(46) Men zal licht begrijpen, dat kroewis een verbastering is van het Ned. kruis.
(47) Djoekong (= Djoekoeng) en sampan zijn door van Dale opgenomen. Deze woorden komen zeker enkele malen in geschriften over Indië voor; maar als men alle inlandsche woorden, waarmede dit wel eens het geval is, in de Ned. Woordenboeken wilde opnemen, zou het aantal schrikbarend groot worden. Ik heb mij bepaald tot degene die in algemeen gebruik zijn; maar de grenzen zijn zeker moeilijk vast te stellen.
Jonk beteekent volgens van Dale, „Nieuw Ned. Wdb.”: „een Chineesch koopvaardij- en oorlogschip van eenigszins plomp maaksel, gemeenlijk met drie masten en zeilen van biezen matten of vrij dik katoen.” Men vindt dit woord terug in de meeste hedendaagsche talen van Europa, b. v. Sp. en Port. junco, Ital. ionco, zonco, Fr. jonque, Eng. junk enz. Algemeen wordt aangenomen dat het van Chineeschen oorsprong is. Zoo zegt b. v. Littré: „du Chinois Tschouen, bateau, vaisseau, prononcé à Canton chune, suivant l'orthographie Anglaise, c'est à dire en Français tchoun.” Het bedoelde Chineesche woord is, naar Prof. Hoffman mij zeide, tschuen.
Ofschoon ik den Chineeschen oorsprong van dit woord niet betwisten wil, houd ik mij echter overtuigd dat het niet rechtstreeks uit het Chineesch, maar uit het Arabisch of Perzisch in de talen van Europa is gekomen, en daarom niet misplaatst ware geweest in Dozy's „Oosterlingen” en „Glossaire”. De vormen in die talen komen veel meer dan de Chineesche met onze Europeesche overeen. De Arabische is djonk, door Freytag, „Lex. Arab.”, I, p. 315 verklaard: „navis maximae molis in China”(48): de Perzische is djong of tjong, door Vullers, „Lex. Pers.”, I, p. 533, verklaard door navis magna. Dat hiervan ook het Javaansche djong, het Maleische djoeng of ĕdjoeng afstammen, springt in het oog. Dat het woord tot in de Aroe-eilanden is doorgedrongen, leert ons Wallace, „Insulinde”, I, bl. 269.
Het woord jonk heeft voor het overige in Ned.-Indië nog eene tweede, geheel verschillende beteekenis. Het is namelijk ook de naam eener Javaansche landmaat, die gelijk is aan vier bouws. In dezen zin is jonk het Javaansche djoeng, dat anders ook been beteekent, evenals bahoe, waaruit ons bouw is ontstaan, schouder.
(48) Daar het woord zeldzaam schijnt, heeft Freytag een paar voorbeelden aangehaald, waarbij men nog voegen kan Ibn Bathoetha, IV, p. 247.
Waar van de scheepvaart der Chineezen sprake is, worden de benamingen jonk en wangkang meestal door elkander gebruikt, zooals ik ook zelf gedaan heb in mijn Borneo's „Wester-Afdeeling”, I, bl. 313. Strikt genomen behoort men echter de jonken, als de grootere vaartuigen, van de wangkangs, als de kleinere, te onderscheiden. Zoo b. v. „Batavia in derzelver gelegenheid”, III, bl. 24: „Wegens de groote vaart van zwaare Chineesche vaartuigen op Batavia, werdt in 't jaar 1654 een besluit genomen, om voor een groote jonk, wegens uit- en inkomende rechten, te doen betalen 1500 rijksdaalders, en voor een wangkan, zijnde een kleiner soort van vaartuig, 1000”. Op de hier aangehaalde plaats vindt men wangkan, elders wankang geschreven; doch Prof. G. Schlegel verzekert mij, dat de rechte uitspraak wangkang is. Omtrent den oorsprong verkeert hij echter geheel in het duister. „De Chineezen op Java”, dus schrijft hij mij, „zeggen zelven dat het niet Chineesch is”.
In het „Jav. Wdbk.” van Prof. Roorda wordt het woord mede wangkang geschreven en als gemeen aan de hooge en lage taal opgegeven. Hij verklaart het: „naam van een soort van Chineesche jonk.” Men zou hieruit opmaken, dat Prof. Roorda aan het woord een Polynesischen oorsprong toekent, en hiertegen pleit eigenlijk ook niets dan dat het zoo bepaald van Chineesche vaartuigen gebruikt wordt. Neemt men aan dat dit louter toevallig is, en dat het oorspronkelijke woord in het algemeen eene boot, een klein vaartuig beteekent, dan wordt de Polynesische oorsprong aanbevolen door de vergelijking van waa (vaa), waka (vaka), wangka, waardoor een kano in de talen der Taïtih- en Sandwichs-eilanden, van Nieuw-Zeeland, de Marquesas- en de Tonga-eilanden en van de Fidji-eilanden wordt aangeduid. De sluiting der open lettergrepen door den neusklank ng is, gelijk ieder weet, een zeer gewoon verschijnsel in den Polynesischen taalstam.
