Vrye arbeid of Kultuurstelsel ... de kwestie van den dag.
Neen, niet van den dag ... de kwestie van jaren!
Sedert jaren betaalt de natie haar Ministers, en zendt Afgevaardigden naar den Haag, om te beslissen of de Javaan moet worden uitgezogen op liberale of réactionaire, op behoudende of onbehoudende wyze.
Zeg iets van beschaving ... men noemt u ’n dwaas, en antwoordt: vrye arbeid.
Spreek van vooruitgang—van wezenlyken vooruitgang ditmaal—domheid! Men vraagt uw opinie over ’t Kultuurstelsel.
Deel iets mede over misbruik van gezag, afpersing, roof en moord ... ei, is ’t antwoord, vertel ons iets van Vryen-Arbeid.
Roep hulp in voor vertrapt menschenrecht. Men verstaat die taal niet.
Zeg iets over deugd, eer, gevoel, loyauteit, waarheid, gezond verstand ... alles te vergeefs. Men “doet” niet in die dingen.
Ja, sterker nog, wijs op het BELANG, op “MEN” ’S EIGEN BELANG—iets waarin “men” toch wél “doet”—dan nog bekomt gy geen gehoor voor ge aan dat eigen belang van “men” eenige frazen weet vastteknoopen over Vryen Arbeid of Kultuurstelsel.
Ik wil voor ditmaal toegeven in de monomanie van ’t oogenblik, en zal iets schryven over Vryen-Arbeid.
In ’t begin zal ’t misschien den schyn hebben dat ik schryf over iets anders. En dit is natuurlyk. De kwestie over Vryen-Arbeid is geen kwestie. Ik ben dus genoodzaakt, by ’t behandelen van dit voorgeschoven vraagstuk, gedurig te wyzen op andere zaken die wel de kwestie zyn. Goochelaars lokken uwe blikken links, als ze iets willen wegmoffelen aan de rechter-zyde. Dit weet ge, niet waar? Welnu, ik zal trachten uwe blikken te richten naar den kant dien de goochelaars willen dat ge niet ziet. Over Vryen-Arbeid heb ik dus eigenlyk weinig te zeggen.
Niemand kan me verwyten dat ik te veel schryf. Misschien zelfs schreef ik te weinig. Ik ben al over de veertig, en tot nog toe zyn er van my slechts ’n paar kleine boekjes verschenen. Geen Muzen-Almanak had ooit last van me, schoon ik al verzen en verhandelingen beging voor Belgien’s afval. Al m’n “aan-haars” heb ik flink verbrand, en er zyn al grootmoeders onder. Niemand dan ikzelf heeft geleden onder de eerste liefelyke maar bedwelmende aandoeningen van ’n jong vurig hart. En toen ik eindelyk my moest openbaren aan ’t Publiek, heeft men my bovenmatig geprezen over m’n wyze van schryven.
Dit was onbillyk.
Ik had meer recht op wat lofs over m’n zwygen. Ik zeg dit in vollen ernst. In veel geschryfs is veel dwaasheid. ’t Is lichter honderd boekdeelen te vullen, dan de aandoeningen die honderd boekdeelen vullen zouden, te bewaren tot het juiste oogenblik, of—zoo noodig—ze te smoren tot er de dood na volgt. Hebt ge wel eens overwogen, lezer, hoeveel geestkracht er noodig was voor my, om niet optetreden voor m’n veertigste jaar? Ge kunt nagenoeg weten hoe ik menschen en zaken beschouw. Ge kunt weten “dat ik het leven niet ben doorgegaan zonder de indrukken optevangen die ’t my aanbood.”1 Welnu, ik heb deze indrukken opgezameld voor myzelf, voor m’n allernaaste omgeving, vreezende dat ze niet ryp waren, dat ik morgen zou moeten terugnemen wat ik heden gaf, dat er gebrek aan harmonie wezen zou tusschen jeugd, mannelyken leeftyd en ouderdom. In één woord: Ik heb gespaard, en waarmede ik vrygevig moge geweest zyn of verkwistend, met m’n denkbeelden was ik nooit verkwistend of vrygevig.
Na de uitgave van den Max Havelaar evenwel, had m’n zwygen meestal ’n anderen grond dan schroom. Van twee geheel tegenoverstaande zyden op staatkundig terrein, had men my hulp toegezegd. Ik geloofde, vertrouwde en ... wachtte. Ik heb gezegd dat Havelaar naïf was. Van beide kanten ben ik bedrogen. Van één kant zelfs bestolen.
Noch van de zyde des behouds, noch van die der oppositie, werd het minste bewys gegeven dat men zich de zaak van den mishandelden Javaan, dat is myne zaak, aantrok. De prys van die hulp zou geweest zyn, dat ik my geschaard had onder ’n banier. Dit kon ik niet. Je lève bannière, n’en suivre ne peux. Wat geschryf over—d. i. vóór—Vryen-Arbeid zou me brood en ’n positie gegeven hebben. Ook had ik m’n kinderen kunnen kleeden met wat lof over ’t Kultuurstelsel. En zie, ik had talent genoeg daartoe. Wie nu meenen mocht dat ik myzelf verhef door me dit talent toetekennen, antwoord ik dat er geen zelfverheffing ligt in ’t aanspraak-maken op ’n hoedanigheid die me walgt. Hoe dit zy, dat zoogenaamd talent had ik. Wie anders oordeelt, heeft het maar te zeggen. Maar óók had ik—en ditmaal verhef ik myzelf inderdaad—ook had ik ’n gemoed dat zich verzette tegen de minste afwyking van de waarheid, vooral wanneer die waarheid nadeelig of gevaarlyk was voor myzelf. Al wat moeielijk is, lokt my aan. Iets toegeven in ’n onverschillige zaak, of zelfs waar dat toegeven schadelyk werken zou voor myzelf ... ik zou ’t kunnen. Maar tegen de waarheid in, voor overmacht te wyken in ’n hoofdkwestie, waar de straf van ’t weigeren, zoo-als by my het geval is, zwaar wezen zou, dit kan ik niet, dit wil ik niet en dit zal ik niet.
Al wat moeielyk is lokt my aan, heb ik gezegd. Ik erken evenwel dat ik by ’t aangaan van den stryd niet verdacht was op de soort van moeielykheden die my wachtten. Ik meende slechts—als m’n arme voorganger!—vergiftigd te worden met vrouw en kind. In plaats daarvan, scheldt men my uit. M’n tegenstanders hebben den stryd weten overtebrengen op ’n terrein dat aan den uitroep der Jakatranen herinnert—’t is historisch, lezer!—”die honden van Hollanders vechten met drek!” Dáárop had ik niet gerekend. Of ik anders zou gehandeld hebben, wanneer ik dit wèl had voorzien ... neen, neen, duizendmaal neen! Maar ik zou in dit geval den stryd hebben aangevangen met minder genoegen.
