitwinningswet overbodig en zou zij slechts aanleiding hebben kunnen geven tot verwarring, voor zoover zij als algemeene regeling met de speciale regelen door of krachtens de Beurswet gesteld, niet zou strooken.

Zóó is door geruststelling te brengen en nadeelige gevolgen van uitstel van betaling, ingeval daartoe aanleiding bestond, weg te nemen, het eerste en heftigste stadium van de crisis doorstaan zonder een algemeene opschorting van betalingsplicht, die in stede van rust te geven, nieuwen angst zou hebben gewekt en nieuwe verwikkelingen zou hebben gebracht. Meer nog intusschen dan door deze maatregelen is aan de crisis, toen haar golven hun hoogtepunt bereikten, het hoofd geboden door hetgeen gedaan werd om aan de debiteuren het voldoen aan hun betalingsplicht mogelijk te maken. Allen die daartoe hebben bijgedragen, de Nederlandsche Bank, de Vereeniging voor den Geldhandel en weldra ook de spaarbanken en middenstandscredietbanken, alsmede de steuncomités voor zooveel huurschulden betreft, hebben groote reden tot voldoening over hetgeen door hunne werkzaamheid in overleg en in samenwerking met de Regeering werd bereikt. Noch het aantal faillissementen, noch het aantal uitzettingen wegens huurschuld, noch het aantal andere executies steeg boven het normale cijfer. Ieder voor zijn aandeel heeft reden daarop trots te zijn. En zelfs onder hen, die in Augustus 1914 het sterkst aandrongen op de afkondiging van een moratorium, is er wel niemand, die niet dankbaar er op terugziet, dat aan zijn aandrang werd weerstand geboden.


HOOFDSTUK V.
HET OP GANG HOUDEN DER BEDRIJVEN.

§ 1. Nijverheid; kolenvoorziening.

Welk een krachtsinspanning er noodig is geweest om in Augustus 1914 het bedrijfsleven weer in het spoor en op gang te brengen, kan men zich het best voorstellen door zich te bedenken, hoeveel meer er toe noodig is, een trein, die ontspoord is, weer op de rails te brengen en aan het rollen te krijgen, dan om hem te doen voortloopen, als hij, zonder stoornissen te ontmoeten, langs zijn baan rolt. De economische spoortrein was bij het uitbreken van den oorlog dusdanig gederailleerd en had zich zoo diep in het zand gewoeld, dat de krachten van de Regeering alleen bij lange na niet voldoende zouden zijn geweest, om hem weer op gang te brengen. Het was niet slechts een enkele wagen, die gelicht moest worden; een gansche trein lag door elkaar, en overal tegelijk moest men de schouders er onder zetten, wilde men hem weer op dreef brengen. Gelukkig bleef de Regeering niet van hulp verstoken. De financiers waren het eerst paraat. Hun voormannen waren reeds bij de hand, toen men er zich nog nauwlijks rekenschap van had kunnen geven, dat er een ontsporing had plaats gehad. Naast de maatregelen op financieel gebied, welke ik in het vorig hoofdstuk behandelde en die veel tijd van bespreking en voorbereiding vorderden, was er, zooals vooral in het tweede hoofdstuk uitkwam, in de eerste dagen van Augustus nog zooveel meer te doen, dat alvorens het Kon. Nat. Steuncomité was tot stand gekomen, de Regeering geen tijd had gehad, om ernstig na te gaan, hoe de ontspoorde economische trein, behalve door de maatregelen tot regeling van het geld- en credietwezen, weer kon worden gelicht en op de rails gezet. Maar met den 10den Augustus 1914 veranderde dit. De financieele reddingsbrigade was op dien dag reeds in volle werking, en toen ook eerste mannen uit de kringen van handel, nijverheid en landbouw zich voor georganiseerde hulpverleening beschikbaar stelden, was men den toestand spoedig meester.

In de avondvergadering van de uitvoerende commissie van het Kon. Nat. Steuncomité, welke op den dag der installatie van dat comité werd gehouden, toen in klein gezelschap dieper werd ingegaan op hetgeen gedaan moest worden, was men het er spoedig over eens, dat het in gang houden van nijverheid en land- en tuinbouw, en wel speciaal van de voortbrenging van levensmiddelen, tot het eerst noodige behoorde. Daartoe moesten vóór alles pogingen worden aangewend om het binnenlandsch goederenverkeer, dat door de eischen, die de mobilisatie en de troepenconcentratie aan de spoorwegen stelden, grootendeels was stopgezet, zoo spoedig mogelijk weer vlot te krijgen, voor zoover dit in verband met de belangen der landsverdediging mogelijk zou zijn.

Voor dit bij uitstek moeilijk onderdeel van de taak, die het Kon. Nat. Steuncomité zich stelde, werd een afzonderlijke commissie gevormd, waarin werden opgenomen: vertegenwoordigers van den Tuinbouwraad, het Landbouwcomité en de Maatschappij van Nijverheid, met den Directeur-Generaal van Landbouw en den chef der afdeeling Handel van het Departement van Landbouw, Nijverheid en Handel; voorts werd besloten de heeren A. G. Kröller, Jhr. H. Loudon, Dr. A. Plate en Dr. F. G. Waller uit te noodigen in die commissie deel te nemen. Zij koos den heer Plate tot haar voorzitter. In de notulen der vergadering werd haar taak aldus omschreven:

„De taak der Commissie zal vooral omvatten:

1e. het voorkomen, dat voedingsmiddelen, die op het oogenblik geen of geen voldoende markt vinden, bederven en verloren gaan;

2e. de fabriekmatige productie en conserveering van levensmiddelen gaande te houden;

3e. de regelmatige en doelmatige distributie van voedingsmiddelen te verzekeren.

