VIII.

WASHINGTON.

WASHINGTON, DE WETGEVING EN HET HUIS VAN DEN PRESIDENT.

Op een zeer kouden morgen verlieten wij om zes uur Philadelphia per stoomboot, en keken naar Washington uit.

In den loop van dezen dag kwamen we, evenals bij volgende gelegenheden, een stuk of wat Engelschen tegen (thuis zou men ze misschien voor kleine boeren of kommiezen gehouden hebben), die zich in Amerika neergezet hadden en nu voor hun eigen zaken reisden. Van alle soorten van menschen, die van de openbare vervoermiddelen van den staat gebruik maken, zijn deze dikwijls de onverdraaglijkste en onuitstaanbaarste reisgenooten. Zich onderscheidende door elken onpleizierigen karaktertrek, die het eigendom is van de ellendigste soort van Amerikaansche reizigers, leggen deze onze landgenooten zoo razend veel laatdunkenden trots, zoo razend veel blufferigen eigendunk aan den dag, dat het waarlijk niet is om aan te zien. In de platte gemeenzaamheid waarmee zij u aanspreken, en de onbeschofte nieuwsgierigheid waarmee zij u met allerlei vragen overstelpen (iets wat ze nog wel haastig ook doen, als waren ze er op uit, om zich te wreken over de kiesche manieren van Oud Engeland, op dit punt) in een en ander nu overtreffen zij elk specimen van onzen geboortegrond dat ik onder de oogen kreeg, en als ik hen zag en hoorde, werd ik dan ook zoo vaderlandsgezind, dat ik met het grootste pleizier ter wereld een redelijke boete had willen betalen wanneer ik maar een of ander land in de geheele wereld de eer had kunnen geven, dat zij daarvan de kinderen waren.

Daar Washington het hoofdkwartier der tabakspruimers mag genoemd worden, is thans de tijd aangebroken dat ik, zonder ’t in ’t minst onder stoelen of banken te binden, met de verklaring voor den dag moet komen, dat de hier algemeen in zwang zijnde twee verfoeilijke gewoonten om te pruimen en te spugen mij in die dagen erg begonnen tegen te staan, ja eindelijk, ’t hooge woord moet er uit, misselijk maakten. Op al de openbare plaatsen van Amerika treft men deze vieze gewoonten aan. Zoo heeft bij de rechtbank de rechter zijn kwispedoor, de advocaat het zijne, de getuige het zijne, en de gevangene het zijne; ook is er gezorgd voor de gezworenen en toeschouwers, als voor de zoodanigen die volgens den loop der natuur verlangend moeten zijn onophoudelijk te spugen. In de gasthuizen worden de studenten in de geneeskunde door middel van tegen den muur aangeplakte biljetten verzocht, om hun tabaksap in opzettelijk voor dat doel bestemde bakjes te ontlasten, en niet de trappen te bevuilen. In openbare gebouwen worden bezoekers langs denzelfden weg gesmeekt, om de essence hunner tabakspruimen of „plugs” (zooals ik ’t door heeren, die in deze soort van lekkernij uitgestudeerd zijn, heb hooren betitelen) in de nationale kwispedoors uit te storten en niet op de voetstukken der marmeren kolommen. Maar op sommige plaatsen is deze gewoonte de onafscheidelijke gezellin van elken maaltijd en elk ochtendbezoek, ja van alle verrichtingen des maatschappelijken levens. De vreemdeling, die het door mij ingeslagen spoor volgen zal, zal ze te Washington dan ook in haar volle fleur en glorie, ja schitterend in haar verontrustende onbezorgdheid aantreffen. En laat hij zich in vredesnaam toch niet diets maken (gelijk ik eens, ik beken ’t met schaamte, gedaan heb), dat vroegere reizigers deze gewoonte overdreven voor hebben gesteld. De zaak zelve is een overdrijving van morsigheid, die niet overtroffen kan worden.

Aan boord dezer stoomboot waren twee jongeheeren oudergewoonte met omgeslagen boorden en met erg dikke wandelstokken gewapend. Deze jongelui zetten twee stoelen midden op ’t dek neer, in dier voege dat ze vier pas van elkaar af zaten; daarop haalden ze hun tabaksdoozen voor den dag en zaten tegenover elkaar maar weer lekker te pruimen. In minder dan een kwartier hadden deze jongelui van zooveel verwachting een milde stortbui van gelen regen op de zindelijke planken om hen heen uitgestort, en trokken op die manier een soort van toovercirkel om hen heen, binnen welke grenspalen geen indringer zich dorst wagen, en dien zij nooit in gebreke bleven te ververschen en telkens weer te ververschen voordat er een plek droog was. Daar dit voor ’t ontbijt geschiedde, zoo beken ik openhartig, dat ik van dit gezicht zoo vies werd, dat het maar weinig had gescheeld of ik was er misselijk van geworden; maar toen ik wat opmerkzamer naar een der spugers keek, merkte ik heel goed, dat deze nog een groene pruimer was, die zelf zich alles behalve lekker scheen te voelen. Op deze ontdekking kwam een glans van vergenoegen over mijn gezicht, en daar ik zag dat hij hoe langer hoe bleeker werd, terwijl hij, wedijverende met zijn ouder vriend maar door bleef pruimen en door bleef spugen, kijk, toen had ik hem wel om zijn hals kunnen vallen om hem te bidden en te smeeken, dat hij nog uren lang daarmee voort mocht gaan.

Allen gingen wij aanzitten aan een keurig ontbijt in de kajuit beneden, waar niet meer drukte en omslag heerschte dan gewoonlijk bij zoo’n maaltijd in Engeland, en waar zeker grooter beleefdheid aan den dag werd gelegd dan bij de meeste maaltijden, die door onze postwagen-passagiers gebruikt worden. Tegen negenen kwamen we aan ’t spoorweg-station en namen plaats in de waggons. ’s Middags stapten we er weer uit, om een breede rivier in een andere stoomboot over te steken; landden aan een voortzetting van den spoorweg aan den overkant, en gingen verder met andere waggons, waarmee wij, in den loop van ’t volgende uur of daaromtrent, over houten bruggen, ieder een uur lang; twee kreken passeerden, die respectievelijk de Grove- en Fijne Buskruitkreek genoemd worden. In beide kreken zag het water zwart van heele zwermen eenden met zwarte ruggen, die lekker smaken en hier in dat seizoen bij de vleet worden aangetroffen.