Men beschuldige my niet van platheid by ’t aanhalen van den Jakatraschen uitroep. Kan ik ’t helpen, Nederlanders, dat uw geschiedenis in Indie plat is, gemeen is? Kunt ge die woorden ongesproken laten, en de handeling die ze uitlokte? Wie is triviaal, iemand die gemeene dingen doet, of de man die met al de kracht zyner ziel opstaat tegen die gemeene dingen?
De ondersteuning dan, die me werd toegezegd, na ’t verschynen van den Max Havelaar, was aanvankelyk niet verbonden aan onteerende voorwaarden. Van behoudenden en van liberalen kant beide, gaf men voor belang te stellen in myn zaak, zonder meer. Eerst later, toen men den indruk van den Max Havelaar versleten waande, toen men hoopte dat ’n beroep op het Volk zonder vrucht blyven zou, werd er onedele dienst geëischt voor hulp. Ik heb brieven die uitwyzen dat men maanden, maanden lang—heel onnoodig voorzeker!—my inscherpte moed te houden, zonder daarby te gewagen van Vryen-Arbeid, Kultuurstelsel of dergelyke byzaken. Men veinsde menschelykheid en rechtvaardigheid op den voorgrond te stellen als ik. En eerst nadat ik lang had gewacht, nadat men goed overtuigd was dat ik by ondervinding wist wat het zeggen wil, te worstelen met gebrek, nadat men zich had verzekerd dat de nood aan de lippen was, kwam men schoorvoetende tot de veelbeteekenende uitnoodiging: schryf eens iets in den geest van...
Ik zou wat schryven in den geest van die heeren. Ga er eens toe zitten, m’nheeren, en beproef eens te schryven in myn geest. Dit zou u zwaar vallen. Ziehier nu ’t verschil. In myn geest schryven zoudt ge niet kunnen. In uw geest schryven wil ik niet, schoon ik ’t kunnen zou. Dit hebt gy gezien in Wawelaar’s preek, en in de redeneeringen van Droogstoppel, een persoon waarin, naar ik met genoegen ontwaar, vele Kamerleden zich vice-versa herkend hebben. In de laatste zittingen toch riep men gedurig over-en-weêr: “Gy zyt de man!” Ieder wilde Nathan wezen, de berispende profeet. Niemand woû David zyn, de betrapte misdadige koning.
Ik zou wat schryven in den geest...
In den geest! Ik schryf in myn geest, myne heeren vry-arbeiders en kultuurstelselaars! Gy woont in uwe villa’s, gy geniet van uw geld, gy pronkt met uwe principes, gy liegt met uwe leugens, gy schippert met uwe gewetens! gy huichelt met uwen geest, maar ... in myn geest schryf ik.
Dit moet ge my laten!
De eerste reden alzoo van m’n zwygen na den Max Havelaar, was ’n ydel wachten op een toegezegd herstel. En de uitgave van de Minnebrieven maakte in-zooverre hierop geen uitzondering. Men heeft kunnen zien dat ik die schreef om ’n arm gezin dat ik niet kende, uit den nood te helpen. ’t Was ’n luim zooals ik er vroeger veel had, en die ik meestal opvolgde. Ditmaal slechts ’n herinnering aan vroeger tyd.
Maar uit dit voortdurend zwygend wachten moge tevens blyken dat ik geen agitateur ben tot elken prys. Ik had aangetoond hoe schandelyk er werd huisgehouden met het leven en de bezittingen der Javanen... men beloofde beterschap, en ik zweeg geduldig.
En reeds vóór den Max Havelaar had ik ’n doorslaand bewys gegeven, dat het me niet te-doen was om effect, om beroering of schandaal, maar om herstel alleen. M’n voorganger was, om te voorkomen dat-i z’n plicht deed, vermoord in November 1855. Myn mislukte pogingen om den Gouverneur-Generaal Duymaer van Twist aantesporen tot het vervullen van zyn plicht, dateeren van den aanvang des jaars 1856. De Max Havelaar, het agitante boek, verscheen eerst in Mei 1860.
Dit zyn sprekende dagteekeningen! Daar liggen vier volle jaren tusschen de voorvallen te Lebak, en den oogenblik waarop ik de Natie uitnoodigde inzage te nemen van de wyze waarop zy gerepresenteerd wordt in Indie. Er zyn er die beweren dat m’n handelingen te Lebak voortsproten uit eerzucht, uit begeerte om naam te maken. Ik heb op die beschuldigingen tweeërlei antwoord. Vooreerst: dat het te wenschen ware veel en vaak zulke eerzucht aantetreffen by de dienaren van den Staat. Het zou zoo kwaad niet zyn, meen ik, als plichtsbetrachting tot roem en welvaart leidde. Ik geloof, al ware er by my zucht in ’t spel geweest tot het maken van een naam, dat die zucht zeer overwinnend de vergelyking zou kunnen doorstaan met zooveel andere begeerten als we dagelyks bevredigd zien op makkelyker wyze, de begeerte naar geld, naar gemak, naar weelde, de begeerte om welvaart, eer en roem te behalen door ’t niet vervullen van z’n plicht. Ik voor my zie niet in, welke schande er liggen zou in ’t handhaven van de rechten myner onderhoorigen—myner naasten, hoort gy, christenen?—tegen roofzuchtige onderdrukkers. Ik zie niet in, dat ik my vernederd heb: door ’t staande-houden der eeuwige aanspraken van recht en billykheid, tegen-over de gewetenlooze, maar machtige bestryders van dat recht. Ik zie niet in, wat er laakbaars liggen zou in ’t handhaven myner, onder zoogenaamde aanroeping van God, bezworen instruktiën, die voorschreven den Javaan te beschermen tegen de hebzucht zyner Hoofden, evenmin als ik eer kan geven aan ’t verkrachten van gelyke eeden door anderen, die datzelfde bezwoeren onder aanroeping van denzelfden God. (Zie ’t Regeerings-reglement, waarin den Gouverneur-Generaal als ’n EERSTE verplichting wordt voorgeschreven de Bevolking te vrywaren tegen willekeur.
Dit alles zie ik niet in. En ik beweer dus, al ware ik gedreven geweest door eerzucht, dat dit my niet had mogen worden voorgeworpen als verwyt.
En ten-tweede: zy die dit verwyt tot me richten, bekennen dan toch dat er eer làg in myne wyze van doen, dat er roem te behalen wàs door m’n handelingen. Ik neem nota van die erkentenis. Tot-nog-toe heb ik niet vernomen dat men van Twist beschuldigde z’n plicht uit eerzucht verzuimd te hebben. De hefboomen waarmeê zóó’n wezen in beweging wordt gebracht, zyn van eenigszins ànderen aard.
Maar... ik zocht geen eer. Zie de dagteekeningen. Vier jaren heb ik gezwegen. Is dit sprekend?
Toen de heer van Vliet, eenigen tyd geleden, meende zich te moeten beklagen over ’t Indisch bestuur, werd z’n zaak terstond openbaar.