„Hiertoe zal, in samenwerking met de daarmede alreeds belaste Afdeelingen van het Departement van Landbouw vooral aandacht gewijd worden aan de distributie van noodzakelijke grondstoffen en hulpmiddelen, als steenkolen, die in de eerste plaats ten goede moeten komen aan de productie en distributie van voedingsmiddelen.

„Ten slotte zal deze Commissie met de Regeering samenwerken in hare pogingen tot beperking van verdere uitbreiding der werkeloosheid. Met het oog op het laatste wordt alreeds in beginsel besloten, dat men zich dadelijk zal wenden tot de plaatselijke steuncommissies en de organisaties op het gebied van den arbeid, met het verzoek het Comité te willen inlichten, ingeval eenige industrie dreigt te worden stopgezet, onder mededeeling van de redenen hiervan en van eventueele middelen om zulks te voorkomen.

„De Afdeeling Arbeid zal zich ten deze wenden tot de fabrieken zelve, aangezien dit meer op haar weg ligt. Overigens zullen de Afdeelingen van het Departement ten deze in alles met het Comité samenwerken, en worden hier de noodige gegevens en cijfers verzameld, die men voor de beoordeeling van den toestand noodig heeft.”

Wat gedaan werd op het gebied der distributie van voedingsmiddelen en ter beperking der werkloosheid werd reeds in vorige hoofdstukken besproken. Hetgeen door de commissie uit het steuncomité en van regeeringswege geschiedde om de nijverheid weer op de been te helpen en het vervoer meer normaal te doen worden, droeg natuurlijk indirect krachtig bij tot de inperking der werkloosheid.

In de eerste plaats vroeg het vervoerwezen de aandacht. De nijverheid ondervond van de desorganisatie daarvan, als gevolg der militaire maatregelen, groote belemmeringen. In verschillende nijverheidscentra, waarheen de fabrieksbevolking gewend is ’s morgens per trein te gaan, om ’s avonds op dezelfde wijze naar huis terug te keeren, was het voor de arbeiders zelfs nauwlijks mogelijk naar de fabriek te komen. Het vervoer van vrachtgoederen per spoor was zoo goed als uitgesloten. Zelfs het verkeer te water was grootendeels gestremd. De schippers waren bevangen door schrik en vreesden gevaar ook op de meest veilige vaarten en kanalen; op sommige kanalen was de vaart gestremd door maatregelen ter voorbereiding van de eventueel te stellen militaire inundatie; stoombootdiensten lagen stil door kolennood.

Er was dus heel wat te doen. Bij de militaire autoriteiten werd een gewillig oor gevonden om de grootste misstanden zoo spoedig mogelijk weg te nemen. Het spoorwegverkeer verbeterde in de tweede helft van Augustus 1914 zienderoogen en in de volgende maanden naderde het geleidelijk meer tot den normalen toestand. Met de schippersvereenigingen werd overleg gepleegd om deze te wijzen op de wenschelijkheid hun leden te doordringen van het ongegronde van hun vrees. De paniekstemming onder de schippers ging gelukkig spoedig voorbij. De afsluiting van kanalen voor de militaire inundatie werd tot het strikt noodzakelijke beperkt. Het verkeer te water werd door een en ander spoedig weer zoo goed als normaal.

Toch bleef voor de schipperij de toestand in de eerste maanden van de oorlogscrisis vrij droevig. Het plotseling stilliggen van den doorvoerhandel naar Duitschland bracht de Rijnvaart grootendeels tot stilstand. Hierin kon zoolang de oorlog duurde geen verbetering komen. Noch de Regeering noch het steuncomité waren bij machte daaraan iets te verhelpen. Die stilstand in de Rijnvaart, gepaard aan de algemeene terughouding van nijverheid en landbouw, als onvermijdelijk gevolg van de onzekerheid der toekomst, werkte op de geheele binnenschipperij terug. In het najaar kwam wel meer vertier door het vervoer van aardappelen en bieten naar de aardappelmeel- en de suikerfabrieken, maar geheel kon dit de schipperij toch niet aan werk helpen. De binnenvaart herstelde zich over het algemeen eerst in den loop van 1915. Verscheiden schippers verhuurden in den slappen tijd hun schip aan het Rijksgraanbureau als opslagplaats van regeeringsgraan.