Dit woord is in de meeste beteekenissen waarin het in onze taal eertijds gebruikelijk was of nog is (zie Kiliaan), niets anders dan het Fransche taille; maar in de beteekenis van touw is het stellig uit den Indischen Archipel afkomstig. Talie in den zin van touw heb ik reeds gevonden bij Baldaeus, maar de plaats is mij ontgaan. Gewoonlijk echter is het een zeewoord voor scheepstouwen, takel, takelage, en vooral gebruikt in samenstellingen, als taliehaak, taliereep, talielooper, noodtalie, inhaaltalie, reeftalie, Spaansche talie enz. In 't Maleisch en laag Javaansch is tali het gewone woord voor touw, het meest bekend door de tali-api of lont (lett. vuurtouw), om sigaren aan te steken; maar het woord is ook zeer bekend bij de Maleische zeevaarders om de scheepstouwen aan te duiden, die dikwijls collectief tali-toemali of tali-mali genoemd worden. Er kan dus weinig twijfel bestaan of wij hebben ook dit woord aan matrozen te danken, die het uit Oost-Indië medebrachten.
Pagaai, Fr. Pagaie of Pagaye, is de korte, breede, niet op het vaartuig rustende, maar aan een kruk met de handen vastgehouden roeiriem, schepriem, of roeischop, waarmede de eilanders der Stille Zuidzee hunne kano's voortstuwen, maar die ook zeer veel gebruikt wordt bij de volken van den Indischen Archipel, en ook bij onze zeelieden, vooral op de oorlogschepen, niet onbekend is. Men heeft ook pagaaien met twee roeischoppen, die door snelle omdraaiing beurtelings met het water in aanraking gebracht worden. In het Engelsch heet de pagaai paddle en het roeien met dit werktuig, dat wij pagaaien noemen, wordt in het Engelsch to paddle genoemd.
Het woord pagaai is zoo al niet rechtstreeks van Maleischen oorsprong, stellig met den in het Maleisch daarvoor gebezigden naam verwant. De lange riem heet in het Maleisch dajoeng, de schepriem pengajoeh. Dit laatste komt af van kajoeh, waarvan de verbaalvorm mĕngajoeh het voortstuwen van een boot met schepriemen aanduidt. Denkbaar is het dat pagaai door verminking en afkorting van pĕngajoeh gevormd is; maar ik mag niet onopgemerkt laten dat kajoeh in het Javaansch ook door gajoeh wordt vervangen, waarvan pĕgajoeh of pagajoeh, met de beteekenis van de zaak die dient tot datgeen wat door het grondwoord aangeduid wordt, (zie Roorda's „Beknopte Jav. Spraakk.”, bl. 108) met volkomen regelmatigheid zou worden afgeleid. Ware deze vorm werkelijk in gebruik (en wie verzekert ons dat hij dit nergens is of nooit geweest is?), dan zou men zeker geen bezwaar maken pagaai als rechtstreeks daarvan gevormd te beschouwen.
Toko is in Nederlandsch-Indië, zoowel onder de Europeanen als onder de inlanders, een winkel, een magazijn van allerlei koopwaren, een bazaar waar van alles te verkrijgen is. Men houdt het woord gewoonlijk voor Chineesch, ofschoon Prof. Roorda in zijn „Jav. Wdbk.”, in het art. toko, achter Chineesch een vraagteeken heeft geplaatst. Prof. Hoffmann, dien ik over dit woord raadpleegde, schreef mij daarover het volgende: „Wanneer het zeker is dat het woord toko niet tot de Indische talen behoort, maar Chineesch is, dan kan het, hoewel ik een samengesteld woord toko, dat zooveel als bazaar zou moeten beteekenen, nog niet gevonden heb, niets anders zijn dan eene samenstelling van Toe, Canton-dialect To, plaats, lokaal, en Koe, magazijn. Toe-koe of To-ko beteekent dan „het plaatselijk magazijn, het magazijn voor een bepaalde plaats”, in denzelfden zin als wij van plaatselijk bestuur, van lokale tongvallen spreken.”
Deze verklaring, hoewel niet onaannemelijk, toont echter dat toko, voor zoover bekend is, geene gewone Chineesche uitdrukking is. En wat de reserve betreft, door Prof. Hoffmann gemaakt: „wanneer het zeker is dat het woord toko niet tot de Indische talen behoort”, moet worden opgemerkt, dat het zeer gewaagd zou zijn die verzekering te geven. In het Jav. is toekoe, in sommige streken bijna als toko uitgesproken, het gewone woord voor koopen. Het beteekent wel-is-waar nooit een winkel of magazijn, maar hoe lichtelijk kan door de onkunde van Chineezen of Europeanen het woord in de beteekenis van winkel zijn overgegaan. Men kan zich b. v. zeer goed voorstellen dat men een winkel aanvankelijk een tokohuis, d. i. een koophuis, heeft genoemd, en uit tokohuis allengs tot enkel toko heeft afgekort.
Hoezeer het woord toko het burgerrecht in de Nederlandsche taal heeft erlangd, blijkt uit de zeer gewone samenstelling tokohouder. Ook begint men reeds aan eenige magazijnen of verkoophuizen in onze groote steden den naam van toko te geven.