Na ’t vertrek van den Heer van Hoevell uit Indië in 1848, heeft de Natie zéér spoedig, ja terstond gelegenheid gehad aandeel te nemen in den stryd dien hy met het bestaande had aangevangen.
En onlangs, toen de heeren Modderman en van den Biesen in hunne belangen waren gekrenkt, bracht elke mail vertoogen en redeneeringen mee, over de dingen die er met die heeren waren voorgevallen.
Ik zou de voorbeelden van personen die, in litige met het Indisch Gouvernement, zich oogenblikkelyk wenden tot de Natie, kunnen vermeerderen tot in ’t oneindige. En ik beweer geenszins dat zy die met den meesten spoed zich op het Volk beriepen als rechter, daarom zouden schuldig zyn aan te groote haast. Maar zeker is ’t dat iemand die in ’n belangrijke zaak als de myne, vier jaren wacht voor hy de mishandeling die hem en de zynen prys gaf aan gebrek, bloot legt voor ’t Publiek, niet verdient beschuldigd te worden van zucht om naam te maken.
Wanneer Duymaer van Twist hadde kunnen goedvinden my te hooren, en daarna recht te doen—gelyk zyn plicht was—zou nooit iemand iets vernomen hebben van die treurige Lebaksche zaken.
En zelfs later, nooit zou de Max Havelaar verschenen zyn, wanneer die man had geantwoord op myn schryven van Januari 1858.2 Wanneer hy behoorlyk gevolg had gegeven aan wat ik hem daarin verzocht. Wanneer hy tot den koning was gegaan, en gezegd had:
Sire, ik heb me vergist tydens ik namens U Indië bestuurde. Gehoor gevende aan partydige raadgevers, verblind door eigenwaan, toegevende aan gemakzucht, en te gewoon om te kunnen vatten dat er iemand bestaan kon die wat minder gewoon was dan ik... hoe dit zy, ik zie in dat ik niet heb beantwoord aan de meening die gy van me hadt, toen ge my genoeg «yver, kunde en goede trouw» toekende, om me ’t bestuur in-handen te geven over die kostbare bezittingen. Sire, ik beken schuld, en daar ik er prys op stel gehouden te worden voor ’n eerlyk man, wil ik zooveel mogelyk die schuld boeten, en herstellen wat er te herstellen is.
’t Is me onmogelyk de personen die door myn verzuim zyn omgekomen, in ’t leven terug te roepen. Ook kan ik niet de bezittingen weêrgeven aan allen die door myn traagheid, achteloosheid en onwil die bezittingen verloren hebben. Want, Sire, hoe zuinig en oplettend ik gulden by gulden samelde van ’t vorstelyk inkomen dat my de Natie betaalde... heb ik nog geen vol millioen by elkaêr, en gy begrypt, Sire, dat dit op-verre-na niet toereikt tot volledige schadeloosstelling. Maar ik zal doen wat ik kan, Sire. Ziehier al wat ik bezit. Ik smeek U, laat Uw Minister van Koloniën daarvan, zoover het strekt, iets teruggeven aan de arme beroofden. Ik wil voor ’n braaf man gehouden worden, Sire, en... ik beken dat de vloek van die arme lieden my drukt. Hoe ik me zal afhelpen van den vloek op de stervende lippen van al de menschen die onder en door myn wanbestuur vermoord zyn, weet ik niet.
En dan, Sire, gy die Keizer zyt van Insulinde, ik bidde U, laat U nooit weêr bewegen ’n Landvoogd daarheen te zenden, zoo onbekwaam als ik. Tracht iemand te vinden, Sire, die wat begrip heeft van menschenrecht, van deugd, van eer, van moed, en meer zulke zaken die my wat vreemd waren, Sire, omdat ik prokureur was geweest, en te veel praktyk had om kennis optedoen van dingen die zoo in ’t dagelyksch leven niet voorkomen.
Onderzoek ook, o Keizer, voor ge iemand het bestuur in-handen geeft over veertig millioen MENSCHEN, of de man dien ge daartoe uitkiest, zich inderdaad van den mensch ’n studie heeft gemaakt, die hoofdstudie, zooals ’n Engelsch dichter zegt... naar ik hoor. Want Sire, ik lees geen Engelsch, en geen dichters ook. Dit begrypt ge.
En geeft dan zoo’n nieuwen Landvoogd stipten last, Sire, dat hy zich niet bemoeie met de zoogenaamd-politieke vragen van den dag over Vryen-Arbeid en Kultuurstelsel, maar dat hy zorge dat ieder z’n plicht doe naar de geschreven en bezworen bepalingen, opdat de arme Javaan het zyne kryge, al is ’t dan wat weinig. Want, Sire, ik zie in dat ik verkeerd deed my zoo-wat bezig-te-houden met het beoordeelen van de systemen der wetten, en daardoor verzuimde acht te geven op ’t schenden der wetten, die misschien zoo kwaad niet wezen zouden als ze maar worden gehandhaafd.
Beveel ook myn opvolgers, Sire, wat eerbied te hebben voor iemand die den moed heeft zyn plicht te doen in hoogst moeielyke omstandigheden, en zeg hun dat ze zoo iemand geen verwytingen toevoegen, zoo-als ik gedaan heb, omdat ik niet begrypen kon dat er zulke menschen bestonden.
Vergeef me ook, Sire, dat ik na m’n terugkomst uit Indië, my veroorloofd heb den schyn aantenemen als-of ik verstand had van Indische Zaken. Want, Sire, ik erken nu dat men op Buitenzorg daarvan weinig of niets te zien krygt, en niet anders dan wat de Raden van Indië en de kommiezen der Secretarie wel gelieven te geven. Vergeef me, dat ik pour me donner un genre, my heb laten verleiden tot het verdedigen van ’n opinie over Vryen-Arbeid, Sire. Ik erken dat ik er niets van weet, en dat ik maar iets napraat van wat me is voorgezegd door anderen die belang hebben by Vryen-Arbeid. Vergeef me dit, Sire, en bedenk dat ikzelf in Indië nooit iets persoonlyk heb kunnen onderzoeken, omdat ik in vyf jaren tyds niet geleerd heb «goeden morgen» te zeggen in ’t Maleisch, en dus nooit in-staat was, door kruisvragen en ruggespraak met de betrokkenen, in ’t bezit te geraken van ’n eigen meening over zulke diepzinnigheden.
Vergeef me dit alles, Sire! Vergeef me dien onnoodigen oorlog op Banjermassin die zooveel menschenlevens gekost heeft. Vergeef my den smaad dien ik Uwe Marine aandeed door ’t schryven eener circulaire waarin ik de publieke liefdadigheid inriep voor de nagelaten betrekkingen van weggeroofde of vermoorde menschen, die meenden te mogen vertrouwen op de bescherming van die Marine welker Opperbevelhebber ik was.3
Vergeef me, Sire, dat ik oorzaak ben van al de ellende die Havelaar uitstaat met z’n gezin, omdat hy in den ongerymden waan verkeerde dat ik m’n plicht zou doen, gelyk hy.
