(40) De pĕranakans zijn inderdaad steeds bastaard-Chineezen of mestiezen, daar de emigratie uit China aan vrouwen verboden is.
Evenmin als Kĕ schijnt ook dit woord naar zijne eigenlijke beteekenis iets beleedigends te bevatten. In de taal der boeren van Zuid-Afrika is nog alle bijgedachte van schimp of smaad aan het woord vreemd. Volgens Mansvelt's „Kaapsch-Hollandsch Idiotikon”, is een smous een te voet, te paard of per kar voorttrekkende Jood, die zijne waren rondvent. Zie ook Schüssler, „Zuid-Afrika”, bl. 9: „Zij verkoopen hun voorraad aan reizende kooplieden of smousen. Dit woord getuigt volstrekt niet van minachting... Reizend koopman en smous zijn woorden van één beteekenis”. H. P. N. Muller in „de Gids” voor Mei 1888, bl. 225: „Marskramers worden door de Boeren steeds met den liefelijken naam smous betiteld, ook al zijn zij Christenen. Het is geen scheldwoord, maar slechts eene beroepsaanduiding”. Uit deze laatste plaats blijkt, dat smous in Zuid-Afrika eene uitbreiding van beteekenis ondergaan heeft, zoodat het niet enkel bepaaldelijk een Joodschen marskramer, maar een marskramer in het algemeen aanduidt.
De oorsprong van het woord smous is niet zoo duister als gewoonlijk geloofd wordt. In het Hoogduitsch beantwoordt daaraan Mauschel. Heyne, in Grimm's „Deutsches Wörterbuch” in v., zegt over dit woord: „Spottname für einen Juden, weitergebildet aus dem jüdischen Namen Moses, in jüdisch-deutscher Aussprache Mausche oder Môsche, wie denn diese und verwandte Formen als allgemeiner Rufnahme für Juden begegnen”. Hij brengt daarna voorbeelden bij waarin Mausche, Moschi, Moschgen als zoodanig voorkomen. Eerst de vorm Mauschel of Mauschl (een deminutiefvorm) „bezeichnet in verächtlicher Weise den Juden, namentlich den Schacherjuden”. In het Hollandsch is Mausche of Môsche overgegaan in mous of moos, maar met voorklamping van den sis-klank, zoo gewoon vóór de liquidae, als in smoel voor moel of muil, smerlijn voor merlijn (den steenvalk), sneb voor neb, snugger voor nugger, snikken (snokken) voor nokken (nikken), slinker, slinksch voor linker, linksch, slank (voor lang of lank), enz., geheel in den geest der volkstaal(41). Terecht dus heeft reeds Weiland ons smous afgeleid „van den eigennaam Mozes, waarvoor de Joden in de gemeenzame verkeering mous, mousje, bezigen, dat met voorzetting van eene s, smous, smousje geworden is”. Daar nu een gebruikelijke eigennaam op zich zelf geen scheldnaam kan zijn, is smous meer door den minachtenden toon waarop het wordt uitgesproken, dan door zijne beteekenis tot scheldwoord gestempeld. Bij ons volk bestaan niet die bittere vooroordeelen tegen de Joden die hun in andere landen bloedige vervolgingen op den hals halen, maar het is hun geest van schacheren en woekeren, die hen bij de menigte in minachting brengt, zonder dat men bedenkt hoezeer die geest een uitvloeisel is van de verdrukking, waaraan zij zoovele eeuwen waren blootgesteld. De beteekenissen van het woord smous laten zich dunkt mij het best zoo ordenen: 1o. een duitsche Jood, 2o. een joodsche marskramer, 3o. een marskramer in het algemeen (Zuid-Afrika), 4o. een schacheraar, een woekeraar.
Prof. Dozy heeft het woord smous in zijne „Oosterlingen” niet opgenomen. Dit gaf aanleiding dat bij de verschijning van dat werkje twee nieuwe afleidingen beproefd zijn. Prof. de Goeje wilde het in verband brengen met Schammôsj, een kerkedienaar, Prof. Land met Isj-mówet (uitgesproken Schmówĕs), een man des doods, dat dan zooveel zou beteekenen als galgebrok, pendard. Beide verklaringen zijn veel te gezocht en te geleerd, en geen van beide komen met het gebruik van smous overeen.
Ik wensch hier ook nog iets over eenige Joodsche woorden bij te voegen, die van te weinig gewicht zijn om een afzonderlijk artikel te verdienen. Prof. Dozy zegt in de voorrede zijner „Oosterlingen”: „Van Joodsche woorden zijn er misschien in enkele steden, waar veel Joden wonen, vooral te Amsterdam, meer in de volkstaal overgegaan, dan ik heb opgeteekend”. Juister ware het te zeggen, dat daar de Joden, die onder elkander hun eigen, met Hebreeuwsch en Chaldeeuwsch doorspekt Duitsch spreken, ook in het verkeer met Christenen vaak Joodsche woorden in hun taal mengen, die door hen met wie ze spreken dikwijls niet of slechts ten halve verstaan worden. Wanneer nu zulke woorden kunnen gezegd worden in de volkstaal te zijn overgegaan, is moeilijk te bepalen. Waar van Maurik, die Amsterdam kent zooals Dickens Londen kende, in zijne schetsen en novellen Joden ten tooneele voert, legt hij hun niet zelden woorden in den mond die stellig niet algemeen verstaan worden, en toch in den mond van een Jood zeer gepast zijn, b. v. waar in „Uit één pen”, bl. 181, David de loterijman tôf (het Hebr. tôb, volgens de uitspraak der Duitsche Joden) voor goed(42) en gammor (verbastering van het Hebr. chămoor) voor ezel bezigt. Maar deze woorden kunnen geen aanspraak maken om zelfs als vreemde gasten in de Nederlandsche taal beschouwd te worden. Meer aanspraak daarop heeft sikker, dat, zoo ik geloof, vrij algemeen, althans in Amsterdam, verstaan wordt, en dan ook door van Maurik, „Uit één pen”, bl. 142, 148, aan een Amsterdamschen nachtwacht in den mond wordt gelegd. Het is het Hebr. sjikkôr, dat dronken beteekent.