Het woord is afkomstig uit het Tamiel of de taal van Malabar en beteekent een gehuurde arbeider, een daglooner, bij uitbreiding ook een sjouwer. Het is algemeen in gebruik in Britsch-Indië, en is ook in het Maleisch en Javaansch overgegaan in dezelfde beteekenis. De woordenboeken zijn in de opgave dier beteekenis doorgaans niet zeer nauwkeurig. De „Kunstwoordentolk” van Kramers-Bonte geeft wel-is-waar de algemeene beteekenis van daglooner, lastdrager op; maar laat dan volgen: „Hindoes uit eene der laagste kasten, die thans bij menigten naar de Britsche koloniën in West-Indië als veld- en plantage-bebouwers vertrekken.” Daarentegen zegt van Dale alleen: „Chineesche arbeider of arbeidster in dienst bij de Oostindische planters.” Lucas, die in zijn „Englisch-Deutsches Wörterbuch” slechts den meervoudvorm Coolies opgeeft, vermeldt ook wel de algemeene beteekenis van Handarbeiter, Lastträger, maar voegt er aan toe: „Leute welche zu niederen Arbeiten, besonders auf Mauritius zur Theecultur gebraucht werden.” Littré, „Dictionnaire de la langue Française”, had eerst den vorm coolis (uitgesproken couli) als enkelvoud opgegeven, met de verklaring: „Nom donné à des Indiens qui contractent des engagements pour aller travailler dans les diverses colonies européennes moyennant salaire,” met de etymologie: „Angl. coolee, de l'indoustani culi, laboureur qu'on loue à la journée, du turc culi, esclave, serviteur.” Dit artikel is reeds vrij verward; het wordt deels verbeterd, deels nog erger gemaakt door de bijvoegselen in het Supplement. Wat de spelling betreft merkt Littré daar terecht op: „l'orthographie coolis au singulier est mauvaise; il faut écrire cooli. Quant au pluriel on le formera regulièrement coolis. Cependant quelques-uns le forment à l'anglaise coolies.” Maar waarom wordt hier in het geheel de Engelsche schrijfwijze met oo behouden, waarvoor toch het Fransche aequivalent steeds ou is? Ik keur niet af dat men ook in het Fransch groom en niet groum schrijft, maar dit is een zuiver Engelsch woord, dat onveranderd behouden wordt; cooli, cooly of coolee is ook in het Engelsch een vreemd woord, dat er geen aanspraak op kan maken, in andere Europeesche talen overgenomen, een Engelsch karakter te behouden. Wat de beteekenis betreft, wil Littré in het Supplément, bijgevoegd zien: „2o. il se dit aussi des Chinois engagés comme travailleurs”, alsof een woord dat daglooner beteekent, van beteekenis verandert wanneer het van een Chineeschen, in plaats van een Hindoeschen, daglooner gezegd wordt.
Het minst nog schijnt Littré goedkeuring te verdienen op zijne bijvoeging of verbetering omtrent de afkomst: „La dérivation de l'anglais coolee, par l'indoustani culi, laboureur qu'on loue à la journée, du turc coli, esclave, serviteur, parait fausse. En effet M. L. Rousselet, „Rev. Anthrop.”. T. II, p. 267, dit que coolee est le nom d'une peuplade dite aussi Kôle ou Khôle, qui fournit des hommes robustes et d'une force remarquable, employés dans les villes de la côte aux rudes travaux”.
De schrijvers die ik heb geciteerd, hebben allen de ware en eenige beteekenis van Koeli op den achtergrond geschoven, en gedrukt op eenige bijzondere gevallen, waarin van koeli-diensten wordt gebruikt gemaakt. Het aantal van die bijzondere gevallen zou men nog zeer kunnen vermenigvuldigen en spreken, b. v., van Chineezen in dienst gesteld door de Europeesche tabaksplanters in Deli, Langkat en Serdang op Sumatra's Oostkust, of van Hindoes en Chineezen naar Suriname overgevoerd, om daar op de plantages het werk te verrichten, vroeger aan de negerslaven opgedragen. Maar ook op deze en meer andere dergelijke gevallen past altijd de algemeene beteekenis van het woord: een voor loon gehuurde arbeider. Strikt genomen heeft ook de nationaliteit daar niets mede te maken. Er zijn niet enkel Hindoesche en Chineesche, er zijn b. v. ook Javaansche koelies, en er zouden ook Makassaarsche koelies zijn, indien men eenmaal te rade werd te Makassaar gehuurd werkvolk naar de tabaksplantages van Oost-Borneo over te voeren. Kwam het woord niet uit het Oosten tot ons, en bleef het niet daardoor in het gebruik tot Oosterlingen beperkt, men zou ook onze daglooners koelies kunnen noemen.
De eenige min of meer van de oorspronkelijke afwijkende, maar toch nauw met haar verwante, beteekenis waarin het woord koeli voorkomt, is die van sjouwer of lastdrager. Ook de sjouwer verhuurt zijne diensten, maar niet voor lange termijnen of met vaste verbintenissen, maar slechts voor een enkele karwei, die meestal in weinige uren afloopt. Koelies van die soort worden zeker ook elders gevonden; maar zij zijn vooral in Nederlandsch-Indië te huis. Wie, die maar eenigszins in de literatuur der reisverhalen en novellen te huis is, waarvan Nederlandsch-Indië het tooneel vormt, is niet met de Bataviasche koelies bekend? Dat onze lexicographen wel van Hindoesche en Chineesche arbeiders, die zich als koelies verhuren, maar nooit van de Bataviasche koeli's gehoord hebben, is wel weder een van die treurige bewijzen, hoe weinig de Nederlanders hunne koloniën kennen in alles wat niet rechtstreeks de belangen der schatkist raakt! Men vraagt zich af door wie toch al die boeken over Indië gelezen, voor wie toch zij geschreven worden.
