VII.

PHILADELPHIA.

PHILADELPHIA EN ZIJN CELLULAIRE GEVANGENIS.

De reis van New-York naar Philadelphia wordt per spoor en twee veerbooten afgelegd; en gewoonlijk is daar een uur of zes mee gemoeid, ’t was een mooie avond toen wij in den trein zaten; en toen we uit een raampje dicht bij ’t portier, waar we naast zaten, het heldere ondergaan der zon gadesloegen, werd mijn aandacht getrokken door een vreemde verschijning, die uit de raampjes van den heeren-waggon, voor ons uit, vandaan kwam. Een tijdlang veronderstelde ik, dat deze verschijning te danken was aan tal van vlijtige menschen, die er in zaten en zich bezighielden met veeren bedden open te scheuren en de veeren in den wind te strooien; maar eindelijk en ten laatste meende ik te merken, dat ze niets anders deden dan spugen, wat inderdaad het geval was, ofschoon het mij, niettegenstaande de ondervinding in allerlei spuug-verschijnselen, die ik naderhand opdeed, nog altijd een raadsel is gebleven, hoe een zeker aantal passagiers, gelijk zoo’n waggon immers maar bevatten kon, zoo’n vermakelijke en onophoudelijke spuug-bui vol heeft kunnen houden.

Op deze reis maakte ik kennis met een zachten en bescheiden jongen Kwaker, die het gesprek opende door me op deftig fluisterenden toon mee te deelen, dat zijn grootvader de uitvinder was van koud getrokken ricinusolie. Ik maak hier melding van, omdat het waarschijnlijk wel de eerste gelegenheid geweest is, dat het bewuste onschatbare geneesmiddel ooit diende als een soort van purgatief voor conversatie.

Eerst laat in den avond kwamen we in de stad aan. Daar ik, voordat ik naar bed ging, het raam mijner kamer uitkeek, zag ik aan den overkant van den weg een mooi wit marmeren gebouw, dat er zoo somber en spookachtig uitzag, dat men er akelig van werd als men er naar keek. Ik schreef dit aan den somberen invloed van den nacht toe, en zoodra ik ’s morgens opstond, keek ik nog eens uit, niets anders verwachtende of ’t zou op de treden en in ’t portaal krioelen van menschen, die er in- en uitgingen. Maar jawel, de deur was nog potdicht; hetzelfde doodsche waas lag over alles, en het gebouw zag er uit alsof het marmeren standbeeld van Don Guzman alleen iets te verhandelen kon hebben binnen zijne sombere muren. Ik maakte er gauw werk van, om er achter te komen hoe het heette en waar ’t toe dienen moest. Ik kwam er achter, en.... weg was mijn verbazing. Dit gebouw was het graf van zoo menig fortuin; de groote Catacombe van geldbelegging: de gedenkwaardige Bank der Vereenigde Staten.

Dat deze bank haar betaling gestaakt had, had, naar men mij van alle kanten vertelde, Philadelphia als ’t ware in diepen rouw gehuld, en nog altijd worstelde het met al de heillooze gevolgen dezer staking. De stad zag er, mijns bedunkens, dan ook nog al droefgeestig uit.

Philadelphia is een mooie stad, maar om de waarheid te zeggen, al te regelmatig gebouwd. Nadat ik er zoo wat een uur of twee in rondgekuierd had, werd ik te moede alsof ik de geheele wereld voor een bochtige straat had willen geven, ’t Was precies alsof onder den kwakerachtigen invloed mijner omgeving de kraag van mijn jas stijf werd en de rand van mijn hoed breeder. Mijn haar begon sluik te hangen, mijne handen vouwden zich vanzelf in kalme eensgezindheid over mijn borst te zamen, en onwillekeurig schoten gedachten mij te binnen, om in Mark Lane te gaan logeeren tegenover de Markt en door speculatiën in de granen een kolossaal fortuin machtig te worden.

Philadelphia is rijkelijk van versch water voorzien, waarmee van alle kanten om u heen gegoten en geplast wordt, dat het een aard heeft. De waterwerken, die zich op een hoogte in de nabijheid der stad bevinden, zijn niet minder fraai dan nuttig. Ze zijn namelijk als een publieke tuin met smaak aangelegd, en worden zoo goed en net mogelijk onderhouden. De rivier is op dit punt afgedamd en door haar eigen kracht naar zekere hooge vijvers of reservoirs afgeleid, met dat gevolg, dat de geheele stad tot aan de bovenste verdieping der huizen met bitter weinig onkosten van water voorzien wordt.

Er zijn verscheidene openbare inrichtingen, waaronder een allervoortreffelijkst gasthuis, dat wel is waar een gesticht der Kwakers is, maar waar men het sektarisch karakter gaarne van over ’t hoofd ziet door de groote zegeningen die het om zich heen verspreidt. Verder treft men daar aan: een allerkeurigste Bibliotheek, die naar Franklin genoemd is, een fraai Beursgebouw en Postkantoor; en zoo voorts. Bij ’t Kwakershospitaal behoort een schilderij door West, die men ten behoeve van ’t gesticht voor geld laat zien. Het onderwerp is: onze Zaligmaker de kranken genezende; en stelt den Meester op zulk een gunstige wijze voor, als men misschien nergens beter aan zal treffen. Of deze lof te sterk of te zwak zal bevonden worden, hangt van des lezers smaak af.

In dezelfde kamer bevindt zich een zeer karakteristiek en sprekend gelijkend portret door den heer Sully, een beroemd Amerikaansch kunstenaar.

Mijn verblijf in Philadelphia was zeer kort, maar wat ik van de samenleving aldaar zag, beviel mij bij uitstek goed. Wat zijn algemeene kenmerken betreft, zou ik wel durven zeggen, dat de toon die hier heerscht meer naar ’t provinciale zweemt dan te Boston of New-York, en dat er in de schoone stad wat smaak en critischen geest aangaat, over ’t algemeen te denken viel aan die interessante gesprekken over dezelfde onderwerpen in verband met Shakespeare en de „Musicaal Glasses,” waar we in de Vicar of Wakefield van lezen. Dicht bij de stad is een allerprachtigst onvoltooid marmeren gebouw voor het Girard College, gesticht door een overleden heer van dien naam en die schatrijk was,—een gebouw, dat als ’t eenmaal naar ’t oorspronkelijk ontwerp afgemaakt is, misschien het rijkste gebouw uit onzen modernen tijd zal wezen. Maar men is aan ’t procedeeren over ’t legaat, en heeft ondertusschen het werk gestaakt; zoodat het met deze stichting wel net zal gaan als met andere groote ondernemingen in Amerika: komt het er vandaag niet, dan wel morgen, of overmorgen of later.