(41) Zulk eene s komt enkele malen ook vóór andere letters voor, b.v. stronk voor tronk (Lat. truncus), strubbel voor trubbel (Fr. en Eng. trouble).
(42) Men heeft ook voorgeslagen uit dit tôb het Ned. top te verklaren, het tusschenwerpsel waarmede een koop wordt aanvaard of toegeslagen. Hier schijnt echter iets meer, iets levendigers en krachtigers gevorderd te worden, dan een woord dat eenvoudig uitdrukt dat het goed is. Het schijnt mij een geluidnabootsend woord te zijn, dat den klank der met kracht ineengeslagen handen nabootst en versterkt. Zie Littré in voce toper. Vgl. ook Weiland op top en toppen.
Dat dit woord niet voorkomt in de „Oosterlingen” van Prof. Dozy, en, ofschoon het ook aan de Spanjaarden en Portugeezen bekend is, evenmin in zijn „Glossaire des mots Espagnols et Portugais dérives de l'Arabe”, kan nauwlijks daaraan worden toegeschreven, dat het vergeten is. Ik vermoed dat hij het als een eigennaam van onzekere afkomst beschouwde, waarvan alleen bekend is dat hij van de Grieken en Romeinen tot ons is gekomen. Onder de verschillende afleidingen van het woord, die men heeft voorgesteld en kan nalezen bij Pococke, „Specimen Hist.-Arab.”, ed. White, p. 33, en in Gibbon's „Decline and Fall of the Roman Empire”, in eene noot op Ch. I, is er ééne, die bij den eersten oogopslag groote waarschijnlijkheid heeft: deze namelijk, dat Saracenen, het Grieksche Sarakénoi, afstamt van het Arab. Sjarq, het Oosten, dus overeenkomt met Sjarqioena, Oosterlingen, en overstaat tegen Maghrebioena, Westerlingen (Magrebynen), zooals de latere Arabieren de Mauretaniërs noemden. Men denke daarbij dan ook aan den naam Bené Qèdem, zonen van het Oosten, in het Oude Testament aan de Arabische stammen ten O. van Syrië en Palestina gegeven. De vorm biedt hoegenaamd geen zwarigheid; want de sjîn gaat in het Grieksch vanzelf in sigma (onze s) over, en aan de lange i beantwoordt in het Grieksch de èta.
Er bestaan echter tegen deze afleiding twee zwarigheden. De Arabieren konden zich zelven niet wel Oosterlingen noemen, en hoe kan men zich voorstellen, dat de Grieken, die hen zeer natuurlijk zoo noemden, dit deden met een aan de Arabieren zelven ontleenden naam. Het is vooral deze zwarigheid die mij doet twijfelen.
De andere is van minder gewicht. Zij bestaat daarin, dat bij Ptolemaeus, „Geographia”, V, 17, § 6, Sarakéné als een landschap van Arabia Petraea, en VI, 7, § 21, Sarakénoi als een stam in Arabia Felix voorkomen. Hieruit maakt men op dat Saracenen oorspronkelijk de eigennaam was van een klein deel des Arabischen volks, die later, waarom blijkt niet, bij de Grieken de algemeene naam des ganschen volks is geworden. Aan analoge voorbeelden ontbreekt het niet. De naam van den stam Tai is bij de Syriërs de naam van alle Arabieren geworden (Tajôjé); bij de Franschen werd de naam der Alamanen de algemeene naam van alle Duitschers (Allemands); wij Nederlanders zelven worden in den vreemde naar een deel van ons volk algemeen Hollanders genoemd. Maar daaruit volgt volstrekt niet met eenige zekerheid, dat de naam Saracenen, zoo al Ptolemaeus terecht van een kleine bevolking dus geheeten in Arabië gewaagt, oorspronkelijk alleen aan dien kleinen stam toekomt, en daar men, wat de landen van het Oosten betreft, bij de oude geographen op velerlei verwarring en misverstand kan rekenen, mis ik zelfs de overtuiging dat werkelijk Saracenen ooit de naam van een bijzonderen stam geweest is. Indien dus slechts een aannemelijke reden kon worden opgegeven, waarom de Grieken een oostersch volk noemden met een woord dat in zijne eigen taal Oosterlingen beteekent, zou ik aan de afleiding van sjarq de voorkeur blijven geven.
Met dezen naam, waarvan de oorsprong zeer onzeker en betwist is, wordt de inheemsche bevolking van Borneo, in tegenstelling met de Maleische kolonisten aan de kusten, niet slechts door de Europeanen, maar ook door de Maleiers aangeduid. Crawfurd, „Dict. of the Indian islands”, in v. Dyak zegt: „It is a word used by the Malays as a generic term for all the wild races of Sumatra and Celebes, but more especially of Borneo, and seems to be equivalent with them to the European word savage.” Doch dat het woord zich ook tot bevolkingen buiten Borneo zou uitstrekken wordt, voor zoover ik weet, door geen andere getuigenissen bevestigd, en is zelfs moeilijk vereenigbaar met hetgeen Crawfurd zelf laat volgen, dat hem door Maleische kooplieden Dajak als de naam van een stam van N. W. Borneo is opgegeven. Iets dergelijks komt voor in een nog onuitgegeven journaal van den heer von de Wall, die door zijne vele tochten en onderzoekingen op Borneo bekend is. De heer Robidé van der Aa deelt in zijne uitgave van Carl Bock's „Reis in Oost- en Zuid-Borneo”, (bl. 177) mede, dat, volgens von de Wall, „de Bonoa's, een Dajaksche stam aan den Boengan, zijtak van den Mohakkam, die van de zuidgrens van Pasir naar het meer Sembajan loopt, de bewoners van het grensgebergte Dajaks noemen, hetgeen bovenlander, bergbewoner beteekent, dus hetzelfde als Beadjoe of Ngadjoe, van adjoe, Poelopetaksch boven, hooger op de rivier.” Het zou zeker niet vreemd zijn (vergelijk de gelijksoortige gevallen, vermeld in het artikel Saraceen), dat zulk een naam allengs een uitgebreidere beteekenis had erlangd, wat dan ook ten slotte het gevoelen van Crawfurd ten opzichte van Dajak schijnt te wezen.