Deze bruggen zijn van hout, zooals ik zei, hebben geen leuning en zijn juist breed genoeg voor de spoortreinen, die bij ’t allergeringste ongeval onvermijdelijk in de rivier zouden storten. ’t Zijn dan ook van die vervoermiddelen die men ’t meest bewondert als men ze achter den rug heeft.

We maakten halt om te Baltimore het middagmaal te gebruiken, en daar we nu in Maryland waren, werden we voor ’t eerst door slaven bediend. De gewaarwording dat men den een of anderen dienst vergt van menschelijke schepselen die gekocht en verkocht worden, is waarlijk niet benijdenswaardig. In zoo’n stad als deze bestaat de instelling misschien in haar minst stuitenden en meest vermomden vorm, maar slavernij is het niettemin; en ofschoon ik te haren opzichte zoo onschuldig was als een pasgeboren kind, dit nam niet weg dat haar aanwezigheid te dezer plaatse mij met een gevoel van schaamte en zelfverwijt vervulde.

Na den eten gingen we alweer naar ’t spoor, en namen plaats in den trein naar Washington. Daar ’t nog tamelijk vroeg was, omringden al die mannen en jongens, die toevallig niets bijzonders hadden te doen, en nieuwsgierig waren naar vreemdelingen, oudergewoonte den waggon waar ik in zat, maar daar bleef het hier niet bij. Zonder omslag lieten ze de raampjes der portieren neer, staken er hun hoofden en schouders in, gingen er op hun gemak met hun ellebogen op neerliggen, en begonnen toen met elkaar van gedachten te wisselen over mijn uiterlijk, als was ik een ledepop geweest. Nooit kwam ik er zoo nauwkeurig achter hoe mijn neus en oogen er eigenlijk toch wel uitzien, wat voor verschillende indrukken mijn mond en kin op verschillende gemoederen maken, en hoe mijn hoofd er uitziet als men ’t van achteren bekijkt,—als bij deze gelegenheden. Sommige heeren waren tevreden door te mijnen aanzien enkel van ’t zintuig van hun gevoel gebruik te maken; doch de jongens (die in Amerika verwonderlijk vroeg rijp zijn) waren zelfs daarmee zelden tevreden, maar keerden telkens terug om ’t fijne van de zaak uit te pluizen. Zoo heeft menig president in knop met zijn pet op en zijn handen in zijn zakken in mijn kamer gewandeld en me twee heele uren aangegaapt, terwijl hij zich af en toe bij wijze van tijdkorting in den neus kneep of een teug uit de waterkruik nam, of naar de ramen toeliep en, onder den uitroep van: „Hier is-i! Kom boven! en breng al jelui broers mee!” en andere gastvrije uitnoodigingen van dien aard, andere jongens op straat beneden uitnoodigde om boven te komen en net zoo te doen.

Dien avond kwamen we om halfzeven te Washington aan, en hadden onderweg een mooi gezicht op ’t Kapitool, een fraai gebouw in den Corinthischen stijl, dat op een indrukwekkende verhevenheid gebouwd is. Eens in mijn logement zag ik dien avond niets meer van de plaats; ik was namelijk doodmoe en blij dat ik naar bed kon gaan.

Zoodra ik den volgenden morgen ontbeten had, kuierde ik een uur of twee de straten door, en toen ik weer thuis kwam deed ik mijn voor- en achterraam open en keek uit. Hier nu is Washington, zooals het mij nog kersversch voor den geest en voor de oogen gebleven is.

Neem de leelijkste gedeelten van den City Road en Pentonville zooals ze daar reilen en zeilen in al hun eigenaardige leelijkheid, maar vooral de kleine winkels en woningen, die daar (maar niet te Washington) door uitdragers, ordinaris-houders voor de smalle gemeente en vogelliefhebbers bewoond worden. Verbrand het geheel en al; bouw het weer op in hout en pleister; vergroot het een beetje; gooi er een gedeelte van St. John’s Wood in en voorzie al de particuliere huizen van buiten van groene blinden met een rood gordijn en een wit gordijn voor ieder raam; beploeg er alle wegen; beplant iedere plaats met een groote massa gemeene graszoden waar ze niet thuis behooren; trek ergens die fraaie gebouwen in steen en marmer op, maar hoe verder uit de buurt des te beter; noem het eene het Postkantoor, het andere het Bureau der Octrooien en het derde de Thesaurie; maak het ’s morgens verschroeiend heet en na den middag ijskoud om te bevriezen met een intermezzo van dwarrelwind en stof; laat overal waar ge uit den aard der zaak een straat zoudt durven verwachten den heelen boel onbestraat: Ziedaar Washington!

Het logement, waar wij in wonen, is een lange rij kleine huizen, die van voren op straat uitzien en van achteren op een algemeene plaats uitkomen, waar een groote triangel hangt. Heeft men nu een bediende noodig, dan heeft men doodeenvoudig van één tot zevenmaal op dien triangel te slaan, al naar het nommer is van ’t huis waar zijn tegenwoordigheid vereischt wordt: en aangezien men altijd en eeuwig al de bedienden noodig heeft, en geen hunner ooit op komt dagen, zoo hoort men dat levenmakend ding den ganschen dag door. Op deze zelfde plaats hangen ook kleeren te drogen; slavinnen met katoenen zakdoeken om ’t hoofd loopen heen en weer, om de huiselijke bezigheden te verrichten; zwarte kellners zijn in voortdurende beweging met schotels in de handen; twee groote honden spelen op een hoop losse steenen midden op de plaats; een varken koestert zich in de zon en knort „omdat het zoo lekker is!” en noch de mannen, noch de vrouwen, noch de honden, noch het varken, noch eenig geschapen schepsel neemt de geringste notitie van den triangel, die maar altijd aan ’t tingelen is.

