1 (Noot van 1875). Deze inleiding tot den brief aan G. G. in ruste is van 1865.

2 (Noot van 1875.) Dit stuk verscheen eenige maanden na den Havelaar, doch vóór Minnebrieven. Deze opmerking diene tot opheldering van den toon. In diepen kommer zaten ik en de mynen te wachten op den uitslag van m’n bitter protest. In-plaats daarvan vernam ik dat de Havelaar zoo “mooi” was. Dat men dien “met byzonder genoegen gelezen had.” En... we leden gebrek! Toch zal men in ’t nu volgende stuk nog altyd meer droefheid ontwaren, dan verachting. Hiertoe namelyk meende ik eerst gerechtigd te zyn, nadat ik ondervonden had dat ook de uitgave van dezen brief aan Van Twist zonder ’t minste gevolg was gebleven. Vandaar de toon der inleiding van de Minnebrieven. Men meene evenwel niet dat ik beweer in deze weinige woorden m’n verachting voor Publiek volkomen gerechtvaardigd te hebben. Misschien is dit zoo, doch wáárlyk voel ik me in staat meer te leveren! Het relaas der schurkeryen waarmee men geslaagd is, zooveel jaren lang m’n pogingen te verydelen, zou boekdeelen vullen. De oorzaak die me terug houdt van volledige openbaring, ligt... in kunstbesef. ’t Zou me onmogelyk wezen ’n “mooi boek” samentestellen uit ’n eentonige aaneenschakeling van vilénie, als die welke my van de Nederlandsche Natie te-beurt viel. Er ware veel goeds te bereiken geweest met ’n klein deel der inspanning die van officieelen en partikulieren kant is aangewend om my ’t leven—d. i. den arbeid!—onmogelyk te maken.

Tot zulke openbaring voel ik thans,—1875—te minder lust, omdat ik, na de edele poging van den heer Mr. Vosmaer, meen gegronde hoop te mogen voeden op verandering. Het boekjen “Een zaaier” is ’n GOEDE DAAD, waarvoor de Natie niet minder dan ikzelf den moedigen dichter grooten dank verschuldigd is.

3 (Noot van 1865). Het zal wel onnoodig wezen, uittewyden over de toepassing der aangehaalde stukken. Ik hoop lezers te vinden, die deze toepassing weten te maken zonder myn hulp. Zeer dikwyls echter werd m’n hoop te dien aanzien teleurgesteld. Ervaringen van dezen aard gaven my de verdrietige IDEËN 502 en 523 in de pen.

4 (Noot van 1865.) Ou—voeg ik er by—qui doivent toute leur considération à leur fortune, bien ou mal acquise. ’t Is inderdaad schandelyk, dat juist zulke personen in Nederland geëerd zyn, die aan de misbruiken welke bestreden moeten worden, hun fortuin, en de daaruit voortvloeiende verheffing te danken hebben. Duymaer van Twist zou niet gekozen kunnen worden tot lid der Eerste-Kamer, als-i niet behoorde tot de hoogstaangeslagenen, dat is: tot de ryksten in den lande. En dat hy ryk is, heeft-i te danken aan de lauwheid der Natie, die ’t duldt dat hy zyn overgespaard geld behoudt, in-stee van ’t hem aftenemen ter gedeeltelyke vergoeding van de schade die zoo velen hebben geleden onder en door zyn wanbestuur. Erger nog: Fransen van de Putte, de ryk geworden kontraktant en vry-arbeider—men zegt, dat-i drie millioen wist te halen uit Javanen-arbeid, in slechts elf jaren tyds, en al zy ’t iets minder, toch is ’t zeker dat het zeer veel is—die v. d. Putte is Minister van Koloniën!

5 (Noot van 1865). ’t Is om jaloers te worden op China! Daar immers zou voor den naïven menschenvriend hoop kunnen bestaan op verbetering, indien hy slagen mocht in ’t doordringen tot den Keizer, die slechts bedrogen is door «leugenachtige rapporten» en misschien zich zou verplicht voelen iets te doen tot herstel, indien men hem het leugenachtige van die rapporten had aangetoond. Ik denk dat de drukpers in China niet vry is. Dit is ’n bemoedigend denkbeeld voor ’n chineeschen menschenvriend. Hy kan zich troosten met de gedachte: Als de Keizer ’t wist, wie weet òf er geen recht geschiedde!