Nadat de etymologen lange jaren omtrent den naam Dajak in het onzekere hadden verkeerd, zonder het verder te kunnen brengen dan de hier vermelde gissing, komt eensklaps de heer Perelaer in een soort van ethnographischen roman, dien hij onder den naam: „Borneo van Noord naar Zuid” (Rotterdam, 1881) heeft uitgegeven, D. I, bl. 149, het Nederlandsch publiek met eene nieuwe verklaring van den naam Dajak verrassen, die zoo eenvoudig en natuurlijk schijnt, dat men er nauwlijks eenige andere tegenwerping tegen maken kan, dan de onwaarschijnlijkheid dat iets zoo eenvoudigs en natuurlijks zoo lang is onbekend gebleven. Vooral is het bevreemdend, dat zij den heer Perelaer zelven gedurende zijn lang verblijf op Borneo ontgaan was, zooals blijkt uit een vroeger werk van zijne hand: „Ethnographische beschrijving der Dajaks” (Zalt-Bommel, 1870), bl. 2, waar hij zegt: „Hoe wij Europeanen aan het woord Dajak komen, is mij niet mogelijk geweest op te sporen. Nergens op Borneo, althans in dat gedeelte van het eiland hetwelk tot onze bezittingen behoort, is dat woord te huis; het is alleen bekend in die streken, welke met ons Europeanen in aanraking gekomen zijn”. Maar hoe is dan den heer Perelaer in 1881 het licht opgegaan, dat hem in 1870 nog ontbrak? Zeker niet, zoover ik kan nagaan, door een nieuw bezoek aan Borneo, maar waarschijnlijk, zooals ook de heer v. d. Aa t. a. p. aanneemt, door een artikel in Hardeland's „Dajacks-deutsches Wörterbuch”, dat aldus luidt: „Dadajak, dajadajak, hadajak, wackelnd gehen.—Kadajadajak, immer, noch immer wackelnd gehen.—Baradajak, alle wackelnd gehen”. Het verdient opmerking, dat het den heer Hardeland niet in de gedachten schijnt gekomen te zijn, den naam Dajak hieruit te verklaren.
De heer Perelaer, dit artikel uit Hardelands woordenboek, dat hij blijkbaar tot vermeerdering der ethnologische kennis, die hij gedurende zijn vierjarig verblijf op Borneo (1859–1863) verkregen had, ijverig doorzocht en bestudeerd heeft, met zijne eigen herinneringen in verband brengend, heeft op de aangehaalde plaats van zijn „Borneo van Zuid naar Noord”, misschien met wat al te veel verzekerdheid, de bij hem opgekomen gissing omtrent den oorsprong van den naam Dajak in deze woorden uitgesproken: „Dajak is een verkorting van het woord „dadajak”, dat in de taal des lands beteekent: „wankelend loopen”. De benaming Dajak is dus een scheldnaam, die ook zoo opgenomen en alleen door de Europeanen gebezigd wordt. De bewoners van de benedenlanden hebben allen, op zeer weinig uitzonderingen na, kromme onderdanen en als gevolg daarvan een waggelenden gang. De oorzaak van dit gebrek is daarin gelegen, dat zij het grootste gedeelte van hun leven, met gekruiste beenen zittende, in hunne prauwen doorbrengen. Daarentegen is door het vele en aanhoudende roeien hun bovenlijf zoodanig ontwikkeld, dat het van de meesten wel tot model voor een beeldhouwer kon dienen”.
De heer van der Aa, die eenigszins spottenderwijze over deze verklaring spreekt, en, niet zonder eenige ironie, zegt: „Prof. Veth vond deze afleiding zoo waarschijnlijk, dat hij de schoone vondst onmiddellijk aan het wetenschappelijk publiek mededeelde (Tijdschr. v. h. Aardr. Gen., D. V, Meded., bl. 182), daar dit niet licht zoo iets in een roman zou zoeken”, kon toch niet ontkennen dat ook in zijne oogen deze afleiding veel voor zich heeft. Doch er blijven eenige zwarigheden. Is zij juist, waar blijven dan de beweringen, dat ook de Maleiers den naam Dajak kennen en gebruiken; dat zij dien zelfs tot wilde bevolkingen buiten Borneo uitstrekken; dat de naam bovenlander of wilde beteekent; dat hij oorspronkelijk aan bijzondere stammen, nu eens in N. W. Borneo, dan eens in het grensgebergte van Pasir geplaatst, eigen was? Hoe is het ontstaan van al die beweringen te verklaren, indien Perelaer's meening de ware is? En is het niet wat vreemd dat de Europeanen den spotnaam waarmede zij de Dajaks aanduiden, ontleend hebben aan de, zeer zelden door hen beoefende taal van het volk zelf, dat er mede genoemd wordt?