Het is hier de plaats niet om lang bij den Bataviaschen koelie stil te staan, die waarschijnlijk ook al in de laatste jaren, bij het opkomen van stoom- en tramwegen, en het verleggen der haven van Batavia naar Tandjong Priok, groote veranderingen in zijn bedrijf zal hebben ondervonden; ik zal alleen verwijzen naar de uitstekende schets die de heer W. L. Ritter, in zijn „Java, tooneelen uit het leven van Java's bewoners”, bij de afbeelding der Bataviasche koelies door den heer E. Hardouin, van deze klasse van menschen heeft gegeven (bl. 137–143). Al het eigenaardige van hun bedrijf en hunne levenswijze, en de onkreukbare eerlijkheid waardoor zij zich onderscheiden, worden daar met levendige kleuren geteekend. Ook de Padangsche koelies en de diensten die zij, veelal met grooten onwil, aan de expeditiën tijdens den Padri-oorlog bewijzen moesten, worden daarbij niet vergeten.
Het misverstand, dat Rousselet, en in navolging van hem Littré, koeli als eigenlijk de naam van een volksstam deed opvatten, is gemakkelijk te verklaren. Er leeft inderdaad in Britsch-Indië, met name in de provincie Guzeratte, een wilde roofstam, Koolees geheeten, verdeeld in talrijke clans, die ieder haar eigen opperhoofd hebben, en van oudsher befaamd als even gehard en dapper, als onrustig en bloeddorstig. Deze stam, die door de Britsche troepen met veel moeite bedwongen is, wordt kortelijk beschreven in Stocqueler's „Oriental interpreter”, p. 128. „The Portuguese”, zegt die schrijver, „used the name coolee as a term of reproach, and from them it has passed in the same sense in the English language. This must not be confounded with the word cooly, commonly used in Southern India, which is derived from the Tamil language, and merely means a labourer for hire”.
Kongsi is in Ned.-Indië de gewone naam van de mijnvereenigingen der Chineezen, hetzij deze voor eigen rekening werken, als in Borneo's Westerafdeeling, hetzij ze in dienst staan van het Gouvernement, als op Bangka, hetzij ze voor een particuliere Maatschappij van Europeanen arbeiden, als op Blitong. Zoo b. v. Lange, „Het eiland Banka”, bl. 104: „De Chineezen welke een associatie door hen kongsie genaamd, uitmaken, worden bij den administrateur van het district gesignaleerd.” Dezelfde naam werd vroeger op Borneo ook toegepast op de vereenigingen van eenige dier mijnassociatiën tot grootere politieke lichamen. Zie mijn „Borneo's Westerafdeeling”, I, bl. 319.
Dit woord kongsi is inderdaad Chineesch, maar wordt door de Europeanen niet volkomen nauwkeurig gebruikt, daar het eigenlijk niet de geheele mijnvereeniging, maar hare bestuurders aanduidt, die intusschen de geheele vereeniging in alle publieke aangelegenheden in hare rechten en belangen vertegenwoordigen. Daar de Europeesche ambtenaren alleen met de eigenlijke Kongsies of de besturen te doen hebben, wordt het woord natuurlijk genoeg niet alleen van de besturen zelve gebruikt, maar ook van de maatschappijen, die slechts door tusschenkomst dier besturen met de Europeesche ambtenaren in betrekking komen. Het woord Kongsi is samengesteld uit de Chineesche woorden kong, publiek, en ssi of sse, bestuur. De huizen waarin de leden van het bestuur vergaderen en alles bewaard wordt wat aan de vereeniging gemeenschappelijk behoort, worden kongsihuizen genoemd, een naam dien wij door gemeentehuizen zouden kunnen verklaren.
Het woord kongsi heeft in Indië in het dagelijksch leven een ruimer beteekenis gekregen en wordt toegepast op iedere associatie van Chineezen voor handelszaken, industriëele ondernemingen, verpachtingen of wat ook (zie b. v. Kielstra in „de Gids” voor 1888, D. IV, bl. 62, 64), en wordt er, althans in het dagelijksch gesprek, ook wel tot de maatschappijen of associatiën van niet-Chineezen, b. v. tot eene spoorwegmaatschappij, uitgebreid.
De Chineesche speelhuizen, die alleen in de hoofdsteden van Java mogen gehouden worden, en wel door hen die het uitsluitend recht daartoe hebben gepacht, worden in de administratieve taal toptafels of topbanen genoemd. Het eerste lid dezer namen is Chineesch, namelijk een samentrekking van toe-pŏ, to-pok of to-pho, hazard-spellen spelen, inzonderheid, zoo het schijnt, met kaarten.
Gewoonlijk onderscheidt men in Indië van het to-pho of Chineesche kaartspel, het pho of dobbelspel en het tafui, een spel dat met tinnen duiten of boonen gespeeld wordt, die men in kopjes telt op de wijze van het tjongkak- of dakon-spel der Maleiers en Javanen.(49) Ik moet de nadere verklaring dezer namen aan de Sinologen overlaten.
Toptafel komt o. a. voor in „Batavia in derzelver gelegenheid”, III, bl. 17: „Aan de luitenants der Chineezen zijn tot een bestaan gegeven de toptafels dier natie”; doch het is vreemd dat daar van de toptafels wordt onderscheiden het Chineesche spel pho en to-pho, dat gezegd wordt aan de kapiteins dier natie te zijn afgestaan. Het onderscheid schijnt hier niet juist te zijn gemaakt; ten minste zou uit de hierboven voorgestelde, ook door den heer G. Schlegel goedgekeurde afleiding volgen, dat de toptafel juist voor het to-pho-spel diende.