Evenals de Rijnvaart bleef het havenbedrijf te Rotterdam sterk onder den invloed van den toestand, zonder dat het ook hier mogelijk was verbetering aan te brengen. In alle havens was na het uitbreken van den oorlog een oogenblik van stilstand. Maar over het algemeen herstelde zich de toestand spoediger dan men had durven verwachten. In de Amsterdamsche haven werd het bedrijf, hoewel met schommelingen, in den loop van 1915 zelfs haast weer normaal. Dit is hieraan toe te schrijven, dat Amsterdam een betrekkelijk groot aantal vaste lijnen heeft en dat de handel daar voornamelijk eigen handel is van de Amsterdamsche kooplieden. De doorvoerhandel naar en van Duitschland bekleedt er een minder belangrijke plaats. Een gevolg van de ligging van de Amsterdamsche haven. In Rotterdam daarentegen deden de gevolgen van den oorlog zich bij voortduring sterk gevoelen. De Rotterdamsche haven is vóór alles doorvoerhaven voor het verkeer naar en van Duitschland en wordt in normale tijden zeer veel door schepen van vreemde nationaliteit aangedaan. Met het stilliggen van dien doorvoer, ontzonk aan de Rotterdamsche haven het hoofdbestanddeel van haar voeding. Het verkeer werd in deze haven dientengevolge tot omstreeks een derde van den normalen omzet teruggebracht en het is niet aan te nemen, dat daarin, zoolang de oorlog duurt, merkbare verbetering zal kunnen komen.

Sprekende over het goederenverkeer, heb ik hetgeen in het algemeen over de binnenschipperij en het havenbedrijf is te zeggen,—twee takken van bedrijf, welke men in ons land niet licht mag tellen,—met een enkel woord hier behandeld, opdat ik daarop later niet behoef terug te komen. Er was evenwel ter verhelping van den stilstand in het bedrijfsleven in Augustus heel wat meer noodig dan alleen het weder op gang brengen van het binnenlandsch vervoer. Er dreigde een economisch gevaar, dat voor alle takken van bedrijf en ook voor het vervoer zelf noodlottig had kunnen worden, namelijk kolennood. Men moet de vrees daarvoor hebben medegemaakt, om te weten wat dit beteekende.

De Limburgsche kolenmijnen zijn in de latere jaren wel sterk uitgebreid en met name de staatsmijnen kunnen op een verblijdend toenemende productie wijzen, maar toch voorziet de Limburgsche mijnindustrie in haar tegenwoordig stadium van ontwikkeling in nog niet een derde gedeelte van de Nederlandsche behoefte; bovendien zijn de Limburgsche kolen niet voor alle industrieën geschikt. De constructie der ovens bepaalt in hooge mate de soort van steenkool, die verstookt worden kan. Waar men nu geheel in het onzekere verkeerde, hoe het met den aanvoer van kolen van Duitsche en van Engelsche zijde zou gaan, stond men hier, zelfs als men de huisbrandkolen voorloopig op den achtergrond stelde, wat met het oog op den tijd van het jaar kon geschieden, voor een vraagstuk van de allergrootste beteekenis. Mij benauwde het zoozeer, dat ik mij in den eersten tijd elken dag geregeld op de hoogte liet houden van den kolenaanvoer van buiten en herhaaldelijk in den Ministerraad mededeeling deed van het aantal tonnen buitenlandsche kolen dat binnengekomen was. Nederland is in normale omstandigheden bijna voor twee derden van zijn kolenbehoefte op Duitschland en België aangewezen, Engeland levert ongeveer 10 procent.

Het gevaar dat hier dreigde, moest aanstonds onder de oogen worden gezien. Toen het mogelijk bleek enkele der uitvoerverboden vooral van land- en tuinbouwproducten, die in het begin van Augustus voorzichtigheidshalve waren uitgevaardigd, weer in te trekken, gaf dit aanstonds verlichting. Wij konden geen kolen van elders krijgen, indien wij niet van de producten, waarvan ons land meer voortbrengt dan voor de eigen behoefte noodig is, een deel over de grens lieten gaan. Het weder openzetten van de grens, behoudens de noodige beperkingen, geschiedde echter niet in de eerste plaats met het oog op het kolenvraagstuk. Geheel afgescheiden daarvan zou het onmogelijk zijn geweest, ons binnen ons eigen gebied economisch op te sluiten; zulk een politiek zou nog heel wat meer schade hebben berokkend dan de oorlogstoestand zelf. Daarbij zou hetgeen hier niet noodig en hier niet verkoopbaar was, waardeloos zijn geworden, terwijl het in den vreemde goed kon worden verkocht en de aldus verkregen vorderingen op het buitenland, in kolen en andere hulp- en grondstoffen voor nijverheid en landbouw konden worden afbetaald.