Dit woord, dat, toen het eenmaal niet meer verstaan werd, allerlei zeer uiteenloopende vormen heeft gekregen (b. v. Alifoeren, Arafoeren, Halfoeren, Harafoeren, Alforen, Alfores, Alforias), duidt in het Oosten van den Indischen Archipel de oorspronkelijke heidensche bevolking aan, in tegenstelling van de Mohammedaansche of Christelijke. Wie tegenwoordig in de Minahassa tot het Christendom overgaan, worden niet langer tot de Alfoeren gerekend. Hieruit blijkt reeds, dat de naam geene ethnologische beteekenis heeft, en dit wordt ook daardoor bevestigd, dat de Alfoeren van de Molukken en van Celebes klaarblijkelijk tot geheel verschillende stammen behooren.
Het gebruik van het woord schijnt op te klimmen tot het tijdperk der Portugeesche heerschappij in deze streken, en Crawfurd gist daarom dat het gevormd is uit het Arabische lidwoord al en het Portugeesche fora, buiten, zoodat het beteekende: „zij die buiten het Portugeesche gezag leefden”. Deze verklaring voldoet vrijwel wat de uitkomst (ik meen de beteekenis aan het woord Alfoer toegekend) betreft, maar verkrijgt die langs een onmogelijken weg. Tegen de verbinding van een zuiver Portugeesch, uit het Latijn stammend woord, met het Arabische lidwoord, bestaat een onoverkomelijke zwarigheid, en om aan de uitdrukking een man die buiten is, een buitenman, de speciale beteekenis te geven van een man die buiten het Portugeesch gezag leeft, is een vervaarlijke sprong noodig. Ik zal dus beproeven tot dezelfde uitkomst langs een veiliger weg te geraken.
Het is geenszins onwaarschijnlijk dat de Portugeezen den naam Alfoer reeds hebben overgenomen van de aan de kusten gevestigde Mohammedanen, en dat dezen, door Arabische zendelingen bekeerd, een Arabischen naam hebben gegeven aan de bevolkingen die aan het Heidendom trouw bleven, en zich juist daarom ook niet aan hun gezag wilden onderwerpen. Het woord Alfoer heeft reeds bij oppervlakkige beschouwing een eenigszins Arabisch voorkomen, wegens de lettergreep al, waarmede het aanvangt, en die hier, gelijk in zoovele andere in de Europeesche talen overgenomen Arabische woorden (b. v. almanak, alchymie, aldebaran, alkoran, alizari, alkanna enz.), het Arabische lidwoord schijnt te wezen. Maar is deze opvatting van de eerste lettergreep juist, dan zal men ook voor de tweede een Arabischen oorsprong moeten zoeken. Nu herinnere men zich dat in het Spaansch en Portugeesch de letters f en h in de spelling gedurig met elkander verwisseld worden, zonder dat de uitspraak verandert (zie art. Hidalgo en Dozy's „Oosterlingen”, art. Feloek). Zoo is dus ook het Portugeesche woord alforria hetzelfde als het Arabische alhorria, waarmede het ook geheel in beteekenis overeenkomt. Beide beteekenen de vrijheid, de staat van den vrije, het bevrijd zijn van de slavernij. Het Arabische alhorro, d. i. de vrije, de aan geen meester onderworpene, zal op gelijke wijze in het Portugeesch alforro worden. Nu is forro inderdaad nog een gewoon woord in het hedendaagsche Portugeesch, om een vrijgemaakte, b. v. van de slavernij of van schulden of hypotheken aan te duiden, en dat dit woord niets anders is dan het Arabische horro zal wel algemeen erkend worden. Duidelijk is het ook, dat in dit woord, evenals in zoovele andere, het Arabische lidwoord als een soort van voorslag kon behouden worden, met verlies zijner eigenlijke beteekenis. De oorspronkelijke vorm van Alfoer zal dus Alforro geweest zijn, en de oorspronkelijke beteekenis, de vrije, de niet onderworpene.
Met deze, zoo het schijnt, afdoende verklaring, die ik aan de wenken van wijlen den heer van Musschenbroek verschuldigd ben (zie mijne biographie van van Musschenbroek in het „Tijdschr. v. h. Aardr. Gen.”, Jg. 1887, afd. meer uitg. artt., bl. 200), worden de gissingen overbodig, die ik, op bl. 404 mijner vertaling van Wallace, „Insulinde”, D. II, heb medegedeeld. Echter verdient nog vermelding eene zeer scherpzinnige gissing van dr. G. A. Wilken, die ik ook reeds op de aangehaalde plaats van v. Musschenbroek's biographie vermeld heb. Daar Alfoeren vaak ook Halfoeren wordt uitgesproken, is door hem de vraag geopperd, of het woord niet zou kunnen ontstaan zijn uit eene uit misverstand geboren verminking van de uitdrukking „dalam hâl foeroe”, d. i. in den wilden staat verkeerende. Foeroe is, hetzij al of niet uit het Portugeesch afkomstig, in het Maleisch van Ternate en Menado een gewoon woord voor wild, ontembaar.
Van de in Indië uit Europeesche ouders geboren vrouwen (Creoolsche dames) te Batavia sprekende, zegt Stavorinus: „Reize van Zeeland naar Batavia”, D. I, bl. 265: „zij gaan alle blootshoofds; het hair, dat gitzwart is, dragen zij in een wrong, met gouden en juweelen spelden vastgemaakt; dit noemen zij een condé.... Diegeene van haare slavinnen, die het best haar condé opmaakt, is haare voornaamste gunsteling”.
