BRIEF AAN DEN GOUVERNEUR-GENERAAL IN-RUSTE. 1Tot vervelens toe heb ik gezegd geen schryver te zyn. Om duidelyk te maken waarom ik deze kwalifikatie ver van my werp, behoef ik slechts te wyzen op ’t verdriet dat my de opgang van den Havelaar heeft veroorzaakt. Het “mooi-vinden” van dat boek is door de Natie gebruikt als huichelachtig voorwendsel om zich te onttrekken aan de zaak die daarin behandeld wordt. Men zie hieromtrent de vertellingen over den Impresario, over Chresos, over Dimanche, in de Minnebrieven. Ik weet niet wat verachtelyker is. Don Juan’s laaghartig vleien, of de plompe wraakzucht van Schmoel.
Om evenwel den “mooivinders” hun voorwendsel te ontnemen, volge hier de herdruk van een stuk, waarin een brief voorkomt aan den Gouverneur-Generaal in-ruste. Deze brief ging den Havelaar ruim twee jaren vooraf, en is eerst na ’t verschynen van dat boek gepubliceerd. Wanneer letterkundige roem of de begeerte om opgang te maken, m’n doel ware geweest, zou ik m’n grieven niet zoolang in stilte hebben behandeld.
’t Spreekt vanzelf dat de ellendeling aan wien ’t gemoedelyk schryven gericht was, daarop niet heeft geantwoord. Hy rustte! Ik hecht er aan dat dit stuk bewaard blyve, opdat men later in-staat zy met nuchterheid te oordeelen over m’n goed recht, en over de gegrondheid myner grieven tegen nederlandsche schelmery die in dat zwygen berust heeft.
Men bedenke toch by ’t lezen, dat ik schreef aan den man wien de zaak rechtstreeks aanging, en die door de hem aangeboden bylagen werd in-staat gesteld, elke bewering te toetsen aan de bewyzen die ik overlegde. Men vergelyke overigens alles wat ik omtrent die treurige Lebaksche geschiedenis meedeel met de “Vraagpunten aan den kontroleur” die ik publiceerde in de Minnebrieven, en met den specifieken staat van gestolen buffels.
Hoe toch moet ik ’t aanleggen, om m’n lezers optewekken tot het beoordeelen der zaken die ik behandel? Ik geloof niet dat de straks volgende brief aan Duymaer van Twist zoo byzonder mooi is, en hierom juist wil ik dat hy bewaard blyve. Als de “mooiheid” van den Havelaar zal versleten zyn, wordt er misschien eenmaal op dàt stuk recht gedaan aan m’n kinderen!
Wie ’t vreemd vindt dat ik hier over my en de mynen spreek en niet over de zaak der Javanen: bedenke dat ik de vertegenwoordiger van de zaak ben. Ik heb deze eer veroverd door wat ik om hunnentwil opofferde. Wie meent meer recht te hebben op ’t reprezenteeren van rechtdoen in Indië, gelieve z’n geloofsbrieven overteleggen. Wanneer die in orde zyn, zal ik terstond m’n plaats afstaan, en waarlyk met groot genoegen!
Tot zoolang echter blyf ik beweren dat de Nederlandsche Regeering geen herstel van grieven beoogt, dat ze geen rechtvaardigheid wil, indien ze voortgaat my te miskennen. Ik alleen tot-nog-toe heb door daden bewezen, rechtvaardigheid te willen. Wie my ter-zyde schuift, wil onrecht. De tegenwoordige Minister had de impudentie my te zeggen dat ik niet den minsten invloed had uitgeoefend op indische zaken. Hy zeker, toen-i in den Javaschen oosthoek fortuin maakte met de kruieniery! Ik ontken dien invloed niet. Juist de som van zùlke invloeden zal bewerken dat de Javaan ons eindelyk wegjaagt. Maar wel ontken ik dat de waardigheid der Natie gediend zou wezen met de resultaten van invloeden, die uitvloeien van zùlke bron! Dat de chefs der huizen in de rotterdamsche Zandstraat invloed oefenen op moraal en gezondheid, is zeker. Maar niet goed zou ’t wezen die heeren—na gemaakte zaakjes—te benoemen tot opzichters over zeden en hygiène. Ik kan verzekeren dat de Javaan zulke benoemingen schandelyk vindt. Hy begrypt zulke “accommodements avec la morale” nog altyd niet!
Nog-eens, ik heb metterdaad bewezen rechtvaardigheid te willen. En, wie hoogmoed, eerzucht of eigenwaan meent te ontdekken in deze bewering ... hy neme myn plaats in! Maar: met de lasten, en onder ’t overleggen van behoorlyke lettres de créance. Men mag geen aanspraak maken op rem et pretium te-gelyk. Dit is, meen ik, ’n regel in rechten, en wat meer zegt: ’n regel van Recht! 2 MAX HAVELAAR AAN MULTATULI.
Waarde Multatuli! Tine is vry wel, maar Max is aan ’t vechten met ’n kies. Hoe komt het toch, dat de Natuur, die sedert duizende jaren zich bezighoudt met het leveren van iets meer dan één mensch in de sekonde, na zoo lange oefening nog niet geleerd heeft zoo’n mensch d’emblée kompleet te maken? Weet ge ook, of honden en katten last hebben van ’t tanden krygen? Ik zie niet in waartoe het dient? Ik had ’n meester die beweerde dat alles z’n doel had—als kind kon ik hem hierin nog niet tegenspreken—maar hy wilde dat doel aanwyzen, uitleggen, verklaren... en dan bemerkte ik dat hy dikwyls misschoot. Wenkbrauwen: zweet des aanschyns. Goed! Knevels? Op deze vraag werd hy vies. “En de vrouwen dan,” vroeg ik verder, “als ze verkouwen zyn?” Maar hy zei dat ik pedant en lastig was. Hierin had hy gelyk. “Maar: meester, hoe komt het, dat ik zoo pedant en lastig ben?” Toen werd ’k gerelegeerd by de absente knevels van de vrouwen. En thans weet ik waarachtig noch het een, noch het ander. Eén van beide: de Natuur is volmaakt en weet wat ze wil, of zy is niet volmaakt en weet niet wat ze wil. Of ik voldoe aan m’n bestemming door m’n lastigheid, òf ’t is ’n fout van de dames dat ze geen knevels dragen.
Denk hierover eens goed na, Multatuli, en deel me den uitslag mee. Ik vind zoo’n onderzoek nuttiger dan dat uitschryven van verzen, die je uit m’n pak haalt. Laat dat na. Hierby zal ieder winnen: jy, ’t publiek en ik.
Maar het zou my innig spyten, wanneer je tot het besluit kwam dat ik myn pedanterie moest opgeven. Het is m’n lievelingsondeugd, en, entre-nous, ik geloof dat er onder de lieden die daarover klagen, velen zyn die ’t van me winnen in pedanterie. Ik heb ’n chef gehad, die eenmaal, na me vaderlyk berispt te hebben over m’n verwaandheid, z’n toespraak sloot met de woorden: “zie naar my, m’n jongen: ik ben zóó knap, en toch ben ik altyd modest gebleven.”
Zoo knap als hy ben ik nooit geworden—hy was namelyk Staatsraad in ik weet niet welk een soort van dienst—maar en revanche heb ik me ook nooit schuldig gemaakt aan zooveel modestie. Ik geloof dan ook dat modestie—even als eerlykheid en neusdoeken—’n menschelyk uitvindsel is, en dat de waarheid, de zuivere, naakte waarheid—onverschillig of ze ons baat of schaadt... vernedert of verheft—den grondtoon moet aangeven van ons spreken en schryven. Er blyft nog altyd genoeg onwillekeurige leugen in den toon over, helaas! Ik heb uitgerekend dat men op dertien verschillende manieren, en met dezelfde woorden toch, zeggen kan dat men z’n vader vermoord heeft, of makaroni gegeten.
“Le ton fait la chanson.” Uw “ton” deugt niet! Neem me niet kwalyk dat ik je rond-uit m’n meening zeg, en wyt het aan de gemeenzaamheid die ’t gevolg is van onzen langdurigen omgang. Wat al water zou er gestroomd zyn door de grachten van Amsterdam—àls dat water stroomde—sedert ik u het eerst ontmoette met wat kennis. Ik herinner me dien dag, al was het gister! Je beet op je duim, maakte je hof aan een oude vrouw, op wier schoot je lag met je beenen omhoog. En je hebt haar recht hartelyk geschopt! En ze scheen niet ongevoelig voor die bewyzen van genegenheid, want ze noemde je ’n lieve jongen, en kuste je. Maar ze belette je ’t verder schoppen, door je intespelden in ’n luur.