Vergeef my ’t slechte voorbeeld dat ik gaf door ’t verzuimen van dien plicht, en ’t uitdooven van allen edelen yver in de besturende beambten op Java, die na het lot dat Havelaar trof, nog meer moed zouden behoeven dan hy, om te doen wat hy deed.
Vergeef my al de afpersingen, al de rooveryen, al de moorden die na m’n vertrek, boven ’t gewoon contingent, het gevolg zyn geweest van myn sanctioneeren der misdaden waartegen Havelaar zich verzette.
Vergeef me dit alles, o Keizer van Insulinde, en meer nog, dat ik het nu niet aanroer, omdat ik niet verstaanbaar spreken kan nadat ik lid ben geworden van de Tweede-Kamer. Vergeef, vergeef, o Keizer, en laat me terugkeeren naar Deventer, waar ik ’n betrekking weet te vervullen, die me beter past dan die van Landvoogd, en die ik nooit had moeten verlaten...
Zoo omtrent had van Twist kunnen spreken na ’t ontvangen myner memorie van Januari 1858, en ik ben overtuigd dat z’n speech opgang zou gemaakt hebben, meer dan de speeches die hy nu van-tyd tot-tyd—naar men meent te verstaan—durft houden over Vryen-Arbeid.
Maar, zegt men, om aldus te spreken zou die man een held van deugd moeten zyn, en helden zyn zeldzaam.
Ik zeg niet neen. Ik vorder noch verwacht heldhaftigheid in den eersten den besten. Doch daargelaten wat die man zou geweest zyn, wanneer-i aldus gesproken had, durf ik vragen wat hy is, door niets te zeggen, door niets te verrichten na ’t ontvangen van dat gemoedelyk stuk van Januari 1858?
Ik verzoek ieder belangstellende dien brief te lezen, en zich aftevragen wat men te denken hebbe van den man die bedaard en “rustig” zoo’n stuk kan ter-zyde leggen, zonder op ’t denkbeeld te komen, dat zyn plicht ’n antwoord eischt, ’n antwoord in daden vooral.
Men moge voorwenden te gelooven dat de Max Havelaar ’n roman is... die brief aan den Gouverneur-Generaal in ruste is geen roman. Die brief is geschreven aan den persoon die instaat zou moeten zyn te weêrleggen wat er zou te weêrleggen vallen in myn relaas van ’t voorgevallene te Lebak. By dien brief waren bylagen die punt voor punt de waarheid aantoonden van alles wat ik zeide. Ik had daarby overgelegd extrakten uit de conduite-rapporten onder myn voorgangers waaruit bleek dat de regent dien ik aanklaagde, aanhoudend was beschuldigd van knevelary. ’t Was dus ’n LEUGEN van van Twist, my in z’n kabinetsbrief van 23 Maart 18564 te schryven dat er over dien Regent altyd gunstige rapporten waren ingekomen, dat trouwens niets zou beduid hebben, al ware het zoo geweest.
Ik gaf afschriften van stukken, waaruit bleek hoe de schoonzoon van dat Hoofd, de man ten wiens huize m’n voorganger kort voor z’n dood z’n laatste middagmaal gebruikt had, reeds vóór myn komst in Lebak was gestraft wegens roof op den publieken weg. Ik legde kopie over van de verklaringen des Kontrôleurs—die ik later publiceerde5—verklaringen die afgelegd waren nadat er gebleken was dat de Gouverneur-Generaal den Resident van Bantam wilde steunen in ’t schipperen, en dus nadat die Kontrôleur weten kon dat-i van my niets te hopen of te vreezen had. Ik toonde door ’t overleggen van andere stukken, op menschkundige gronden ten duidelykste aan, dat ik m’n ondergeschikten wist te dwingen tot waarheid, en dat ik van dien invloed gebruik maakte, onverschillig of ’t my baatte of schade deed.6
By dien brief aan van Twist waren vele stukken gevoegd, alle aantoonende dat ik volkomen in myn recht was.7 ’t Is me onmogelyk thans optegeven welke, maar als ’t vereischt wordt, zal ik ’t kunnen. Ik ben in ’t bezit van ’n autentiek uittreksel uit ’n policie-register, dat aantoont hoe er op-eenmaal 57 of 59 personen—ik meen te Pandeglang—zyn afgestraft met GEESELING, en gevankelyk teruggevoerd naar Lebak, dat ze, als Saïdjah’s vader, hadden verlaten “zonder pas” om den druk hunner hoofden te ontgaan. Dat waren dagelyksche zaken. Men herleze die vertelling van Saïdjah, waar ik in korte woorden samengryp wat me gelegenheid zou gegeven hebben tot uitvoerige schilderingen, als ik daarin lust had gevoeld. In den Havelaar heb ik de werkelykheid verkort, verzacht, teruggebracht tot de eenvoudigste uitdrukking. Laat van Twist het tegendeel beweren, als-i durft! Laat hem zeggen dat ik overdreven heb. Dan zal ik, in-stede van uit de lucht gegrepen namen, de juiste, de letterlyk juiste namen opgeven van de arme lieden die door verdrukking waren verdreven uit hun land. Ik zal die namen opgeven met vermelding van geboorte- en woonplaats, dagteekening, beroep... ach, ’t waren allen landbouwers als Saïdjah’s vader. Verlangt men meer?
Laat van Twist ontkennen als-i durft, dat zy die klaagden en vluchten òm de mishandeling, daarna op-nieuw werden mishandeld òmdat ze geklaagd hadden of gevlucht waren. Laat hem ontkennen dat de kern der opstandelingen in de Lampongs uit gevluchte martelaren uit Bantam bestond. Laat hem ontkennen dat bij elken opstand, de moed van ons leger te stryden heeft met de razerny van lang mishandelde, tot het uiterste gedreven menschen, die zacht en goedig waren wel-eer, maar tot woest amok werden aangevuurd door wanhoop. Laat hem ontkennen dat by elken stryd, zoo bloedig meestal, het grootst gedeelte der verslagenen aan-weerszy, de slachtoffers zyn van politieke fouten, begaan door welbetaalde, maar domme slymerige vormelyke schipperende ambt- en pensioenjagende oogendienaars van gemaklievende Gouverneurs-Generaal. Laat hem ontkennen dat men de kracht van ons leger, het leven van officieren en soldaten beter kon besteden, dan door ’t vermoorden der armen die niets misdeden dan dat ze zich, na lang dulden, eindelyk verzetten tegen àl te zware geweldenary.
Ja, er waren veel bylagen by dien brief, ’t was ’n bundel! Nog herinner ik my hoe zwaar ’t me viel daartoe het noodige papier te bekomen, en een plaatsje waar ik zitten kon om ze afteschryven. En toch was dat alles te-vergeefs! De man heeft niet geantwoord. Dit is zyn zaak.
Maar ’t is myn zaak te wyzen op den datum van dien brief. Ik schreef dien in Januari 1858, dus byna twee jaren na m’n vertrek uit Lebak. Is die dagteekening niet ’n bewys dat m’n deel met het handhaven van recht, niet was ’t maken van een naam?