In een der voorsteden staat een groote gevangenis, die het Ooster-Verbeterhuis genoemd, en volgens een stelsel bestuurd wordt, dat den staat Pennsylvanië bijzonder eigen is, het stelsel namelijk van strenge en hopeloos eenzame opsluiting. Ik voor mij geloof, dat het in zijn gevolgen even wreed als verkeerd is.

Nu ben ik er wel van overtuigd, dat dit stelsel van een welgezinde en menschlievende bedoeling uitgaat, en louter de zedelijke verbetering van den gevangene op ’t oog heeft, maar ’t staat niet minder bij me vast, dat zij, die dit stelsel van gevangenistucht bedachten, en die welgezinde heeren, welke het in toepassing brengen, eigenlijk niet weten wat ze doen. Ik geloof, dat er maar zeer weinigen gevonden worden, die in staat zijn om al de foltering, al den angst te beseffen, waar zij aan onderworpen zijn, die deze straf jaren achtereen hebben te ondergaan; en als ik maar bij mij zelven naga en in overweging neem al wat ik op hun gezichten heb gelezen en al wat ik weet dat zij inwendig gevoelen, dan bevestigt mij dit slechts te dieper in mijn overtuiging, dat er in dit stelsel een diepte van schrikkelijk lijden opgesloten ligt, die alleen de lijders zelven kunnen peilen en geen mensch ter wereld het recht heeft, zijn medeschepsel op te leggen. Ik houd ’t er voor dat deze langzame en dagelijksche omgang met de geheimen van ’t brein onmetelijk erger is dan lichamelijke tuchtiging, onverschillig welke; en omdat de akelige teekenen dier zedelijke marteling niet zoo zichtbaar en tastbaar zijn als litteekenen op ’t vleesch; omdat haar wonden niet op de oppervlakte zijn en zij maar weinig kreten afperst die ’s menschen oor kan hooren; zie, dat is voor mij een reden te meer, dat stelsel te brandmerken als een geheim strafmiddel, waartegen de sluimerende menschelijkheid al lang had moeten opkomen. Eens ging ik met mij zelven te rade, of ik, gesteld ik had de macht om „ja” of „neen” te zeggen, mijn toestemming zou geven, om deze straf in zekere gevallen van kortstondige opsluiting toe te passen, en.... aarzelde toen; maar nu, nu verklaar ik plechtig, dat ik, hoezeer ook met belooningen of eerbewijzen overladen, onmogelijk als een gelukkig man over dag onder den blooten hemel zou kunnen wandelen of me ’s nachts op mijn bed zou kunnen neervlijen, als ik mij zelven bewust mocht zijn, dat een menschelijk schepsel, onverschillig voor hoe langen of korten tijd, deze onbekende straf in zijn eenzame cel onderging, waar ik de oorzaak van was of, in hoe geringen graad dan ook, de hand in geleend had.

Twee heeren, die officieel tot haar bestuur in betrekking stonden, vergezelden mij naar deze gevangenis waar ik een dag doorbracht door van de eene cel naar de andere te gaan en met de gevangenen te spreken. Al wat de uiterste hoffelijkheid maar kan verzinnen om ’t iemand bij zoo’n bezoek gemakkelijk te maken, viel mij bij die gelegenheid ten deel. Niets werd aan mijn oog onttrokken, en op elk punt, waar ik onderzoek naar deed, kreeg ik een onbewimpeld en ondubbelzinnig antwoord. Aan de volmaakte orde van ’t gebouw kan niet te uitbundige lof worden toegezwaaid, en wat de uitstekende bedoelingen betreft van hen, die onmiddellijk in betrekking staan tot de toepassing van dit stelsel, daaromtrent zou men zelfs geen zweem van twijfel durven koesteren.

Tusschen de gevangenis zelve en den buitenmuur is een ruime tuin. Toen wij dien tuin door een deurtje in de massieve poort ingingen, liepen we het pad voor ons af en traden een groote kamer binnen, waar zeven lange gangen op uitloopen. Aan elken kant van zoo’n gang is een lange, lange rij van lage celdeuren, die allen met een zeker merk geteekend zijn. Daarboven bevindt zich een galerij van cellen zooals die beneden, met dit verschil, dat zij geen kleine ruimte naast zich hebben gelijk die van de benedenverdieping en ietwat kleiner zijn. Het bezit van twee dezer cellen wordt beschouwd als een vergoeding voor ’t gemis van zooveel lucht en beweging als men een uur per dag in iedere benedencel kan genieten, en vandaar dat iedere gevangene in deze bovenverdieping twee cellen heeft die met elkaar gemeenschap hebben.

Als men op ’t middelpunt dezer gevangenis staat en dan op al die akelige gangen neerziet, wordt men naar van de doodsche stilte die er heerscht. Af en toe hoort men wel een dof geluid van een enkele weversspoel of schoenmakersleest, maar de klank wordt gedempt door de dikke muren en zware kerkerdeur, en dient slechts om de algemeene stilte nog des te dieper te maken. Over ’t hoofd en gezicht van iederen gevangene, die in dit zwaarmoedige huis komt, wordt een zwarte kap getrokken, en in dit donkere omhulsel, een zinnebeeld van ’t gordijn dat tusschen hem en de levende wereld is opgehangen, wordt hij naar de cel gebracht, die hij nooit weer verlaat, totdat zijn geheele straftijd om is. Nooit hoort hij van vrouw en kinderen; van huis of vrienden; van ’t leven of sterven van eenig menschelijk schepsel. Hij ziet de ambtenaren der gevangenis, maar behalve hen ziet hij nooit een menschelijk gezicht, hoort hij nooit een menschelijke stem. Hij is levend begraven, om na verloop van jaren weer opgegraven te worden; en ondertusschen dood voor alles, behalve voor folterende angsten en vreeselijke wanhoop.