Wat heb ik veel met je uittestaan gehad, sedert die eerste liefde! Ik hield niet van je, en offerde je op au premier venu. Zelfs was ’t me dikwyls ’n genoegen om je te smalen en te schimpen, en toch, toch kon ik me niet afscheiden van u, dien ik zoo lang en zoo intiem gekend had. Ik was aan je gehecht als ’n kind aan zyn katje, en vermaakte my vaak met je op den staart te trappen, en te doen schreeuwen. En ik legde je ’t zwygen op, als je geschreeuw me verveelde. Maar je was niet altyd gehoorzaam... neen, dit was je zelden! En zelfs als ik je ’t schreeuwen toestond, was meestal je toon niet naar m’n zin.
Daar heb je nu, byv. dat boek over de koffiveilingen, waarin je zooveel over my schreef... is dat nu ’n manier om my genoegen te doen? Je vertelt aan de heele wereld dat ik verzen gemaakt heb, en steelt me het brood uit den mond. Ik was juist in onderhandeling over ’n betrekking by de Inkomende Rechten. Ik meende er op te kunnen rekenen, en had al aan kleinen Max ’n paar schoentjes beloofd. Maar toen men van u vernam dat ik dichter was...
Is dit nu fraai van je? O, ik weet wel dat je met satanieke filosofie me zult antwoorden, dat Inkomend-Recht ’n misbruik is, ’n schandelyk, schadelyk misbruik, ’n overblyfsel uit de middeleeuwen. Dat het afkoop is van roof, en gereglementeerde afzettery... dat men de wachthuisjes van de douane gebouwd heeft van ’t materiaal van ingevallen roofsloten...
Dit wil ik aannemen, maar de schoentjes van Max dan?
“O, zeg je, er zyn zooveel volken die geen schoenen dragen...”
O god, o god, wat moet ik m’n kind antwoorden, als het me vraagt waarom ik hem geen schoenen koop?
Ik ben afgedwaald. ’t Is dan ook niet moeielyk aftedwalen, als ’n kind om schoentjes vraagt te-vergeefs!
Maar ’t zal niet weer gebeuren... in dezen brief niet!
Ik zei dat je toon niet deugde. Waarom gaf je niet liever, in-plaats van dat boek te maken, eenvoudig den brief dien ik schreef aan den Gouverneur-Generaal in ruste? Heb je dien niet gevonden in m’n pak? Zoek er eens naar. Hy ligt, als ik wèl heb, tusschen Job en Vauvenargues. En kyk-met-een Vauvenargues eens in... maar Job hoeft niet. Want dan ga ik weer aan ’t verzen uitschryven, en er is proza noodig, anders begrypen ze je niet. Lees liever eens na wat Le Maistre aan zyn gouvernement schreef; aan het gouvernement dat niet verwonderd wilde zyn. En tracht eens te zien te krygen wat Charles Lavollée over China zei... en doe er niets by van je zelf, want dan bederf je ’t weer.
Als je nu niet letterlyk doet, wat ik je verzoek, breek ik met je voor altyd. En als je weer uitstrooit dat ik een dichter ben, doe ik je ’n proces van injurie aan, want je zoudt me schaden in de opinie myner medeburgers, en ik hecht byzonder veel aan die opinie. Er kon weêr ’n betrekking openkomen by de Rechten!
En zoo’n proces zou je verliezen. Want ik heb getuigen! Vraag eens aan den Minister van Koloniën, of ik niet ’n goed bureau-man was in 1848 en volgende jaren? Vraag hèm of er poësie was in m’n statistieken? Hy zal zeker party voor me trekken, en woedend boos op je wezen, want onwaarheid duldt hy niet! Beter dan iemand, weet hy dat ik de man van cyfers en staten ben. Ja, gaarne zal hy getuigen dat hy eens zoo verliefd is geweest op m’n proza, dat hy beloofd heeft my tot z’n partikulieren sekretaris te verheffen, wat dan ook nooit geschied is.
Geef iets aan de oude jodin, die zoo tragisch roept: “got segent jedle heer, wâ sieje bleek!” Maar zeg haar dat er ’n fout is in haar modus van ’t zegenen, en let eens op de schoentjes van haar kleinen jongen.
En als ze vraagt naar m’n kind, keer u dan af, en schrei niet!
Max Havelaar.
Ik heb die jodin niet gezien. Maar in de buurt van Job vond ik werkelyk den brief waarvan hy spreekt. Ik zal dien meedeelen na eerst verteld te hebben wat ik vond van Vauvenargues, van Charles Lavolleé en van Joseph le Maistre3. Ik houd alle kommentaar terug, want ik wil geen twist met hem hebben. Maar pedant en lastig is-i, dat wil ik toch even zeggen.
Vauvenargues.
Tout ce qui sort de la route ordinaire des usages, effraie ou choque ceux qui, favorisés par ces usages mêmes, n’ont jamais eu besoin de les braver; et voilà pourquoi les gens de la cour observent d’ordinaire, à l’égard des gens en place, une beaucoup plus grande circonspection, que ceux qui, placés dans les rangs inférieurs, ont beaucoup moins à perdre, et par cela même peuvent risquer davantage.
Vauvenargues, malheureux par sa santé, par sa fortune, et surtout par son inaction, sentait qu’il ne pouvait sortir de cette situation pénible, que par une résolution extraordinaire. Les caractères timides en société, sont souvent ceux qui prennent le plus volontiers des partis extrêmes dans les affaires embarrassantes; privés des ressources habituelles que donne l’assurance, ils cherchent à y suppléer par l’élan momentané du courage; ils aiment mieux risquer une fois une démarche hasardée, que d’avoir tous les jours quelque chose à oser.
Vauvenargues, étranger à la cour, inconnu du ministre, dont il aurait pu solliciter la faveur, privé du secours du chef qui aurait pu appuyer sa demande, prit le parti de s’adresser directement au roi, pour lui témoigner le désir de le servir dans les négociations. Dans sa lettre, il rappelait a Sa Majesté, que les hommes qui avaient eu le plus de succès dans cette carrière, étaient ceux là mêmes que la fortune en avait le plus éloignés. Qui doit, en effet, ajoutait-il, servir Votre Majesté avec plus de zèle, qu’un gentilhomme qui, n’étant pas né à la cour, n’a rien à espérer que de son maitre et de ses services?”
Vauvenargues avait écrit en même temps a M. Amelot, ministre des affaires étrangères. Ses deux lettres, comme on le conçoit aisément, restèrent sans réponse. Louis XV n’était pas dans l’usage d’accorder de places sans la médiation de son ministre, et le ministre connaissait trop bien les droits de la place, pour favoriser une démarche, où l’on croyait pouvoir se passer de son autorité.
Vauvenargues, ayant donné, en 1744, la démission de son emploi dans le régiment du roi, écrivit a M. Amelot une lettre que nous croyons devoir transcrire ici.
»Monseigneur,
»Je suis sensiblement touché que la lettre que j’ai eu l’honneur de vous écrire, et celle que j’ai pris la liberté de vous adresser pour le roi, n’aient pu attirer votre attention. Il n’est pas surprenant peut-être, qu’un ministre si occupé ne trouve pas le temps d’examiner de pareilles lettres, mais, monseigneur, me permettrez-vous de vous dire, que c’est cette impossibilité morale où se trouve un gentilhomme qui n’a que du zèle, de parvenir jusqu’à son maître, qui fait le découragement que l’on remarque dans la noblesse des provinces, et qui éteint toute émulation? J’ai passé, monseigneur, toute ma jeunesse loin des distractions du monde, pour tâcher de me rendre capable des emplois, où j’ai cru que mon caractère m’appelait; et j’osais penser qu’une volonté si laborieuse me mettrait du moins au niveau de ceux qui attendent toute leur fortune de leurs intrigues et de leurs plaisirs.4 Je suis pénétré, monseigneur, qu’une confiance que j’avais principalement fondée sur l’amour de mon devoir, se trouve entièrement déçue. Ma santé ne me permettant plus de continuer mes services à la guerre, je viens d’écrire a M. le duc de Biron, pour le prier de nommer à mon emploi. Je n’ai pu, dans une situation si malheureuse, me refuser a vous faire connaître mon désespoir. Pardonnez-moi, monseigneur, s’il me dicte quelque expression qui ne soit pas assez mesurée.