Maar al geschiedde de opheffing van verschillende uitvoerverboden, welke omstreeks half Augustus plaats had, niet met het oog op het kolenvraagstuk; het had daarop een aanstonds voelbare gunstige werking. Spoedig kwamen weer geregeld kolenladingen, zoowel van Duitschland als van Engeland binnen. Toch bleef men wat het kolenvraagstuk betreft, op een smeulende vulkaan zitten. De aanvoer uit Engeland werd spoedig onzeker wegens het toenemende gebrek aan scheepsruimte en de gevaren van de zeevaart en bovendien gebruikten beide oorlogvoerende landen, ook al werd het niet met zooveel woorden uitgesproken, onze kolenbehoefte als achtergrond bij het stellen van meer of minder ver gaande economische eischen, waaraan niet altijd kon worden voldaan. Vooral Duitschland, dat op het stuk der kolenvoorziening, zooals uit de zooeven medegedeelde cijfers blijkt, den grootsten druk kan uitoefenen, trachtte het daarheen te leiden, dat er tusschen de beide regeeringen een ruilpolitiek op meer of minder vast accoord zou worden gedreven. Onze Regeering, inzonderheid de Minister van Buitenlandsche Zaken heeft van zulk een vaste ruilpolitiek evenwel niet willen weten. Volkomen terecht. Het volgen daarvan zou ons zeker in moeilijkheden hebben gebracht. Dit neemt intusschen niet weg, dat feitelijk met onze behoefte aan Duitsche grond- en hulpstoffen, en wel in de eerste plaats aan Duitsche kolen, werd rekening gehouden. Dit kon niet anders en het zou struisvogelpolitiek zijn geweest, de noodzakelijkheid daarvan te ontkennen. Ruilaccoorden behoefden echter niet te worden aangegaan en werden niet gesloten. Duitschland had niet minder behoefte aan verschillende producten van den Nederlandschen land- en tuinbouw dan wij aan Duitsche kolen. Zijn eigen belang bracht dus mede ten aanzien van zijn kolen niet al te vasthoudend te zijn, anders zou het nog meer in goud hebben moeten betalen en zou de markenkoers nog meer zijn gedrukt. Wat het kolenvraagstuk aangaat, zijn wij in het internationaal verkeer wel niet sterk, maar geheel machteloos waren wij ook daarbij in den oorlogstijd gelukkig niet.

Uit het voorgaande blijkt wel, hoe noodig het was, dat men zich van dag tot dag op de hoogte hield van de kolenvoorziening. Toen bleek dat, al behoefde niet voor absoluut gebrek te worden gevreesd, toch niet gerekend kon worden op meer dan ongeveer twee derden van den normalen aanvoer van elders, kon men de kolenvoorziening niet eenvoudig haar gang laten gaan. Het gevolg daarvan zou geweest zijn, dat sommige fabrieken voldoende voorraden zouden ontvangen, andere wegens kolengebrek zouden moeten stopzetten, en dat er groote speculatie in steenkool zou ontstaan, waardoor de prijzen, die toch reeds rijzen moesten, nog heel wat meer dan noodig zou zijn ter goedmaking van verhoogde productie-, aanschaffings- en vervoerkosten, in de hoogte zouden worden gejaagd en dat van een en ander de zwakkere bedrijven, de zoogenaamde marginale ondernemingen, die zonder te groote verhooging van kosten nog juist meekonden, zouden te gronde gaan.

Onder deze omstandigheden moest niet alleen gezorgd worden voor kolenaanvoer, maar ook voor een zooveel mogelijk gelijkmatige verdeeling van hetgeen aangevoerd werd. De zooeven bedoelde commissie uit het Kon. Nat. Steuncomité hield zich evenals de Minister van Landbouw met de zaak voortdurend bezig. Om haar tot een bevredigende oplossing te brengen bleek het gewenscht, een regeling te treffen, waarbij de geheele nijverheid invloed kon doen gelden op de behartiging harer belangen bij het kolenvraagstuk. Deze kwestie is dan ook de naaste aanleiding geweest, dat de commissie voor de economische belangen uit het Kon. Nat. Steuncomité, in overleg met het Departement van Landbouw, Nijverheid en Handel, werd gesplitst in de Commissie voor de voeding van mensch en dier, waarover in hoofdstuk II werd gesproken, en de Nijverheidscommissie. De installatie van deze laatste commissie had plaats door den Minister van Landbouw, als tweeden algemeenen voorzitter van het Kon. Nat. Steuncomité op 5 Januari 1915, daags na de installatie van de Commissie voor de voeding van mensch en dier.

De Nijverheidscommissie werd gesteld onder voorzitterschap van Prof. Is. P. de Vooys, als voorzitter van de uitvoerende commissie van het Kon. Nat. Steuncomité. Daarin werden als leden opgenomen de heeren, die zitting hadden gehad in de commissie ter behartiging van de economische belangen van nijverheid en landbouw, welke op 10 Augustus 1914 was gevormd, voorts werd zij samengesteld uit de voorzitters van de verschillende algemeene vereenigingen en bonden op industrieel gebied en werden daarin nog bovendien als leden opgenomen Prof. Dr. S. Hoogewerff, Dr. D. W. IJssel de Schepper, Directeur van de Kaarsenfabriek te Gouda en de heeren Mr. Dr. W. F. J. Frowein, Directeur van de Staatsmijnen in Heerlen en Mr. A. Haex, secretaris van de Commissie voor den afzet van Limburgsche kolen. De chef van de afdeeling Handel van het Departement van Landbouw werd adviseerend lid van de commissie; als algemeen secretaris trad op de Directeur-Generaal van den Arbeid, algemeen secretaris van het Kon. Nat. Steuncomité. Uit de groote commissie werd een bureau samengesteld, dat geregeld tweemaal per week vergaderde.