Zijn naam en misdaad, en de tijd van zijn lijden zijn hem zelfs onbekend, die hem zijn dagelijksch voedsel reikt. Er staat een getal boven de deur zijner cel en in een zeker boek, waarvan de directeur der gevangenis een afschrift heeft en de godsdienstonderwijzer insgelijks: ziedaar de aanwijzing zijner geschiedenis. Buiten deze bladzijden om draagt de gevangenis geen kennis van zijn bestaan, en al zou hij tien in een gevangenis zoo langzaam voortkruipende en daarom zoo afmattende jaren in één en dezelfde cel doorbrengen, tot het allerlaatste uur toe heeft hij geen middel om te weten in wat voor gedeelte van ’t gebouw zijn cel ligt; wat voor menschen om hem heen zijn; of er in de lange winternachten levende menschen in zijne nabijheid wonen, of dat hij in een of anderen afgelegen hoek der groote gevangenis zit, met muren en gangen en ijzeren deuren tusschen hem en den naasten deelgenoot zijner vreeselijke eenzaamheid.

Iedere cel heeft dubbele deuren: de buitenste van stevig eikenhout, de andere van getralied ijzer, met een luikje waardoor hij zijn voedsel krijgt. Hij heeft een Bijbel, en een lei en grift, en, onder zekere beperkingen, somtijds andere boeken, natuurlijk doelmatige, en pen en inkt en papier. Zijn scheermes, kan en kom hangen aan den muur, of glinsteren op ’t plankje. In iedere cel is een buis van de waterleiding, waar hij naar verkiezing gebruik van kan maken. Over dag draait zijn bedstee tegen den muur aan, en maakt zoodoende meer plaats voor hem om te werken. Daar is zijn weefgetouw of bank of wiel, en daar werkt hij, slaapt en waakt en telt de jaargetijden al naar ze veranderen, en wordt oud.

De eerste man, dien ik zag, zat aan zijn weefgetouw te werken. Al zes jaar was hij daar geweest; ik meen, dat hij nog drie jaar moest zitten. Hij was overtuigd geworden als heler van gestolen goed, maar zelfs na deze langdurige gevangenschap ontkende hij zijn schuld en zei dat hij hard was behandeld geworden. ’t Was al de tweede maal dat hij zat.

Hij scheidde uit met werken toen wij binnenkwamen, zette zijn bril af en antwoordde vrijmoedig op al wat hem gevraagd werd, maar altijd na eerst op vreemdsoortige wijze gewacht te hebben, en als hij begon te spreken, dan geschiedde dit met een zachte nadenkende stem. Hij droeg een papieren hoed van zijn eigen maaksel en ’t deed hem goed dat er notitie van genomen werd en men hem er een pluimpje over gaf. Heel vernuftig had hij van eenige stukken en brokken een soort van Hollandsche klok gemaakt, waarbij hem zijn azijnfleschje tot slinger diende. Toen hij merkte, dat ik in dit knutselwerk belang stelde, keek hij er niet weinig grootsch naar, en zei dat hij er aan dacht om er wat verbetering in aan te brengen, en hoop had met behulp van een hamer en een stukje gebroken glas er muziek mee te kunnen maken. Behalve dat had hij nog eenige kleuren weten te krijgen uit het garen waar hij mee werkte en schilderde daarmee een stuk of zes armzalige figuren. Een daarvan, een vrouwelijke figuur, over de deur, noemde hij: „De Dame van ’t meer.”

Hij glimlachte toen ik naar deze knutselarijen keek waarmee hij den tijd trachtte te dooden; maar toen ik van de knutselarijen naar hem zelf keek, zag ik dat zijn lip beefde, en kon het kloppen van zijn hart gehoord hebben. Ik weet niet meer, hoe het gesprek hierop kwam, maar er werd min of meer op gezinspeeld, dat hij een vrouw had. Op dat woord schudde hij met zijn hoofd, draaide zich om en bedekte zijn gezicht met zijn handen.

„Maar u is nu toch gelaten onder uw lot, niet waar?” vroeg een der heeren na een korte poos, in welken tusschentijd hij weer op zijn verhaal gekomen was. Met een zucht, waar èn de grootste gelatenheid èn de diepste wanhoop uit sprak, antwoordde hij: „Wel zeker, wel zeker! Ik ben er gelaten onder.”—„En nu is u een beter mensch geworden, niet waar?”—„Nu, ik wil ’t hopen, waarom niet?”—„En gaat de tijd nogal gauw om?”—„Binnen deze vier muren, heeren, duurt de tijd lang, o, zoo lang!”

Toen hij deze laatste woorden sprak, keek hij om zich heen—God alleen weet, hoe droevig!—en verviel ondertusschen in een soort van vreemdsoortige verbijstering alsof hij iets vergeten had. Een oogenblik later zuchtte hij geweldig, zette den bril op, en ging weer aan zijn werk.

In een andere cel zat een Duitscher, die wegens diefstal vijf jaar gekregen had, waarvan er juist twee om waren. Met kleuren, die hij langs denzelfden weg verkregen had, had hij, en dat waarlijk heel mooi, elken duim van de muren en den zolder beschilderd. De weinige voeten gronds er achter, had hij met keurige netheid ingericht en in ’t midden een klein bed gemaakt, dat er, om dit in ’t voorbijgaan te doen opmerken, als een graf uitzag. De smaak en vindingrijkheid, die hij in alles ten toon gespreid had, waren buitengewoon, en toch had men zich geen neerslachtiger en rampzaliger schepsel voor kunnen stellen. Ja, nooit zag ik een toonbeeld van zoo wanhopige smart, van zoo diepe zielsbedroefdheid, in één woord, nooit zag ik iemand wiens hart meer gebroken was dan bij hem het geval scheen te wezen. Mijn hart bloedde dan ook om zijnentwille; en toen de tranen langs zijn wangen biggelden en hij, een der bezoekers ter zijde nemende en zich met bevende handen zenuwachtig aan diens jas vastklemmende, dezen vroeg of er geen hoop was, dat zijn akelig vonnis veranderd zou worden, zie, toen werd het schouwspel waarlijk al te pijnlijk om er nog langer getuige van te blijven. Nooit zag of hoorde ik van ellende, onverschillig van welken aard, die dieper indruk op me maakte dan de rampzaligheid van dezen man.