Maar wat men te denken hebbe van ’n land, waar de gansche Natie rilt, zonder dat iemand ’n hand uitsteekt tot herstel, ook hy niet, die volgens alle mogelyke grondwetten van eerlykheid en menschelyk gevoel zou geroepen zyn om z’n onderdanen geluk te geven zooveel in z’n vermogen is ... och, ’t is te verdrietig om er aan te denken.

Wat helpt een vrye drukpers, als men niet leest? Wat helpt het lezen, als men slechts rilt? Wat helpt het rillen, als men niet handelt?

Maar ik dacht hieraan niet, toen ik den Havelaar schreef! Ik bedroog my met de Chineesche hoop: dat het «Keizerlyk kabinet» bedrogen was door valsche rapporten, en met dankbaarheid de gelegenheid zou aangrypen om eens iets wáárs te nemen.

Ik heb ’t niet verder kunnen brengen dan den minister Thorbecke te dwingen tot de erkenning: dat er besmetting heerschte in de politiek van den Staat.” Zoo’n verklaring is niet zeer aangenaam voor den patiënt! Vooral wanneer hy daarna zoo zorgvuldig wordt verpleegd ter genezing, als we na ’t oprichten van de liberale malzapotheek ondervonden hebben! Ik ben zoo vry te gelooven dat er zelfs in China iets anders zou gevolgd zyn op zoo’n rilling, dan ’t verruilen alleen van m’nheer Malz-Bruggeman, tegen m’nheer Malz-Hof en konsorten.

6 (Noot van 1865) Toen ik Duymaer v. Twist in de gelegenheid stelde te weten wat hy sedert lang had moeten weten—daarvoor betaalde hem de Natie!—was hy verrast, en: Dieu nous garde d’une idée imprévue. Ik ben zoo vry te gelooven wel eens meer denkbeelden te hebben gehad, die verrassend zouden wezen voor zoo’n ordinair wezen. Toch liet ik die verrassing gelden als verlichtende omstandigheid. Voor twee tonnen gouds in ’t jaar kan men geen held verlangen! In-weerwil van z’n allergemeenste ordinairheid, hield ik van Twist voor eerlyk. Men ontwaart dit uit het stuk dat nu volgt. En zelfs nog in den Havelaar heb ik den man met meer verschooning behandeld dan hy verdiende. Wat men te denken hebbe van de eerlykheid des mans die na ’t ontvangen van den bovenstaanden brief, nà ’t verschynen van Havelaar, Vry-Arbeid en Minnebrieven, geen aandrang voelde tot herstel—voor zooveel mogelyk althans!—van wat hy misdreven had, dit laat ik over aan ’t oordeel van elken lezer ... die lezen kan.

7 (Noot van 1865.) Het uitgeven der bylagen die dezen brief vergezelden, is me op dit oogenblik te omslachtig. En ze zyn niet noodig, vind ik, na ’t zwygen van van Twist. Durft hy beweren dat die bylagen niet aantoonden wat ik daar opgeef, welnu, dan zal ik altyd lust en gelegenheid vinden om ze later te publiceeren. Het beste justificatoir bewys voor al m’n beweringen, levert van Twist zelf, door z’n prachtige redevoering in de Tweede Kamer—waar-i zeide dat hy zweeg uit vrees voor partydigheid—en dóór dat zwygen!

8 (Noot van 1875.) De hier bedoelde oorlog tegen de Padries—ten rechte: Pedirezen—leverde het voorspel van den tegenwoordigen oorlog met Atjin. Ook de andere hier aangehaalde byzonderheid, waarvan ik in den Havelaar iets meer zeg—schoon alles niet!—staat in nauw verband met onze zeer wrakke politieke verhoudingen in Sumatra’s Noordhoek.

9 (Noot van 1865.) Ontken eens, m’neer van Twist!

10 (Noot van 1865.) Spreek eens tegen, m’neer van Twist!

11 (Noot van 1875.) Deze brief komt in den Havelaar voor.

12 (Noot van 1875.) Ook het stuk waarin dit geschiedde, is in den Havelaar opgenomen.

13 (Noot van 1875.) Men zie alweer den Havelaar.

14 (Noot van 1875.) In den Havelaar.