»Je suis, etc.”
Ziehier het tweede stuk dat-i me opdroeg in z’n pak te zoeken.
Charles Lavollée over China.
Pour administrer tant de provinces, plus grandes que des royaumes, il faut que l’empereur et ses ministres soient assurés d’une obéissance passive, et qu’ils comptent sur l’exécution immédiate de l’ordre une fois donné. Les observations, les conseils même, sont mal accueillis, et taxés de révolte. Mais alors qu’arrive-t-il? C’est que les fonctionnaires, moins peut-être par adulation que par crainte, envoient dans les moments critiques des rapports incomplets ou inexacts, dissimulent les petites difficultés, amoindrissent ou dénaturent les difficultés sérieuses, se décernent des triomphes diplomatiques et militaires, imaginés pour l’entière satisfaction de leur cour, enfin saturent leurs depêches de toutes les exagérations, de tous les mensonges que peut contenir un récit officiel. Trompé par leurs rapports, et conservant ses illusions, le cabinet impérial s’obstine dans le vieux systême, il repousse toute idée de concession, et les affaires s’agitent dans une sorte de cercle vicieux, ou s’accumulent les malentendus et les embarras.5
JOSEPH LE MAISTRE aan zyn Gouvernement.
Ja, Max, ’t is volstrekt noodig dat ik hier wat by zeg, of: “ZE begrypen je niet.” Ik vind dat “ze” onhoffelyk, en scherper dan de uitvallen die je zoo afkeurt in my. Hoe dit zy, ik ben aan de nagedachtenis van Le Maistre verschuldigd, te zorgen dat men hem niet behandele als ’n verzenmaker. Ik houd veel van Le Maistre. Hy had overtuiging, hy was geheel wat-i was.
De onttroonde koning van Sardinië wachtte op Sicilië den loop der gebeurtenissen af. De kolos die hem ter-zy geschoven had, kon sterven. Misgewas kon ontevredenheid wekken, en ontevredenheid, onwil. Onwil, machteloosheid, en machteloosheid, neêrlaag. “Alles verandert—zoo redeneerde waarschynlyk die koning in partibus—het kan niet altyd blyven zooals ’t is. Wie weet hoe spoedig ik m’n koninkschap weêr aanvaarden kan.” Ja, men zegt dat hy zich reeds bezighield met het herscheppen van de uitmonstering der kragen van de garde, die hy zou laten exerceeren, exerceeren ...
Maar Joseph Le Maistre, die voor half geld ... neen, nagenoeg zonder bezoldiging—hy deelde het middagmaal met z’n knecht—de betrekking waarnam van resident zyner onttroonde Majesteit, aan het Russische hof ... Joseph Le Maistre verzuimde geheel-en-al de zoo noodige studie der uitmonstering van de garde. Hy was excentriek genoeg om niet de minste sympathie te voelen voor ministers die de kleermakery verhieven tot zaken van staat, en onbekwaam als z’n groote tegenstander—die by z’n geëskorteerd bezoek te Berlyn, zoo onnoozel stond te kyken toen de koning van Pruisen hem toonde hoe er zeven rokrugbanen te snyden waren uit één breedte—ergerde hy zich over de fainéantise van z’n gouvernement at home, want hy was ’n man van handeling. Het verdroot hem te wachten tot de kolos zou gelieven te vallen ... hy wilde hem omstooten: ’n koalitie! Hy dacht hieraan met al de kracht van zyn zoo krachtig denkvermogen, en na lang beraad, na véél inspanning, na z’n pogen te hebben betaald met het beste van z’n ziel, riep hy uit: “ik heb het gevonden!”
Napoleon zou niet op z’n gemak zyn geweest, als hy gehoord had dat Le Maistre meende het middel gevonden te hebben om hem te doen vallen. Want Napoleon kende Le Maistre.
En toch had dezelfde Napoleon weer gerust kunnen wezen, want Le Maistre had ’n gouvernement ... er was ’n kabinet op Sicilië!
Le Maistre nu schreef aan zyn Sardinische Majesteit. Hy schreef duidelyk, uitvoerig, overtuigend. Hy boog zich neer tot de vatbaarheid van ministers, en misschien heeft hy, als Havelaar, gezegd: anders begrypen ze ’t niet!”
Nu moet ik erkennen dat er in het plan van onzen diplomaat wel iets was dat afkeuring verdiende; ’t was eenvoudig. De koning verlangde naar z’n garde, naar z’n kroon, en naar wat daarby behoort.
Er was weinig kans tot een-en-ander te geraken, want Napoleon behield gewoonlyk die dingen, wanneer ze eens in z’n macht waren voor zichzelf. Men wachtte dus op ’n ommekeer van ’t lot, op Himmels einfallen, en zie daar komt ’n man op half traktement, die niet eens den rang van Excellentie had, met een plan voor den dag dat, dat ... kortom, hy bracht het verloren speelgoed weer, en de goddelyke légitimiteit zou zegepralen over ’t ondragelyk parvenuschap van den gehaten indringer, die niet wist hoe men ’n militairen rok snydt.
Natuurlyk werd het plan van Le Maistre verworpen.
Deze verzocht verschooning voor z’n verkeerdheid, en wat nu volgt, is ’n uittreksel uit den brief, waarin hy dit deed. Met onzen Max ben ik van meening dat deze weinige regelen opheldering geven van veel wat anders onverklaarbaar schynt.
Comment donc cette idée a-t-elle été si mal accueilli à Cagliari? Je crois que vous m’en dites la raison, sans le savoir, dans la première ligne chiffrée de votre lettre du 15 février, où vous me dites que la mienne est un monument de la plus grande surprise. Voilà le mot, monsieur le ministre: le cabinet est SURPRIS ... tout est perdu. Envain le monde croûle, Dieu nous garde d’une idée IMPRÉVUE.6 Et c’est ce qui me persuade encore davantage, que je ne suis pas votre homme, car je puis bien vous promettre de faire les affaires de S. M. aussi bien que tout autre, mais je ne peux vous promettre, de ne jamais vous SURPRENDRE. C’est un inconvénient de caractère, auquel je ne vois pas trop de remèdes!
En nu:
Havelaar aan den Gouverneur-Generaal in-ruste.7
Brussel, Januari 1858.
Excellentie!
Voor negentien jaren trad ik in dienst van het Nederlandsch-Indisch gouvernement. Ik ging by myn chefs door voor yverig, wèlopgevoed en bekwaam. De bewyzen daarvan bevinden zich in de archieven, en moeten Uwe Excellentie voorgelegd zyn.
Ik heb vele en velerlei betrekkingen vervuld. Ik was successief geplaatst te Batavia, op Sumatra, te Poerwakarta, in Bagelen, te Menado, op Amboina, en laatst te Lebak.
Sommige dier betrekkingen waren moeielyk.
Op Sumatra, waar ik in 1843 de afdeeling Natal bestuurde, vond ik de bevolking in gisting, ten-gevolge van den sedert kort geëindigden oorlog tegen de Padries, en van de, door den gouverneur te Padang genegeerde, maar niettemin bestaan hebbende, samenzwering van Jang-di-Pertoean in de Battah-landen. De processtukken over den aanslag van den Maleyer Si Pamaga tegen het leven myns voorgangers, en dat van den Toeankoe van Natal, leveren daarvan het bewys.8
Te Menado, waar ik drie jaren sekretaris was, heb ik naar myn beste krachten medegewerkt tot de reorganisatie der residentie. By myn schryven van 6 Augustus 1851 No. 476, beval de resident my dringend tot zyn opvolger aan.
Iets later werd ik benoemd tot adsistent-resident, magistraat en kommandant der burgery te Amboina. De benoeming was van beteekenis en eervol.
Amboina toch was in onrust en spanning. Men had ter voorkoming van konflikten noodig gevonden het inlandsch bestuur met het burgerkommando te vereenigen. Het gezag zoowel van den gouverneur der Molukken, als dat van den adsistent-resident was ondermynd. Myn voorganger was feitelyk aangerand. Oproerige troepen volks bedreigden den gouverneur op Batoe-Gadjah.