En na dien brief wachtte ik weder twee jaren, voor ik den Max Havelaar schreef. Ik was lang geperst, lang had ik getracht verbetering aantebrengen zonder schandaal, lang had ik aan den anderen kant beproefd myn gezin te bewaren voor hongersnood, voor ik ’n beroep deed op de rechtvaardigheid van Koning en Natie. Jazelfs, toen de Max Havelaar reeds geschreven, reeds gedeeltelyk gedrukt was, heb ik my tot den Koning gewend met verzoek om herstel. Zelfs toen nog, als deze had kunnen goedvinden verbetering te brengen in den ellendigen toestand van Indië, had ik m’n boek verbrand.8
Ik zal dien brief later uitgeven, na nog eenmaal aan den Koning geschreven te hebben.
Ik vraag daarin niet voor myzelf. Ik blyf vasthouden aan de reeds tot den heer van Twist gerichte betuiging: anders dienen dan ik diende te Lebak kan ik niet!
Maar ook de Koning kon niet besluiten krachtig integrypen in ’t weefsel van leugens en bedrog, dat den Nederlandschen naam eerlang maken zal tot een walg der volken. Ik meen toch dat dit ingrypen een heerlyke roeping zou geweest zyn voor ’n Koning!
En eerst na lang wachten op dat antwoord, na de volkomen zekerheid dat dit antwoord niet komen zou, verscheen in Mei 1860 het boek over de “koffiveilingen” dat, naar de uitdrukking van een Lid der Kamer, ’n “rilling deed gaan door het land”.
Dit was zoo. Er is inderdaad ’n rilling door ’t land gegaan. Maar wanneer? In 1860. Dat is: vier jaren nadat ik, arm en onmachtig, Lebak verliet met vrouw en kind.
Als een geduldige Javaan had ik my vier jaren laten mishandelen. Vier jaren had ik van-dag tot-dag gestreden met kommer van heden, met angst voor morgen, voor ik die rilling opwekte. Vier jaren lang was Sjaalman bespot en gesard door Droogstoppel, voor Multatuli besloot Havelaar’s party tegen dien van Droogstoppel optenemen.
Dat ik ’t toen deed, krachtig forsch... wie zal ’t laken? Bovendien ik ben zoo. Ik versta geen halve dingen. Dit zal men zien in de toekomst, als ik ’t leven houd. En al ware het... doch, neen, voor die toekomst is gezorgd.
Vier jaren dus. Jaren van bittere smart. Vier moeielyke, zware jaren...
Zou ik zóólang gewacht hebben, als ’t my ware te doen geweest om opgang of schandaal?
Ik wenschte herstel van grieven voor m’n arme beschermelingen, en als me dit gelukt ware, zou de Javaan zelf nooit hebben geweten wat-i my te danken had, noch Nederland hoe ik, met al wat ik dierbaars had, my opofferde voor zyn eer.
Maar, ik erken dit, zoowel voor als na ’t schryven van den Max Havelaar, bestond er vaak ’n andere reden die my noodzaakte te zwygen. De ellendelingen die Indië verwoesten, hebben een bondgenoot die dikwyls, ja meestal, de kracht heeft my de pen uit de hand te slaan. De Natie weet dit, en schynt het goedtekeuren. Dit is hare schande, de myne niet.
De naam van dien bondgenoot is: het gebrek. Niet altyd heb ik papier. Niet altyd heb ik de stukken by me, waarin ik iets zou moeten naslaan, daar ’t meermalen gebeurt dat ik kist of koffer hier-of-daar moest achterlaten omdat ik den prys van ’t vervoer niet betalen kan. Daaraan heeft nu byv. van Twist te danken dat ik niet in dit stuk de namen opgeef van de 57 of 59 personen die met geeselslagen van Pandeglang werden teruggedreven naar Lebak. Menigmaal heb ik geen plaats waar ik me rustig kan neerzetten tot schryven. Heeft men dit niet gelezen in de Minnebrieven... tusschen de regels vooral?
En eindelyk, meestal, ja altyd byna, wordt me elke voorkomende gedachte weggestolen door ’n spook dat me in Gouverneur-Generaal kostuum, of in de gestalte van een dikbuikig vry-arbeider, de sarrende vraag voorhoudt: Wat zullen morgen uw kinderen eten? Waar zult ge uw gezin huisvesten over een maand, over een week, over een dag?
Want meermalen is ’t zoover geweest, dat die vraag ’n vraag was van weken of dagen... ja, van uren!
In m’n Kruislied noem ik me taai. Ik zeg altyd de waarheid, en ook daar zeide ik de waarheid: ik bèn taai.
Maar ik moet erkennen dat ik werk met tegenzin en inspanning... dat ik zelfs niet werken kan in ’t geheel, als my de gedachte overvalt myn lief gezin uitgehongerd te zien, en omkomende van gebrek aan ’s Heeren weg.
Overdryving, meent men? Eilieve, hoe zou ’t anders zyn? Ik bezit niets, en ontvang niets. En laat u nu eens voorleggen—ge hebt het recht daartoe, Nederlanders—den Staat van Indische pensioenen, waarop posten voorkomen, wat hooger dan eigenlyk behooren zou—zelfs zy erkennen dit, die ze toelegden—omdat de betrokkene zekere betrekking NIET bekleed heeft.” Zóó staat er. Ga eens na welke sommen er jaarlyks op uwe begrooting worden gebracht om menschen in het leven te houden, die nooit iets belangryks uitvoerden, en wier geheel leven zonder schâe voor iemand best achterwege had kunnen blyven. Tel eens hoeveel gepensioneerde Slymeringen gy vetmest, en vraag dan uzelf af, of ’t billyk is, dat ik van uur tot uur heb te worstelen met gebrek?
Overdryving? Ik antwoord nog-eens; hoe zou ’t anders wezen kunnen? Ik heb niets en ontvang niets. Maar als ’t u moeite kost, lezer, u duidelyk voortestellen hoe ’n vader gestemd is, die z’n gezin moet voeden met niets... dan zal ik uw begrip te-hulp komen door ’t vertoonen van ’n certificaat, waaruit blyken kan hoe eens ’n Belgische dorpsburgemeester me twee dagen tyd gunde om te voorkomen dat ik als vagebond met vrouw en kinderen door maréchaussées zou worden weggevoerd over de grenzen...
Zie in zulke omstandigheden voel ik me “wat moê” zoo-als op ’t slot van m’n Kruislied!
Dit is weêr uwe schande, Nederlanders, en dit is niet myne schande. Daarvan worstelt ge u niet los, als zoudt ge ’t begin van de week vastbidden en vastpreêken aan ’t eind.
En wie nu meent dat ik genoegen schep in ’t mededeelen van de ellende die ik onderging omdat ik myn plicht deed—dat ik er trotsch op ben, is waar!—bedenke hoe lang ik zweeg vóór ik iets openbaarde.