Zeer vreemd klinkt in onze ooren de uitdrukking topbaan. Wij verstaan door baan een geëffende vlakte, zooals inderdaad gevorderd wordt voor sommige spelen. De namen kolfbaan (of zooals men oudtijds ook zeide klosbaan), kegelbaan, kaatsbaan, zijn ons niet vreemd, maar dat plaatsen waar men zich met kaart- en dobbelspel bezighoudt, ook banen genoemd worden, is in strijd met ons hedendaagsch spraakgebruik. Intusschen schijnt baan, bij uitbreiding, ook de algemeene beteekenis te hebben gehad van speelplaats. Volgens Kiliaan beteekent bane: via, platea, planities, callis; maar hij scheidt daarvan af een tweede bane, met de beteekenis van area, locus ubi luditur, waarbij hij klosbaan (kolfbaan) en tuischbaan (elders door hem area aleatoria verklaard) als voorbeelden noemt. Mijns inziens is baan voor speelplaats hetzelfde woord als in den zin van gebaanden weg of vlakte, maar, nadat het in gebruik was gekomen in den zin van speelplaats voor spellen die eene geëffende baan vereischen, door minder eigenaardige uitbreiding voor iedere plaats gebruikt, die bepaaldelijk voor eenig spel bestemd was.
(49) Een dergelijk spel is ook bekend aan sommige stammen van Afrika. Zie v. d. Kellen in „T. v. h. Aardr. Gen.” Verslagen en Meded., 1887, bl. 506.
Mogol (vgl. het Eng. Moghul) is de echte Aziatische naam van den Tartaarschen volksstam, dien wij gewoonlijk, met invoeging eener n,(50) Mongolen noemen. De vorsten van dezen stam worden doorgaans „de groote Mogol” genoemd. De grondlegger van de dynastie der Mogols, die sedert het jaar 1526 haren zetel had in Delhi in Hindostan, was de beroemde Tamerlan, die dan ook veelal als de eerste Groote Mogol wordt aangemerkt. Zie b. v. Valentijn, IV, 2, bl. 165. Echter wordt ook de zevende Groote Mogol, Sjah Baber, wel eens als de eerste voorgesteld, omdat met hem de regeering dezer dynastie te Delhi aanvangt. De Nederlanders kwamen in den tijd hunner vestiging en veroveringen in Hindostan met de Groote Mogols dikwijls in aanraking; de Engelschen, die in hunne voetstappen traden en hen eindelijk geheel uit dit gebied verdrongen, hebben het gezag der Groote Mogols eerst allengs ondermijnd, en eindelijk, toen het niets meer dan een schaduw geworden was, in 1828 opgehouden te erkennen. Desniettemin komt de naam Groote Mogol, of enkel Mogol, niet enkel veelvuldig bij onze geschiedschrijvers voor, maar is hij ook overgebleven in de volkstaal, om een potentaat, een despoot, iemand die zich op zijn gezag, zelfs in geringe zaken, veel laat voorstaan, aan te duiden. Zoo wordt zelfs bij Cremer, „Anna Rooze”, II, bl. 348, een keukenmeid schertsenderwijze „een keuken-mogol” genoemd, in denzelfden zin waarin wel eens in het dagelijksch leven van de „keukenprinsessen” gesproken wordt.
(50) Zie op Moeson, Amfioen, Pampoesjes, en vooral ook de noot op het art. Banaan.
Pikol, door velen, zonder eenige reden, als ware het een woord van Latijnschen of Franschen oorsprong, picol geschreven, is het Mal. en Jav. pikol of pikoel, dat eigenlijk dragen, inzonderheid over de schouders dragen (waartoe veelal een over den schouder liggende en aan beide in evenwicht gebrachte zijden beladen draagstok, pikolan, gebezigd wordt) beduidt, beteekent als zelfst. naamw. den last dien een man op deze wijze dragen kan, een schoudervracht. Daar zulk een last gemiddeld op honderd kati's, gelijkstaande met 125 Amst. ponden, begroot wordt, heeft pikol, volgens de bepalingen van de Nederlandsche Regeering, de bepaalde beteekenis van een gewicht van 125 Amst. ponden of 61.7613 kilogr. erlangd, en is men thans gewoon, zoowel in Indië, als ook in Nederland, de hoeveelheden van koloniale waren, b. v. koffie, suiker, tin enz., bij zulke pikols te berekenen. Hierdoor heeft dit woord, in deze bepaalde beteekenis dagelijks in de dagbladen voorkomende, het Nederlandsch burgerrecht verkregen. Zoo zegt men, b. v.: „Banka levert jaarlijks gemiddeld 80,000 pikols tin”; „de residentie Pasoeroean bracht in 1870 aan het Gouvernement 274,000 pikols koffie op.” De oude Preanger pikols van 225 Amst. ponden behooren thans nog slechts tot de geschiedenis.
Wanneer aan het woord pikol het Nederlandsch burgerrecht wordt toegekend, kan de vraag rijzen of het niet verkieslijk zou zijn, daaraan den reeds nu niet geheel ongebruikelijken verhollandschten vorm pikel te geven, die geheel met de gewone uitspraak overeenstemt, en waarvoor ook pleit het in Indië van pikol als werkwoord gevormde, en in den zin van over den schouder dragen en vervoeren van lasten gebruikte, vernederlandschte werkwoord pikelen.
Gelijk damar, pasar, klapa, rotan, pikir en vele andere Mal. of Jav. woorden in het Nederlandsch met verkorte vokaal en verdubbelde consonant worden uitgesproken (zie op dammer, passer, klapper, rotting, pikkeren), zoo kan ook uit pikol de nieuwe vorm pikkel ontstaan zijn.