In zijn installatie-rede van de Nijverheidscommissie zeide de heer Posthuma:

„De Commissie kan, zooals zij thans is samengesteld, geacht worden een veelomvattend geheel te zijn van deskundigen achter wie daarenboven nog de door hen vertegenwoordigde organisaties staan. Zij vormt dus de vertegenwoordiging van de georganiseerde industrieele bedrijven. Mocht later blijken, dat het wenschelijk is aan de Commissie alsnog vertegenwoordigers van andere bedrijven toe te voegen, dan zal dit alsnog geschieden.

„Het ligt in de bedoeling de Commissie in haar geheel slechts samen te roepen voor zaken die de geheele industrie betreffen en voor bijzondere aangelegenheden telkens overleg te plegen met die leden der Commissie, die op een bepaald gebied deskundig zijn.

„Ten einde een goed verband te houden met de commissie van uitvoering van het Kon. Nat. Steuncomité was het wenschelijk leden van die Commissie, namelijk de Voorzitter en het lid, dat de Maatschappij van Nijverheid vertegenwoordigt, in de gereorganiseerde subcommissie op te nemen”.

Terloops zij opgemerkt, dat zoowel de Commissie voor de voeding van mensch en dier als de Nijverheidscommissie feitelijk door den loop der omstandigheden weldra zoo los kwamen te staan van de Commissie van uitvoering van het Kon. Nat. Steuncomité, dat deze elke verantwoordelijkheid voor de handelingen van die in werkelijkheid van haar onafhankelijk geworden subcommissies van zich afwierp. Dit was juist; de band tusschen die drie commissies ligt zoo goed als alleen in haar oorsprong; overigens ging elk haar eigen weg.

Omtrent de wijze van werken zeide de Minister van Landbouw nog, dat het in het voornemen der Regeering lag voortdurend overleg te plegen met het bureau der Nijverheidscommissie. „Dit bureau zal den leden der Commissie kenbaar maken, wanneer het vergadert, zoodat op die tijden bezoeken en telefonische aanvragen kunnen worden afgewacht. Het ligt in de bedoeling het hierboven genoemd overleg, inzake kwesties voor bepaalde industrieën, te plegen tijdens de vergaderingen van het bureau.

„Op deze wijze hoopt de Regeering op de eenvoudigste en vlugste wijze, door bemiddeling van het Kon. Nat. Steuncomité, van de meest deskundigen in den lande raad te ontvangen voor het oplossen van moeilijkheden, die in de eene of andere industrie dreigen.”

Reeds in de eerste vergadering der Nijverheidscommissie liepen de beraadslagingen hoofdzakelijk over het vraagstuk der kolenvoorziening. Daar zich hieromtrent groot verschil van gevoelen openbaarde, werd op 13 Januari 1915 een tweede vergadering dier commissie bijeengeroepen, waarin het vraagstuk door de vertegenwoordigers der bij uitstek belanghebbende takken van nijverheid nog eens van alle kanten werd bekeken. Als resultaat van die beraadslaging werd een Kolencommissie ingesteld, welke, behalve uit het bureau der Nijverheidscommissie, bestond uit een aantal vertegenwoordigers van groote afnemers van steenkolen, van de Limburgsche mijnindustrie en van den steenkolenhandel. De taak der Kolencommissie zou bestaan in de leiding der distributie. Uit deze uitgebreide commissie werd op 26 Februari 1916 een Kolenbureau gevormd, bestaande uit Prof. Is. P. de Vooys, Voorzitter van de Nijverheidscommissie, als voorzitter en als leden de heeren D. G. van Beuningen en F. H. Fentener van Vlissingen, Directeuren van de Steenkolenhandelsvereeniging, W. van der Vorm, Directeur van de Scheepvaart- en Steenkolen Maatschappij, Mr. Dr. W. F. J. Frowein, Directeur der Staatsmijnen, W. Schweitser, Directeur van de mijn Laura en Vereeniging (tevens vertegenwoordigende de mijnondernemingen Willem-Sophia en de Domaniale mijnen) en D. W. Stork en Dr. F. G. Waller als groote kolenverbruikers. Wegens het groote belang der zaak werd ook het Kolenbureau in een vergadering van de grootere Kolencommissie door den Minister van Landbouw, Nijverheid en Handel ingeleid. Nadat de heer Posthuma met een enkel woord had in herinnering gebracht, welke moeilijkheden ten aanzien van de kolenvoorziening door den oorlog waren ontstaan, vervolgde hij aldus:

„Waar het Kon. Nat. Steuncomité zich vóór alles tot taak gesteld heeft, werkloosheid waar eenigszins mogelijk te voorkomen, mocht het geen afwachtende houding aannemen, en moest het middelen beramen om een goede distributie der beschikbaar komende kolen te waarborgen.

„Door een dergelijk vooruitziend optreden kon nog een ander gevolg van kolenschaarschte worden voorkomen, nam. het opdrijven der kolenprijzen, doordat van alle zijden een sterke aanvraag de markt omhoog zou jagen.

„Het eenige middel om dat doel te bereiken, lag in het centraliseeren der kolenaflevering. Uitsluitend daardoor was een verdeeling te ontwerpen, gegrond op een berekening van wat beschikbaar was en van wat aan alle afnemers kon worden toegekend. De Kolencommissie is zoo gelukkig geweest de grootste leveranciers van steenkolen, die over aanzienlijke hoeveelheden kunnen beschikken, bereid te vinden om voor het gestelde doel samen te werken, en tevens om ook hunnerzijds het opdrijven der kolenprijzen boven redelijke grenzen tegen te gaan. Bovendien hebben zij een volledig toezicht van het Kon. Nat. Steuncomité aanvaard.