In een derde cel was een lange sterke zwarte, een inbreker, die zich met zijn eigen vak onledig hield, om namelijk schroeven en soortgelijke zaken te maken. Zijn tijd was bijna om. Hij was niet alleen een allerbehendigste dief, maar stond ook bekend om zijn stoutheid en onbeschaamdheid, en om de hoeveelheid zijner misdrijven. Hij onderhield ons met een lang relaas zijner heldendaden, dat hij zoo allersmakelijkst voordroeg, dat hij zijn lippen nog scheen af te likken toen hij ons pikante anekdotes op ging disschen van gestolen tafelzilver, en van oude dames die hij, aan den overkant der straat staande, bespionneerd had toen zij met een zilveren bril voor ’t raam zaten, om ze, wat hij dan ook gedaan had, bij de eerste gunstige gelegenheid te bestelen. Ik maak me sterk, dat deze snaak, op de geringste aanmoediging van onzentwege, al die prachtige herinneringen nog buitendien met de verachtelijkste leugens zou opgesierd hebben; maar ik zou me al danig moeten vergissen, als hij de onverbloemde huichelarij had kunnen overtreffen, waarmee hij verklaarde, dat hij den dag zegende waarop hij in die gevangenis kwam en dat hij, zoo oud als hij werd, zich nooit meer aan den geringsten diefstal schuldig zou maken.

Hierop kwamen we aan de cel van een ander man, die de bijzondere vergunning gekregen had om er konijntjes op na te houden. Daar zijn vertrek dientengevolge een eigenaardigen reuk had, riepen zij hem toe, dat hij in de gang moest komen. Terstond voldeed hij aan de oproeping, en daar stond hij nu voor ons, met zijn akelig bleek gezicht waar het ongewone licht van ’t groote raam op viel, en zoo flets, zoo spookachtig flets zag hij er uit als kwam hij zoo even uit zijn graf vandaan. Hij had een wit konijntje tegen zijn borst, en zoodra het kleine diertje op den grond was, wipte het gauw naar de cel terug, waarop hij, na permissie gekregen te hebben om ook heen te gaan, bedeesd het konijntje achterna sukkelde. Dat ziende, vroeg ik mij zelven af, in wat voor opzicht die man een edeler dier was dan dat konijntje.

Er zat ook een Engelsche dief, die er, op een dag of wat na, al zeven jaar geweest was: een gemeene vent met een laag voorhoofd, dunne lippen en een bleeke tronie. Deze scheen er alles behalve op gesteld te zijn, bezoek te krijgen, maar zou daarentegen niet weinig trek gehad hebben, om mij met zijn schoenmakersmes zonder omslag naar de andere wereld te sturen, hadde hij niet vrees gehad voor verzwaring van straf. Er zat nog een Duitscher, die eerst gister in de gevangenis was gekomen. Zoodra wij in zijn cel keken, sprong hij van zijn bed op, en soebatte in gebroken Engelsch om werk. Er zat ook een dichter, die in iedere vier en twintig uren twee dagen werk verrichtte, één voor hem zelf en één voor de gevangenis,—die verzen maakte op schepen (hij was een zeeman van beroep), en op „den bedwelmenden wijnbeker,” en op zijn vrienden thuis. Van dat slag zaten er heel velen. Sommigen kregen een kleur als ze bezoekers zagen, sommigen werden doodsbleek. Een stuk of drie hadden waaksters bij zich, want ze waren erg ziek; en een, een zwaarlijvige neger, wiens been was afgezet geworden in de gevangenis, had om hem gezelschap te houden een student en een volleerd chirurgijn, een gevangene net als hij. Een aardige jongen, een kleurling, zat op de trap wat gemakkelijk werk te verrichten. „Maar is hier dan geen asyl voor jeugdige misdadigers?” vroeg ik,—„O, ja, maar alleen voor blanke kinderen.” Wat ’n edele aristocratie in zake misdadigers, niet waar?!

Er was onder anderen een zeeman, die hier al elf jaar gezeten had en over een maand of wat losgelaten zou worden. Elf jaar eenzame opsluiting!

„’t Doet me recht veel plezier te hooren, dat je tijd bijna om is.” Wat zegt hij hierop? Niets. Waarom kijkt hij zoo strak naar zijn handen en plukt aan ’t vleesch zijner vingers, en vestigt telkens en telkens weer zijn oogen naar die kale muren die zijn hoofd hebben zien grijs worden? Dat doet hij af en toe.

Kijkt hij de menschen nooit vlak in hun gezicht, en plukt hij altijd zoo aan zijn handen, alsof hij ’t vel van ’t been wou scheiden? Och, een gril, anders niet.

Zoo is ’t ook een gril van hem, als hij zegt dat hij er niet meer verlangend naar uitziet, om op vrije voeten te komen; dat hij niet blij is dat die tijd zoo aanstaande is: dat hij er eenmaal verlangend naar uitzag, maar dat was al heel lang geleden; dat hij nergens meer om maalt. ’t Is maar een gril van hem, een hulpeloos, innerlijk gekneusd, neen, gebroken man te zijn. Een gril! Nu, de Hemel weet er alles van, dat hij zijn luimen van A tot Z heeft kunnen botvieren!