Het woord pikkel is in het Ned. bekend: 1o. als bijvorm van bikkel (zie Franck, Etym. Wdbk. op bikkel); 2o. in de aan de Vlaamsche gewesten eigene beteekenis van voet of onderstel (b. v. van een tafel, een stoel, een pot)(51); 3o. in de beteekenis van zeker weegwerktuig, dat alleen plaatselijk schijnt bekend te zijn, waardoor deze beteekenis in onze woordenboeken niet vermeld wordt. Te Rotterdam en Dordrecht nam. is pikkel de naam van een werktuig uit drie palen bestaande, die van boven onderling met scharnieren verbonden en van onderen van ijzeren punten, waarmede zij tusschen de straatsteenen kunnen worden vastgezet, voorzien zijn. Tusschen die palen hangt een haak, waaraan een balans met schalen bevestigd wordt. Men bezigt dit weegwerktuig op de kaden bij het lossen van schepen. De arbeiders die met het wegen met de pikkel belast zijn, vormen in de genoemde plaatsen een soort van veem, en hieruit is de spreekwijze te verklaren: „die man is aan de pikkel”, d. i. hij behoort tot dat veem. Te Rotterdam (wellicht ook op andere plaatsen) zijn de pikkelloonen bij stedelijke verordening vastgesteld.
Dit weegwerktuig kan zijn naam ontleend hebben aan zijn vorm of aan zijn bestemming. In het eerste geval is misschien pikkel een verkorting van het Vlaamsche pikkelstoel, dat volgens Heremans un trépied, volgens van Dale een drievoet, elk meubelstuk dat op drie voeten rust, beteekent. Dit pikkelstoel zal wel met het bovengenoemde pikkel, voet van een stoel of tafel, samenhangen, maar hoe het aan de speciale beteekenis van een drie-voet komt, blijft zeer onduidelijk. Intusschen zijn het alleen de drie voeten, die niet oorspronkelijk tot het begrip van pikkel schijnen te behooren, die bij de pikkel als weegwerktuig aan den pikkelstoel doen denken.
Eenvoudiger is het wellicht aan te nemen dat pikkel als weegwerktuig het vernederlandschte pikol is, dat allengs zijne beteekenis van schoudervracht met die van een handelsgewicht heeft verwisseld. Misschien werd in den tijd der Compagnie ook in Nederland bij pikols gewogen. Men zal dus de weegloonen pikkel-loonen genoemd hebben, en vandaar het werktuig, waarmede gewogen werd, de pikkel.
Men zie in alles wat hier over het woord pikkel gezegd is, niet meer dan een poging om op een verwaarloosd woord opmerkzaam te maken, en om het raadsel van zijn oorsprong op te lossen. Groote waarschijnlijkheid durf ik zelf aan mijne oplossing niet toekennen.
(51) Kiliaan op Pickel: „pes mensae, sedis”, op Pickelpot, „chytropus, olla pedes habens”. Heremans, „Ned.-Fr. Wdbk.”: „Pikkel, voet eener tafel, eens stoels”.
De dikir is een gewone vorm van godsvereering in den Indischen Archipel, daarin bestaande, dat mannen en vrouwen zich vereenigen en onder het aanhoudend slaan op een gong of trom en het aanhoudend geroep van „lá iláha illaʾlláhoe” (er is geen God dan Allah), het lichaam gedurig heen- en weerschudden, waarbij sommigen in een staat van vervoering geraken en na allerlei sprongen en kronkelingen onder hevige stuiptrekkingen bewusteloos neerzijgen. Deze soort van godsvereering gaat echter niet altijd met zulke heftige verschijnselen gepaard. Men moet een onderscheid maken tusschen die eenvoudige dikirs, die reeds tot de eerste tijden van den Islam opklimmen en door Mohammed zelven in praktijk werden gebracht, en die meer omslachtige en kunstmatige, waardoor zich later de Çoefi's onderscheidden (zie Niemann's „Inleiding tot de kennis van den Islam”, bl. 352), en die wij bij de Derwisjen in Turkije en Egypte (zie Dozy, „het Islamisme”, bl. 330; Lane, „Modern Egyptians”, 5th ed., p. 243), en bij sommige dweepzieke sekten op Java, b. v. bij de zoogenaamde tiang doel (zie T. v. N.-I., Jg. 1855, D. II, bl. 14; Meded. v. wege het Ned. Zendelinggen., Jg. IV, bl. 241; mijn „Java”, D. I, bl. 339), ook op Borneo in den tijd van den Bandjermasinschen krijg bij de broederschap der beratip beamal (zie van Rees, „de Bandjermasinsche krijg”, D. II, bl. 186, Tijdschr. v. N.-I. Jg. 1869, D. II, bl. 197; Gramberg, „Madjapahit”, D. II, bl. 195) aantreffen. Wanneer wij b. v. bij Wallace, „Insulinde”, D. II, bl. 178 lezen: „Nadat wij van wal waren gestoken, begon de oude djoeragan eenige gebeden op te zeggen, waarop allen in het rond, onder begeleiding van eenige slagen op de gong, „lá iláha illaʾllahoe” antwoordden,” dan wordt daar ongetwijfeld een dikir beschreven, maar een dikir die geheel vrij is van de buitensporigheden der geestdrijverij. Ook de plechtige dikirs die op Java op den Moeloed-dag, den geboortedag van den Profeet, door de priesters gehouden worden (zie mijn „Java”, D. I, bl. 393, D. III, bl. 624), schijnen van die heftige vertooningen vrij te zijn. Men kan in Sprenger's „Leben und Lehre Mohammeds”, D. I, bl. 317 vv., of in de vertaling van dat stuk in „T. v. N.-I.” Jg. 1870, D. I, bl. 405, nalezen, hoe deze bijzondere vorm van godsvereering, die met de vijf voor elken dag voorgeschreven gebeden niets gemeens heeft, ontstaan is en zich ontwikkeld heeft.
