1 Havelaar, 1 Deel, pag. 100, uitgave 1860. Latere uitgaven van dat werk heb ik nooit onder de oogen gekregen (noot van 1873).

De aangehaalde zinsnede komt in deze uitgaaf voor op blz. 65 van den Max Havelaar.

2 De hier bedoelde brief is herhaaldelyk gedrukt, en komt in deze uitgaaf voor in ’t volgende deel onder de «Verspreide Stukken».

3 De titel is Gouverneur-Generaal... enz., opperbevelhebber van Zs. Ms. Land- en Zeemacht, beoosten de Kaap de Goede Hoop. De rang is of schynt officiëel nagenoeg geassimileerd aan dien van Luitenant-Generaal, maar ten-onrechte. Want de Luitenant-Generaal, Kommandant van ’t leger, en de Vice-Admiraal, Kommandant der Zeemacht, staat onder dien Gouverneur. De laatste behoudens eenige directe ondergeschiktheid van meest administratieven aard, aan den Minister van Marine.

De juiste titel van den Landvoogd in Indië zou wezen: Luitenant des Konings of Onder-Koning, met Maarschalksrang.

Ik begryp dus niet waarom jongelui die eerzucht gevoelen en begeerte naar ’n Maarschalkstaf, hun carrière ontvangen te Willemsoord of te Breda. De weg tot het hoogste militair Kommandement in den Staat, leidt door den corridor van een prokureurskantoor... of gekker nog: men is in Indië vyf jaren lang geplaagd geweest met een Gouverneur-Generaal die z’n loopbaan begon met ’n mislukt examen voor schoolmeester van den laagsten rang. Zoo springen de Haagsche cliques om met de hoogste belangen van den Staat.

Ik sta volstrekt niet de leer voor, dat men te vragen hebbe: «hoe en waar heb gy geleerd?» Wie wat weet, wie wat kan, wie wat is vooral, behoeft geen certificaat van oorsprong. Daarvoor geldt in zoo’n geval, het genie. Heeft men ooit daarnaar gevraagd? Dit betwyfel ik, en niemand beweerde dit ook. Voor Gouverneur-Generaal, Minister en... Volksvertegenwoordiger schynt men den eersten den besten te kunnen gebruiken.

4 Havelaar, blz. 247.

5 Minnebrieven, pag. 111 en vlg.

6 «Ik vraag of ik op 29 Maart onwaarheden in myn belang kon vorderen van een ambtenaar, wien ik den 5den te-voren den brief schreef No. 97?» [Brief aan den Gouv. Gen. in ruste].

Om te beoordeelen of ’t mogelyk was dat iemand my het hof maakte met onwaarheden, leze men voorts den brief aan den Kontrôleur, die voorkomt in den Havelaar, pag. 169. Ik stel voor, den brief te doen opnemen in ’t Regeerings-Reglement, om den Gouverneur-Generaal te dienen als handleiding tot het bekomen van eenige kennis der waarheid. Maar er is eigen onderzoek ook noodig, anders helpt het niet veel.

7 In ’t officiëel Regeerings-verslag over 1856 worden die knoeieryen te Lebak erkend, maar men vermydt, met de oneerlykheid die ik byna zonder uitzondering overal ontmoet, my te noemen. De ontdekking wordt daar voorgedragen als vigilantie van de Regeering.

8 Ik had m’n manuscript niet aan den Heer van Lennep verkocht. Ik en niet hy, had de beschikking over myn werk. Ik heb ’n brief van dien heer, waarin hy ’t voortgaan met drukken laat afhangen van het antwoord dat ik van den Koning wachtte.

Indien dus de Koning geantwoord had, indien dat antwoord geweest was zoo-als ik verlangde, dan zou de Max Havelaar niet verschenen zyn.

Het voorgeven van den heer van Lennep dat hy eigenaar was van ’t kopierecht, is van later datum, en van later uitvinding.

Ik heb in de eerste instantie het proces over die zaak verloren. En te-recht. Wanneer ik zitting had gehad in de Arrond. Rechtbank te Amsterdam, zou ik niet anders gestemd hebben. Voor de rechtbank immers is slechts gewezen op ’n stuk waarin ik verklaarde myn boek in vollen eigendom aftestaan aan den heer van Lennep. Maar de wyze waarop die heer dat stuk had in handen gekregen, namelyk: «OM NU MET EEN UITGEVER EEN CONTRACT TE KUNNEN SLUITEN» is niet aangeroerd.

Overeenkomsten, aangegaan ten gevolge van... neen, neen... dat wetsartikel—tevens ’n artikel uit het wetboek van eenvoudige eerlykheid—zal ik aanhalen by de behandeling myner zaak in appèl.

Appelleeren? Ja. Maar voor ’n Gerechtshof niet. Ik heb geen geld.

Maar ik zal appelleeren voor de rechtbank der publieke opinie. En dáár zal ik winnen, Mr. van Lennep!

Wat zou ’t bovendien baten of ik die zaak won voor een gerechtshof? Een gunstig vonnis zou den heer van Lennep noodzaken my de behaalde winst uit te betalen, en dit is myn zoeken niet. Ik heb den Max Havelaar niet geschreven om geld te winnen. De hoofdzaak is dat door hoogen prys en trage verspreiding, het juiste oogenblik is verstreken om ’n beroep te doen op ’t Volk. Dat oogenblik kan geen gerechtshof my teruggeven9 (1866).

9 Eenige toelichting van deze zaak is te vinden in Ideën 287 en 288, vooral in de by ’t laatste nummer in den vyfden druk gevoegde noot. (1873).

10 Nederland en Max Havelaar door Philoverax.

11 Handels- en Effectenblad, 6 December 1861.