Ik herhaal dus dat myn benoeming tot adsistent-resident onder die omstandigheden vereerend was. En dit nog te meer, daar ik de eerste adsistent-resident van Amboina wezen zou, die ter vermyding van een gezagstwist, als er plaats had na den dood van den generaal Cleerens, den gouverneur der Molukken by ontstentenis of onvermogen zou vervangen, gelyk by het besluit myner benoeming bepaald was.
Ik heb te Amboina niet kunnen doen wat ik wilde. Ik had te kampen met oproer onder my, met lauwheid of timiditeit boven my. Ergernis over het laatste heeft me ziek gemaakt. Ik werd in 1852 bewusteloos ingescheept naar Europa.
De toenmalige gouverneur had later de eer Uwe Exc. op een reize in de Molukken te vergezellen. Als er op dien tocht onder hooger belangen, tyd mocht overgeschoten zyn ook myn persoon te gedenken, kan hy aan Uwe Exc. niets dan goeds van my gezegd hebben.9 My althans heeft hy, ook na myn vertrek, nog vereerd met vele bewyzen van hoogachting.
En ten-laatste blykt er uit een zinsnede der kabinets-missive van Uwe Exc. van 23 Maart 1856 No. 24, dat zich gedurende de zeventien jaren die ik toen het gouvernement diende, de goede meening over my heeft staande gehouden. Uwe Exc. zelf verklaart daar, dat ik by het gouvernement gunstig genoteerd stond.10
Ik had dus by den aanvang en het vervolgen myner loopbaan, gegronde uitzichten op een goede carrière.
Die uitzichten zyn niet verwezenlykt.
En de verydeling myner hoop is niet als die van velen, die zich beklagen over eenigen rang lager, of eenig inkomen minder dan dezen of genen ... neen, de schipbreuk van m’n leven is totaal. Ik ben armer dan de armste daglooner. Het papier waarop ik schryf is geborgd. Meermalen heb ik geen plaats om het hoofd ter-ruste te leggen. Myn vrouw en kinderen heb ik moeten opdragen aan het medelyden myns broeders.
Op de mislukking myner vooruitzichten heeft Uwe Exc. een noodlottigen invloed uitgeoefend.
Ik heb Uwe Exc. een verzoek te doen. Haar antwoord daarop zal misschien beslissen over myn leven en dat van myn gezin. De wyze waarop ik dat verzoek inkleed, is dus voor my van het hoogste belang. En toch, toch moet ik alle captatio benevolentiae versmaden, en aanvangen met de uitdrukkelyke verklaring die deze alinea voorafgaat.
Want ik geloof dat ik aan iemand schryf, die een hoogeren rang heeft dan koningen hem geven of ontnemen kunnen, ik geloof dat Uwe Excellentie eerlyk man is. Ik geloof dat Uwe Excellentie onwetend en onwillens onrecht deed ... maar onrecht was het!
Ik meen Uwe Exc. en myzelf te vereeren, als ik ronduit de waarheid zeg, ook waar ze onaangenaam klinken moge. En al ware het dat ik me weder bedroog, ik kan niet anders!
Meermalen als ik dezen of genen aantoonde hoe de stand der zaken was in de afdeeling Lebak, vraagde men verbaasd of Uwe Exc. dat wist? Of ik dat aan Uwe Exc. geschreven had?
Neen, Uwe Exc. wist het niet. Ik had het Uwe Exc. niet geschreven. Maar Uwe Exc. had het kunnen weten!
Ik geloof dat Uwe Exc. het had moeten weten!
Ik had verzocht: gehoord te worden. Officieele missive 28 Februari 1856 No. 93, geheim.11
Aan dat verzoek is niet voldaan.
Te Batavia heb ik door den adjudant baron van Heerdt laten verzoeken Uwe Exc. eenige oogenblikken te naderen.
Uwe Exc. had een abcès aan den voet. Ik werd niet toegelaten.
Andermaal liet ik, toen ik vernam dat Uwe Exc. hersteld was om gehoor verzoeken. Ik bekwam van den adjunkt-sekretaris Hoogeveen ten antwoord, dat Uwe Exc. door de drukte van Haar aanstaand vertrek, verhinderd was my te ontvangen.
Den avond vóór uw afreize bad ik weder, en zeer dringend, om gehoor, ditmaal schriftelyk.12
Zy het dezen avond, schreef ik, zy het heden nacht, zy het morgen vroeg ...
Ik bekwam geen antwoord.
Waarom wilde Uwe Exc. my niet hooren?
Gesteld dat al myne meeningen onjuist waren, dat ik alles verkeerd inzag, en dat zy recht hadden die my tegenwerkten... gesteld, dat ik in alles dwaalde: dit wist uwe Exc. toch, dat ik in die dwaling eerlyk was! Dat ik myn bestaan had opgegeven voor een principe.
Vond Uwe Exc. dusdanige personen in Indië vele?
Waren er velen zoo, onder de audiëntie-loopers die bedelen kwamen om traktements-vermeerdering, of hoogeren rang?
Had men Uwe Exc. zoo te-over verzadigd van integriteit, dat het haar walgde iemand te zien die zyn werk er boven zyn leven stelde?
Ik geloof het niet, Excellentie!
En wat ik dan toch Uwe Exc. te zeggen had?
Het staat geschreven in myn brief van 15 April 1856 no. 153, den brief waarin ik het bestuur der afdeeling Lebak overgaf.13 Dààr staat het, waarom ik Uwe Exc. spreken wilde:
“Dadelyk kan ik u (de arme bedrukte bevolking) niet helpen. Doch ik zal naar Batavia gaan, ik zal den Grooten Heer spreken over uw ellende. Hy is rechtvaardig, en Hy zal u bystaan. Gaat voorloopig naar huis! Verzet u niet, verhuist nog niet ... wacht geduldig af ... ik denk ... ik hoop, dat er recht geschieden zal.”
Zóó schreef ik, ofschoon ik Uw afkeurende kabinets-missive14 ontvangen had! Ik hield Uwe Exc. voor misleid. Ik bouwde vast op uw rechtvaardigheid.
En nog heb ik myn woord aan de arme bevolking van Lebak niet kunnen inlossen. Nog moest ik antwoorden op de vraag: “wist Hy dat alles?” Neen, Hy wist het niet!
Maar had ik niet recht, toen ik zeide: Uwe Exc. had het kunnen, had het moeten weten?
Waarom wilde Uwe Exc. my niet hooren?
Het oogenblik is gekomen, waarop Uwe Exc. het weten zal, en ik hoop dat het Haar na het lezen van dezen brief zal bevreemden, dat ik niet eer schreef.
Ik wilde vóór alles beproeven, wat ik voornam in myn schryven van 28 Februari 1856 No. 93, geheim:
“Al ware het zelfs dat een hoogere macht dan die van UWEd.G.—des residents van Bantam—iets afkeurde in wat ik deed ... al ware het, dat ... doch neen, dit kan niet zyn, maar al ware het zoo—ik heb myn plicht gedaan!
Wel doet het my—zonder bevreemding niettemin—leed, dat UWEd.G. hierover anders oordeelt, en wat myn persoon aangaat, zou ik terstond berusten in wat my een miskenning toeschynt, maar er is een principe in het spel, en ik heb gewetensredenen die eischen dat uitgemaakt worde, welke meening juist is, die van UWEd.G. of de myne.
Anders dienen, dan ik te Lebak diende, kan ik niet. Wenscht dus het Gouvernement anders te worden gediend, dan moet ik als eerlyk man eerbiedig verzoeken my te ontslaan.
Dan moet ik, op zes-en-dertigjarigen leeftyd, trachten opnieuw een loopbaan aantevangen. Dan moet ik, na zeventien zware moeilyke dienstjaren, na myn beste levenskrachten te hebben ten-offer gebracht aan wat ik voor plicht hield, opnieuw aan de maatschappy vragen of ze my brood wil geven voor vrouw en kind, brood in ruil voor myne denkbeelden, brood wellicht in ruil voor arbeid met kruiwagen of spade, als de kracht van myn arm meer waard wordt gekeurd, dan de kracht myner ziel.
Maar ik kan, ik wil niet gelooven dat de meening van UWEd.G. door den gouverneur-generaal gedeeld wordt.”
Helaas!
Ik heb gedaan wat ik daar schreef. Er ligt een lange odyssee van jammeren tusschen dien brief en heden. Wat een gezin lyden kan!