Dikir is de Javaansche en, wat de uitspraak betreft, ook de Maleische vorm van het Arabische woord dzikr, dat vermelding, lofvermelding, verheerlijking, nam. van God, beteekent. De Arabische letter dzâl kan de Javaan niet uitspreken; zij wordt vanzelve d. Tusschen de sluitconsonanten k en r wordt, omdat de in de literaire taal gebruikelijke uitgang die de naamvallen aanwijst, verloren is gegaan, als vanzelve de vokaal der eerste letter vluchtig herhaald. (Vgl. het aangeteekende op Attar goel). Zoo ontstaat dus het woord dikir, dat door den heer Verkerk Pistorius, „Studiën over de inlandsche huishouding in de Padangsche Bovenlanden”, bl. 211, minder goed sikir geschreven en daardoor moeilijk herkenbaar wordt. In den laatsten tijd las men in de Indische dagbladen ook dikwijls dzikir (en als werkwoord dzikirren); maar deze poging om den oorspronkelijken Arabischen vorm beter uit te drukken, is niet aan te bevelen in een woord dat niet in zijn Arabischen, maar in zijn Javaanschen vorm tot ons is gekomen.
Brani is een Maleisch woord, waarvan wani het Javaansche aequivalent is, ofschoon de Javanen ook somtijds het Maleische woord gebruiken. Naar den aard dier talen, die wel bijzondere verbale vormen hebben, maar niet noodwendig substantief, adjectief en verbum onderscheiden, beteekenen deze woorden zoowel stoutmoedig zijn, durven, wagen, als stoutmoedig, dapper, driest, en een stoutmoedige, een dappere, een held. Het woord brani wordt niet slechts in Indië veel door de Europeanen gebruikt, maar is ook in Nederland in de volkstaal ingedrongen. Zoo lezen wij, b. v., bij van Maurik, „Van allerlei slag”, bl. 32: „Kijk ereis aan, die wil den brani uithangen”.
Deze woorden zijn ontleend aan het Maleische en Javaansche pikir, overdenking, overleg, gedachte, dat zelf weder niets anders is dan de inlandsche uitspraak van het Arabische fikr. Daar de Maleische taalstam geen f kent, gelijk de Arabische taal geen p, moest de f door haar naaste verwante de p vervangen worden; voor het overige werd pikir van fikr, gelijk dikir van dzikr gevormd. De verdubbeling der k in pikkeren, dat dikwijls in plaats van pikeren gebruikt wordt, is ook een gewoon, reeds meermalen door mij ter sprake gebracht verschijnsel; zie art. Rotting. In het Maleisch en Jav. wordt, naar den aard dier talen, pikir ook als werkwoord gebruikt, in den zin van overleggen, overdenken; bij den Indo-Europeaan wordt hetzelfde uitgedrukt door aan het inlandsche woord den Nederlandschen verbaalvorm te geven. Zie op Soebatten. Over iets pikkeren is eene gewone Ned.-Indische spreekwijze, zooals o. a. opgemerkt is door Gevers Deynoot, „Herinneringen eener reis naar Ned.-Indië”, bl. 41, en in van der Hoog's roman „Wonosari”, D. II, bl. 43, waar men leest: „wat loopt gij dan ook zoo te piekeren, zooals men zegt.”
Dit woord zullen de meeste mijner lezers wel niet verwacht hebben hier aan te treffen. Het is dan ook slechts in de zeer bijzondere beteekenis die het als scheldwoord heeft, dat er hier sprake van kan zijn. De uitdrukkingen: een tang van een wijf, een oude tang, zouden, volgens eene gissing van Prof. de Vries in „de Taalbode”, II, 292, afkomstig zijn van seetang of zeetang, eene Europeesche verbastering van het Maleische seitan of sétan. Prof. Moltzer zegt daarvan in zijne aankondiging in „de Gids” voor 1872, II, 161: „Lepidius quam verius”, en drukt zijne overtuiging uit dat te eeniger tijd de ware eerste tang van een wijf uit het een of ander oud kluchtspel zal te voorschijn treden. Maar dit is geene verklaring. Zou de tang ook kunnen staan voor de persoon die er zich van bedient? Het is een werktuig dat men gebruiken kan om te slaan en te knijpen en vast te houden, en dat eene vrouw uit de volksklasse allicht ter hand vindt als zij haren toorn koelen wil. Onmogelijk schijnt mij die opvatting niet.