Dat nog heden dit kapsel de gewone haardracht der Creoolsche dames in Indië is, blijkt uit de „Herinneringen” van van Rees, waar hij spreekt van „open rijtuigen met schoone dames in een licht wit morgen-toilet; het zware haar eenvoudig tot een kondeh gedraaid(43)”. Doch niet de Europeesche vrouwen alleen dragen de kondé; zij is evenzeer in gebruik bij de Chineesche, zooals men zien kan uit de volgende aanteekening van Aquasi Boachi, bij zijne „Mededeelingen over de Chineezen op Java”, in „Bijdragen tot de Taal-, Land- en Volkenkunde van N.-I.”, Dl. IV, bl. 281: „Kondeh noemen de Chineezen eigenlijk dat vrouwelijke kapsel, hetwelk ook in Europa onder den naam coiffure à la chinoise bekend is, en hetwelk daarin bestaat, dat men de haren van alle kanten opstrijkt, in het midden te zamen bindt en met 2, 3, 4 of 5 haarspelden bevestigt. Met deze haarnaalden, die òf van zilver òf ook wel van goud en met diamanten en brillanten bezet zijn, wordt groote luxe gedreven”. Uit dezelfde aanteekening zien wij nog, dat kondé ook wordt toegepast op den wrong gevormd van den langen haarstaart die de onderscheidende dracht is der Chineesche mannen. Men noemde oudtijds het van de Chineezen geheven hoofdgeld staartgeld. Tijdens de Compagnie moest, volgens „Batavia in hare gelegenheid”, D. III, bl. 23, „ieder Chinees die een Conde draagt—dus noemt men 't haar in tuiten rondom het hoofd gelegd—38 stuivers hoofdgeld geeven.” Het schriftelijk bewijs dat deze belasting, die eerst voor weinige jaren met de bedrijfsbelasting werd samengesmolten, betaald was, werd, volgens Aquasi Boachi, t. a. p., Soerat Kondeh genoemd.
Maar ook door de inlandsche vrouwen, Javaansche en Maleische, werd de kondé als haardracht aangenomen. Het woord, ofschoon het van vreemden oorsprong schijnt, is in de taal van beide volken opgenomen. Niet alle Maleische vrouwen dragen het haar in eene knoop; maar dragen zij dien wèl, dan schijnt kondé het eenige, althans het gewone, woord daarvoor te zijn (zie „Midden-Sumatra”, Volkenkunde, bl. 11). Het Javaansch (zoowel de hooge als lage taal) en het Soendaasch hebben daarnevens het woord gĕloeng. Het zou echter niet juist zijn kondé geheel als een synoniem van gĕloeng op te vatten. Onder den naam gĕloeng zijn verschillende vormen van haarwrongen samengevat, die door de toevoeging van verschillende soortnamen worden onderscheiden. Zie daarover Poensen in de „Mededeelingen van wege het Ned. Zendelinggenootschap”, D. XX, bl. 418, D. XXI, bl. 18. Een dier soorten, en wel eene soort van waarschijnlijk vreemden oorsprong, is nu de kondé. 't Is waar dat Poensen de gĕloeng kondé niet vermeldt, die misschien in de streken waar hij als zendeling werkzaam is, onbekend bleef; maar zij wordt als bijzondere vorm van gĕloeng uitdrukkelijk genoemd in het Soendasch Woordenb. van den heer Oosting, bl. 762, kol. 1.(44)
Crawfurd houdt in zijn „Malay Dictionary”, op Kundai, dit woord voor Telingasch (= Teloegoe). Daar mij die taal volstrekt onbekend is, durf ik dit niet tegenspreken: maar daar in het hierboven over kondé bijeengebrachte, wel het een en ander voorkomt dat op een Chineeschen oorsprong schijnt te wijzen, wilde ik mij althans omtrent de mogelijkheid daarvan zekerheid verschaffen. Ik raadpleegde daarom onze Sinologen, de heeren J. Hoffmann en G. Schlegel. Aan beide was echter kondé als Chineesch woord onbekend; maar laatstgemelde meende dat het woord van Europeesche afkomst was, en wel van de „Coiffure à la Condé”, die, zegt hij, in de vorige eeuw in Frankrijk in den smaak was.(45) Het woord zou dus niet alleen door de inlanders, maar ook door de Chineezen van de Europeanen zijn overgenomen, ofschoon het thans, in Europa vergeten, in Indië als een woord aan de inlandsche talen ontleend wordt aangemerkt.
Is de meening van Prof. Schlegel de ware, dan zou condé de beste schrijfwijze zijn. Zoolang dit niet vaststaat doet men beter kondé te schrijven, als beantwoordende aan de gewone transscriptie in onze taal van Jav. en Mal. woorden. Schrijft men met sommigen kondeh, dan is de h op het einde slechts als het teeken der lange e te beschouwen, maar deze schrijfwijze is bepaald onnederlandsch.
(43) Ik heb de woorden aangeteekend met vermelding der bladzijde, maar mij in de laatste vergist, zoodat ik de plaats niet kan weêrvinden.
(44) Sanggoel, Jav. en Soend., schijnt mij evenmin synoniem met geloeng, en evenzoo eene bijzondere soort daarvan te zijn.
(45) Ofschoon ik zelfs bij Paul Lacroix, „XVIIIe Siècle: Institutions, Usages et Costumes”, tot mijn spijt te vergeefs naar eenige melding van de coiffure à la Condé gezocht heb, wil ik gaarne aannemen dat zij werkelijk heeft bestaan. De vormen der kapsels, door de Parijsche mode voortgebracht, zijn inderdaad ontelbaar.