Ik loop naar het voorraam en kijk dwars over den weg op een lange, alleenstaande rij huizen, één verdieping hoog, die bijna aan den overkant, maar een beetje links, in een armzalige lap woesten grond uitloopt met wat duf gras, die er uitziet als een klein stuk verdronken land. Als een meteoor die uit de maan gevallen is, staat ergens, in die open ruimte een wonderlijk eenoogig soort van houten gebouw, dat er als een kerk uitziet, met een vlaggestok zoo lang als het zelf is, en met een toren die iets breeder is dan een theekist. Onder ’t raam is een kleine staanplaats voor rijtuigen, waarvan de koetsiers, die slaven zijn, op de stoep onzer deur met elkaar over koetjes en kalfjes in de zon staan te babbelen. De drie huizen, die ’t dichtst bij de hand zijn en het meest in den weg staan, zijn de drie gemeenste. Op een daarvan—een winkel, waar nooit iets uitgestald is en nooit de deur openstaat—ziet men met groote letters dit opschrift geschilderd: „DE STADSGAARKEUKEN.” In ’t tweede, dat er uitziet alsof het een achterstuk van een ander huis is, maar toch een op zich zelf staand gebouw uitmaakt, kan men op allerlei manieren klaargemaakte oesters krijgen; terwijl voor ’t derde huis, dat een klein, bitter klein kleermakerswinkeltje is, een stuk of wat broeken hangen, ten bewijze dat hier broeken op de maat gemaakt worden: Ziedaar onze straat te Washington!

Washington wordt soms de Stad van Prachtige Afstanden genoemd, maar veel eigenaardiger ware het, bijaldien men ze de Stad van Prachtige Bedoelingen noemde; want een enkele blik, à vol d’oiseau van boven van ’t Kapitool af op haar geslagen, is voldoende om u de grootsche plannen te doen begrijpen van hem, die haar aanleg ontworpen heeft, een eerzuchtig Franschman namelijk. Ruime avenuën die bij niets beginnen en nergens op uitloopen; straten, een mijl lang, waar niets aan mankeert dan huizen, wegen en bewoners; openbare gebouwen, waar niets dan een publiek aan mankeert om compleet te zijn; en op grootsche schaal aangelegde passages, waar niets aan mankeert dan passage: Ziedaar de kenmerkende eigenschappen dezer stad! Al licht zou men zich verbeelden, dat het mooie seizoen daar was, en de meeste huizen tegelijk met hun bewoners naar buiten waren gegaan. Voor de bewonderaars van steden is ’t een feest der Barmeciden; een pleizierig veld voor de verbeelding om er zich in te vermeien; een gedenkteeken opgericht ter eere van een overleden ontwerp, waar men zelfs geen leesbaar opschrift aantreft om zijn voorbijgegane grootheid in herinnering te brengen.

Zooals ze is, zoo zal ze wel blijven. Oorspronkelijk was ze uitgekozen voor den zetel der regeering, om zoodoende de gevolgen van den onderlingen naijver der verschillende staten af te wenden; waarschijnlijk ook om zich te vrijwaren voor de aanraking van ’t Janhagel, een punt dat zelfs in Amerika niet over ’t hoofd gezien wordt. Ze heeft van zich zelve noch klein- noch groothandel. Men vindt er namelijk geen andere bevolking dan de president en zijn personeel; de leden der wetgevende vergadering die daar gedurende de zitting hun verblijf houden; de klerken en ambtenaren aan de verschillende departementen; de houders van de logementen en kosthuizen; en de winkeliers die in hun tafels voorzien. Ze is zeer ongezond. Ik houd het er voor, dat er maar weinigen in Washington zouden wonen, die er niet beroepshalve toe verplicht waren; en de stroomen van emigratie en speculatie, de snelvlietende en onachtzame stroomen, zullen wel nooit ofte nimmer den weg nemen naar zoo’n stilstaand en slikkerig water.

Wat van ’t Kapitool het meest in ’t oog loopt, zijn natuurlijk de Twee Huizen der Volksvergadering. Maar behalve dat is er in ’t middelpunt van ’t gebouw een mooie rotonde, zes en negentig voet in doorsnede, en zes en negentig hoog, waarvan de rondloopende muur verdeeld is in vertrekken, die met geschiedkundige schilderstukken versierd zijn. Vier daarvan hebben betrekking op voorname gebeurtenissen uit den revolutionairen worstelstrijd. Ze werden geschilderd door kolonel Trumbull, zelf een lid van Washingtons staf tijdens ze voorvielen; aan welke omstandigheid zij een bijzonder belang ontleenen. In deze zelfde zaal is onlangs Greenough’s groot standbeeld van Washington geplaatst geworden. Natuurlijk heeft het groote verdiensten, maar het maakte op mij den indruk dat het wat al te forsch is voor zijn doel. Misschien zou de indruk gunstiger geweest zijn, als het op een andere plaats gestaan had en het licht er wat beter op gevallen was.

Men vindt een allerpleizierigste en gemakkelijke boekenkamer op ’t Kapitool, en van een balkon voor dit vertrek geniet men nu het gezicht à vol d’oiseau, waar ik zoo even van gesproken heb, alsmede een prachtig panorama van de omliggende landstreek. In een der versierde afdeelingen van ’t gebouw is een beeld dat de Gerechtigheid voorstelt, waaromtrent de Gids zegt, dat „de kunstenaar eerst van plan was om het naakter voor te stellen, maar gewaarschuwd zijnde dat de openbare smaak daar niet van hield, is hij misschien in een ander uiterste vervallen.” Arme Gerechtigheid! men heeft ze in Amerika wel in nog vreemder dos gestoken dan waarin ze op ’t Kapitool staat te kniezen. Laat ons hopen, dat ze haar aankleeder bekeerd heeft sinds deze kleeren gemaakt werden, en de openbare smaak des lands de kleeren niet uitsneed, waar zij juist nu haar beminnelijke gestalte in verbergt.

Het Huis der Volksvertegenwoordigers is een fraaie en ruime zaal, half rond van vorm, die door schoone pilaren gedragen wordt. Het eene gedeelte der galerij is voor de dames bestemd, die daar, evenals in schouwburg en concertzaal, in loges vooraan gaan zitten, en in- en uitloopen. Het spreekgestoelte is van een troonhemel voorzien, en staat heel hoog boven den grond; en ieder lid heeft een leuningstoel en een lessenaar voor hem apart, iets wat door sommigen buitensdeurs als een der ongelukkigste en verderfelijkste bepalingen gebrandmerkt wordt, als leidende in de practijk tot lange zittingen en prozaïsche redevoeringen. De kamer biedt een sierlijk gezicht aan, maar is zoo slecht mogelijk wat de acoustiek betreft. De senaatskamer, die kleiner is, is vrij van dit gebrek, en bij uitstek goed geschikt voor ’t gebruik waar ze toe bestemd is. Ik zal er wel niet opzettelijk behoeven bij te voegen, dat de zittingen over dag plaats vinden, en de parlementaire vormen op de leest van ’t oude vaderland geschoeid zijn.