„Deze oplossing is op dit oogenblik de beste, die aan het kolenvraagstuk gegeven kan worden, daar met volledige instandhouding van den kolenhandel en zijn gebruiken een taak verricht zal kunnen worden, die wellicht anders de Regeering noodgedrongen zou hebben moeten ter hand nemen. Na de eerste vraag: waarom is de oprichting van het Kolenbureau noodig?, rees bij verschillenden een tweede vraag: Worden de belangen der kolenafnemers door het Kolenbureau wel voldoende behartigd? Zij, die deze vraag stellen, mogen geen oogenblik de bijzondere tijdsomstandigheden vergeten, ook al hebben zij die in den laatsten tijd bij het afnemen van kolen niet bemerkt. Zij zullen nimmer het voordeel eener behoorlijke regeling en verdeeling der beschikbare kolen kunnen ontkennen, doch meenen een grooter nadeel aanwezig in het ontstaan van een monopolie, waaraan zij zich zouden moeten onderwerpen.

„Niet te ontkennen valt, dat het Kolenbureau beschikt over verreweg het grootste deel der beschikbaar komende steenkolen, doch ware dit niet het geval, zoo zou het zijn gestelde taak niet kunnen verrichten.

„Zoo weinig beoogt echter het Kolenbureau een monopolie, dat elke poging om langs anderen weg kolen in ons land beschikbaar te stellen, niet alleen niet tegengewerkt, maar met vreugde zal worden begroet.

„Waar het echter voor de afnemers voornamelijk op aankomt, is de hoeveelheid der kolensoorten, die aangeboden wordt, en de prijs dien zij daarvoor zullen moeten betalen. Het Kolenbureau zal daaromtrent binnenkort een offerte doen toekomen. Zelf contracteert het bureau niet. De contracten worden afgesloten met de gewone leveranciers, en volgens de bestaande gebruiken. Het bureau zorgt uitsluitend voor eene billijke verdeeling over alle aanvragers op den grondslag van voor allen gelijke prijzen, die aan het bureau redelijk zullen voorkomen.

„De gang van zaken met deze offerten zal nu de volgende zijn. Zij worden allereerst opgemaakt en nagezien door het Kolenbureau, waarin twee gedelegeerden der kolenverbruikers zitting hebben. Nadat deze offerten zijn verzonden, kan ieder aan het secretariaat van het Kolenbureau nadere inlichtingen inwinnen en wijzigingen bepleiten. Levert dit voor hem geen bevredigend resultaat op, dan kan hij op een der wekelijksche zittingen van het Kolenbureau zijn bezwaren uiteenzetten en herziening der offerte vragen. Op die zittingen van het Kolenbureau heeft elk lid der Kolencommissie steeds toegang, om naast de gedelegeerden in het Kolenbureau de belangen der kolenafnemers te behartigen.

„Wanneer ook dan geen bevredigende schikking wordt getroffen, bestaat er gelegenheid de arbitrage der Kolencommissie in te roepen. Waar deze regeling door het Kolenbureau is aanvaard, mag toch gerust gezegd worden, dat de waarborgen tegen de gevreesde nadeelen van een monopolie voldoende aanwezig zijn. Het Kolenbureau roept dan ook de hulp in van alle kolenverbruikers in de nijverheid en het verkeerswezen om deze poging tot oplossing van het kolenvraagstuk te doen slagen, en te voorkomen, dat door onrust en wantrouwen in de kolenvoorziening van ons land groote moeilijkheden zullen ontstaan”.

De Kolencommissie wees den heer van Hasselt, Voorzitter van de Maatschappij van Nijverheid aan, om eventueele klachten te onderzoeken en daarop te beslissen.

Bij het lezen van de rede van den tweeden algemeenen voorzitter van het Kon. Nat. Steuncomité, waarvan ik het meest belangrijke gedeelte hier overnam, moet het aan ieder opvallen, dat zij afwijkt van een gewone installatierede. Zij is grootendeels een pleitrede, waaraan ook een polemisch tintje niet ontbreekt. Daarvoor was aanleiding. Er had zich in de pers een levendige gedachtenwisseling over de kolenkwestie ontwikkeld, waarbij vooral de kleinere onafhankelijke kolenimporteurs zich bevreesd hadden getoond voor het openen van hun relaties aan hun machtige concurrenten, die in het Kolenbureau vertegenwoordigd waren, vooral aan de Steenkolenhandelsvereeniging. Daarbij kwam, dat enkele gelegenheidsimporteurs, die zich ook op het artikel kolen geworpen hadden, vreesden dat hun de pas zou worden afgesneden tot voortzetting van hun bedrijf. Uit deze kringen kwam de kreet dat er een gevaarlijk monopolie zou worden gesticht. Een vurig aanhanger van den vrijhandel onder alle omstandigheden als den heer Plate klonk deze kreet als krijgsgeschal in de ooren; hij stelde zich aan de zijde der zich bedreigd achtende kleinere importeurs en bond den strijd aan tegen de centralisatie van de kolendistributie. Daarbij kreeg hij den steun van niemand minder dan Mr. Zimmerman, den Rotterdamschen burgemeester. Bovendien had ook de Directie van de mijn Oranje-Nassau, de grootste der particuliere Limburgsche mijnen, zich bij de kolencentrale niet willen aansluiten. Door een en ander was stemming gemaakt tegen het Kolenbureau. Daartegenover bepleitte de Minister van Landbouw op goede gronden, niet dat een gecentraliseerde kolendistributie niet ook schaduwzijden heeft, maar wèl dat onder de bijzondere omstandigheden, welke de oorlog had te weeg gebracht, over die bezwaren moest worden heengestapt, en dat, waar het gelukt was een distributiebureau samen te stellen, dat de grootste waarborgen van onpartijdigheid gaf, ’s lands belang medebracht, dat de kolenhandel en de kolenverbruikers zoo algemeen mogelijk van de tusschenkomst van dit bureau zouden gebruik maken.