15 (Noot van 1865.) De hier bedoelde bylage bevat de vraagpunten aan den kontroleur, die later zyn gepubliceerd in de Minnebrieven.

16 (Noot van 1865). De resident van Bantam—sedert, naar ik vernomen heb, krankzinnig overleden—was niet slechter, luier of bedorvener dan de meeste anderen. Integendeel. Zyn fout was alleen dat hy nooit op de gedachte was gekomen dat er hooger beginsel kon bestaan, dan eerbied voor den—nergens omschreven—”geest van ’t Gouvernement.”

Nadat ik myn ontslag had bekomen, zeide hy my met aandoening: “waarlyk, ik moet u hoogachten, maar ... maar ... ge hadt geen ambtenaar moeten worden! Ik vroeg hem, of dan ’t Nederlandsch Gouvernement alleen zulke lieden kon gebruiken, die geen hoogachting verdienen? Hy sloeg de oogen neer. En dit moest wel, want na die tegenstelling van ambtenary en hoogachting, voelde hy schaamte over z’n bruikbaarheid. Kort daarop werd hy ridder. Deze onderscheiding moet hem zéér gedaan hebben, want slecht was hy niet.

(Noot van 1875). Later kwamen me walgelyke byzonderheden ter-oore, waaruit bleek dat ik dien man altyd te goed beoordeeld had. Zoodra men de Havelaarszaak de eer der diskussie waard keurt, zal ik ze openbaren.

17 (Noot van 1865.) Officiëele missive 24 Februari 1856. Zie Havelaar.

18 (Noot van 1875.) In het vyftiende hoofdstuk van den Havelaar komen eenige woorden voor, die hierop doelen. Heeft men die voor ’n auteursgreep gehouden? Voor ’n poging om effekt te maken? Welnu, ik zeide niets dan de eenvoudige waarheid. Waarom riep van Twist me niet op tot bewys? De kommandant van Lebak was ’n eerlyk man en zou ongetwyfeld z’n getuigenis hebben afgelegd. Zelfs nu nog neem ik desgevorderd op my, al m’n beweringen te staven.

19 Ook dit alles is in den Havelaar behandeld.

20 (Noot van 1875). Na het onderzoek in loco door den heer Pahud is dit Distrikshoofd ontslagen. De man had niet te klagen, dunkt me, dat-i hierdoor in gelyke konditie kwam als Havelaar zelf. De Regent echter kreeg ... vermeerdering van traktement!

21 (Noot van 1875.) Wil men dit voor een schryvers-fraze houden.... ik kan er niets aan doen! Ik betuig dat ik ook hier de zuivere waarheid zeg. En misschien zelfs zou ik nog in staat zyn het te bewyzen.

22 (Noot van 1875.) Nog heden ben ik in ’t bezit van de in deze alinea aangehaalde bewysstukken.

23 Zie de Vraagpunten aan den Kontroleur in de Minnebrieven.

24 (Noot van 1865). Later is me gebleken dat hy niet op dienzelfden dag gestorven is. Hy heeft—als ik goed geïnformeerd ben—nog anderhalf etmaal geleefd. Hoe dit zy, de weduw en de kinderen van den man die vermoord werd omdat hy zyn plicht wilde doen, wachten nog altyd op recht, of althans op onderzoek. Over ’t feit zelf, de VERGIFTIGING, bestaat in Lebak en in de omliggende landstreken, waar men vaak beter dan op de plaats zelf geïnformeerd is, geen twyfel. Spreek me toch eens tegen, m’nheer van Twist! Die man is vermoord onder uw bestuur! Gaat u dit niet aan? De Natie betaalde u immers behoorlyk dáárvoor dat zulke zaken u wèl zouden aangaan?

25 (Noot van 1865.) Zie: Vraagpunten kontroleur, in de Minnebrieven.

26 [Noot van 1875.] Zou niet die moord in elk ander land ’n cause célèbre geworden zyn? In Nederland is de invloed van schelmen—als ze maar geld hebben!—zóó groot, dat geen tydschrift of courant ’n woord van deernis aan ’t overlyden van dien armen martelaar besteed heeft. De laaghartige van Twist had er belang by dat de zaak gesmoord werd, en ze werd gesmoord!

27 [Noot van 1865.] Men vindt al de hier genoemde stukken in den Havelaar.