Later op andere plaatsen komende, vroeg men mij nu en dan, of de hoofden der wettenmakers te Washington geen diepen indruk op me gemaakt hadden: men bedoelde hier niet mee hun chefs en leiders, maar letterlijk hun persoonlijke hoofden, waar hun haar op groeide en het phrenologisch karakter van elken wetgever was uitgedrukt, en bijna altijd deed ik mijn ondervrager van verontwaardigde verbazing verstommen door te antwoorden: „Neen, ik herinnerde me niet, dat zoo iets me overkomen was.” Daar ik, het ga zooals ’t ga, deze mijne gulle bekentenis hier wil herhalen, zoo wil ik er meteen en met zoo weinig woorden mogelijk het verslag op laten volgen van de indrukken die ik daaromtrent bij tijd en wijle heb opgedaan.

Zoo herinner ik me in de allereerste plaats niet—misschien komt dit wel hier vandaan, dat mijn vereenigingsorgaan niet al te volmaakt ontwikkeld is—dat ik op ’t gezicht van een of ander wetgevend lichaam ooit van me zelf gevallen ben, of tot schreiens toe bewogen ben geworden, of van de pret drie voet hoog van den grond opgesprongen ben. In het Lagerhuis heb ik me als een man gedragen en in ’t Hoogerhuis heb ik me aan geen andere zwakheid schuldig gemaakt dan af en toe een uiltje te knappen. Verkiezingen heb ik gezien voor burg- en graafschap, en nooit heeft men mij zoover kunnen brengen (onverschillig welke partij aan de winnende hand was) om mijn hoed te bederven door ’m in triomf in de lucht te gooien of mijn stem te bederven door te jubelen en te juichen ter eere van onze Roemrijke Grondwet, van de edele zuiverheid onzer onafhankelijke kiezers of van de vlekkelooze onomkoopbaarheid onzer onafhankelijke leden. Aangezien ik nu zulke sterke aanvallen op mijn zelfbeheersching of zedelijke kracht weerstaan heb, is ’t heel wel mogelijk, dat ik in dergelijke zaken van een koud, ongevoelig, eigenlijk ijskoud gestel ben, en daarom moeten de indrukken, die ik van de levende pilaren van ’t Kapitool te Washington heb opgedaan, met die inschikkelijkheid ontvangen worden als waar zoo’n gulle bekentenis als deze zekerlijk recht op heeft.


Zag ik in dit openbare lichaam een vergadering van menschen, saamverbonden in de geheiligde namen van Vrijheid en Gelijkheid, en die in al hun discussiën de kuische waardigheid dier tweeling-godinnen in die mate ophielden, dat zij op eens de Eeuwige beginselen vaststelden, welke uit die namen voortvloeien, beginselen die hun eigen karakter en het karakter hunner landgenooten tot een voorwerp van bewondering maakten in de oogen der geheele wereld?


Het was maar een week geleden sinds een oud man met grijze haren, een man die altijd en eeuwig tot eer zal strekken van ’t land dat hem zag geboren worden, een man die, evenals zijn voorvaderen, zijn land goede diensten bewezen heeft en tal van jaren in gezegend aandenken zal blijven als zelfs de wormen, die uit zijn verrottend lijk voortkomen, zooveel stofhoopjes geworden zijn—’t was maar een week geleden sinds deze oude man dagen lang voor de vierschaar dezer zelfde vergadering te recht stond, en dat waarom? Omdat hij beschuldigd werd van de misdaad dat hij al het schandelijke, al het menschonteerende aan de kaak had durven stellen van dien handel, waarvan de vervloekte koopwaar uit mannen en vrouwen, en hun ongeboren kinderen bestaat. Ja daarom! En de verklaring van de Dertien Vereenigde Staten van Amerika, inhoudende: dat alle menschen gelijk geschapen, en door hun Schepper met de onvervreemde rechten van leven en vrijheid en.... tot het najagen van geluk toegerust zijn,—diezelfde verklaring, diezelfde eenparige, plechtige verklaring is ondertusschen openlijk in dezelfde stad ten toon gesteld; verguld, in een lijst gezet en met glas er voor; opgehangen ter algemeene bewondering; vertoond aan vreemdelingen niet met schaamte maar met trots; niet met haar voorste gedeelte naar den muur toegekeerd, niet afgenomen en verbrand!

IN DE KAJUIT VAN DE KANAALBOOT.

IN DE KAJUIT VAN DE KANAALBOOT.

Het was geen maand geleden, sinds deze zelfde vergadering er zoo kalmpjes bij zat en ’t zoo kalmpjes aanhoorde, dat iemand, een der hunnen nota bene, met scheld- en vloekwoorden waar dronken schooiers zich over schamen zouden, een ander uit diezelfde vergadering dorst bedreigen, dat hij hem zijn strot van ’t eene oor tot het andere af zou snijden. Daar zat hij, dat edele lid, onder hen; niet verpletterd door ’t algemeene gevoelen der vergadering, och neen, zoo rustig en wel als ieder ander.

Er behoefde nog maar één week verder te verloopen, en een ander lid van diezelfde vergadering zou verhoord en schuldig bevonden, en strengelijk berispt worden door zijn overige medeleden, en dat waarom? vroeg ik alweer. Omdat hij zijn plicht betrachtte tegenover hen, die hem daar naar toe stuurden; omdat hij in een Republiek de vrijheid vorderde, om rond voor hun meening uit te komen, en hun bede bekend te maken. Nu, hij had zich dan ook aan een gruwelijk misdrijf schuldig gemaakt, dat dient gezegd te worden, want jaren te voren was hij terzelfder plaatse opgestaan en had hij gezegd: „Een troep slaven en slavinnen, wier echtheid gewaarborgd is alsof het vee was en die met ijzeren boeien aan elkaar vastgebonden zijn, passeert op dit oogenblik de publieke straat onder de ramen van uw Tempel van Gelijkheid! Ziet maar!”—Doch ’t is waar ook! Er zijn verschillende soorten jagers op de jacht naar Geluk, en niet alle jagers zijn op een en dezelfde wijze gewapend. Zoo behoort het tot het onvervreemdbare recht van sommigen onder hen, dat ze, met zweep en stok en ijzeren kraag en ketting uitgerust, hun geluk najagen, en (natuurlijk altijd tot lof van Vrijheid en Gelijkheid) hun blijde hoerah’s vermengen met de hemelsche muziek van klinkende ketens en bloedige zweepslagen.