Meermalen heb ik vluchtig den wensch in my voelen opkomen, dat ik my iets mocht te verwyten hebben. Dan toch ware het me licht gevallen, een schuldbekentenis interuilen voor brood. Ik had vrouw en kind kunnen kleeden met de opbrengst der schildering hunner naaktheid. Maar Uwe Exc. weet immers hoe Barneveld’s weduw genade vraagde voor de schuldige zonen, zy die geen genade gevraagd had voor den onschuldigen vader?
Ik vraag Uw genade, Uw medelyden niet, Excellentie.
En mocht Uwe Exc. meenen de zaken vergeten te hebben waarover ik schryf, ik zal ze duidelyk in Haar geheugen terugroepen. Ik zal afschriften overleggen van de gewisselde stukken. Ik zal zorgen dat Uwe Exc. weder wete wat Haar ontging, en wete wat Zy niet wist.
En zegge Uwe Exc. niet: “dit gaat my niet meer aan: ik ben niet meer Gouverneur-Generaal” ... want ik zou antwoorden met een zinsnede uit bylage H2: “Bedenk dat uw geweten niet van verplaatsing of ontslag afhankelyk is.”15
Gedurende myn Indische loopbaan was ik ruimschoots in de gelegenheid de wyzen na te gaan, waarop door beambten, zoo Europeesche als inlandsche, misbruik wordt gemaakt van de bevolking. Dit geschiedt in meerder of minder mate overal. Wèl wordt in het Regeerings-reglement den Gouverneur-Generaal uitdrukkelyk aanbevolen daartegen te waken ... wèl vordert men van de beambten met binnenlandsch bestuur belast—boven den gewonen ambtseed—den eed, de bevolking te zullen beschermen tegen uitzuiging en knevelary ... wèl wordt van-tyd tot-tyd iemand bestraft, die meer, of liever: die anders misdeed dan de gewoonte meebrengt, maar de hoofdzaak blyft wat ze was. Ik zou hiervan treurige voorbeelden kunnen meedeelen, en heb onder myn Indische herinneringen stof voor boekdeelen, doch wensch my in dit schryven striktelyk te bepalen tot hetgeen myn verzoek om ontslag onmiddellyk voorafging, en veroorzaakte.
Ik knevelde niet. Ik had een afschuw van onbetaalden arbeid. Ik gaf zooveel ik kon waar het noodig was ... en het was dikwyls noodig. Ik was, in weerwil van eenig vermogen dat myn vrouw my aanbracht, arm. Zelfs had ik schulden toen ik den dienst verliet.
De getuigenis die ik hier myzelf geef, wordt voor waar gehouden door ieder die my kent, en ik hoop dat ieder my kent, die dezen brief ten-einde leest.
Dikwyls had ik stryd over dit punt. Overal yverde ik voor billykheid, rechtvaardigheid, menschelykheid. De gronden die men tegen my aanvoerde, waren gewoonlyk: de algemeenheid van het kwaad, de gewoonte en vooral: “De geest des Gouvernements” die—heette het—niet wilde dat men in dusdanige zaken al te scherp zag, dewyl zulks eene het budget bezwarende traktementsvermeerdering zou ten-gevolge hebben.
Ik loochende het bestaan van dien geest des Gouvernements. Ik ontkende dat het de bedoeling wezen zou op onwettige wyze te doen aanvullen, wat aan wettig inkomen te-kort kwam. Ik wilde my houden aan de geschreven letter der wetten, en aan het gezond verstand, dat toch nooit kan toelaten dat uitzuiging systeem worde, ik wilde my houden aan rechtvaardigheid en eergevoel.
Hoe voorts andere ambtenaren den eed uitleggen dien zy deden, begryp ik niet. De gewoonte van het kwaad en de algemeenheid daarvan, maakt, meen ik, de noodzakelykheid tot tegengang des te grooter.
Ik weet dat er in een der vele konduite-rapporten over my, staat aangeteekend: “maar hy is eenigszins excentriek.”
Dit vereert me zeer, Excellentie! Meer dan de lof die dat “maar” voorafgaat.
Ja, ik was excentriek! Ja, ik vond het schandelyk, als woekerplanten te zuigen aan de armoede des Javaans! Ja, ik vond het schandelyk, myn tuin te mesten met het zweet dat den braakliggenden akker behoorde, myn paarden te doen voeden door lieden die hongerden! Schandelyk, te koopen tegen gedwongen prys, te doen arbeiden om-niet!
Ja, ik was excentriek! ik vond het stelen schande ... en dubbel schande waar het den arme treft, die niets te missen heeft! Honderdvoud schande, als hy steelt, die geroepen is tegen diefstal te waken!
Vóór ik de afdeeling Lebak betrad, wist ik wat daar gaande was. Reeds in 1845 en 1846, had ik in de residentie Krawang hooren gewagen van de ontzettende armoede die daar heerschte, en hoe de bevolking stelselmatig werd uitgezogen. Ik kende de familie des Regents van Lebak, en wel vele leden daarvan niet van een gunstige zyde. Het is die Regent, over wien sedert onheugelyke jaren in de konduite-rapporten, als ware het een eigenschap van verstand of hart, wordt vooropgesteld: “hy heeft een groote familie die hy onderhoudt.” Dit is overal de eerste “hoedanigheid” die men dezen Regent toeschryft, en voor ieder die de euphonie kent, welke de ambtenaren meenen in hun korrespondentie met het bestuur te moeten in acht nemen, heet dit vertaald: “een menigte nietsdoende vagabonden gebruikt hare verwantschap met den Regent om ten-koste der bevolking te bestaan.”
Door velerlei relatien was ik reeds lang in de Bantamsche afdeelingen geen vreemdeling. Ik wist hoe de later uitgebroken onlusten in de Lampongs, door Bantamsche uitgewekenen waren voorbereid, gevoed en versterkt, en ik kende de oorzaken van dat uitwyken. Ik wist hoe ongaarne eenige Bataviasche en Buitenzorgsche landheeren een intègre bestuur in het Bantamsche zagen. “Als er in Bantam niet gekneveld wordt, hebben wy volk gebrek” heb ik een hunner te Buitenzorg hooren zeggen. Ik wist dat, onder anderen, een groot gedeelte der opgezetenen van het particulier land Djassinga, uit gevluchte Bantammers bestond. Ik wist dat in Lebak sedert ruim twintig jaren veestapel en zielental nagenoeg onveranderd waren staan gebleven. En eindelyk, dat dáár—waar de ryst zoo goedkoop is in den oogsttyd, dat men de helft van het gewas voor snyloon betaalt—dat dáár geregeld alle jaren hongersnood heerschte!
By aankomst te Serang, sprak ik over dit alles met den resident, die ’t beaamde, doch de gewone gronden ter berusting uiteen zette, en als vermaning om niet te streng tegen de daar heerschende misbruiken te-velde te trekken, onder anderen aanvoerde: “dat dit alles in een andere Bantamsche afdeeling—Tjiringien—nog erger was.”
De kalmte en eenvoudigheid waarmee hy dit zeide, als sprak hy van iets dat hem niet aanging, overtuigde my al terstond dat er van hem niets te verwachten was. Dat bevreemdde my echter niet. Ik wist hoe de meeste residenten, met het oog op ’t aanstaand pensioen, zich tevreden stellen de zaken gaande te houden, er geschiedde dan later wat er wil.16
By aankomst te Lebak vond ik in den Regent iemand die my in den omgang zeer goed beviel. Ook is er tusschen hem en my nooit iets onaangenaams voorgevallen. Ik moet dit laten voorafgaan, omdat men later de zaak heeft willen verdraaien, als bestond er een veete tusschen hem en my. Reeds dit is een treurig teeken, dat men niet aan plichtsvervulling gelooven kon, zonder te denken aan vyandschap tegen den aangeklaagde. By my bestond juist het tegendeel. Ik had medelyden met den Regent, en trachtte hem te helpen. Het was niet dan myns ondanks dat ik hem aanklaagde. Dit alles blykt ten-duidelykste uit de beantwoording der door my aan den kontroleur gestelde vragen en bovendien uit het slot myner eerste aanklacht tegen den Regent.17
Dit inlandsch Hoofd erkende dat er veel misbruiken plaats vonden, doch gaf voor, daartegen te waken. Ik bemerkte aldra dat hy my hierin bedroog. Want het is een axioma van inlandsch bestuur, dat er niet kan gekneveld worden zonder dat de Regent er van weet. Een gering Javaan beklaagt zich niet gaarne over zyn hoofd, en toch duurde het niet lang voor men zich by my over weggenomen buffels en onbetaalden arbeid beklaagde.