Intusschen kan niet worden ontkend, dat het lidmaatschap van vertegenwoordigers van de twee groote kolenimporteurs, de Steenkolenhandelsvereeniging wat den invoer van Duitsche kolen betreft en de Scheepvaart- en Steenkolen-Maatschappij voor dien van Engelsche kolen, voor de kleinere importeurs een bedenkelijken kant had en dat daardoor tevens den schijn van partijdigheid naar buiten werd gewekt. Ik ben overtuigd, dat bij de wijze van werken van het Kolenbureau van partijdigheid in werkelijkheid geen sprake is geweest, maar het is bij zulke zaken gewenscht ook den schijn van het kwade te vermijden. Dat was hier evenwel niet goed mogelijk, daar voor de goede werking van het Kolenbureau de medewerking van de grootste importeurs onmisbaar was. Zij hebben die op volkomen loyale en alleszins te waardeeren wijze verleend.

Het Kolenbureau kon zich niet uitsluitend bepalen tot de distributie van de steenkolen, die ter beschikking gekomen waren; het moest herhaaldelijk ook zijn tusschenkomst verleenen om den aanvoer van buitenlandsche steenkool, als daarin stagnatie dreigde te komen of de hoeveelheden sterk verminderden, te bevorderen. Daartoe moest nu eens met de Duitsche dan weer met de Engelsche mijnbesturen worden onderhandeld, en daar deze niets mochten doen zonder ruggespraak met hunne regeeringen, is het duidelijk dat dit onderdeel van de taak van het bureau niet het gemakkelijkste was. Het enkele feit, dat men hier van beide zijden kolen noodig had, wekte telkens wantrouwen, en er waren heel wat overleggingen en waarborgen noodig, om dat wantrouwen weg te nemen. Over het algemeen mocht het Kolenbureau de voldoening smaken dat haar dit gelukte, al ging het niet steeds even vlot en spoedig.

Toen het Kolenbureau eenige maanden gewerkt had, de schommelingen in de aanvoeren had gezien en zich de mogelijkheid niet kon ontveinzen, dat er zich omstandigheden zouden voordoen, waaronder de aanvoer van steenkool uit het buitenland tijdelijk ernstig zou kunnen worden verstoord, nam zij het initiatief tot het oprichten van een Onderlinge Kolenreserve-Maatschappij. Dit denkbeeld vond hier veel bijval en kreeg dan ook een begin van uitvoering. Het bleek intusschen spoedig dat het wantrouwen wekte in de landen van waar kolen hierheen gezonden moesten worden. Het is wel eenigszins begrijpelijk, dat men in de kolenexporteerende landen, die zelf door den oorlog allerlei moeilijkheden in hun mijnindustrie ondervonden, niet veel lust had, ons niet alleen te helpen aan bevrediging onzer rechtstreeksche behoefte, maar ons ook nog in staat te stellen een appeltje voor den dorst achter te houden. Onder die omstandigheden was te vreezen, dat verder doorzetten van het plan, den geregelden aanvoer zou kunnen in gevaar brengen en dus juist den toestand zou kunnen verhaasten, waartegen men zich wilde wapenen. Het plan werd daarom niet verder uitgevoerd en de zaken van de Kolenreserve-Maatschappij werden na eenige maanden geliquideerd. Men kan ook te veel willen voorzien.

In de Achtste Nota betreffende den Economischen Toestand, die in Maart 1916 door den Minister van Landbouw aan de Tweede Kamer werd aangeboden, werd van de werking van het Kolenbureau gezegd:

„Het Kolenbureau beantwoordde ten volle aan de verwachtingen. Geen enkel bedrijf heeft in het afgeloopen jaar ten gevolge van behoefte aan kolen ook slechts één oogenblik moeten stilstaan. Ook over de voorziening van huishoudkolen viel niet te klagen. Daarbij kwam, dat, de tijdsomstandigheden in acht genomen, deze voorziening geschied is tegen zeer redelijke prijzen”. Deze officieele lof was volkomen verdiend. Toch heeft het Kolenbureau niet algemeen de waardeering gevonden, waarop het aanspraak maken mocht. Ook heeft het den invloed van den kwaden schijn in zijn samenstelling, dien ik boven aanstipte, niet geheel kunnen overwinnen. Het resultaat daarvan is geweest, dat het er met 1 April 1916 het bijltje bij heeft neergelegd. Zijn taak werd overgenomen, door een Rijkskolenbureau onder leiding van den president-directeur der Staatsmijnen, Mr. Dr. Frowein. Dat Rijksbureau wordt bijgestaan door een commissie van advies voor de kolenindustrie.

De Nijverheidscommissie, in wier samenstelling ook eenige verandering kwam, heeft nog andere werkzaamheden te vervullen gehad; echter waren er daaronder niet van zoo algemeene beteekenis als de kolenvoorziening. Haar andere bemoeiingen waren van meer specialen aard en betroffen telkens de zorg voor de beschikbaarheid van voldoende grond- of hulpstoffen voor bepaalde takken van nijverheid, zooals bijv. van aniline voor de textielindustrie. Zij heeft daarbij steeds gewerkt in gemeen overleg met de Regeering en de taak van deze, inzonderheid ook van het Departement van Buitenlandsche Zaken, herhaaldelijk zeer verlicht. Ik zou het bestek dat ik mij gesteld heb, te buiten gaan, indien ik die verschillende bemoeiingen afzonderlijk besprak. Volstaan kan ik met in herinnering te brengen, hetgeen door den Minister van Landbouw in de Achtste Nota betreffende den Economischen Toestand over de nijverheid werd geschreven. „Met voldoening kan worden geboekstaafd, dat.... de voorziening in tal van andere voor de nijverheid onmisbare grond- of hulpstoffen (andere namelijk dan kolen) plaats heeft gehad zonder dat eenige belangrijke bedrijfstak op noemenswaardige wijze in haar productie werd belemmerd.

„Dit resultaat is echter niet verkregen zonder tijdelijke moeilijkheden bij die voorziening en zonder dat telkens groote bezwaren moesten overwonnen worden. Tot het wegnemen van die bezwaren waren voortdurend de betrokken Departementen en Commissie in de weer.”

De wolvoorziening, die voor een deel der textielnijverheid en voor de sajetfabrieken van de grootste beteekenis is, werd, voor zoover de Regeering daarin heeft ingegrepen, niet in de eerste plaats uit economische overwegingen ter hand genomen, maar op grond van de behoefte aan militair laken. De Zesde Nota betreffende den Economischen Toestand vermeldt daaromtrent: „Met het oog op de militaire belangen werd tot vordering van de scheer- en blootwol besloten. Het was noodzakelijk daarbij alle inlandsche wol in beslag te nemen, ten einde onbillijkheden te vermijden en de militaire overheid gelegenheid te geven die partijen voor militair gebruik te bestemmen, die daarvoor het meest in aanmerking kwamen. Van de totale hoeveelheid zou echter, naar zich liet aanzien, een gedeelte ter beschikking van de particuliere industrie kunnen worden gesteld. Ten einde de wolindustrie zoo goed mogelijk in verband met de eischen der practijk te regelen, werd op advies van de Subcommissie voor de Nijverheid uit het Koninklijk Nationaal Steuncomité eene Wolcommissie ingesteld.”

In verband ook met aanvoermoeilijkheden heeft de Wolcommissie geen gemakkelijke taak gehad. Toch is het haar gelukt, met medewerking van de Nederlandsche Overzee Trustmaatschappij, ook den aanvoer van wol van over zee te bevorderen en hierdoor, zoowel als door hare distributieregeling, alle fabrieken, die wol verwerken, behoorlijk gaande te houden.

Men heeft wel getwijfeld aan de wettigheid der militaire wolvordering. Die twijfel schijnt mij niet gerechtvaardigd, daar de onteigeningswet gedurende de mobilisatie aan de militaire overheid een onbeperkte, bevoegdheid geeft tot inbezitneming van hetgeen door haar volstrekt noodzakelijk wordt geacht. Van het oogenblik af dat die overheid de wolvordering volstrekt noodzakelijk achtte, hadden de wolbezitters zich daaraan te onderwerpen, zonder dat hun oordeel of zelfs dat van den rechter over die noodzakelijkheid aan het vorderingsrecht iets kon afdoen. Natuurlijk echter is de Minister van Oorlog voor de wolvordering staatsrechtelijk aansprakelijk, evenals voor alle andere militaire maatregelen, die onder zijne verantwoordelijkheid werden genomen.

Van de Nederlandsche takken van nijverheid hebben de diamantindustrie en de bouwnijverheid het meest en het langst onder de crisis te lijden gehad. Over beide bedrijven moest reeds bij de behandeling der werkloosheidsverzekering in hoofdstuk III[15] gesproken worden. De diamantslijperij heeft zich, wat haar belangrijksten tak, de brillantslijperij betreft, door een ongedachte verlevendiging van de vraag uit het buitenland, inzonderheid uit Amerika, in het voorjaar van 1916 geheel kunnen herstellen. De roosjesbranche blijft voorloopig nog slap, maar in de diamantnijverheid schijnt toch wel het grootste leed van deze crisis geleden. Of de toekomst gunstig zal blijven, dan wel of na den vrede spoedig een nieuwe crisis of depressie zal intreden, moet worden afgewacht.