Waar zaten de vele wetgevers met hun laaghartige bedreigingen, met hun woorden en slagen waarop sjouwerlui elkaar somtijds plegen te trakteeren, ja waar zaten zij, die zoo ten eenenmale kunnen vergeten dat ze beschaafde mannen zijn, althans heeten? Waar ze zaten? Aan weerzijden. Iedere zitting levert haar eigenaardige voorvalletjes van dien aard op, en die er gewoonlijk in betrokken zijn, waren allen present.

Herkende ik in deze vergadering een corporatie van mannen die, volijverig in de weer om enkele van de verkeerdheden en ondeugden der oude wereld te verbeteren, de toegangen tot het openbare leven van ’t vaak maar al te welig opschietend onkruid zuiverden,—die de vuile wegen tot eer en aanzien bestraatten, die, met andere woorden, hervormend optredende, misbruiken uitroeiden, wetten uitvaardigden ten algemeenen nutte en geen andere partij kenden dan hun vaderland?

Of ik zulke mannen in hen herkende?! Lacy! ik zag in hen de raderen die de ergste verbastering van de beste staatkundige machinerie in beweging brengen, welke ooit door de slechtste gereedschappen gesmeed kunnen worden: verachtelijke bedriegerij bij verkiezingen; onderhandsche omkooping voor openbare betrekkingen; laffe aanvallen op tegenstanders met gemeene kranten tot schilden en gehuurde pennen tot dolken; schandelijke flikflooierij ten opzichte van veile schurken, wier eenige aanspraak op de algemeene achting hierin bestaat dat ze met hun veile typen, die de drakentanden vanouds in alles behalve in scherpte zijn, dag-in dag-uit, week-in week-uit nieuw zaad des verderfs zaaien, elke slechte neiging in de ziel des volks in de hand werken en versterken, elken invloed ten goede daarentegen op kunstmatige wijze onderdrukken: zulke sujetten nu herkende ik in hen, kortom, de laagste Factiegeest, en die in zijn schaamteloossten, nakendsten vorm, hij grijnsde me uit iederen hoek van de bewuste, vaak zoo talrijk bezette zaal tegen!

Zag ik onder hen het verstand en de beschaving: het echte, rechtschapen, vaderlandslievende hart van Amerika? Hier en daar waren druppels van zijn bloed en leven, maar die druppels waren ternauwernood voldoende om den stroom te kleuren van wanhopige gelukzoekers, die louter uit eigenbelang dien weg opgaat. Nu is ’t juist de tactiek van die gelukzoekers en hun losbandige organen, om den staatkundigen strijd zoo alleronbeschoftst aan te binden, daarbij het gevoel van eigenwaarde en zelfachting zoo ten eenenmale te dooden, dat al degenen, wien ’t hart nog op de rechte plaats zit, reeds kieschheidshalve zich op behoorlijken afstand houden met dat natuurlijk gevolg dat die anderen hun bedorven hart op kunnen halen, ja hun zelfzuchtige bedoelingen onbelemmerd ten uitvoer kunnen leggen. En op die manier gaat dan hier de partijstrijd, die zeker wel de laagste strijd is, dien men zich met mogelijkheid denken kan, zijn gang, en zij, die in andere landen krachtens hun verstand en rang de eersten zouden wezen om zich op den voorgrond te plaatsen waar het geldt, het zijne bij te dragen om goede, deugdelijke wetten te maken,—zij onttrekken zich hier zoo ver mogelijk van datgene wat in de gegeven omstandigheden een verlaging, een schande in hun oog zou mogen heeten.

Dat er onder de vertegenwoordigers des volks in beide Huizen, en onder alle partijen, sommigen gevonden worden van een even voortreffelijk karakter als uitstekende bekwaamheid, zal ik wel niet opzettelijk behoeven te vermelden. De voornaamsten onder die staatkundigen, die in Europa bekend zijn, zijn reeds beschreven geworden, en ik voor mij zie niet in, waarom ik thans af zou wijken van den regel dien ik mij eenmaal voorgeschreven heb, om namelijk geen persoon bij name aan te duiden. Het zal voldoende zijn, als ik er bijvoeg, dat ik de gunstige verslagen, die omtrent hen uitgebracht zijn, ten eenenmale en van ganscher harte onderteeken; en dat ik bij een persoonlijke, vrije, ongedwonge kennismaking niet dat gevolg ondervonden heb, waar een zeker nogal twijfelachtig spreekwoord op zinspeelt, maar integendeel mijn bewondering en eerbied nog hoe langer hoe meer heb voelen toenemen. Ze zijn voortreffelijke mannen, mannen die men niet gemakkelijk een knol voor een citroen in de hand zou kunnen stoppen, mannen die vaardig zijn waar ’t op stuk van handelen aankomt, leeuwen in geestkracht, Crichton’s wat veelzijdige ontwikkeling betreft, Indianen in vuur van oog en gebaar, Amerikanen in sterke en edelmoedige impulsie; en evengoed vertegenwoordigen zij de eer en wijsheid van hun land thuis, als de uitstekende heer, die hun minister is bij ’t Britsche hof, die eer, die wijsheid, en dat in haar hoogsten graad, buitenslands ophoudt.