Een kraak of karaak is volgens Weiland „zeker oud Spaansch of Portugeesch schip, zoowel tot den oorlog als tot den koophandel geschikt.” Het woord komt, ofschoon niet dikwijls, toch van tijd tot tijd voor, zoowel bij nieuwe als bij oude schrijvers. Zoo bij Baldaeus, „Beschrijvinge van Ceylon”, bl. 98: „Korts na het overlijden van den Onderkoningh, hadden die van Goa.... een carake langzaam met koopmanschappen beginnen te laaden”, en bij Meijer, „Heemskerk”, bl. 33:
Den vorm karaak vindt men bij de Brune:
Het woord karaak of kraak is rechtstreeks ontleend aan het Spaansche en Portugeesche carraca, maar behoort met dit tot eene talrijke familie van woorden, in verschillende talen van Europa, die allen tot het Arabische qorqôr of qorqôra en zijn meervoud qarâqir zijn terug te brengen. Zie Dozy, „Glossaire des mots Espagnols” enz., p. 248, die terecht opmerkt, dat carraca, zooals vele andere Spaansche en Portugeesche woorden aan 't Arabisch ontleend, van den meervoudigen vorm afstamt, wat hier te eerder kon gebeuren, daar vaak meerdere qorqôrs tot een vloot waren vereenigd, en men dan, het woord qarâqîr hoorende, dit licht ook op de enkele schepen kon toepassen. Hetzelfde gebruik van Arabische meervouden (nam. van de zoogenaamde pluralia fracta) met de beteekenis van enkelvoud komt ook dikmaals voor in de talen van den Archipel, b. v. in ngoelåmå (meerv. van ngalîm of liever ʾalîm; zie op Ulema), en laat zich te eerder begrijpen, daar de Maleiers en Javanen, evenals de Spanjaarden en Portugeezen, van de eigenaardige vorming der zoo talrijke pluralia fracta geen denkbeeld hebben. In het Maleisch heeft zich van het Spaansch-Portugeesche carraca het woord kĕrakah gevormd, dat o. a. gelezen wordt in de „Sjadjara Melajoe” (zie Klinkert's „Supplement”), en onmogelijk is het niet, dat karaak of kraak eigenlijk door tusschenkomst van het Maleisch tot ons is gekomen. Voor 't overige behooren tot dezelfde familie als carraca niet alleen nog het It. caracca, het Fr. caraque (vgl. Defrémery in „Journal Asiatique”, Aug. 1867, bl. 185) en het middeleeuwsch Latijnsche caraca, maar ook nog eenige andere woorden die eene wat sterkere verandering ondergaan hebben, en waarop ik zoo aanstonds terugkom.
Het woord karaak of kraak had aanspraak mogen maken op eene plaats in Dozy's „Oosterlingen”, te meer dewijl daarvan vermoedelijk afstamt het bekende kraakporselein, reeds door Weiland verklaard als: „fijn porselein, dat met Spaansche karaken of kraken [uit China en Japan] werd overgevoerd.”
De hierboven bedoelde wat meer verwijderde afstammelingen van carraca zijn het Spaansche caracoa of carcoa (d'Argeosola, „Conquista de los Islas Molluccas”, p. 279: „doze carcoas”), het Fransche caracore, het middeleeuwsch-Latijnsche caracora en het Portugeesche caracora of corocora. (Vgl. bij de Jonge, „Opkomst van het Ned. gezag in Indië”, D. III, de uittreksels uit het dagboek van Craen, waar, bl. 186, de vormen karacore en karacolen—dit laatste denkelijk een schrijf- of drukfout—voorkomen.) Het Portugeesche coracora heeft weder een ander woord voortgebracht, dat dikwijls bij Nederlandsche schrijvers over de Molukken voorkomt, t. w. Korakora of Korrakorra. De schijnbaar geredupliceerde vorm, die aan Korakora het aanzien geeft van een inlandsch woord, heeft niet alleen tot een verkeerde schrijfwijze (kora-kora of korra-korra) maar ook tot een verkeerde verklaring geleid. Korakora is de naam van zekere groote, overdekte en met bamboezen vlerken voor de roeiers toegeruste staatsie-prauwen der Moluksche vorsten. Valentijn, II, 1, bl. 183, misleid door den schijnbaar Polynesischen vorm, behandelt dit woord geheel als een inlandsch, wanneer hij, denkende aan het Maleische kakoera of koera-koera, het verklaart door „een waterschildpad”, en er bijvoegt: „met reden zoo genaamt, alzo zij gemeenlijk zeer traag van voortgang is.” Korakora is klaarblijkelijk niets dan het reeds genoemde Portugeesche coracora, welks afstamming van het Arab. qorqora en verwantschap met carraca en ons kraak reeds in het licht werd gesteld. Woorden van Portugeeschen oorsprong zijn in de Molukken en den geheelen Indischen Archipel niet zeldzaam, maar slechts weinige worden, zooals korakora, ook telkens door Nederlandsche schrijvers gebruikt.
Nevens korakora vindt men ook wel karakor, welke vorm eene plaats heeft gevonden in van Dale's „Nieuw Ned. Wdbk.” Deze vorm is bijna geheel die van het middeleeuwsche caracor en van het Arab. mv. qâraqîr. Caracora komt voor in „Begin en Voortgang, 2de schipvaerd der Hollanders”, bl. 17, waar wij lezen, dat die van Amboina den admiraal tegemoet kwamen „met drie seer kostelijcke ende cierlijk toeghemaeckte galeijen, die sij caracora's noemen.”
Dit woord, dikwijls gebruikt waar van het Turksche Rijk sprake is, zou schijnen uit Duitsche schrijvers te zijn overgenomen, daar aan de u hier de klank moet worden toegekend dien wij uitdrukken door oe. 't Is echter waarschijnlijker dat het uit Frankrijk tot ons kwam, want de Franschen schrijven het evenzoo (schoon het naar hun klankstelsel Oulema moest geschreven worden), en wij volgen hen dikwijls na in de fout van het als een enkelvoud te beschouwen en in het meervoud Ulemas of Ulema's te schrijven. Het woord is inderdaad een Arabisch meervoud en hetzelfde dat wij in het art. Kraak hebben leeren kennen in den Javaanschen vorm ngoelåmå, die ook als enkelvoud gebruikt wordt. Het enkelvoud is in het Arabisch ʾalîm, en beteekent letterlijk een wetende, en vandaar, evenals het Fransche savant, een geleerde. In het Turksche Rijk beteekent Oelema den stand der wetgeleerden, samengesteld uit de imams of voorgangers bij de godsdienstoefeningen, de mufti's of verklaarders der wet, de rechtsgeleerden, en de kadi's of rechters. Dozy nam het woord niet op in zijne „Oosterlingen”, maar het komt voor in van Dale's „Nieuw Ned. Wdbk.”