De gissing van Prof. de Vries is echter lang zoo onwaarschijnlijk niet als zij zich op het eerste gezicht voordoet, en kan ook nog wel voorgesteld worden op eene wijze, die haar meer aannemelijk maakt. Het woord seetan is oorspronkelijk niet Maleisch, maar het Arabische sjeitan (dat echter van het Hebr. Satan schijnt af te stammen), door de Maleiers en Javanen, wier spraakorganen de sj (of sch) van het Arabisch alphabet niet kunnen voortbrengen, als seitan of sétan uitgesproken. Daaruit schijnt in het zoogenaamd laag-Maleisch, dat is het door de Europeanen gesproken brabbel-Maleisch, sĕtang ontstaan, want ofschoon die vorm in onze Maleische woordenboeken en woordenlijsten, ook die van het laag-Maleisch, zooveel ik weet, nooit wordt opgegeven, vind ik hem reeds bij den ouden Bontius, „Hist. Nat. et Med. Ind. Orient.”, p. 79, waar hij van een kleinen gehoornden visch sprekende zegt: „Piscatores Indi vocabulo Arabico ipsum ican setáng vocant, i. e. piscem diabolum, vel quod cornua gerat, seu, quod ictus ejus admodum virulentus sit.” De betoning van de a in de laatste lettergreep, die Bontius door een accent aanwijst, vordert bepaaldelijk dat de e in de eerste als ĕ wordt uitgesproken. Echter is die verkorting van den klinker é bevreemdend, en alleen te verklaren uit eene verplaatsing van den klemtoon, zooals ook in andere talen soms plaats heeft. Men zegt wel te Amsterdam steeds vierkánt in plaats van víerkant, en te Groningen óverleg in plaats van overlég, ofschoon beide geheel met ons taaleigen strijden. Minder bezwaar heeft de verandering op het einde van de zuivere n in de nasale ng, die bijzonder aan het laag-Maleisch eigen is, zooals ik op Orang oetan en Rotting opmerkte. Stel nu (wat ik niet durf verzekeren, maar dat gemakkelijk kan worden uitgemaakt door ieder die eenigen tijd te Batavia heeft vertoefd) dat die vorm sĕtang nog heden in het straat-Maleisch in gebruik is, dan kan het woord licht door onze matrozen zijn opgevangen, en, met verwaarloozing der eerste toonlooze lettergreep, waardoor het tevens den vorm kreeg van een gewoon Nederlandsch woord (zie op art. Kaalkop) in de Nederlandsche volkstaal overgebracht. Ik vind orang sétan als een gebruikelijke laag-Maleische uitdrukking voor een duivelsch, een boosaardig mensch vermeld. Dezelfde beteekenis heeft dan sĕtang of tang.
Dit uit Java medegebracht, maar eigenlijk ook al weder Arabisch woord, verneemt men uit den mond onzer Indo-Europeanen tot zelfs in de vergadering onzer volksvertegenwoordigers. In de zitting der Tweede Kamer van 16 November 1885 waarschuwde de heer van Gennep tegen de akals, die zouden kunnen worden aangewend om aan gelden voor een bepaald doel beschikbaar gesteld, ten nadeele der inlandsche bevolking, eene andere bestemming te geven, en de Nieuwe Rott. Courant van 16 Oct. 1888, beschuldigt, in navolging daarvan, in een artikel over de Indische begrooting den Minister van Koloniën van zulk een akal om de Begrooting ten koste van den Javaan te ontlasten. Ook de Indische pers maakt dikwijls van het woord gebruik, b.v.: „Er moest dus een akal gezocht worden, om met een zoet lijntje tot hen door te dringen.” (Kruseman, „Eenige dagen onder de Badoewies”, in „Java-bode” van 31 Oct. 1888.) Het zal dus noodig worden ook dit woord onder de aanwinsten onzer taal uit Indië op te teekenen. Het Arabische ʾaql door de Javanen en Maleiers akal uitgesproken, beteekent eigenlijk verstand, doorzicht, scherpzinnigheid, schranderheid; bij de Inlanders bepaaldelijk ook inzicht in de waarde der geheimzinnige teekenen, die de goede of kwade eigenschappen van paarden, buffels, vechthanen, en vele andere zaken bepalen. Maar bij de Indo-Europeanen wordt het, ook in navolging der Inlanders, veelvuldig gebruikt van behendigheden, sluwheden, listen, en bij dit gebruik laat het natuurlijk ook het meervoud toe.
Dit woord, waarvan de hierboven geplaatste, vroeger bij ons algemeene schrijfwijze eene navolging schijnt te zijn van het Fransche Hégire(52), is reeds behandeld in de „Oosterlingen” van Prof. Dozy, en zou dus hier achterwege zijn gebleven, zoo ik niet gewenscht had opmerkzaam te maken op een opstel van Dr. Snouck Hurgronje in de „Bijdragen van het Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde van Ned.-Ind.” 5e Volgr., D. I, bl. 356, waarin hij aantoont, dat het Arabische woord Hidjra (want zoo luidt de juistere, thans ook door velen gevolgde, transscriptie) ten onrechte doorgaans door vlucht wordt vertaald. De wortel beteekent: afsnijden, verlaten, zich afwenden van personen of zaken, zich afscheiden. Dozy heeft de ware beteekenis niet over het hoofd gezien, zooals blijkt uit zijne verklaring: „het verlaten der geboorteplaats, het vertrek,” maar wordt toch ook weder minder juist, als hij er ook de vlucht aan toevoegt. Wie zijne geboorteplaats verlaat en zich van zijne stadgenooten afwendt, kan zeker daartoe gedwongen zijn en dus vluchten; maar Mohammed's vertrek van Mekka was geene vlucht, maar eene vrijwillige, lang overlegde en voorbereide daad, zooals dr. Snouck Hurgronje in bijzonderheden aantoont. Wij zouden der historische waarheid meer recht laten wedervaren door niet van de vlucht, maar van de uitwijking van Mohammed te spreken.