Gedurende mijn verblijf te Washington bezocht ik beide huizen bijna elken dag. Bij mijn eerste bezoek aan ’t huis der Volksvertegenwoordigers waren zij ’t oneens over een beslissing van den president; maar de president won het. Den tweeden keer dat ik er naar toe ging, bauwde het lid, dat aan ’t spreken was en door een lach in de rede gevallen werd, dit na precies als een kind dat met een ander kind aan ’t krakeelen was, en voegde er bij „dat hij nu wel zou maken dat de geachte heeren van de oppositie hun mond een beetje naar den anderen kant zouden vertrekken.” Maar zelden gebeurt het, dat de spreker in de rede gevallen wordt; gewoonlijk toch wordt hij bedaard aangehoord. Er wordt meer gekibbeld dan bij ons; ook is men er gauwer en meer met dreigementen in de weer dan fatsoenlijke heeren zich in eenige beschaafde maatschappij zouden durven veroorloven: maar imitatiën van redevoeringen, die naar den stal rieken, zijn tot dusverre nog niet ingevoerd geworden uit het Parlement van ’t Vereenigde Koninkrijk. De eigenaardigste trek in hun redevoeringen, die het meest voorkomt en waar ze ’t meest van schijnen te houden, bestaat in de gestadige herhaling van ’t zelfde denkbeeld of zweem van een denkbeeld in nieuwe bewoordingen; en buitensdeurs wordt er niet gevraagd: „Wat zei-i?” maar: „Hoe lang sprak-i?” Dat zijn evenwel maar uitbreidingen van een beginsel dat overal de overhand heeft.

De Senaat is een hoogst achtenswaardig en deftig lichaam, dat zijn werkzaamheid met veel deftigheid en orde verricht. In beide huizen liggen fraaie tapijten, maar de toestand waar deze tapijten in gebracht zijn door ’t veronachtzamen van ’t kwispedoor, dat ieder geacht lid te zijner beschikking heeft, en de buitengewone oplappingen die men overal aantreft,—ziedaar iets wat zich onmogelijk laat beschrijven. Alleen wil ik doen opmerken, dat ik alle vreemdelingen sterk aanraad om niet naar den grond te kijken, en dat, mochten ze bijgeval iets laten vallen, al was ’t hun beurs, die in geen geval zonder handschoen op te rapen.

Wat iemand, aan zoo’n schouwspel ongewoon, in den beginne ook in ’t oog springt, is, zooveel geachte leden met opgezwollen tronies te zien; en ’t is ternauwernood minder opmerkelijk, te ontdekken dat dit in ’t oogloopende uiterlijk veroorzaakt wordt door de hoeveelheid tabak die zij in ’t holle van hun wangen weten te stoppen. Ook is ’t nogal vreemd, zoo’n geacht kamerlid met zijn rug in zijn stoel en met zijn beenen op den voor hem staanden lessenaar een behoorlijke „plug” (pruim) met zijn pennemes af te zien snijden, waarna hij, als ze kant en klaar is om gebruikt te worden, de oude pruim met zooveel kracht uit zijn mond spuugt, als kwam ze uit een proppenschieter, en de nieuwe er voor in de plaats doet.

Ik keek vreemd op, toen ik merkte, dat zelfs geposeerde oude pruimers van groote ondervinding niet altijd goede mikkers zijn, iets wat me in de verzoeking heeft gebracht om te gaan twijfelen aan die algemeene bedrevenheid met de buks, waar we in Engeland zooveel van gehoord hebben. Zoo kreeg ik onder anderen bezoek van verscheidene heeren die in den loop van ’t gesprek gestadig vijf pas het kwispedoor misten, en een (maar die was zeker bijziende) zag, op een afstand van drie voet, een toeraam voor een open raam aan. Bij een andere gelegenheid, toen ik buitenshuis dineerde, en met twee dames en een stuk of wat heeren voor den eten rondom een haard zat, miste een uit het gezelschap de stookplaats zesmaal achtereen. Ik ben er echter wel aan toe, om te gelooven, dat dit hier vandaan kwam, dat hij niet op dat voorwerp mikte, aangezien er een wit marmeren plaat voor den haard was, die dichter bij de hand was en misschien ook beter aan zijn doel beantwoordde.

Het Octrooi-bureau te Washington levert een buitengewoon voorbeeld op van Amerikaansche ondernemingsgeest en vernuft; want het onnoemelijk aantal modellen, die men daar aantreft, vertegenwoordigt de opeengehoopte uitvindingen van maar vijf jaar, daar de geheele vorige collectie door brand is vernield geworden. Het sierlijke gebouw, waar zij in gerangschikt zijn, is eerder een ontworpen dan wel voltooid gebouw, want van de vier zijden is er maar één opgetrokken, ofschoon het werk gestaakt is. Het postkantoor is een zeer compact en een zeer fraai gebouw. In een der vertrekken vindt men, onder een collectie zeldzame en curieuse artikelen, de geschenken die bij tijd en wijle gemaakt zijn aan de Amerikaansche gezanten bij vreemde hoven door de verschillende potentaten bij wie zij de geaccrediteerde agenten der Republiek waren: geschenken die hun door de wet verboden zijn om te houden. Ik beken, dat ik hier op neerzag als op een smartelijke tentoonstelling, en dat wel op een tentoonstelling die in geenen deele vleiend is voor den nationalen standaard van rechtschapenheid en eer. Neen, het zedelijk gevoel moet daar alles behalve sterk ontwikkeld zijn, waar men van de onderstelling uit durft gaan, dat een man van naam en stand in de vervulling zijner plichten omgekocht kan worden door ’t geschenk van een snuifdoos, of rijk ingelegde sabel, of oostersche sjaal; en zeker wordt de natie, die vertrouwen stelt in haar dienaren, beter gediend, dan zij die hen tot voorwerp maakt van zulke lage en armzalige vermoedens.

Te George Town bevindt zich, in een der voorsteden, een Jezuieten-college dat overheerlijk gelegen is en voor zoover ik gelegenheid had om dit op te nemen, goed bestuurd wordt. Ik geloof dan ook, dat verscheidene personen, die niet tot de Roomsche kerk behooren, gebruik maken van de voordeelige gelegenheden die deze instelling oplevert voor de opvoeding hunner kinderen. De hoogten in deze buurt, boven de Potomac-rivier, zijn zeer schilderachtig, en naar ik reden heb om te gelooven, vrij van al datgene wat Washington ongezond maakt. De lucht was op die hoogte geheel koel en frisch, als ze in de stad brandend heet was.