Er zaten drie jonge vrouwen in cellen naast elkaar, allen tegelijk hiervan overtuigd, dat ze afgesproken hadden, om haar vrijer te bestelen. Stil en eenzaam als ze nu binnen die muren geleefd hadden, waren ze mooi opgegroeid. Ze zagen er erg bedroefd uit en zouden den ernstigsten bezoeker tot schreiens toe hebben kunnen bewegen, maar niet tot die soort van weemoed zooals door ’t zien van de mannen wordt opgewekt. De eene was een jong meisje; nog geen twintig, als ik me wel herinner. Haar sneeuwwit vertrek was behangen met het werk van den een of anderen vorigen gevangene, en op haar neerslachtig gezicht scheen de zon in al haar pracht door de hooge spleet in den muur, waar een kleine strook van den helder blauwen hemel zichtbaar was. Zij was zeer boetvaardig en bedaard; ze berustte geheel en al in haar lot, zei ze (en ik geloof haar); en daar binnen in haar ziel was ’t rustig. „U voelt u dus, in één woord, gelukkig hier?” zei een van hen, die bij me waren. Het kostte haar moeite—o, ’t kostte haar zooveel moeite—om op die vraag „ja” te antwoorden, maar zie, daar sloeg ze haar oogen op, en die oogen ontmoetten dien straal der vrijheid boven haar hoofd, en nu barstte zij in tranen uit, en zei dat „ze haar best deed om gelukkig te zijn; ze uitte geen klacht; maar ’t was immers natuurlijk dat ze ’r somtijds naar snakte, om uit die eene cel te komen; dát kon ze gerust niet helpen,”—ze snikte, ’t arme kind!

Dien dag ging ik van cel tot cel; en ieder gezicht dat ik zag, of woord dat ik hoorde, of opmerkelijk geval dat me trof, ’t staat me nog altemaal voor den geest in al zijn naarheid en akeligheid. Maar laat ik hiervan afstappen, om me thans te bepalen bij een gevangenis die opwekkender gezicht opleverde,—een gevangenis volgens ’t zelfde plan ingericht, die ik naderhand te Pittsburgh zag.

Toen ik die op dezelfde wijze doorloopen had, vroeg ik den directeur of hij iemand onder de gevangenen had die binnenkort losgelaten zou worden, waarop hij antwoordde, dat hij er een had, wiens tijd den volgenden dag om was; maar dat was er een, die maar twee jaar gezeten had.

Twee jaar! Ik wierp een blik terug door twee jaar van mijn eigen leven—buiten de gevangenis, in voorspoed, gelukkig, van alle kanten en in alle opzichten met zegeningen overladen—en ik dacht er aan, hoe wijd reeds die gaping was en hoe lang, hoe ontzettend lang die twee jaren zouden geduurd hebben, als ik ze eens in eenzame gevangenschap door had moeten brengen. Terwijl ik dit schrijf, staat het gezicht van dezen man, die den volgenden dag op vrije voeten zou komen, voor ’t oog mijner verbeelding. Het verdient bijna meer herdacht te worden in zijn geluk dan de andere gezichten in hun ellende. Hoe gemakkelijk en hoe natuurlijk ging het hem af, toen hij zei, dat het stelsel een goed stelsel was; en dat de tijd „nogal gauw om ging—alles in aanmerking genomen,” en dat, als een mensch eenmaal viel, hij de wet overtreden had en daarvoor boeten moest, „er niets anders op zat dan om den tijd zoo goed mogelijk te dooden,” en zoo voorts.

„Wat was de reden dat die man u terugriep en u iets op zoo’n vreemden trillenden toon vroeg?” vroeg ik mijn geleider, toen hij de deur gesloten en mij weer ingehaald had.

„O! Hij was bang, dat de zolen van zijn laarzen niet meer deugen zouden, om er op te loopen. U moet weten, toen-i hier kwam, waren ze al tamelijk versleten; nu gaf-i me kennis, dat hij me erg dankbaar zou wezen, als ik ze gauw ’n beetje op liet lappen.”

Die laarzen waren van zijn voeten afgenomen en met zijn overige kleederen weggelegd.... twee jaar geleden!

Ik maakte van die gelegenheid gebruik, om er naar te vragen, hoe zij zich aanstelden onmiddellijk voordat ze de gevangenis verlieten; ik voegde er bij, dat ik vermoedde, dat zij nogal beefden.

„Neen,” was ’t antwoord, „wel trillen ze ’n beetje, maar beven is toch ’t rechte woord niet,—hun heele zenuwstelsel is in de war, daar ligt ’m de knoop! Zoo kunnen ze hun namen niet in ’t boek schrijven; soms kunnen ze de pen niet vasthouden; kijken om zich heen, blijkbaar zonder te weten waarom of waar ze zijn; en soms gaan ze wel twintigmaal in een minuut zitten en opstaan. Dit gebeurt, als ze in ’t lokaal zijn, waar ze voor ’t laatst met de gevangeniskap op komen, evenals toen ze daar voor ’t eerst in gebracht werden. Komen ze buiten de poort dan blijven ze staan, en kijken eerst naar den eenen weg dan naar den ander: niet wetende wat voor weg ze in zullen slaan. Soms waggelen ze, alsof ze dronken zijn; soms moeten ze ergens tegen aan leunen, zoo duizelig zijn ze, maar na verloop van eenigen tijd komen ze wel weer op hun verhaal.”

Toen ik te midden dezer eenzame cellen ronddwaalde en naar de gezichten keek van de menschen die er in zaten, trachtte ik mij de gedachten en gevoelens voor te stellen, die zij in hun tegenwoordigen toestand zouden koesteren. Ik verbeeldde me, dat hun kap hier juist afgenomen was geworden en het tooneel hunner gevangenschap zich dus in al zijn akelige eentonigheid voor hem ontvouwd had.

Eerst is de man als bedwelmd. Zijn opsluiting is een afzichtelijk visioen, en zijn oude leven werkelijkheid. Hij werpt zich op zijn bed en ligt daar ten prooi aan de wanhoop. Van lieverlede wekt de onverdraaglijke eenzaamheid en kaalheid der plaats hem uit deze bezwijming op, en wordt de klep van zijn getraliede deur geopend, dan bidt en smeekt hij nederig om werk: „Geef me toch wat werk, of ik word nog stapelgek!”

Hij krijgt werk; en bij buien en vlagen gaat hij aan ’t werk; maar telkens en telkens weer overvalt hem een brandend besef van de jaren die hij in die steenen doodkist weg moet kwijnen en een folterende herinnering aan hen, die nu voor zijn gezicht en kennis verborgen zijn, dat hij van zijn zitplaats opspringt, met saamgevouwen handen boven zijn opwaarts gericht hoofd de nauwe kamer op en neerloopt, en spoken meent te hooren die hem aanhitsen om zijn hersens tegen den muur te pletter te loopen.

En weer valt hij op zijn bed neer, en ligt daar te kermen. Plotseling springt hij op; hij wil weten of er nog een man in zijn nabijheid is, of er nog zoo’n cel is aan weerskanten van de zijne, en scherp luistert hij rechts en links.

Geen geluid treft zijn oor, maar dat neemt niet weg, dat er toch wel gevangenen in zijn nabijheid zullen zijn. Zoo herinnert hij zich, eens te hebben gehoord, toen hij er al bitter weinig om dacht, hier eens zelf in te komen, dat de gevangenen elkaar niet kunnen hooren ofschoon de beambten ze kunnen hooren. Waar is de naaste man—aan de rechter- of aan de linkerzij? of is er een aan weerskanten? Waar zit-i nu—met z’n gezicht naar’t licht? of loopt-i heen en weer? Hoe is-i gekleed? Is-i hier al lang geweest? Is-i erg van de graat gevallen? Ziet-i er erg wit en spookachtig uit? Denkt ook hij om z’n buurman?

Ziedaar de gedachten die door zijn geest kruisen. Ternauwernood waagt hij ’t om adem te halen, en luisterende terwijl hij denkt, roept hij een gedaante op met haar rug naar hem toegekeerd, en verbeeldt zich dat die gedaante zich in de naaste cel beweegt. Wel heeft hij geen idee van ’t gezicht, maar zeker is hij van den donkeren vorm van een bukkenden man. In de cel aan de andere zij ziet hij in zijn gedachte een andere gestalte, wier gezicht insgelijks voor hem verborgen is. Dag-in dag-uit, ja zelfs dikwijls wanneer hij in ’t holle van den nacht wakker wordt, denkt hij om deze twee mannen totdat hij er bijna waanzinnig van geworden is. Nooit verandert hij ze. Altijd zijn ze daar waar hij ’t zich het eerst verbeeld heeft—een oud man aan den rechterkant, een jongen man aan de linkerzij.—Hun verborgen gelaatstrekken folteren hem doodelijk en hebben iets geheimzinnigs dat hij er van beeft.

Gelijk de rouwdragers bij een begrafenis, zoo gaan de verdrietige dagen voorbij: met plechtstatige stilte; en van lieverlede begint hij te gevoelen dat er in de witte muren der cel iets vreeselijks opgesloten ligt,—dat hun kleur afzichtelijk is,—dat hun effen oppervlakte zijn bloed doet stollen,—dat er één hoek, één hatelijke hoek is, die hem foltert. lederen morgen als hij wakker wordt, stopt hij zijn hoofd onder de deken en rilt bij de gedachte dat hij ’t weer zien zal hoe de spookachtige zolder op hem neer zal zien. Zelfs het gezegende daglicht, dat door de onveranderlijke spleet, die het raam zijner gevangenis vertegenwoordigt, naar binnen gluurt, het maakt op hem den indruk of hij de tronie ziet van een ander leelijk spook.

Langzaam maar zeker zetten zich de verschrikkingen van dien hatelijken hoek uit, totdat ze hem geen oogenblik meer met rust laten; ja ze verstoren zijn rust, bezorgen hem akelige droomen en maken zijn nachten tot iets afgrijselijks. In den beginne walgde hem dit op een ongewone manier: ’t werd hem dan te moede alsof die hoek in zijn hersens iets deed opstaan, dat insgelijks een akeligen, naren vorm aannam, iets dat daar niet thuis behoorde en zijn hoofd als ’t ware op de pijnbank legde. Dan begon hij er bang voor te worden, vervolgens er van te droomen, en ging hij zich verbeelden dat er menschen waren die er een naam aan geven en er met den vinger naar wijzen. Hierop kan hij ’t niet langer uithouden om er naar te kijken, en toch durft hij ’t den rug niet toekeeren. Nu is die akelige, nare hoek iederen nacht de schuilhoek van een spook; een schim: iets dat zwijgt, iets dat vreeselijk is om aan te zien, maar waarvan hij niet zou kunnen zeggen, of ’t een vogel, of viervoetig beest, of vermomd menschelijk wezen is.

Is hij over dag in zijn cel, dan vreest hij de kleine plaats daarbuiten. Is hij op de plaats, dat ziet hij er tegen op, zijn cel weer binnen te gaan. Valt den avond, het spook staat in den hoek. Heeft hij den moed om op zijn plaats te gaan staan, en ’t te verdrijven (in een vlaag van wanhoop heeft hij ’t eens gedaan), dan... dan broeit het uit op zijn bed. Tusschen licht en donker, en altijd op ’t zelfde uur, roept een stem hem bij zijn naam; wordt het donkerder, dan begint zijn weefgetouw te leven; en zelfs dat, zijn troost, is een afzichtelijke gestalte, die hem tot het aanbreken van den dag beloert.

Een voor een beginnen die nare schrikbeelden weer langzaam te verdwijnen. Wel komen ze nog somtijds onverwachts terug, maar na lange tusschenpoozen en onder minder verontrustende vormen. Met den heer, die hem opzocht, heeft hij over godsdienstige onderwerpen gesproken, en hij heeft zijn Bijbel gelezen, en een gebed op zijn lei geschreven en ze opgehangen als een soort van bescherming en een verzekering van ’s Hemels nabijheid. Nu droomt hij af en toe van zijn kinderen of van zijn vrouw, maar is zeker dat zij dood zijn of hem verlaten hebben. Er is niet veel toe noodig of hij is tot schreiens toe bewogen; is vriendelijk, onderdanig en verslagen van geest. Nu en dan komt de oude angst weer terug: een beuzeling, en ’t is weer zoo laat; een gewoon geluid of de reuk van zomerbloemen in de lucht; maar dat duurt niet lang, want de wereld daarbuiten is nu het visioen, en dit eenzame leven de droevige werkelijkheid geworden.


Is de tijd zijner opsluiting kort—ik meen vergelijkenderwijs, want kort kan hij niet zijn—dan is het laatste halve jaar bijna ’t ergste van allen; want dan denkt hij dat er brand zal komen in de gevangenis en hij met den geheelen boel verbranden zal, of dat hij gedoemd is om binnen de kerkermuren te sterven, of dat hij op de een of andere valsche beschuldiging vastgehouden en voor nog een termijn zal gevonnisd worden: of dat er iets, onverschillig wat dan ook, gebeuren moet om te voorkomen dat hij op vrije voeten gesteld worde. En zulke denkbeelden spreken vanzelf, en onmogelijk is ’t om er tegen te redeneeren, omdat, na zoo lang van de menschelijke samenleving gescheiden te zijn geweest, en na zooveel geleden te hebben, het hem waarschijnlijker voor moet komen, dat er zoo iets gebeuren zal, dan dat hij weer op vrije voeten zal geraken.


Is daarentegen de tijd zijner opsluiting zeer lang geweest, dan brengt het vooruitzicht van bevrijding hem geheel en al van streek, ja verbijstert hem. Denkt hij om de wereld daarbuiten en om ’t geen ze voor hem in al die eenzame jaren geweest is, dan moge zijn gebroken hart voor een oogenblik hoopvol trillen, maar dat is dan ook alles. De deur zijner cel is al te lang gesloten geweest voor al zijn hopen en verwachten. Beter ware het voor hem geweest, als men hem in den beginne op had gehangen, dan hem in dezen toestand te brengen en hem daarna weg te sturen om zich te vermengen met anderen van zijn soort, die zijn soort niet meer zijn.


Op ’t magere en verwilderde gezicht van ieder man onder deze gevangenen zat dezelfde uitdrukking. Ik weet niet waarbij ik die vergelijken zal. Het had wel iets van die ingespannen aandacht, die we op de gezichten der blinden en dooven zien, vermengd met een soort van schrik, alsof men ze allen heimelijk erg bang gemaakt had. In ieder kamertje dat ik binnentrad, en iedere traliedeur waar ik doorheen keek, meende ik hetzelfde bange uiterlijk te zien, iets wat mij even levendig voor den geest is gebleven als de betooverende indruk eener verdienstelijke schilderij. Laat een honderdtal mannen mijn oogen voorbijgaan, en één daaronder die zoo even uit deze eenzame lijdensplaats losgelaten is, en ik zal hem u aanwijzen.


Zooals ik gezegd heb, worden de gelaatstrekken der vrouwen door de eenzame opsluiting er menschelijker, ja zelfs fijner op. Of dit aan haar betere natuur is toe te schrijven die in de eenzaamheid voor den dag komt, of grooter geduld, grooter lijdzaamheid hiervan de oorzaak is, ik weet het niet; maar ’t is zoo. Dat de straf niettemin, naar mijn gevoelen, ten eenenmale even wreed als verkeerd is, hetzij ze op vrouwen of op mannen toegepast wordt, zal ik wel niet opzettelijk behoeven aan te toonen. Bij mij staat het vast, dat, onafhankelijk van de zielskwelling die door dergelijke opsluiting veroorzaakt wordt—een kwelling zoo bitter en verschrikkelijk, dat zelfs de levendigste verbeelding zich geen getrouw denkbeeld van de werkelijkheid kan vormen—de ziel daardoor in een ziekelijken toestand geraakt, die haar ongeschikt maakt voor de ruwe aanraking en bezige werking der wereld. Ja, het is mijn innigste overtuiging, dat zij, die deze straf ondergaan hebben, zedelijk ongezond en ziekelijk MOETEN terugkeeren tot de maatschappij. Er bestaan tal van voorbeelden van menschen, die een leven van volstrekte eenzaamheid óf verkozen hebben óf daartoe veroordeeld zijn, maar zelfs onder wijzen, met een sterken en krachtigen geest toegerust, herinner ik me ternauwernood één, bij wien de uitwerking zich niet geopenbaard heeft in den een of anderen ongeregelden gedachtengang of in de een of andere sombere hallucinatie. Wat al monsterachtige droombeelden, door wanhoop en twijfel geteeld, en geboren en gekoesterd in de eenzaamheid, zijn over onzen aardbol geslopen, hebben de schepping leelijk gemaakt en het aangezicht des hemels verduisterd!

Zelfmoorden zijn zeldzaam onder deze gevangenen,—zijn, om de waarheid te zeggen, bijna onbekend. Maar geen enkel argument ten gunste van ’t stelsel kan redelijkerwijze uit deze omstandigheid worden afgeleid, ofschoon het heel dikwijls aangevoerd wordt. Al wie van zielsziekten zijn studie gemaakt heeft, weet terdege goed, dat zoo’n buitengewone neerslachtigheid en wanhoop als waardoor het geheele karakter verandert en al zijn elasticiteit en weerstandsvermogen geknakt wordt, in iemand werken kunnen en nochtans kunnen beletten dat men het werk der zelfvernietiging voltooie, met andere woorden, de handen aan zich zelven sla. Dit is iets, dat men over ’t algemeen heeft opgemerkt.

Dat de eenzame opsluiting de zintuigen verstompt en trapsgewijze de lichaamsvermogens verzwakt, dat staat bij mij zoo vast als een paal. Zoo maakte ik hun, die met mij waren in datzelfde gesticht te Philadelphia, de opmerking, dat de misdadigers, die daar lang gezeten hadden, doof waren. Zij, die deze menschen gestadig plachten te zien, stonden vreemd op te kijken bij deze opmerking, die zij dan ook voor ongegrond en hersenschimmig hielden. En zie, de eerste de beste gevangene dien zij op dit punt op de proef stelden—iemand dien zij zelve nota bene uitgepikt hadden—bevestigde dadelijk mijn indruk (die hem onbekend was) en zei op zoo’n ongekunstelden toon, dat men er onmogelijk aan twijfelen kon, dat hij niet wist waar ’t vandaan kwam, maar hij was erg hardhoorig geworden.

Dat die straf buitengewoon ongelijk werkt en den slechtsten het minst treft, ook daar valt niet aan te twijfelen. Dat het zoo bij uitstek doeltreffend zou zijn als een middel tot verbetering van den gevangene, in vergelijking met dat andere stelsel krachtens ’t welk de gevangenen gemeenschappelijk mogen werken zonder daarom met elkaar te mogen praten, ziedaar weer iets waar ik niet het geringste vertrouwen in stel. Al de voorbeelden toch van verbetering, die mij meegedeeld werden, waren van dien aard, dat ze evengoed hadden kunnen teweeggebracht zijn door ’t stelsel der stilzwijgendheid, ja, bij mij staat het alweer vast, dat die vruchten dááraan en niet aan ’t stelsel der eenzame opsluiting te danken waren. Ten aanzien van zulke personen als de zwarte inbreker en de Engelsche dief heeft zelfs de geestdriftigste voorstander van ’t laatstgenoemden systeem ternauwernood een flauwe hoop dat die er door bekeerd zullen worden.

Mij komt het voor, dat de tegenwerping dat er uit zoo’n onnatuurlijke eenzaamheid nooit iets gezonds of goeds voortgesproten is, ja zelfs een hond of eenig ander verstandig dier onder den invloed van ’t bewuste stelsel sufferig en kniezerig wordt, en van lieverlede wegkwijnt,—op zich zelve reeds als een voldoend argument tegen dat stelsel mag gelden. Maar er is meer. Ja, als we ons behalve dat te binnenbrengen, hoe allerslechtst en streng het is, en een eenzaam leven altijd gepaard gaat met zekere handelingen van hoogst betreurenswaardigen aard, die hier dan ook voorgevallen zijn; en als we ons vervolgens herinneren, dat de keus niet is tusschen dit stelsel en een stelsel dat slecht is of daarvoor gehouden wordt, maar tusschen dit stelsel en een ander dat goed gewerkt heeft en, wat zijn geheele toeleg en practijk betreft, voortreffelijk is; me dunkt, dan is er zeker meer dan voldoende reden om een wijze van bestraffing vaarwel te zeggen, die zoo luttel weinig hoop op goeden uitslag overlaat, daarentegen buiten kijf tot een geheele reeks van verkeerdheden aanleiding geeft.

Bij wijze van toepassing op ’t geen ik voor ’t stelsel der eenzame opsluiting gezegd heb, wil ik dit hoofdstuk besluiten met een curieus verhaal, dat op ’t zelfde onderwerp betrekking heeft, zooals mij dit tijdens mijn bezoek in de gevangenis verteld is geworden door een der heeren, die daarin betrokken is geweest.

Bij gelegenheid van een der periodieke bijeenkomsten van de inspecteurs dezer gevangenis kwam zich een werkman uit Philadelphia aanmelden, met dringend verzoek dat men hem op de gewone eenzame wijze op zou sluiten. Toen hem gevraagd werd, wat voor drijfveer hem met mogelijkheid aan kon sporen, om met zoo’n vreemd verzoek te berde te komen, antwoordde hij, dat hij een onweerstaanbaren aandrang gevoelde, om zich dronken te drinken; dat hij er zich, tot zijn groot ongeluk, gedurig aan overgaf; dat hij geen kracht had, aan dien verderfelijken trek weerstand te bieden; dat hij wenschte buiten bereik van alle verzoeking gesteld te worden en hem derhalve geen geschikter weg voorkwam dan deze. Hierop gaf men hem te kennen, dat de gevangenis voor misdadigers was, die door de wet gevonnisd waren, en tot inwilliging van dergelijke grillige aanzoeken niet opengesteld kon worden. Verder vermaanden de heeren hem, om zich van bedwelmende dranken te onthouden, iets wat hij stellig zou kunnen doen als hij dit maar ernstig wou; ook kreeg hij nog menigen anderen heilzamen raad, waarmee hij naar huis ging, niet weinig ontevreden over den ongunstigen afloop van zijn stap.

Maar hij liet het hier niet bij. Integendeel. Hij kwam terug, en weer terug, en nog eens terug. Kortom, hij werd zoo lastig, dat de heeren eindelijk een raad belegden en zeiden: „Wijzen we hem weer af, dat doet-i vandaag of morgen zeker nog iets, dat hem recht geeft om hier te zitten. Laten we hem daarom maar in vredesnaam opsluiten. Hij zal wel gauw trek krijgen om weer op te stappen, en dan zijn we voorgoed van hem af.” Zoo gezegd, zoo gedaan. Zij lieten hem een stuk teekenen, dat hen hiervoor vrijwaarde, dat hij ooit een actie tegen hen in kon stellen wegens onwettige inhechtenisneming, in welk stuk nadrukkelijk vermeld stond, dat zijn gevangenschap vrijwillig was en op zijn eigen verzoek. Verder verzochten zij hem, er wel notitie van te nemen, dat de dienstdoende suppoost order had, hem ieder uur van den dag of nacht er uit te laten, als hij op zijn deur mocht kloppen en hem dien wensch te kennen gaf; maar tevens gaven ze hem duidelijk te verstaan, dat, eens er uit, hij niet voor de tweede maal zou toegelaten worden. Nadat hij deze voorwaarden aangenomen had en maar altijd bij zijn voornemen bleef volharden, werd hij naar de gevangenis gebracht en in een der cellen opgesloten.

En dezelfde man, die geen standvastigheid genoeg bezat om een glas sterken drank, dat voor hem op tafel stond, onaangeroerd te laten, hij bleef uit eigen verkiezing bijna twee jaar in eenzame opsluiting in deze cel, en verrichtte daarin zijn geregeld werk, dat schoenmaken was. Toen hij na verloop van dien tijd een beetje begon te sukkelen, gaf de dokter hem den raad, af en toe in den tuin te werken; en daar hij hier veel zin in scheen te hebben, ging hij aan dit nieuwe werk met hart en ziel.

Zoo was hij hier op een zomerdag druk in de weer met spitten, toen het kleine deurtje van de buitenpoort toevallig open gelaten was, en zich daar ginds de welbekende stoffige weg en de door de zon verschroeide velden vertoonden. De weg was even vrij voor hem als voor iedereen, maar nauwelijks had hij even gekeken naar dat schouwspel, dat zich als in een zee van licht baadde, of, met het onwillekeurig instinct van een gevangene gooide hij zijn spa weg, zette het op ’n loopen en keek naar de gevangenis nooit ofte nimmer meer om.