Eerst sinds weinige jaren is dit woord bij ons algemeen bekend geworden; men vindt thans bodega's in al onze grootere steden en leest dagelijks in de dagbladen de aankondiging van wat zij te koop bieden. Het woord is Spaansch en Portugeesch en beteekent in het algemeen een magazijn van koopwaren, een winkel. Het heeft in beide talen ook nog den bijvorm botica, die meer in het bijzonder gebruikt wordt voor een winkel van geneesmiddelen, een apotheek. Een derde vorm, botiga, schijnt alleen in het Spaansch voor te komen, en behoudt doorgaans de beteekenis van winkel, het Fransche boutique, het Italiaansche bottega. Daarentegen wordt aan bodega meestal de speciale beteekenis gegeven van een magazijn en verkoopplaats van wijn, een wijnkelder, een wijnhuis; en het is alleen in dien zin dat het woord bij ons in gebruik is, met dien verstande dat in de bodega alleen of hoofdzakelijk Spaansche wijnen verkocht worden.
De woorden bodega, botiga, botica, bottega, boutique hebben allen een gemeenschappelijken oorsprong. Zij stammen allen af van het Latijnsche apotheca, dat weder afkomstig is van het Grieksche apothéké, plaats voor terzijdestelling en bewaring, voorraadschuur, en zijn gevormd door weglating der a en verzachting der p tot b. De p is nog over in sommige dialectische vormen zooals het Napolitaansche potega en het Sicilische putiga. Men ziet dus dat bodega in den grond hetzelfde woord is als ons apotheek.
De echte of voorgewende Turksche kooplieden die zich op kermissen en badplaatsen met hunne kramen van Oostersche snuisterijen en toiletartikelen vertoonen, hebben doorgaans ook eene fijne Oostersche reukstof te koop, die zij in zeer kleine fleschjes voor hoogen prijs aanbieden, onder den naam van Attar goel, een naam die ook niet zelden op de aanplakbiljetten en in de advertentiën van kappers en parfumeurs gelezen wordt. Deze naam beteekent reukstof van rozen en bestaat uit twee Perzische woorden, waarvan het tweede volstrekt geene zwarigheid oplevert. Het is het woord gol of goel, de Perzische naam der roos, en vandaar ook het eerste lid van „Goelistan”, d. i. Rozengaard, de titel van een beroemd zedekundig werk, uit proza en verzen gemengd, van den Perzischen dichter Saadi. Het andere woord, attar, is in den grond niet onderscheiden van het Arabische ʾitr onzer woordenboeken, dat in onveranderde schrijfwijze ook in het Perzisch is overgegaan. Daarnevens kent Dozy, „Supplément aux Dictionnaires Arabes”, V. II, p. 137, ook den vorm ʾotr, waarvan hij den Engelschen naam van de bedoelde reukstof Otto of roses afleidt. Hij had daarnevens ook Ottar als in dezelfde taal gebruikelijk kunnen noemen („Treasury of Botany,” p. 829: „Otto or Ottar of roses; a fragrant oil obtained from Rosa centifolia and Rosa damascena.”) Maar dat ook de evenzeer bestaanbare vorm ʾatr in het Oosten gebruikt wordt, blijkt genoeg uit het hier behandelde attar. Dat die vormen als attăr, ittăr, ottăr worden uitgesproken, is uit den natuurlijken drang tot verzachting van atr, itr, otr te verklaren. De verdubbeling der t in onze spelling dient om te verhoeden, dat de eerste vokaal als open en lang wordt uitgesproken. Had zij in attar de grammatische waarde die haar in het Arabisch toekomt, dan zou tevens de tweede a moeten verlengd worden, en het dus ontstane ʾattâr zou niet een reukstof, maar een fabrikant van reukwaren of een handelaar in reukwaren beteekenen.
Perzië, inzonderheid de provincie Sjiraz, is van oudsher door de schoonheid en den heerlijken geur zijner rozen vermaard geweest. In de tuinen van Java worden de Perzische rozen nog veelvuldig nevens de Europeesche gekweekt. Men zou echter kunnen vragen, of zij thans nog haar roem kunnen staande houden tegenover de prachtige hybriden, die door de hedendaagsche bloemkweekers van jaar tot jaar in telkens grootere volkomenheid gewonnen worden. Maar de attar goel zou misschien door haren geur den roem der rozen van Azië nog kunnen handhaven, indien zij werkelijk was wat zij voorgeeft te zijn. Het is echter bekend dat de Oostersche rozenolie, thans vooral in Turkije vervaardigd, doorgaans schromelijk vervalscht in den handel komt, en dat in onze dagen de fijnste en geurigste te Leipzig in de fabriek van Schimmel en Co. wordt vervaardigd.
In een oppervlakkig maar niet onaardig stukje over de Maleische taal in het tijdschrift „Vreemd en Eigen”, 2e Jg., aflev. 8, bl. 107, wordt de volgende opmerking gemaakt: „De woorden soesah en senang, die een tegenstelling vormen, spelen een groote rol in het Maleisch. Met soesah bestempelt de Maleier alles wat hem onaangenaam aandoet, wat hem zorg of vrees inboezemt, hem benadeelt of in zijn plannen dwarsboomt. Slecht weer, veel muskieten, honger, geldverlies enz. is soesah; een onwelkome gast maakt soesah, en de laatste en grootste soesah is de dood. Als de Maleier geen soesah heeft, dan voelt hij zich senang. Senang is bijgevolg alles wat aangenaam aandoet: een flink en mak paard vindt hij senang, gemakkelijke schoenen en goed passende kleederen zijn senang, ook een mensch kan in den omgang senang zijn.”