Het presidentshuis heeft meer van een Engelsch sociëteits-gebouw, zoowel van binnen als van buiten, dan van eenig ander soort van gebouw waar ik ’t mee vergelijken kan. De grond er omheen is tot een wandeltuin aangelegd, en aangenaam voor ’t oog; ofschoon hij het onaangename heeft van er uit te zien alsof hij eerst gisteren was aangelegd, iets wat er alles behalve toe bijdraagt om zulke schoonheden goed uit te doen komen.

Mijn eerste bezoek aan dit huis was op den morgen na mijn aankomst. Een officieel heer bracht mij er naar toe en was ook zoo goed mij aan den President voor te stellen.

Wij traden een groote zaal binnen, en nadat we een keer of drie aan een bel getrokken hadden, waar niemand op antwoordde, wandelden we zonder verderen omslag door de kamers gelijkvloers, zooals ook verscheidene andere heeren (de meesten met hun hoed op en de handen in den zak) op hun doode gemak deden. Sommigen dezer hadden dames bij zich, aan wie zij huis en tuin lieten zien; andere lagen zoo lang als ze waren op de stoelen en sofa’s te luieren, nog weer anderen waren zoo verschrikkelijk lustig dat ze niets anders deden dan geeuwen en gapen. De meeste dezer bezoekers waren hier eer gekomen om met hun meerderheid te koop te loopen dan om iets anders, daar zij, gelijk iedereen wist, hier niets hadden uit te voeren. Een stuk of wat namen het huisraad op, als om zich te vergewissen dat de President (die alles behalve populair was) niet een of ander meubelstuk verdonkeremaand of iets wat spijkervast was ten eigen profijte verkocht had.

Nadat we naar deze doodeters gekeken hadden, die, verspreid over een lieve zitkamer (uitkomende op een terrein waar men een heerlijk uitzicht had op de rivier en de daarbij gelegen landstreek), naar een grooter staatsievertrek flaneerden dat de Ooster-gezelschapskamer genoemd werd, gingen wij de trap op naar een andere kamer, waar zich die bezoekers bevonden, welke op eene audiëntie wachtten. Zoodra hij mijn geleider zag, gaf een eenvoudig aangekleede zwarte met gele muilen aan, die zachtkens heen en weer trippelde en den meer ongeduldigen de een of andere boodschap in ’t oor fluisterde, een herkenningsteeken en sloop weg om hem aan te dienen.

Eerst hadden we in een andere kamer gekeken, met een grooten kalen houten lessenaar of toonbank in de rondte. Stapels nieuwsbladen lagen er op, waar verscheidene heeren gebruik van maakten. Maar zulke middelen om den tijd te dooden vond men niet in dit vertrek. Integendeel, het was even ontmoedigend en vervelend als zoo’n wachtkamer in een onzer openbare inrichtingen of bij een dokter gedurende de uren dat hij thuis te consulteeren is.

Er zullen zoo wat een stuk of twintig personen in de kamer geweest zijn. De een, een lange, gespierde, door de zon verbrande, zwartachtige oude man uit het Westen, met een bruinwitten hoed op zijn knieën en een reusachtige paraplu tusschen zijn beenen, zat zoo recht als een kaars in zijn stoel en keek maar gestadig met zoo’n zuur en strak gezicht naar ’t tapijt, als wou hij zeggen: „als ik ’t straks met den President aan den stok krijg, dan zal i er zoo makkelijk niet van afkomen, neen waarachtig niet, ik geef hem geen zier toe.” Een ander, een boer uit Kentucky, zes voet zes duim lang, stond met zijn hoed op en zijn handen onder de panden van zijn jas tegen den muur te leunen en sloeg met zijn hakken tegen den grond alsof hij het hoofd van den Tijd onder zijn schoenen hield en hem nu eens letterlijk „doodde.” Een derde, een man met een ovaal gezicht en die er galachtig uitzag, met kort afgesneden, glimmend zwart haar en puntig afgesneden baard en snor, zoog maar gedurig aan den knop van een dikken stok, en haalde hem af en toe uit zijn mond, om te zien hoe ver hij er al mee gevorderd was. Een vierde deed niets anders dan fluiten. Een vijfde niets anders dan spugen. En waarlijk, al deze heeren waren met deze laatste bezigheid zoo druk en zoo onvermoeid in de weer, overlaadden het tapijt zoo kwistig met hun gunsten, dat het bij mij vaststond, dat de werkmeiden van den President een hoog loon, of, om me op gekuischter wijze uit te drukken, een ruime „compensatie” genoten, zijnde dit ook het woord dat, met betrekking tot alle openbare beambten in Amerika, in plaats van „loon” gebezigd wordt.

Wij hadden maar een minuut of wat gewacht, of daar kwam de zwarte bode al terug, en bracht ons in een ander vertrek van kleiner afmetingen, waar aan een tafel vol papieren de President zelf zat. Hij zag er een beetje afgemat en verdrietig uit. Nu, dat mocht hij wel. Met Jan en alleman lag hij toch overhoop. Niettemin had zijn gezicht een zachte en pleizierige uitdrukking; ook was zijn houding opmerkelijk ongekunsteld, fijnbeschaafd en innemend. Kortom, op mij maakte hij dezen indruk, dat hij in al zijn doen en laten zijn hoogen rang alle eer aandeed.

Daar men mij meegedeeld had, dat de verstandige etiquette van ’t republikeinsche hof een reiziger zooals ik toestond, zonder eenige onbeleefdheid te bedanken voor een uitnoodiging om te komen dineeren—een invitatie die me trouwens eerst gewerd toen ik mijn aanstalten al getroffen had, om Washington eenige dagen voor den tijd, waar ik van gewaagde, te verlaten—zoo keerde ik maar eens naar dit huis terug. Het was bij gelegenheid van een dier algemeene vergaderingen die op zekere avonden tusschen negenen en twaalven gehouden, en, nogal grappig, met den naam van „Levee’s” bestempeld worden.