In den aanvang bevreemdde het my dat men meestal des avends om gehoor verzocht.—Maar weldra—vooral daar ook de kontroleur en de Djaksa buitengewone omzichtigheid aan den dag legden—werd ik gewaar dat er te Lebak, meer dan elders, reden tot zulke omzichtigheid bestond. Zonder wellicht zelf de strekking te begrypen, verhaalde my de militaire kommandant hoe hy eenmaal des morgens het lyk van een inlander voorby het fort de rivier zag af dryven, dien hy zich den vorigen avond met een klacht tot den adsistent-resident had hooren wenden.18
Ik ging niettemin met zachte vriendelyke vermaningen voort. Ik hield den Regent zelf niet voor slecht, en er waren veel redenen die zyn pozitie moeielyk maakten. Het was misschien niet altyd met zyn medeweten, dat z’n “talryke familie” de bevolking afnam wat haar aanstond. Daarby was hy uiterst devoot, en gaf meer dan goed was aan Mekka-gangers, of voor het oprichten van bedehuizen, enz. uit. Hy had bovendien een voorschot aan het Gouvernement te betalen, waardoor zyn maandelyksche ontvangst tot een, voor een hoofd van zyn rang, onbeduidend cyfer werd teruggebracht. En de ongelukkige afdeeling Lebak bracht hem aan kultuur-emolumenten niets op. Daarby kwam de weelde der Regenten van Bandoeng en Tjanjor, die hy uit valsche schaamte meende te moeten navolgen, omdat hy het hoofd was der familie waarvan de Regenten te Tjanjor en te Buitenzorg leden zyn. En eindelyk de slechte voorbeelden die hy dikwyls voor oogen had gehad.19
Het bewys dat geen vyandschap tegen den Regent my bezielde, ligt in het slot van myn brief van 24 Februari 1856, No. 88.
“Ik heb de kracht tot het vervullen van dezen moeielyken plicht—myn aanklacht—gedeeltelyk geput uit de hoop dat het my vergund zal zyn later een-en-ander ter verschooning van den ouden Regent by te brengen, met wiens pozitie, hoezeer door eigen schuld veroorzaakt, ik diep medelyden gevoel.”
De klachten duurden altyd voort, en kwamen hoofdzakelyk uit het distrikt Parang-Koedjang, waar des Regents schoonzoon hoofd was.
Ik bied Uwe Excellentie extrakt uit de konduite-staten van 1855 aan. Zy gelieve daaruit te zien met welk een zwarte kool deze schoonzoon van den Regent daar staat aangeteekend, en te bedenken dat niet ik daarvan de schryver ben.
Die konduite-staten zyn vol beteekenis, en zouden stof opleveren tot vele opmerkingen, vooral door aantetoonen wat men daarby door “kleine willekeurige handelingen” verstaat. Ik durf bovendien vragen aan ieder die ooit in Indië binnenlandsch bestuur uitoefende, of het mogelyk is dat de schoonzoon eens Regents, in zyn hoedanigheid van distrikshoofd steelt en rooft, zonder dat de Regent daarin betrokken is? Het was in Lebak van publieke bekendheid, dat de Dhemang alleen dáárom zoo “ongevoelig was voor vermaningen” gelyk de berichtgever in de konduite-staten zich uitdrukt, omdat ieder wist dat hy voor, vanwege, en ten-behoeve van den Regent handelde, en dat hy er op vertrouwde dat men “dezen niet aandurfde.”20
Als het door my gevraagde onderzoek ware toegestaan, zou er gebleken zyn, dat het distrikt Parang-Koedjang wérd uitgezogen ten-behoeve van den Regent.
Gedurig zag ik troepen volks voorby myn deur gaan, die door den Regent van mylen ver waren opgeroepen om voor hem te arbeiden. Daaronder waren zwangere vrouwen, vrouwen met zuigelingen, kinderen. Deze lieden bekwamen geen betaling en geen voedsel. Men vond ze des avonds op den weg liggen. Zy leefden van boombladeren en aardwortelen, en er kwamen er die zand aten.21 Velen kwamen om.
De Regent, die my eenmaal in geschrifte plechtig had verzekerd, het hem toegekend getal heeredienstplichtigen niet te overschryden, dreef de onbeschaamdheid en het vertrouwen op zyn straffeloosheid zóó ver, dat hy my eenmaal—eveneens in geschrifte: ik bezit dat stuk—durfde voorstellen zeker stuk gronds door die onwettig gepreste lieden te doen bewerken. En zelfs de zeer vreesachtige kontroleur drong er op aan, den Regent over zyn wyze van handelen te onderhouden. Ook het billet waarin dit geschiedde, kan ik produceeren, en opmerkelyk is het daarby gedaan verzoek, toch vooral den Regent niet te doen blyken, dat hy kontroleur my dit gerapporteerd had, alsof hy daarin niet zyn bezworen plicht deed!22
Maar het was te Lebak gevaarlyk zyn plicht te doen.
Ik had evenwel de rapporten, noch van den kontroleur, noch van den Djaksa noodig.
Integendeel, nadat eenmaal de kontroleur op myn vraag naar de oorzaken zyner schuwheid, had geantwoord: “dat hy de eenige steun was zyner twee zusters”23 heb ik hem verboden my iets te rapporteeren. Myn woorden waren: “het is goed, myn jongen! Niet ieder is voor held of martelaar geboren; ik zal je niet meer beknorren over je halfheid.”
Van dat oogenblik af heb ik alles op my genomen, zoo zelfs, dat de kontroleur van den resident zelf voor het eerst vernam dat ik den Regent had aangeklaagd.
Hoe ik echter vóór die aanklacht te werk ging, blykt uit de mondelinge boodschap, die ik eenmaal den kontroleur opdroeg, toen deze naar Serang zou vertrekken.
”Zeg den resident dat hy, hoorende van de vele misbruiken die hier plaats hebben, niet van my denke dat ik daaromtrent onverschillig ben, maar dat ik eerst, voor ik officiëel rapporteer, pogen wil den Regent met zachtheid tot zyn plicht te brengen.”
Waarschynlyk zou ik op die wyze nog eenigen tyd zyn voortgegaan, meer uit afkeer van wat te krimineel klinkt, dan uit de meening dat ik slagen zou—daartoe toch was het kwaad te diep geworteld!—toen het volgend voorval my tot handelen noodzaakte.
De weduw myns voorgangers was zwanger toen ik te Lebak aankwam. Zy verzocht, met haar gezin, hare bevalling ten mynent te mogen afwachten, hetgeen ik natuurlyk toestond. Reeds terstond bespeurde ik dat zy met byzondere opmerkzaamheid iedere persoon gadesloeg, die het erf myner woning betrad. Haar antwoorden op myn vragen naar de redenen hiervan, waren langen tyd ontwykend. Eindelyk vernam ik, dat zy een oppasser last gaf, onder geen voorwendsel te gedoogen, dat iemand, buiten hare of myne bedienden, de keuken naderde. Ik drong nu iets sterker op verklaring aan, en eindelyk bekende ze my, dat zy haar man voor VERGIFTIGD hield. Hy was van een inspektiereis, na gegeten te hebben by den Dhemang van Parang-Koedjang, den schoonzoon des Regents, onverwachts in een deerlyken toestand te-huis gekomen. Hy riep op de maag wyzende: “vuur, vuur!” en weinige oogenblikken daarna was hy dood.24
Ik liet een kontroleur roepen, en vraagde: waaraan myn voorganger gestorven was? Hy betuigde dit niet te weten, doch bevestigde de ziektegeschiedenis, zooals die my door de weduwe was medegedeeld, en voegde er by, zeker zou hy vergiftigd geworden zyn, als hy langer geleefd had, want hy maakte veel werk van het tegengaan van knevelary.25
Ik vond werkelyk onder de papieren van myn voorganger, twee kladnota’s, bevattende blykbaar punten waarover hy met den resident te spreken had. Ik bezit die stukken in originali, en heb daarop door twee klerken laten certificeeren dat ze van de hand myns voorgangers zyn. Op de eene komt voor:
“Over het misbruik dat de Regenten en mindere hoofden van de bevolking maken.”
De andere bevat de volgende aanteekening:
“Parang Koedjang. De verloop van volk is alleen toe te schryven aan het VERREGAAND MISBRUIK dat van de bevolking wordt gemaakt.”