En dat ik eindelyk daarvan sprak, was om aantetoonen dat ik zeer duur het recht heb gekocht en betaald, om meetespreken over de vragen van den dag. Men onderzoeke eens nauwkeurig wat anderen hebben betaald voor dat recht? Jazelfs, of zy iets betaald hebben, iets ten-offer gebracht in ’t geheel? En of niet vaak hunne opiniën voordeel aanbrachten in-steê van offer te eischen?
DE KWESTIE OVER VRYEN ARBEID IS GEEN KWESTIE.
DE TEGENWOORDIGE AGITATIE OVER DE KOLONIALE ZAKEN IS EENE GEMAAKTE AGITATIE.
De Geschiedenis leert ons dat overal waar groote bewegingen voor de deur stonden, de leiders der algemeene belangen zich beyverden byzaken voor-op te schuiven, om de aandacht der Natiën aftetrekken van de hoofdzaak.
Dit noemen kleine bestuursmannen: Kunst van regeeren.
En vaak komt de loop der dingen de Regeeringen te hulp in ’t verschaffen van zulke afleidingen. Het volk bemerkt instinctmatig dat alles niet is zoo-als ’t behoort, en stelt zich, meer dan anders, by elk opgeworpen denkbeeld de vraag voor: “zou dit misschien de oorzaak myner malaise wezen?”
Nooit waren er zooveel staathuishoudkundige kwestiën aan de orde van den dag, als kort voor de Fransche revolutie. Ik bedoel de eerste, de ware, de voorloopster van de groote Wereldrevolutie die onzen kinderen wacht, en waarby de hoofdvraag wezen zal: hebben of niet hebben. Boeren-oorlogen en Jacqueriën zyn periodiek als de saizoenen. Dit zal zoo blyven zoo lang menschen menschen zyn. En ook zal men altyd blind genoeg wezen om die onvermydelyke schuddingen niet te voorzien.
De wegbereiders van zulke revolutiën, zy die het eerst nieuwe denkbeelden verkondigen, bedoelden juist niet altyd ’n omwenteling. Zy waren, zoo-als ieder in zekeren zin, de uitdrukking van hun tyd. Zy stuwden niet, ze werden aangetrokken. “l’Homme ne manque jamais aux circonstances” heeft MONTESQUIEU gezegd, en wáár is het, even zeker als dat er nooit lucht ontbreekt om de leegte aantevullen die ontstond door verplaatsing van andere lucht. Maar diep ligt de waarheid van MONTESQUIEU’S uitspraak niet. ’t Is als-of men zeide: “geen muskaatnoot zonder foelie.” Ik geloof ’t graag, ’t is dezelfde vrucht.
Want zoodra ’n Volk behoefte voelt aan zekere indrukken zal dezelfde oorzaak die deze behoefte te-weeg bracht, sommigen aanzetten tot het meedeelen van die indrukken. De mannen die ’n omwenteling vooraf-gingen, bewerkten die niet, maar werden, juist omgekeerd, voortgebracht door dezelfde omstandigheden die de revolutie ten-gevolge hadden. ’t Is hier noch post, noch propter, ’t is simul. Dit is even begrypelyk als dat men geen scheepsbouwmeesters vindt in de bergen, noch tuinlui op Nova Zembla.
Men zal dan ook kunnen opmerken dat de personen die vaak worden aangezien als de bewerkers eener omwenteling, omdat ze kort te-voren ’n belangryke rol speelden, die belangrykheid inderdaad meer te danken hadden aan de behoefte en de voorbeschiktheid des Volks om wat nieuws te hooren, dat licht geven zou in de duisternis, dan wel aan de onderwerpen die zy behandelen, of de inrichting die zy aanwyzen als de juiste. Om zich hiervan te overtuigen, behoeft men de zaken slechts te bezien van ’n later standpunt, als wanneer er een groot verschil in ’t oog springt tusschen den loop der gebeurtenissen, en de meeningen of uitingen die de verandering van dien loop waren voorafgegaan. De terreur der Fransche revolutie gelykt niets op ’t Contrat Social van Rousseau.
Wanneer nu echter hervormers die ter-goeder-trouw zyn, een zoo willigen bodem vinden voor nieuwe begrippen, onverschillig of hunne ideën uitvoerbaar blyken of niet, onverschillig of ze voldoen aan de behoefte des oogenbliks, en alleen omdat het Volk voelt: qu’il y a quelque chose dans l’air—met hoeveel te-meer graagte dan zullen opgeworpen twistpunten worden aangenomen, wanneer zy die ze opperen niet ter goeder-trouw zyn, wanneer ze met meer of min kunst zulke punten van geschil uitvinden, scheppen, op den voorgrond schuiven, met het doel om ’t Volk bezig te houden.
Dit nu, Nederlanders, is by u sedert jaren het geval.
Liever dan my te bepalen tot den kleinen kring onzer belangen, zou ik u voorbeelden aanhalen uit de Wereldhistorie. Maar ik begryp dat ik beter doe my te bepalen tot dingen die u meer van naby raken, en u klaar voor den geest zullen liggen naar ik gis. Eén voorbeeld dus uit velen:
Herinnert ge u, Nederlanders, hoe men eenige jaren geleden u heeft bezig-gehouden met indisch-muntstelsel en duitenplaatjes? Ge hebt die plaatjes goedmoedig geslikt. Dáárover zyn wat verhandelingen gehouden, wat brochures geschreven! Dááraan is wat geleerdheid en redenary ten-koste gelegd! Men voedde u met millimeters van den omtrek der indische guldens, gy ontbeet met beeldenaars, en uw avondmaal vloeide over van circuleerende medium’s. Hoe ’t mogelyk was, u zoo erg en zoo lang te bedriegen met ’n zaak zoo eenvoudig als ’n muntstelsel, begryp ik niet, maar gelukt is het. Eilieve, hoe is die zaak, die belangryke zaak, waarvan ’t wel of wee uwer indische bezittingen scheen aftehangen, dan toch eindelyk uitgewezen? Weet ge ’t wel eens? Dit moest ge toch weten, indien de vraag zoo belangryk was als ze scheen in die dagen...
De opheldering dier muntkwestie is eenvoudig. Op den oogenblik toen men u bezig-hield met koperen duiten, recepissen, zilvergehalte, agio en dergelyke, was de Bevolking van Indië op ’t punt uit te bersten in algemeenen opstand, die dan ook partiëel uitgebroken is, maar overal in bloed gesmoord.
Hebt ge ’t niet in de couranten gezien hoe elke mail heldendaden meêbrengt? En ziet ge niet tevens hoe er altyd-door meer suppletie-troepen noodig zyn? Hebt ge er niet op gelet hoe men in Europa te-kort schiet met werven, in-weerwil van ’t bovenmatig verhoogen der handgelden, en hoe men de beschermers en verdedigers van Nederlandsche belangen weêr, als vroeger, moet zoeken in Afrika?
Zyn we ooit in vrede daarginder? Volgt niet oorlog op oorlog, roering op roering, onrust op onrust?