Tegen tienen ging ik er met mijn vrouw naar toe. Er bevonden zich nogal wat rijtuigen en menschen op de voorplaats, en zoover ik na kon gaan, waren er geen schikkingen getroffen voor ’t ontvangen en plaatsen der genoodigden. Zeker was ’t, dat er geen politie-agenten waren, om schichtige paarden tot bedaren te brengen, hetzij door aan hun teugels te trekken of met stokken voor hun oogen te zwaaien; ook zou ik er wel op durven zweren dat van de menschen, die niets geen kwaad in hun schild voerden, niemand met geweld een slag op het hoofd of een stomp tegen den rug of maag kreeg, of op dergelijke manier tot staan gebracht en dan in bewaring genomen werd, omdat hij niet uit den weg wou gaan. Maar er was hier ook niet de geringste wanorde. Zonder eenig getier, gevloek, lawaai of eenigen hinderpaal kwam ons rijtuig voor ’t portaal, en met evenveel gemak stapten we uit als waren we door de geheele politiemacht der hoofdstad van A tot Z incluis geëscorteerd geworden.

De suite van kamers op de benedenverdieping was verlicht; en een militair muziekkorps speelde in de zaal. In de kleiner receptiekamer, het middelpunt van een gezelschapskring, bevond zich de President met zijn schoondochter, die de honneurs van ’t huis waarnam en een allerbelangwekkendste, bevallige en fijnbeschaafde jonge dame was. Een heer, die onder deze groep stond, scheen het ambt van ceremoniemeester waar te nemen. Andere beambten of oppassers zag ik niet, en waren er ook niet noodig.

De groote gezelschapskamer, waar ik reeds gewag van gemaakt heb, en de andere kamers op de benedenverdieping waren stampvol. In den zin, die wij er aan toekennen, was het gezelschap niet uitgezocht, want het bevatte personen van allerlei rang en stand, ook was er niets wat men pronk en praal zou kunnen noemen, integendeel, sommige kostumes waren in mijn oog nogal potsierlijk. Maar het decorum en de welgemanierdheid, die er heerschten, werden op geenerlei wijze verstoord, en ieder man, zelfs onder het gemengd publiek in de zaal, dat zonder orders of kaartjes toegelaten was, scheen te gevoelen dat hij deel uitmaakte van ’t geheel, en voor zijn deel verantwoordelijk was voor de waardigheid der bijeenkomst, ja dat op hem zelfs de verplichting rustte, haar zoo gunstig mogelijk uit te doen komen.

Dat deze bezoekers, onverschillig tot wat voor stand ze behoorden, buitendien ook niet ontbloot waren van een zekeren fijnen smaak, en verstandelijke gaven wisten te waardeeren en de zoodanigen die door de vreedzame beoefening van groote geestvermogens over het huiselijk leven hunner landgenooten nieuwe bekoorlijkheid verspreiden, den band van dat leven al hechter en hechter vastsnoerden, en hun goeden naam meteen in andere landen verhoogden,—dit bleek ten allerduidelijkste uit de wijze waarop ze mijn waarden vriend Washington Irving ontvingen, die, onlangs tot hun minister bij ’t hof van Spanje benoemd, dien avond voor ’t eerst en voor ’t laatst in zijn nieuwe qualiteit in hun midden aanwezig was. Ik geloof heusch, dat bij al de dwaasheid van Amerikaansche politiek maar weinig publieke personen zoo oprecht, zoo eerbiedig en zoo hartelijk aangehaald konden worden als deze allerboeiendste schrijver; en zelden heb ik een openbare vergadering meer geëerbiedigd, dan ik deze deed, toen ik er getuige van was hoe de massa zich eenparig afkeerde van levenmakende redenaars en officieele wauwelaars en zich met een edelmoedigen en edelaardigen aandrang rondom den man van stille studie schaarde, trotsch als ze was dat zijn roem op hun land terugkaatste en dankbaar jegens hem met geheel hun hart voor den overvloed van liefelijke denkbeelden die hij over hen had uitgestort. Moge hij zulke schatten nog lang met kwistige hand uitdeelen; en mogen zij, wat hij zoo ten volle waardig is, hem nog lang in eere houden!


De tijd, dien wij voor den duur van ons oponthoud in Washington bestemd hadden, was thans om, en nu zouden we eigenlijk beginnen te reizen; want de afstanden, die we tot dusverre per spoor hadden afgelegd, om onder deze oude steden een bezoek af te leggen, worden op dat groote vasteland als niet geteld.

Eerst was ik van plan, zuidwaarts te gaan, en wel naar Charlestown. Maar toen ik den langdurigen tijd in overweging nam, dien deze reis in beslag zou nemen, en de vroegtijdige hitte van ’t seizoen, iets wat zelfs te Washington dikwijls zeer lastig geweest was; toen ik bovendien het verdrietige van altijd en eeuwig de slavernij voor oogen te hebben in mijn ziel overwoog tegen de meer dan twijfelachtige kansen dat ik ze, in den tijd, dien ik besparen kon, ooit ontbloot zou zien van de vermommingen waar ze zeker in gehuld zou worden, en zoodoende de al opgedane reeks van daarop betrekking hebbende feiten met eenig nieuw feit zou kunnen vermeerderen,—zie, toen begon ik te luisteren naar oud gefluister dat me, in een tijd dat ik er al bitter weinig om dacht hier ooit te zullen komen, dikwijls thuis in Engeland voor den geest gestaan had, en weer droomde ik van steden die, gelijk paleizen in sprookjes, onder de wildernissen en bosschen van ’t Westen op kwamen rijzen.

Toen ik nu mijn verlangen te kennen gaf om naar dat punt van ’t kompas te vertrekken, was de raad, dien ik op de meeste plaatsen ontving, oudergewoonte alles behalve uitlokkend. Zoo werd mijn vrouw met meer perijkelen en gevaren en ongemakken bedreigd, dan ik mij kan herinneren of zou willen opsommen als ik kon, maar waarvan het voldoende zal zijn, wanneer ik eenvoudig zeg, dat het in de lucht springen met stoombooten en het omvallen met rijtuigen onder de kleinste ongevalletjes dienden gerekend te worden. Doch aangezien de beste en vriendelijkste autoriteit, waar ik mij ten deze op verlaten kon, een wester-route voor me ontworpen had, en ik, om de waarheid te zeggen, om al de bangmakerijen niet erg mijn hoofd brak, duurde het niet lang of ik besloot, mijn plan ten uitvoer te leggen.

Dat was om zuidwaarts te reizen, alleen naar Richmond in Virginië; dan om te keeren en onzen tocht naar ’t verre Westen te richten, waarheen mij de lezer wel in ’t volgende hoofdstuk zal willen vergezellen.