Aan het begrip door senang uitgedrukt beantwoordt in de taal der Indo-Europeanen in de meeste gevallen het woord lekker: maar het woord soesah, ook in het Javaansch en Soendaasch gebruikelijk, is bij hen even algemeen als bij de inlanders zelven, en is door hen ook naar Europa overgebracht, waar het zelfs niet meer tot de Indische familiën beperkt bleef, maar een gewoon woord van het dagelijksch leven is geworden, inzonderheid om de kleine zorgen en beslommeringen in de huishouding aan te duiden. Met ons soezen en soes heeft het woord natuurlijk niets te maken.
Van het Javaansch-Maleische baris, dat streep, lijn, regel, rij, gelid beteekent, komt barisan, of, naar de gewone uitspraak, barissan, dat veelvuldig, ook door de Europeanen, van een troep inlandsch krijgsvolk gebruikt wordt, zooals wij ook in onze taal de gelederen voor het krijgsvolk gebruiken. Zie het „Woordenboek der Ned. Taal” van de Vries en te Winkel, 3e reeks, kol. 1149 v. Barissan vinden wij van inlandsche korpsen gebruikt in de volgende gevallen: 1o. Van de ongeregelde korpsen die in den oorlog op Java met Dipô Negôrô in verschillende deelen des eilands werden opgericht. Voorbeelden: „In de verschillende districten van Kadoe werden onder inlandsche hoofden, op wie men vertrouwen stelde, ongeregelde troepen of barissans opgericht.” Weitzel, „de Oorlog op Java”, I, bl. 97. „In die bijeenkomst werd onder anderen bepaald, dat eenige barissans zouden te velde gebracht worden.” Ibid. bl. 296.—2o. Eene soort van inlandsche schutterij, uit de familieleden en afhangelingen der Regenten samengesteld, onder hunne bevelen geplaatst, maar door het Gouvernement bezoldigd, die v. d. Bosch instelde met het oog op het cultuurstelsel, ten einde de macht en den invloed van de inlandsche aristocratie te vermeerderen. Zie van Deventer, „Landelijk stelsel”, II, bl. 202, 214. Vgl. mijn „Java”, II, 685.—3o. De inlandsche troepen onderhouden door de Vorsten van Madoera, om steeds ter beschikking te blijven van het Gouvernement. De Louter, „Handleiding tot de kennis van het Staats- en Administratief Recht van N.-I.”, bl. 335. Vgl. mijn „Java”, III, bl. 896.
Overdrachtelijk wordt de naam barissan ook gebruikt van bergen die een gesloten keten vormen en als het ware in het gelid staan. Vooral het gebergte dat zich in schier onafgebroken lijn langs de Westkust van Sumatra uitstrekt, wordt het Barissan-gebergte genoemd.
Prauw, vernederlandscht uit het Jav. en Mal. prahoe, pĕrahoe of praoe, is zeker een der meest bekende en gebruikte onder de inlandsche woorden, die eerst in Indië, later ook, waar over Indië gehandeld wordt, in Nederland, in onze taal zijn opgenomen; maar dat het woord niet altijd juist wordt opgevat, blijkt uit de omschrijving in het „Nieuw Nederl. Wdbk.” van van Dale: „plat vaartuig der Indianen, waarmede de lading wordt gelost of aan boord gebracht.” Vooreerst is hier Indiaan, geheel in strijd met het spraakgebruik, toegepast op Javanen en Maleiers, terwijl het, tegenwoordig althans, bij ons uitsluitend pleegt gebruikt te worden van de wilde stammen van Noord- en Zuid-Amerika, zooals van Dale zelf op het woord Indiaan te kennen geeft. Men zou hierdoor in den waan kunnen gebracht worden dat de prauw in Amerika, in stede van Insulinde, te huis behoort. Ten andere is praoe inderdaad een woord van veel algemeener beteekenis. Terecht zegt Marsden in zijn „Maleisch Woordenboek” (Ned. vert. van Elout): „algemeene benaming voor alle vaartuigen, van de sampan of boot af tot de kapal of het schip met een vierkant zeil toe.” Verschillende soorten worden door toevoegsels onderscheiden, zooals praoe majang, de gewone visscherspink der Javanen; praoe tôp, een soort van handelsprauw, in hoofdzaak op Europeesche wijze getuigd; praoe kroewis,(46) de kruisprauw voor de handhaving der zeepolitie; praoe koenting, een groot vaartuig met een schuinsch zeil (lajer tandjak of tandja'), dikwijls alleen koenting en door de Europeanen bij uitnemendheid prauw genoemd, enz. Bij de namen der kleinste bootjes of kano's, zooals de sampan (van Chineeschen oorsprong zoo het schijnt) en de djoekoeng of djoengkoeng (een Javaansche kano, vooral voor de vischvangst gebezigd), wordt het woord praoe zelden gevoegd.(47)
Van Dale schijnt alleen gedacht te hebben aan de Praoe tambangan, de veer- en laadprauwen, die in de verschillende havens voor het vervoer van personen en goederen, het laden en lossen van schepen werkzaam zijn. Daarvoor bestaan verschillende Vereenigingen of Vennootschappen, zooals het Bataviaasch Prauwenveer, het Nieuw Prauwenveer te Batavia, het Tagalsch Prauwenveer, het Semarangsch en Nieuw Semarangsch Prauwenveer, het Particulier Prauwenveer en Nieuw Prauwenveer te Soerabaja, de Oost-Java Prauwmaatschappij en het Padangsch Prauwenveer. Deze vereenigingen, waarin de belangen van vele in Nederland vertoevende oud-kolonisten betrokken zijn, en waarvan verslagen en mededeelingen omtrent de geldelijke resultaten van tijd tot tijd in de dagbladen zijn te lezen, zijn in Nederland beter bekend, dan de prauwvaart voor handel en militaire doeleinden, die geheel Insulinde omvat.