Komt ge nooit op ’t denkbeeld dat er wat verdachts is in die stereotype telegrammen: “op Java volmaakte rust?”
Vindt ge ’t niet vreemd dat de Landvoogden, die zoo met overstoorbare eentonigheid die rustigheid proclameeren en telegrafeeren, altyd-door méér soldaten noodig hebben om niet weggejaagd te worden?
Ziet ge, dit bevreemdt my. Dat men u bedriegen wil, heeft z’n redenen. Dat ge zoo gemakkelyk toegeeft in dit bedrog, vind ik zonderling en jammer.
Het aantal opgeworpen kwestiën waarmede men u aandachtig bezig-houdt, is zeer groot, en daaronder behoort ook de vraag die thans in Nederland aan de orde van den dag schynt; de vraag over Vryen-Arbeid en Kultuurstelsel, waarvan die kibbelaryen over consignatiestelsel, kultuur-emolumenten, enz. onderdeelen zyn.
De ware vraag van den dag is deze:
Wordt de Javaan mishandeld?
Zal hy dit voortdurend verdragen?
Wat moet er gedaan worden om een eind te maken aan die mishandeling?
Maar deze vragen legt men u niet voor. Er zal ’n tyd komen dat ge u schamen zult over uw gebrek aan doorzicht. Het zal u onverklaarbaar zyn dat ge u aanhoudend liet verlokken tot het behandelen van andere vragen.
Want ik stelde u in-staat dit bedrog te doorzien en te ontwyken. In den Max Havelaar heb ik aangetoond dat de Javaan mishandeld wordt. Wie heeft dit weersproken? Dagbladen, tydschriften, brochures stelden ten-klaarste in ’t licht dat ik niet overdreven heb, dat ik beneden de waarheid ben gebleven. Zie den Indiër, den Gids, het Neêrlandsch Indisch tijdschrift... in ’t kort, alle organen van de liberale party. Of die organen zoo volmondig zouden verklaard hebben dat ik de waarheid sprak, indien ze hadden geweten dat ik geen partyman was, mag betwyfeld worden. Maar wat geschreven staat: staat geschreven. ’t Is zoo, ik ben beneden de waarheid gebleven. Ik vreesde en vermeed àl de waarheid te zeggen, uit kunstgevoel. Ik wilde sympathie opwekken, geen walging. En dit zou ’t geval geweest zyn, indien ik, in-plaats der eenvoudige geschiedenis van Saïdjah, de ellende geschetst had van ’n hongersnood, zooals er van-tyd tot-tyd op Java voorkomt, ten-gevolge der overdryving van ’t Kultuurstelsel...
“Ziet ge wel, roept hier de Vry-arbeider... ’t Kultuurstelsel!”
Een oogenblik, m’nheeren. Ik heb in Indië gruwelen gezien onder Gouverneurs-Generaal van allerlei kleur, gruwelen waarmeê ’t Kultuurstelsel niets te maken had. In Lebak byv. werkte geen Kultuurstelsel, en dáár was toch jaarlijks hongersnood. En ook elders is de toestand van de Bevolking die overgeleverd wordt aan Vry-arbeiders in compliciteit met de Hoofden, verre van benydenswaardig. Of erger nog, ik heb dorpen gezien die uitgemoord waren door zeeroovers, die alles meêvoerden wat kracht tot roeien had, en een geslacht achterlieten wat tot roeien te zwak was. Hierby immers komt noch Stelsel van kultuur, noch Vrye-arbeid te-pas, niet waar!
Waarlyk, m’nheeren partymannen, gy hebt het recht niet, elkaêr aanteklagen. Ik heb het recht u beiden te roepen voor de rechtbank der openbare meening. En dit doe ik. My zult ge niet afleiden met uw duitenplatery over Vry-arbeid of Consignatiestelsel...
“Onder uwe leiding is de Javaan bestolen, mishandeld, vermoord, dit kan ik bewyzen!”
Zoo spreekt de liberaal tot den behouder.
“Ik zeg dat de Javaan mishandeld en vermoord wordt onder uwe leiding... dit kan ik bewyzen!”
Zoo antwoordt de behouder den liberaal. En vervolgens:
“Gy zyt oorzaak dat Indië voor ons zal verloren gaan! Als we Indië verliezen, is ’t uwe schuld!”
“Neen, uwe schuld!”
“Neen, uwe... sjt! Daar komt het volk aan... ik zeide dan, m’nheer, dat uwe begrippen over Vryen-arbeid...”
“Juist! Ik meen dan dat die cyfers in ’t boek van Money...”
“Inderdaad! Maar lees een Say, Malthus, Scialoia ... En let eens op de opinie van den geachten spreker uit ...”
En ’t Volk gaat naar-huis, en meent in z’n onnoozelheid dat de Heeren ’n verschil van opinie hebben over Staathuishoudkunde.
En ’t Volk neemt het voorgegoocheld onderwerp voor ’t ware, en koopt zich ’n boekje van Money, en gelooft aandeel te nemen in de behandeling der publieke zaak, door ’t narekenen van de cyfers die daarin staan.
En alzoo... wat te-huis hooren zou voor een crimineele rechtbank, wordt behandeld als diepzinnig systeem van bestuur, en de hoofdzaak, de ware eenige hoofdzaak is weer gesmoord voor ’n tyd!
Voor den honderdsten keer: de kwestie over Vryen-arbeid is geen kwestie! Het eindeloos gekibbel daarover is slechts de dwaalweg waarop ’t Volk zich laat brengen door de slotwoorden van de heeren die bezig waren zich vice versa te beschuldigen van diefstal en doodslag, maar gaarne hun linge sale willen wasschen en famille, en daarna aan ’t Volk wat opgeworpen verschilpunten ten-beste geven. Aan ’t Volk, dat ten-laatste—al waar ’t uit zucht tot verandering alleen—die schandalen niet verdragen zou. Het wachtwoord van die heeren is: zwygen!
En ik sprak hier niet van Ministers alleen. Ik vraag u, lezer, of ’t niet in de rede zou gelegen hebben dat men in de Tweede Kamer—of ook in de Eerste, waarom niet?—aan de Regeering had gevraagd of de Max Havelaar waarheid bevat? We hebben behoudende en liberale ministeriën gehad sedert de verschyning van dat boek, maar geen opposant heeft aan ’n behoudende Regeering, geen behouder heeft aan ’n liberaal bewind durven vragen of ik de waarheid gezegd had. Ieder voelde dat het antwoord even nadeelig luiden zou voor z’n eigen party als voor de vyandelyke. Ieder begreep dat er niets viel te winnen door ’t staven van beschuldigingen, die terstond daarop met gelyk recht zouden worden ingebracht tegen hemzelf. ’t Scheelt me weinig of ik triviaal schyn... ik neem m’n uitdrukkingen waar ik ze vind ... Het volk zal my verstaan: ’t is diefje met diefjes maat!
Dit komt er van, kiezers, wanneer ge u niet bemoeit met uw zaken.