Hy had dus zyn plicht gedaan! Hy had geaboucheerd met den resident van Bantam! Hy heeft zelfs gedreigd, dat, als er geen verandering kwam, hy zich op ultimo 1855, met voorbygang van den resident van Bantam, rechtstreeks zou wenden tot den Gouverneur-Generaal...
Maar een maand vóór dien tyd is hy ellendig omgekomen, Excellentie!26
Ik erken dat de geneesheer—die hem trouwens slechts weinige oogenblikken behandelde—aan de ziekte van myn voorganger een anderen naam heeft gegeven, dan z’n arme weduw en de publieke opinie te Lebak. Op het oogenblik toen ik van het bestuur werd ontheven, lag er een voorstel gereed om het lyk myns voorgangers te doen opgraven. De beslissing is niet aan my, of hy omkwam als offer zyner plichtsvervulling, doch zeker is ’t, dat velen in Lebak hem voor vergiftigd Houden, en dat de omzichtige kontroleur durfde zeggen en schryven: “hy zou vergiftigd geworden zyn, want hy trachtte knevelary te-keer te gaan.”
Myn aandoeningen by het vernemen hiervan, waren onbeschryfelyk. Ik had Lebak betreden met het heilige voornemen, myn plicht te doen. Ik had dit met zachtheid gedaan: ik vond de korrespondentie myns voorgangers te hard, te scherp. Ik wilde helpen, terechtbrengen, niet verderven, maar nu...
Vrouwen en kinderen volgden schreiend den laatsten buffel... geheel Parang Koedjang stond op het punt te verhuizen... geheele dorpen waren uitgeroofd... en my wachtte een lot als myn voorgangers, als ik myn plicht deed...
Toen deelde ik myn vrouw ’t gehoorde mede. Ik verzocht haar zich te verwyderen met ons kind. Zy antwoordde met heldhaftige eenvoudigheid: “Wel neen, ik blyf! wy eten en drinken te zamen.”
Daarop klaagde ik den Regent aan, van misbruik van gezag en knevelary.
Excellentie! Ik weet dat men geneigd is zichzelf te hoog te schatten, maar ik bid U, heb ik verdiend arm en ellendig rondtedolen, ver van de mynen, en vruchteloos zoekende naar brood?
Beloont men den schildwacht niet die alarm roept, met het vyandelyk wapen op de borst?
Ik ben afgewezen aan de poorten van Uw paleis, toen ik—geen belooning vroeg—neen, toen ik om recht kwam smeeken voor de arme bevolking van Lebak.
En wat heeft Uwe Exc. my gedaan?
Uwe Exc. heeft een kabinetsbrief geteekend, waarin ik berispt werd! Waarin het als hooge gunst werd voorgesteld, dat ik langer het Gouvernement dienen mocht.
En toen Uwe Exc. dien brief schryven deed—of liever toen men Uwe Exc. dien brief liet teekenen—had zy voor zich liggen myn stukken van 24, 25 en 28 Februari No. 88, 91 en 93, waaruit ik zoo gemakkelyk te beoordeelen was.27 Of is er in die brieven niet iets mannelyks, iets kordaats, iets dat den eerlyken, standvastigen man aantoont? Iets dat denken doet aan het justum ac tenacem!
Excellentie, toen ik voor weinige dagen,—voor het eerst sedert lang,—die brieven weder ter-hand nam, maakten ze op my dien indruk.
Maar Uwe Exc. wist niet dat ze geschreven waren in doodsgevaar! In grooter gevaar dan dat van den schildwacht van wien ik sprak, omdat ik niet alleen was. Gevoelt Uwe Exc. den angst die my bezielde by de minste ongesteldheid van vrouw en kind? Was er geen heldhaftigheid in die plichtsvervulling?
En wat was het antwoord van den resident op myn aanklacht?
Hy klaagde in een brief dien ik nog toonen kan: “dat ik hem stoorde in zyn drukke bezigheden.”
Excellentie, kan het scherper afgeteekend worden, dat onderscheid tusschen de vereerders van den “geest des Gouvernements”, en my, dan door de brieven—den myne en dien des residents van Bantam—te plaatsen naast elkander?
Op myn aanklacht volgde alzoo van den resident van Bantam een berisping, omdat ik niet eerst particulier had geschreven, een klacht over storing in drukke bezigheden, en het bericht dat hy ten-mynent komen zou, om over de zaak te confereeren.
Het was juist een dusdanige konferentie die ik vreesde. Myn voorganger had zoo dikwyls “gekonfereerd!”
Myn antwoord teekent de pozitie duidelyk. Het is een verzoek om de schuldigen niet tegen my in bescherming te nemen.28
Het was in ’t belang van den resident myne aanklacht onwaar te maken. Uwe Exc. toch zou, wanneer het door my gevraagd onderzoek had aangetoond hoe deerlyk de toestand der bevolking was, daarvan aan den resident van Bantam rekenschap gevraagd hebben, die dat alles vroeger had behooren te weten. Daarom was me zyn komst zoo onaangenaam. Ik vreesde dat hy in zyn belang den Regent zou waarschuwen, en in de gelegenheid stellen om lastige getuigen omtekoopen, of uit den weg te ruimen.
“By de minste verdenking, schreef ik, zendt de regent een expresse naar zyn neef, den regent van Tjanjor, die herwaarts op weg is, en belang heeft by zyn maintien. Hy vraagt, ten koste van wat ook, geld, deelt het met kwistige hand uit aan ieder dien hy in den laatsten tyd heeft te-kort gedaan, en het gevolg zou wezen dat het schynen zou alsof ik een lichtvaardig oordeel had geveld, alsof ik een onbruikbaar ambtenaar ware, om niet erger te zeggen.”
Ja, dan ware ik een lasteraar geweest.
Myn verzoek om de schuldigen niet tegen my in bescherming te nemen, moet overtollig en zelfs belachelyk schynen aan ieder die onbekend is met den tegenzin der meeste Indische autoriteiten om het “Gouvernement te bemoeilyken met onaangename berichten,” en zichzelf voor pensioens-uur “soessah” op den hals te halen.
En dat die bede niet overtollig, niet belachelyk was....
Excellentie, weinige uren na het ontvangen van dien brief, heeft de resident den regent geld gegeven, en getracht hem te bewegen iets tegen my in te brengen!29
Dat is de hoofdambtenaar, op wiens rapporten moeten gebazeerd zyn de berispingen in Uwer Excellentie’s kabinetsmissive, die my drongen myn ontslag te vragen.
Het was de vraag niet of er iets tegen my kon gevonden worden, en al hadde ik, ik weet niet wat misdreven, dit zou toch niet hebben af- of toegedaan tot de schuld of onschuld des Regents. Hy was door my R. O. aangeklaagd: die klachte moest onderzocht worden, en niet de eventueel tegen my bestaande bezwaren.
Maar er bestonden geen bezwaren tegen my. Want wat antwoordde de Regent op de insidieuse vraag: “of hy iets tegen my had” waardoor zyn resident hem zoo duidelyk tegen my zyn steun aanbood?
“Neen, ik heb niets tegen den adsistent-resident, volstrekt niets, dat kan ik bezweren!”30
En toch heeft men middel gevonden Uwe Exc. dien kabinetsbrief te doen teekenen, dien brief vol berisping en verwyt! Toch heeft men het U weten te doen voorkomen alsof ik, ik die stipt myn plicht had gedaan, de schuldige was!
Waarom wilde Uwe Exc. my niet hooren?
Ik had goed gehandeld. Ik geloof dat ik edel gehandeld heb. Maar al ware dit niet zoo, het recht om gehoord te worden heeft zelfs de misdadiger! En ik had het zoo uitdrukkelyk gevraagd in myn brief van 28 Februari No. 93, waarvan ik ten overvloede Uwe Exc. afschrift aanbood, uit vrees dat de resident van Bantam, wiens belang meebracht dat ik niet gehoord werd, myn verzoek zou achterhouden.
Bovendien, Uwe Exc. had kunnen weten dat hare afkeuring; niet my alleen trof, maar het principe: of het gouvernement al dan niet wilde, dat men wèl deed zonder omzien.
Te-gelyk met de kabinetsmissive van 23 Maart 1865 No. 54, ontving ik een partikulier schryven van een ambtenaar uit de omgeving Uwer Exc., met wien ik vroeger nooit had gekorrespondeerd. Hy raadde my dringend aan, op de kabinetsmissive niet te antwoorden.
Men scheen dus intezien dat er iets te antwoorden viel!
Hy wenschte my voorts geluk met den “goeden afloop der Lebaksche zaken, en zegt: “dat ik dien grootendeels aan de gunst Uwer Exc. te danken had!”
Dit was—al bedoelde de schryver het zoo niet—dit was een bedreiging! Het beduidde: “als ge niet zwygt zal het nog erger voor u afloopen.”
“Après tout, staat er, zyt ge er toch eervol afgekomen!”
Myn god, alsof er kwestie van oneer geweest was!
O, hadde Uwe Exc. de verontwaardiging gezien van iemand die tenmynent was, toen ik dien brief ontving! Iemand die zeven jaar in Bantam de gruwelen had bygewoond, waaraan ik een eind wilde maken!
Maar ik beweerde dat men Uwe Exc. misleid had.
Myn overplaatsing naar Ngawie kon ik echter niet aannemen. Ik wist niet hoe ik daar te handelen had. Anders dienen dan te Lebak, konde en wilde ik niet!
Bovendien zag ik in, dat ik Uwe Exc. als ambtenaar niet kon naderen. Ik voelde dat ik te kiezen had tusschen myn bestaan en myn plicht. Want ik hoopte dat Uwe Exc. een particulier zou vergunnen, wat zy den ambtenaar geweigerd had: een oogenblik gehoor. Ik hoopte dat myn verzoek om ontslag, eenvoudig als het is, maar een scherp afgedrukt zegel zettende op myn vorige brieven, Uwe Exc. zou hebben doen inzien dat ik geen gewoon ambtenaar was, geen frazenschryver, geen ambtsbejager, maar iemand die—al meende dan Uwe Exc. dat ik dwaalde—toch getoond had in die dwaling eerlyk te zyn.
Na myn bekomen ontslag overlaadde men my te Serang met eerbewyzingen. De resident zeide: my te bewonderen, en bood me zyn huis aan. Maar ik moest naar Batavia, om Uwe Excellentie te spreken.
Wat ik na dien tyd en ten-gevolge van dat alles geleden heb, ga ik voorby. Ik vraag Uw medelyden niet, Excellentie.
Maar ik verzoek Uwe Exc. de moeite te willen nemen de bylagen dezes aandachtig doortelezen, en vooral te letten op de beantwoording der aan den kontroleur voorgelegde vraagpunten.
Die ambtenaar wist dat hy op dit oogenblik niets van my te hopen of te vreezen had. Ikzelf herinner hem daaraan. Er behoorde voor hem moed toe om verklaringen aftegeven die getuigden vóór zyn aftredenden chef, tegen den resident die zyn chef bleef. Tegen het Gouvernement zelfs, dat getoond had my niet te beschermen.
Om nog ten-overvloede de zedelyke waarde van de getuigenissen des kontroleurs aantetoonen, neem ik de vryheid hierby overteleggen afschrift eener korrespondentie, die vreemd schynen moge aan de behandelde zaak, maar in het algemeen aantoont hoe ik myn verplichting opvatte. Ik durf vragen of ik op 29 en en 30 Maart onwaarheden in myn belang eischen kon van den ambtenaar, wien ik op den 3den te-voren den brief No. 87 schreef?31
Het zou me licht vallen, punt voor punt de beschouwingen te ontzenuwen, waarop de afkeuring myner handelingen gebazeerd was. Ik kan bewyzen dat ik niet onberaden ben te werk gegaan. Dat er niet altyd gunstige rapporten omtrent den regent van Lebak zyn uitgebracht. Dat myn houding tegen-over den resident van Bantam is geweest respectueus. Dat ik niet geweigerd heb hem inlichtingen te geven. En eindelyk, dat er in de konferentie tusschen hem en my volstrekt geen spraak geweest is over de GEGRONDHEID DER AANKLACHT—dat was een uitgemaakte zaak!—maar over het principe OF HET GOUVERNEMENT GAARNE ZAG DAT MEN DUSDANIGE ZAKEN BY DEN NAAM NOEMDE.
Daarop toch doelt myn geheele missive van 28 Februari die door den resident nooit beantwoord is.32
Als Uwer Exc. na de lezing der stukken, eenige twyfel overblyft, ben ik bereid ten klaarste aan te toonen:
Dat er werkelyk in Lebak gekneveld werd.
Dat ik myn plicht deed, door daarvan aan m’n chef kennis te geven en wel op de wyze zooals ik het deed.
Dat ik niet verdiende daarvoor te worden berispt en gestraft.
Dat eindelyk die berisping, tegen de bedoeling Uwer Exc. voorzeker, heeft doen zegevieren de noodlottige meening des residents van Bantam, en van de meeste O. I. ambtenaren, dat het gouvernement niet wil dat men strikt uitlegge en nakome den eed: de bevolking te beschermen tegen mishandeling en knevelary.33
Tallooze malen heeft men my aangeraden me tot den Minister van Koloniën te wenden, tot de Staten-Generaal, of tot Zyne Majesteit den Koning. Tot nog toe deed ik noch het een, noch het ander. Na myn verzoek om ontslag, heb ik over deze zaak geen letter geschreven. Dit moge Uwe Exc. een bewys zyn dat ik niet heb getracht opzien te baren door reklame of schandaal. Ik poogde eenvoudig te doen wat ik schreef op 28 Februari 1855 en zocht een ander middel van bestaan.
Tot-nog-toe is me dit niet gelukt.
Thans ben ik in België, en zal trachten my eenigen tyd staande te houden door letterkundigen arbeid. Ik geloof echter niet dat ik slagen zal. En al ware het dat ik voor myn behoeften het noodige wist te verkrygen—myn vrouw en kinderen hebben aanspraak op ander voedsel, dan wat hun gereikt wordt door het medelyden myns broeders. Bovendien geloof ik dat ook ik-zelf niet verdiend heb zonder have of huis rond te zwerven, dagelyks in angst voor het hoognoodige.
En men heeft my opmerkzaam gemaakt dat ik verkeerd deed, uit tegenzin in rekriminatiën of publiek effekt, my te bepalen tot het zoeken naar een bestaan voor myzelf. Myn lot toch in een afschrikkend voorbeeld geworden voor de weinigen, die is Indië myn voorbeeld zouden willen navolgen, en thans zou er—meer nog dan vroeger!—moed noodig zyn om iets te pogen tot tegengang der gruwelen, die in Indië den Nederlandschen naam schande aandoen. Vooral is dit het geval, omdat het met my gebeurde voorviel onder het bestuur van Uwe Excellentie die in Indië als strikt rechtvaardig geroemd werd.34
Deze omstandigheid werkt noodlottig op den indruk dien de my te-beurt gevallen behandeling gemaakt heeft.
“Hy heeft het zelfs onder dien Gouverneur-Generaal niet kunnen bewerken dat er verbetering kwam” heet het, en nu zou hem ieder een dwaas noemen die het onder een anderen Gouverneur-Generaal weer beproefde.
Niet ieder acht zich geroepen, de martelaar te zyn eener goede zaak. Men laat de zaken zoo als ze zyn, houdt, zoo men het noemt, “den boel met schipperen gaande”, tracht alles te dekken en te dempen, wat de leugenachtige berichten van tevredenheid en welvaart weerspreken zou, en de een vóór, de ander na, geniet in vrede en rust het onverdiend pensioen35 latende den last der ongerechtigheid drukken op de toekomst....
Op de toekomst, die schrikkelyk wezen zal!
Want er is in Indië meer publiek leven dan de Raden van Indië weten. Maar het openbaart zich niet vóór de explozie.
Dáárom is het myn plicht terugtekomen op de zaken die ik behandelde, en ik geloof Uwer Exc. een bewys van hoogachting te geven door my tot niemand anders te wenden, dan tot Uwe Excellentie zelf.
Het verzoek dat ik Uwer Exc. te doen heb, is: de herhaling myner bede om dezen brief en de daarby gevoegde stukken aandachtig te lezen, en my wel te willen antwoorden op de vraag: of Uwe Exc. daarin niet aanleiding vindt, my te ondersteunen in de pogingen die ik wil aanwenden, om op de meest eervolle wyze weder te mogen intreden in Nederlandsch-Indischen dienst.
MAAR, EXCELLENTIE, ANDERS DIENEN DAN IK DIENDE TE LEBAK, KAN IK NIET.