28 (Noot van 1875.) De hier bedoelde brief van 25 Februari 1856, No. 91, komt almede in den Havelaar voor. Dat het daarin gedaan verzoekt om den beschuldigde “noch direkt, noch indirekt te waarschuwen” reden van bestaan had, blykt juist hieruit dat daaraan door den resident niet voldaan is. Uit den Havelaar kan men zien hoe die hoofdambtenaar, den “geest des Gouvernements” in ’t oog houdende, den misdadiger waarschuwde, en daardoor niet alleen Havelaar’s ambtelyke positie onhoudbaar maakte, maar tevens z’n leven en dat van z’n gezin op het spel zette.

29 (Noot van 1865.) By den brief aan van Twist was overlegd een afschrift van de verklaring des kontroleurs, waarin dit gestaafd wordt. Spreek me eens tegen, m’nheer van Twist!

30 (Noot van 1865). Ook hiervan legde ik ’t bewys over. Spreek me toch eens tegen, m’nheer van Twist!

31 (Noot van 1865). Dezen brief van 5 Maart vind ik in den Havelaar niet, en ik heb geen lust hem optezoeken. Bovendien, de geest die daarin heerscht—en dáárom is ’t hier te doen—blykt uit het stuk van 15 Maart, No. 114, dat wèl in den Havelaar is opgenomen.

32 (Noot van 1865). De resident van Bantam zou tegen dien brief terstond geprotesteerd hebben, indien er protest mogelyk geweest ware. Daarin immers wordt de met hem gehouden konferentie behandeld als wisseling van gevoelen over de vraag: of men de waarheid mocht zeggen aan ’t Gouvernement! en geenszins over de kwestie: of het door my beweerde waarheid was?

33 (Noot van 1865.) Juist! En zoolang de van Twisten en konsorten worden geëerd, terwyl men Havelaar met slyk werpt... zoolang blykt er dat ook de NEDERLANDSCHE NATIE dit niet wil. Ieder die niet, binnen den kring van zyn vermogen, meewerkt om een eind te maken aan den schandelyken triomf van onrecht, dat we sedert het verschynen van den Havelaar beleven, is medeplichtig aan de schelmery waartegen ik opstond.

34 (Noot van 1875). De zeer gewone fout die ook ik maakte. Dorheid, droogheid, deugdzaamachtigheid, worden vaak voor deugd aangezien. Thans ben ik minder naïf op dit punt. De van Twisten hebben me genezen. Hoe lang zal ’t nog duren voor de meerderheid des Nederlandschen Volks begint te walgen van de vuile tartufferie die ons arm land verpest?

Doch ook vóór ’t doorbreken van ’n beetje verlichting, hoe is ’t mogelyk, dat het volk maar altyd door genoegen neemt met de uitgaven voor ’t onderhoud van den zwerm gauwdieven die, al geven onze wetten dan geen middelen aan de hand om hen voor ’t Gerecht te roepen, toch waarlyk geen aanspraak kunnen maken op belooning? Ons leger, onze vloot, onze koloniën, onze nyverheid... alles verkeert in slechten staat. En toch gaat men maar voort met het opbrengen der belastingen: 1o. om dien toestand te doen voortduren, 2o. om de ellendelingen in ’t leven te houden dìe—vooral sedert 1848! door onbekwaamheid, plichtverzuim en baatzucht, de bewerkers waren van dien algemeenen achteruitgang!

Dat het peil der publieke zedelykheid laag staat, kan nu eenmáal niet anders. Het is ’n onmisbaar gevolg van tien eeuwen demoralizeerende goddienery. Maar eilieve, ’t belang? sedert jaren peins ik over de oorzaak van dat zonderling gebrek aan verzet, en kan alweer geen andere verklaring vinden dan de bekende onbekwaamheid in de kunst van lezen. Heeft men ook den hier—gewis reeds voor den tienden keer gepubliceerden—brief aan van Twist niet begrepen?

35 (Noot van 1865.) En leeft daarvan rustig op z’n buitenplaats by Deventer, en koopt landeryen, en behoort onder de hoogst-aangeslagenen, en wordt gekozen tot lid van de Eerste-Kamer, en spreekt mee over dingen welker beoordeeling kunde, eer en integriteit vorderen, en laat zich benoemen tot lid in ’t bestuur van Mettray, en blyft by voortduring “zeer geacht” in ’t goddienend Nederland!