Zwygen dus, smoren!
Ja, smoren! Maar toch zyn er enfants terribles die in de hitte van den stryd geen acht-geven op ’t sjt! dat het Volk moest buitensluiten van de waarheid. Onlangs by de behandeling der koloniale begrooting heeft men elkaêr over-en-weer Droogstoppel genoemd. Men kan ’t nalezen in ’t verslag der zittingen van de Tweede-Kamer.
Droogstoppel nu—ik heb dien man gemaakt, ik heb ’t recht te zeggen hoe, wat en wie hy is—Droogstoppel is de gemeene dief, minus den moed om intebreken. Droogstoppel is de Fariseër die weduwen en weezen op-eet, en kushandjes toewerpt aan ’n eigengemaakt godje dat hem helpt in de digestie. Droogstoppel is de bloedzuiger die opzwelt van onrechtvaardig verkregen goed, maar ’n veerkrachtige magerheid bewaart om z’n vooze opgeblazenheid binnentepersen door de enge poort. Droogstoppel is de femelende laffe gierige schriftuurlijke gauwdief...
Eilieve, ik heb vergeten te zeggen of Droogstoppel liberaal of behoudend is...
In de Kamer heeft men de goedheid gehad deze gaping aan-te-vullen.
Liberalen hebben tot behouders gezegd:
“gy Droogstoppel!”
En behouders hebben geantwoord:
“Droogstoppel, gy!”
En ik? Wat ik antwoord?
Ach, ik zie in dat ik ’n profetischen geest had op het oogenblik toen ik in de Minnebrieven de vertelling gaf van ’n paar twisters op Amboina, die elkaêr onaangenaam hadden bejegend. “Ga gerust naar huis, o Jozef en Abraham ... of Ezechiël, gy beiden hebt volkomen gelyk!”
Ik verklaar overigens my geheel te vereenigen met de opinie van den heer Wintgens, die de vraag deed, of niet de ergste Droogstoppels de zoogenaamde vry-arbeiders waren, wyl ze den Javaan meer rechtstreeks uitzuigen dan hun confraters op de Lauriergracht?
Ik zeg volmondig ja op die vraag.—Maar ik constateer tevens dat de heer Wintgens, door z’n superlatieven gradus—“of dat niet de ergste Droogstoppels waren?”—zich beweegt in den omtrek der paragrafen onzer schoolboekjes, waar boven stond, “over de trappen van vergelyking” en dat hier dus maar sprake is van wat meer of min Droogstoppelig...
Nederlanders, ge staat my toe, hoop ik, voor Droogstoppel te lezen: Ellendeling? Welnu, in uwe Vertegenwoordigende Kamers is de vraag geopperd: onder welke der beide dusgenoemde Staatspartyen, de ergste ellendelingen zyn.
Wat geschreven staat, staat geschreven. Het byblad, waarin deze vraag voorkomt, zal wel reeds gedrukt en verspreid wezen. En al ware dit zoo niet, de vraag wordt meêgedeeld in de verkorte verslagen die de dagbladen van de zittingen gaven, waarin de koloniale begrooting is behandeld.
Ik tart de leden der Staten-Generaal die te vernietigen, en voor ’t Nageslacht te verbergen dat in 1861 in hunne vergadering de vraag geopperd is, welk staatkundig gedeelte des Nederlandschen Volks ’t meest productief was in huichelende gauwdieven.
Ja, dat zyn de enfants terribles van de partyen! En men meene niet dat dit ’n toeval was, ’n lapsus linguae, ’n oratorische wending van den heer Wintgens... volstrekt niet. Herhaaldelyk is ’t scheldwoord Droogstoppel—dat is: ellendeling—over-en-weer gebruikt. Ik heb dit woord in ’n zeer verkort verslag der zittingen, tien of twaalf malen gevonden in één alinea. ’t Is zelfs ontelbare malen gebruikt door den heer P. Myer, den man die ’n zoo hoog pensioen trekt: “omdat hy—ik citeer—zekere betrekking niet bekleed heeft.” En ook na den Heer Wintgens hebben weer anderen zich beyverd aantetoonen dat de Droogstoppels ...
O God, O God, is ’t genoeg, Nederlanders? My is ’t te veel.
Had ik niet recht, Hamlets uitroep te kiezen tot motto dezer brochure? Waarlyk:
There is something rotten in the state!
Maar, zeggen misschien sommigen, wat is dan toch dat Kultuurstelsel, wat verstaat men onder Vryen-arbeid?
Ik weet dat deze vraag nog altyd door velen gedaan wordt, en dit is ’n bewys te-meer van de waarheid myner stelling dat de voorgewende punten van verschil niet raken aan de hoofdzaak. Als er waarheid lag in al de beweringen vóór en tegen die systemen van Indisch bestuur, zou men, na al wat daarover is gesproken en geschreven, nu dan toch wel zóóver gevorderd zyn, dat men wist waarover de kwestie liep. En dit is het geval niet. Er is zorg gedragen de zaak zoo te verwarren, dat de goê-gemeente zich verliest in ’n zee van kunsttermen over staathuishoudkundige wysheid, en moedeloos tot het besluit komt, de heeren moeten ’t weten! Ja, en dan hebben de “heeren” weêr loisir om ’t gesprek voorttezetten over de zaak die hen bezig-hield, toen ’t Volk er bykwam: over de mishandeling van den Javaan, en den opstand die daarvan ’t gevolg wezen moet.
Toen ik den Max Havelaar schreef, dacht ik niet aan vryen arbeid. Ik behandelde daarin ’n hoofdzaak, en het heeft my zeer verwonderd dat boek te zien misbruiken als ’n wapen tegen het Kultuurstelsel. Zelfs in ’t buitenland is men in die dwaling vervallen. In den Annuaire des deux Mondes van 1860, wordt myn werk behandeld als ’n pleidooi voor Vryen-arbeid, dat het zyne toebracht tot den val van ’n behoudend—kultuurstelselig—ministerie. En ’t een, en ’t ander is onjuist. Ik heb noch in den Havelaar, noch later, my ingelaten met de voddige voorgehuichelde geschilpunten die men in den Haag gebruikt om ministeriën te ondermynen. Even als ik ieder mensch goed noem die goed handelt, zonder te vragen naar z’n geloof, evenzoo zou ik ’n Minister aanhangen die rechtvaardigheid beoefent, onverschillig of-i oude stelsels aankleeft, of nieuwe verkondigt. Die rechtvaardigheid nu heb ik tot-nog-toe zoowel aan de zyde van ’t behoud, als aan den kant der zoogenoemde liberalen tevergeefs gezocht. En zoolang dit niet verandert, is ’t me onverschillig wie er regeert. En den Javaan ook.
Geheel alleen echter sta ik niet met m’n opinie over de ledigheid, de nutteloosheid, de ontydigheid der kwestiën van den dag. Ik las in ’n brochure, onlangs uitgekomen by Günst te Amsterdam10 de volgende eenvoudige maar veel beteekenende woorden: