EEN NACHT-STOOMBOOT OP DEN POTOMAC. EEN RIJWEG IN VIRGINIË EN EEN ZWARTE KOETSIER. RICHMOND. BALTIMORE. DE MAIL NAAR HARRISBURGH EN EEN KIJKJE IN DE STAD. EEN KANAALBOOT.
Allereerst zouden wij per stoomboot reizen, en daar de gewoonte meebrengt, aan boord te slapen, om reden men ’s morgens om vier uur van wal steekt, gingen we naar de ligplaats op dat allerongeschiktste tijdstip voor zulke tochten, dat pantoffels de meest geliefkoosde voorwerpen zijn, en het vooruitzicht om over een paar uur in een lekker bed te zullen stappen vooral den reiziger het best aan zou staan.
Het is tusschen tien uur en half elf in den avond; de maan schijnt, ’t is nogal warm, zelfs drukkend. De stoomboot, die, met de machinerie op dek, uiterlijk wel iets wegheeft van eene arke Noachs van onze lieve jeugd, ligt langzaam op en neer te wiegelen, en bonst lomp tegen den houten steiger aan, terwijl het gekabbel der rivier, om zoo te zeggen, met den loggen klomp aan ’t dollen is. De kaai ligt op eenigen afstand van de stad. Niemand is nog hier; en is ons rijtuig eenmaal weg, dan zijn een paar matbrandende lampen op dek de eenige teekenen van leven. Zoodra onze voetstappen op de planken gehoord worden, komt een vette negerin, die door moeder natuur tot een echte albedril is gevormd, uit een donkere trap voor den dag, en brengt mijn vrouw naar de dameskajuit, die er dan ook naar toegaat, gevolgd door een berg mantels en jassen. Ik voor mij trek mijn stoute schoenen aan en besluit om in ’t geheel niet naar bed te gaan, maar tot aan den morgen op den steiger op en neer te loopen.
Zoo begin ik dan mijn wandeling, denkende om allerlei verwijderde dingen en personen, en om geen een ding of persoon in mijn nabijheid, en stap op die manier zoo wat een half uurtje op en neer. Dan ga ik weer aan boord, plaats me in ’t licht van een der lampen, kijk op mijn horloge en denk, dat het stil is moeten blijven staan, en vraag me zelf verwonderd af, wat er toch wel geworden is van den getrouwen secretaris dien ik van Boston af heb meegebracht. Ter eere van ons vertrek soupeert hij zeker met wijlen onzen kastelein (ongetwijfeld op zijn minst een veldmaarschalk) en kan nog wel een paar uur uitblijven. Alweer ga ik wandelen, maar ik krijg hoe langer hoe meer het land; de maan gaat onder, de eerstkomende Juni schijnt verder weg te zijn in den donker en de echo’s mijner voetstappen maken me zenuwachtig. Daarbij is het weer omgeslagen: ’t is nu koud geworden, en om nu in zoo’n eenzaamheid moederziel alleen te kuieren, dat is ook niet alles. Pleizierig is ’t in geen geval. Ik kom daarom op mijn vast besluit terug en begin te begrijpen, dat het misschien niet kwaad zou zijn, om onder de dekens te kruipen.
En zoo stap ik weer aan boord, doe de deur van de heerenkajuit open, en treed binnen. Hoe het komt, dat weet ik gerust niet—maar ik veronderstel omdat het er zoo doodstil is—ik heb ’t in mijn hoofd gezet, dat er niemand is. Tot mijn schrik en verbazing is de kajuit vol slapers in iederen hoek, op iedere plaats en in iedere houding: in de kooien, op de stoelen, op den vloer, op de tafels, en vooral om de kachel, mijn gezworen vijand. Ik zet nog een stap vooruit en trap op ’t glimmende gezicht van een zwarten hofmeester, die, gerold in een deken, op den vloer ligt. Hij springt op, grijnst, half van pijn en half van gastvrijheid, fluistert me mijn eigen naam in ’t oor, en brengt me al tastende door de slapers heen, naar mijn kooi. Eenmaal naast mijn kooi, tel ik deze slapende passagiers en kom boven de veertig. Daar er niets anders op zit, zoo begin ik me maar uit te kleeden, maar waar zal ik mijn kleeren op leggen? De stoelen zijn immers allen bezet. Ik leg ze dus maar op den grond, edoch niet zonder mijn handen te bevuilen, want ’t is hier één pot nat, ja, waarachtig, één pot nat, als met de vloerkleeden in ’t Kapitool, en uit dezelfde oorzaak. Ik kleed me maar gedeeltelijk uit, klauter mijn kooi in, en laat mijn gordijn een minuut of wat open, om al mijn medereizigers op te nemen. Dat gedaan hebbende, laat ik het vallen voor hen en voor de geheele wereld, draai me om en ga slapen.
Natuurlijk word ik wakker, als we afvaren, want dan wordt er nogal leven gemaakt. De dag breekt dan juist aan. Alle reizigers worden tegelijk wakker. Sommigen zijn dadelijk op hun verhaal, maar anderen zijn zoo beteuterd en kunnen er maar geen mouw aan passen waar ze eigenlijk beland zijn, totdat ze zich de oogen hebben uitgewreven, en, op één elleboog leunende, om zich heen keken. Sommigen geeuwen, sommigen steunen, bijna allen spugen, en weinigen staan op. Onder de opstaanders ben ik: want men voelt gemakkelijk, zonder daarom nog in de frissche lucht te gaan, dat de dampkring der kajuit in den hevigsten graad bedorven is. Ik schiet mijn kleeren aan, ga naar de voorkajuit, laat me barbieren en wasch me. De geheele wasch- en kaptoestel voor al de passagiers bestaat uit twee handdoeken, drie kleine houten waschkommen, een vaatje water en een lepel om ’t er mee uit te scheppen, zes vierkante duimen spiegel, twee dito dito gele zeep, een kam en haarborstel, en niets voor de tanden. Ieder bedient zich van de kam en den borstel, behalve de ondergeteekende. Ieder gaapt me aan nu men merkt, dat ik mijn eigen spulletjes gebruik; en een stuk of drie heeren schijnen erg van zins te zijn, mij daarover in de maling te nemen, maar doen ’t niet. Zoodra ik mijn toilet gemaakt heb, ga ik naar ’t groote dek en loop daar een paar uur op en neer. De zon gaat prachtig op; we stoomen Mount Vernon voorbij, waar Washington begraven ligt; wijd is de rivier en snelvlietend, en schoon zijn haar oevers. De dag stelt zich in met al zijn luister en pracht, en iedere minuut wordt het lichter.
Om acht uur ontbijten we in de kajuit, waar ik den nacht doorbracht, maar de ramen en deuren zijn allen opengegooid, en nu is ’t er frisch genoeg. Wel verre, dat men zich zou haasten of gulzigheid aan den dag legt, duurt dit ontbijt langer dan een ontbijt op reis onder ons, en gaat het er ordentelijker en fatsoenlijker toe.
Even na negenen komen we aan de Potomac-kreek, waar we aan wal moeten gaan, en dan komt het saaiste deel van de reis. Zeven diligences worden klaargemaakt om ons verder te brengen. Sommigen daarvan zijn al klaar, sommigen niet. Sommigen van de koetsiers zijn zwarten, sommigen blanken. Er zijn vier paarden voor ieder rijtuig, en al de paarden, getuigd of ongetuigd, zijn er. De passagiers stappen de boot uit en de wagens in; de bagage wordt met ratelende kruiwagens getransporteerd; de paarden schrikken van al die herrie en trappelen van ongeduld; de zwarte koetsiers kakelen er mee als zooveel apen; en de blanken gaan er op aan als zooveel ossendrijvers, want het schijnt wel, dat al wat hier op de stalhouderij betrekking heeft, van ’t idee uitgaat, dat men nergens beter den hemel mee verdienen kan, dan om zooveel mogelijk lawaai te maken. De rijtuigen hebben wel iets weg van Fransche koetsen, maar zijn niet zoo goed. In plaats van springveeren, hangen ze op banden van ’t sterkste leer. Men vindt er weinig keus of verschil onder; en men kan ze nog ’t best vergelijken bij de wagens van zoo’n schommel op een Engelsche kermis, met een hemel of dak, op assen en wielen, en met geschilderd zeildoek er omheen. Van boven tot beneden zitten ze vol modder; geen wonder, want sinds ze de wagenmakerij verlaten hebben, zijn ze nog nooit schoongemaakt.
De kaartjes, die wij op de boot gekregen hebben, zijn gemerkt no. 1, bijgevolg behooren wij bij rijtuig no. 1. Ik gooi mijn jas op den bok en sjor mijn vrouw en haar meid naar binnen. Het heeft maar één tree, en daar die zoo wat een el van den grond af is, bedient men zich gewoonlijk van een stoel om er bij te komen; is er geen stoel, dan zien de dames zich maar in vredesnaam op de een of andere wijze te behelpen. In ’t rijtuig is er plaats voor negen personen, met een dwarsbankje van ’t eene portier naar ’t andere, waar wij in Engeland onze beenen plegen uit te steken, zoodat er maar één ding moeilijker valt te bolwerken dan het instappen en dat is het uitstappen. Er is maar één buitenpassagier, en die zit op den bok. Daar ik die eene ben, klim ik naar boven; en terwijl ze de bagage boven sjorren en ze achter in een soort van bak opstapelen, heb ik meteen een goede gelegenheid om naar den koetsier te kijken.
Hij is een neger, en zwart, pikzwart, dat verzeker ik u. Hij heeft een peper-en-zout pak aan, dat (vooral aan de knieën) danig opgelapt en gestopt is; behalve dat draagt hij grijze kousen, verbazend groote ongepoetste hooge schoenen, en een zeer korte broek. Hij heeft twee ongelijke handschoenen aan; de eene is van bont sajet, de andere van leer. Dan heeft hij nog een zwarten hoed op met een lagen bol en breeden rand: een even flauwe als malle naäping van een Engelsch koetsier! Maar terwijl ik deze waarnemingen doe, schreeuwt iemand, die hier zeker een mannetje van gewicht is: „Vooruit, vooruit!” Vooraan rijdt de brievenpost in een wagen met vierspan, waarop al de wagens, met no. 1 aan ’t hoofd, in statigen optocht volgen.
In ’t voorbijgaan wil ik nog aanstippen, dat, waar een Engelschman zou roepen „All right!”1 een Amerikaan „Go ahead!”2 roept, wat het verschillende nationale karakter der twee landen eenigermate uit doet komen.
De eerste halve mijl van den weg gaat over bruggen van losse planken gemaakt, die dwars over twee parallel staande palen liggen, welke opwippen als de wielen er over rollen; en in de rivier. De rivier heeft namelijk een kleiachtigen bodem en zit vol gaten, zoodat men de helft van ’t paard telkens onverwachts ziet verdwijnen, en eerst na verloop van eenigen tijd voor den dag ziet komen.
Maar we komen deze zwarigheden te boven, en op den weg zelf, die uit een reeks afwisselende moerassen en zandkuilen bestaat. Daar recht voor ons uit ligt een verschrikkelijke plek, de oogen van den zwarten koetsier rollen in zijn hoofd, rond als een bal trekken zich zijn lippen te zamen, en strak kijkt hij tusschen de ooren van zijn voorspan door, als zei hij tot zich zelf: vroeger hebben we dit meer gedaan, maar nu denk ik, zullen we een zwaren dobber hebben. In iedere hand neemt hij een leisel; rukt en trekt aan beide; en evenals wijlen de betreurde Ducrow op twee zijner fiere paarden danst hij met zijne beide voeten op ’t spatbord (natuurlijk zijn zitplaats niet verlatend). Wij komen aan de noodlottige plek, zakken bijna tot aan de raampjes in ’t slik, kantelen aan één zij over, dat het rijtuig een hoek van vijf en veertig graad beschrijft, en blijven daar steken. Die er in zitten, gillen erbarmelijk; het rijtuig stopt; de paarden spartelen; al de andere zes wagens stoppen; en hun vier en twintig paarden spartelen insgelijks: maar louter om ons gezelschap te houden en uit sympathie met de onze. Hierop vindt het volgende tooneel plaats:
De zwarte koetsier (tegen de paarden): „Hi!”
Er gebeurt niets. Alweer gegil in de wagens.
De zwarte koetsier (tegen de paarden): „Ho!”
De paarden slaan en bespatten den zwarten koetsier.
Een heer daarbinnen (uitkijkende): „Lieve hemel, wat is er toch...”
De heer wordt op allerlei spatten, behalve op liefelijke, getrakteerd en haalt dan ook maar weer gauw zijn hoofd naar binnen, zonder zijn vraag te voltooien of op antwoord te wachten.
De zwarte koetsier (nog altijd tegen de paarden): „Jiddy! Jiddy!”
De paarden nemen een geweldigen ruk, sleuren den wagen uit het gat, en trekken hem op een kant, die zoo steil is, dat de zwarte koetsier achterover tuimelt met zijn beenen in de lucht en onder de bagage bovenop terecht komt. Maar onmiddellijk komt hij weer op zijn verhaal en schreeuwt (nog altijd tegen de paarden):
„Pill!”
Boter aan de galg gesmeerd. Ja, ’t baat niets, niemendal. Integendeel, de koets begint achteruit te rollen op no. 2, no. 2 op no. 3, no 3 op no. 4, en zoo voorts, totdat men no. 7, bijna een kwart mijl ver, kon hooren vloeken en zwetsen.
De zwarte koetsier (luider dan te voren): „Pill!”
De paarden doen alweer hun best om op den oever te komen, en alweer rolt de wagen achteruit.
De zwarte koetsier (luider dan te voren): „Pi-i-i-ll!”
De paarden doen hun uiterste best.
De zwarte koetsier (goed op zijn verhaal komende): „Hi, Jiddy, Jiddy, Pill!”
De paarden probeeren ’t opnieuw.
De zwarte koetsier (met groote heftigheid): „Elly Loe! Hi. Jiddy, Jiddy. Pill. Elly Loe!”
Bijna doen de paarden het.
De Zwarte Koetsier (wiens oogen het hoofd uitpuilen): „Lie, den. Lie, dere. Hi. Jiddy. Pill. Elly Loe. Lie-ie-ie-ie!”
Ze vliegen den oever op en komen aan den anderen kant op een gevaarlijke plek terecht, ’t Is onmogelijk om ze tegen te houden, en op den bodem is een diep gat, vol water. De koets rolt verschrikkelijk. De passagiers, die er in zitten, gillen. De modder en ’t water vliegen om ons heen. De zwarte koetsier danst als een dolleman. Op eens komt alles terecht, waardoor? ja, dat mag de hemel weten! en nu houden we stil, om adem te halen.
Een zwarte vriend van den zwarten koetsier zit op een heining. De zwarten koetsier geeft blijken dat hij hem herkent, door zijn hoofd rond te draaien als een harlekijn, zijn oogen heen en weer te rollen, zijn schouders op te halen en zijn mond van ’t eene oor naar ’t andere te vertrekken. Op eens stopt hij, keert zich naar mij toe en zegt:
„We zullen er u overbrengen alsof ’t van ’n leien dakkie gaat en hopen dat ’t naar uwes zin zal wezen, als we ’r u zoo overbrengen.” (Erg soebattende)! „Thuis heb ik nog ’n ouwe vrouw, meneertje!” (weer grijnzende): „Als de heeren eenmaal goed en wel thuis zijn, dan denken ze dikwijls om de oude vrouw thuis, weet uwé.”
„Breek daar je hoofd maar niet over! we zullen wel om de oude vrouw denken.”
Alweer grijnst de zwarte koetsier, maar er is nog een gat, en aan den anderen kant van dat gat, nog een kant vlak voor ons. Zoo stopt hij op eens, en roept (tegen de paarden alweer): „Zoetjes an. Zoetjes dan toch. Zoetjes. Hou jelui goed. Hi. Jiddy. Pill. Elly. Loe” (maar ditmaal roept hij geen enkelen keer: „Lie!”): totdat we, eindelijk ten einde raad, ons te midden van zooveel moeilijkheden bevinden, dat het ons onmogelijk schijnt, daaruit te geraken.
En zoo leggen we de tien mijlen of daaromtrent in twee en een half uur, af, wel is waar noch armen noch beenen brekende, maar een massa beenen en beentjes kneuzende, kortom den afstand afleggende alsof ’t, zou onze zwarte koetsier zeggen, „van ’n leien dakkie ging.”
Deze zonderlinge manier van rijden houdt te Fredericksburgh op, alwaar een spoorweg begint naar Richmond. De streek, waar die weg doorheen loopt, was eens productief; maar de grond is uitgemergeld doordien men er met behulp van slavenarbeid te veel van gevergd heeft, zonder hem door middel van bemesting als anderszins behoorlijk het zijne te geven, zoodat hij nu niet veel beter is dan een zandwoestijn vol boomen. Zoo armzalig als de streek er hier uitziet, deed het me waarlijk goed aan mijn hart, iets te vinden waar de vloek dezer verfoeilijke instelling op gevallen is, en smaakte grooter genoegen bij den aanblik van den verwelkten bodem dan de rijkste en vruchtbaarste bebouwing op dezelfde plaats mij met mogelijkheid kon verschaft hebben.
Evenals in alle andere districten waar de slavernij gevonden wordt (menigmaal heb ik dit toe hooren geven zelfs door hen die er de warmste verdedigers van zijn), zoo stuit men ook in dit district overal op teekenen van achteruitgang en verval, die van ’t stelsel onafscheidelijk zijn. De schuren en bijgebouwen rotten weg; de loodsen zijn opgelapt en half zonder dak; de blokhutten (die in Virginië schoorsteenen hebben van buiten, die van klei of hout gemaakt worden) zijn in den hoogsten graad smerig. Niets treft men er aan wat naar fatsoenlijkheid zweemt. De ellendige stationsgebouwen aan den kant van den spoorweg; de groote woeste houtplaats, waar de brandstof voor de locomotief uit vandaan gehaald wordt; de negerkinderen die met honden en varkens voor de deuren der hutten op den grond rollen; de tweevoetige lastdieren die ons voorbijsluipen: over alles ligt een waas van somberheid en verderf.
In den negerwaggon, die tot den trein behoorde, waar wij dien dag mee reisden, bevonden zich een moeder en haar kinderen, die juist verkocht waren; de man en vader was achtergebleven bij hun ouden eigenaar. De kinderen schreeuwden den geheelen weg over, en de moeder was een toonbeeld van ellende. De kampioen van Leven, Vrijheid en het Najagen van Geluk, die ze gekocht had, maakte van denzelfden trein gebruik, en ging, telkens als wij stopten, eens kijken of ze wel present waren. De zwarte in Sinbad, steeds met een oog midden in zijn voorhoofd, dat als een gloeiende kool glinsterde, was in vergelijking met dezen blanken heer een aristocraat in de natuurlijke orde.
Het was tusschen zessen en zevenen ’s avonds, toen wij naar het logement reden, waar van voren en boven op de breede stoep die naar de deur geleidde, een stuk of drie burgers onder ’t rooken van een sigaar op schommelstoelen zaten te wiegelen. Wij merkten dat het een zeer groot en sierlijk gebouw was, en werden zoo goed bediend als reizigers dit met mogelijkheid kunnen begeeren. Daar het klimaat van dien aard was, dat men nogal dorst kreeg, was er in de ruime koffiekamer op geen uur van den dag gebrek aan bezoekers en stond het aan ’t buffet, waar men allerlei koele dranken kon krijgen, geen oogenblik stil; maar ’t waren hier prettige lui, die ’s avonds muziek lieten maken, die men met pleizier hoorde.
De beide volgende dagen reden en wandelden we de stad rond, die heerlijk op acht heuvelen ligt, welke de James-rivier bestrijken,—een stroom, waar men hier en daar heldere eilandjes gewaar wordt, of die over gebroken rotsen heen bruist. Ofschoon het nog maar half Maart was, was het weer in deze zuidelijke temperatuur buitengewoon warm: de perzikboomen en magnolia’s stonden in vollen bloei; de boomen waren groen. In een lagen grond onder de heuvelen is een vallei, bekend als de „Bloody Run” (Bloedige jacht), die dezen naam ontleend heeft aan een verschrikkelijk gevecht met de Indianen, dat hier eenmaal plaats vond. Het is dan ook een geschikte plaats voor zoo’n worsteling, en, in verband gebracht met de een of andere legende van dat wilde volk, dat nu zoo spoedig van de aarde verdwijnt, boezemde ook zij, evenals iedere andere plek die ik zag, mij niet weinig belangstelling in.
De stad is de zetel van ’t locale parlement van Virginië; en in zijn belommerde, koele zalen bleven sommige redenaars met hun slaapverwekkende redevoeringen doorwauwelen tot den heeten nadenmiddag. Daar ik al zoo menigmaal van dergelijke tooneelen uit de constitutioneele wereld getuige was geweest, zoo stelde ik er niet veel meer belang in dan in de zittingen van den een of anderen Kerkeraad en was ik mooi blij dat ik dit gezicht kon verwisselen met een kijkje in een goed ingerichte bibliotheek van zoo wat tien duizend deelen, en een bezoek aan een tabaksfabriek, waar al de werklui slaven waren.
Aan deze fabriek zag ik al wat betrekking heeft op het sorteeren, rollen, persen, drogen, inpakken in vaten, en merken. Al de tabak, die op die manier bewerkt wordt, was voor de pruim-liefhebberij bestemd; en als men die geheele massa overzag, zou men onwillekeurig verondersteld hebben, dat er in één zoo’n magazijn genoeg zou geweest zijn, om zelfs de kaken van geheel Amerika, die nogal wat bergen kunnen, te vullen. In dezen vorm ziet de tabak er als de lijnkoek uit, waar wij onze beesten mee voeren,—een gezicht dat, daargelaten nog de nadeelige gevolgen van dit onkruid, alles behalve uitlokkelijk mag heeten.
Verscheidene van de werklui schenen sterke mannen te zijn, en ik zal er wel niet behoeven bij te voegen, dat ze toen allen stil hun gang gingen. Na tweeën krijgen ze permissie om wat te zingen, niet allen tegelijk, maar een zeker getal. Daar ’t tijdens mijn bezoek zoo laat was, waren ze, onder hun werk door, juist met hun stuk of twintig aan ’t zingen, en waarlijk ze zongen volstrekt niet slecht. Op ’t punt staande van heen te gaan, werd er een bengel geluid, waarop zij allen naar een gebouw vlogen aan den overkant der straat: ’t was etenstijd. Verscheidene keeren zei ik, dat ik ze eens graag zou willen zien eten; maar aangezien de heer, wien ik dit mijn verlangen te kennen gaf, op eens doof, stokdoof scheen geworden te zijn, drong ik er maar niet verder op aan. Hoe zij er wel uitzagen, daar zal ik zoo aanstonds iets van zeggen.
Den volgenden dag bezocht ik een plantage of boerderij van ongeveer twaalfhonderd morgen lands, die aan den overkant der rivier lag. Alhoewel ik met den eigenaar naar ’t „kwartier” ging, zooals dat gedeelte van ’t erf, waar de slaven wonen, genoemd wordt, werd ik ook hier weer niet uitgenoodigd, om een enkele hunner hutten binnen te gaan. Al wat ik er van zag, was, dat het allerarmzaligste hutten waren en in de nabijheid troepjes van half naakte kinderen in de zon lagen te branden of op den vuilen grond lagen te rollen. Maar ik geloof, dat deze heer een achtingswaardig en voortreffelijk heer is, die zijn vijftig slaven erfde, en noch een kooper en verkooper van menschenvleesch; en afgaande op ’t geen ik met mijn eigen oogen gezien heb, heb ik de innige overtuiging, dat hij een goedhartig en rechtschapen man is.
Het huis van den planter was een luchtige, landelijke woning, die mij Defoe’s beschrijving van zulke plaatsen voor den geest bracht. De dag was erg warm, maar daar de blinden allen dicht waren en de ramen en deuren wijd open stonden, waren al de kamers in de schaduw en kwam er u een koeltje tegen, dat na ’t licht en de hitte buitendeurs dubbel verfrisschend aandeed. Voor de ramen was een open piazza, waar zij, bij ’t geen zij heet weer noemen—onverschillig hoe het weer in de werkelijkheid is—hangmatten ophijschen, en weelderig liggen te drinken en te luieren. Ik weet niet hoe hun koele ververschingen daar binnen in die hangmatten wel zullen smaken, maar daar ik er op dat punt alles van weet, kan ik bij ondervinding betuigen dat, daarbuiten, de klompen ijs en de kommen pepermuntwater en zoogenaamde sherry-cobbler, die zij onder deze hemelstreken fabriceeren, van die verfrisschingen zijn waar zij, die op tevredenheid van ziel gesteld zijn, naderhand nooit meer ’s zomers om zullen denken.
Er zijn twee bruggen over de rivier: de eene behoort bij den spoorweg, en de andere, die armzalig in elkaar zit, is het particulier eigendom van een zekere oude dame in de buurt, die van de stedelingen tol heft. Bij mijn terugreis over deze brug gaande, zag ik een waarschuwing op de poort geschilderd, die alle personen vermaande om langzaam te rijden, op boete van vijf dollars voor een blanke, en van vijftien zweepslagen voor een zwarte.
Datzelfde waas van somberheid en verval, dat over den weg hangt wordt men ook boven de stad Richmond gewaar. Er zijn lieve villa’s en aardige huizen in haar straten en de natuur glimlacht over de omgeving; maar evenals de slavernij gepaard gaat met verscheidene verhevene deugden, zoo vindt men vlak naast fraaie woonhuizen ellendige krotten, verwaarloosde heiningen en schuttingen, muren die al bijna tot een puinhoop vervallen zijn. Het kan niet anders of deze en meer dergelijke teekenen, die onder de oppervlakte schuilen, dringen zich onwillekeurig aan uw waarneming op, en even onwillekeurig doemen ze telkens en telkens weer met weemoedig gevoel voor den geest op, als pleizieriger herinneringen al lang in ’t vergeetboek geraakt zijn.
Op degenen, die er gelukkig niet aan gewend zijn, moeten de menschelijke gezichten, die hij in de straten en op de werkplaatsen tegenkomt, een allerpijnlijksten indruk maken. Allen die weten, dat er wetten tegen het onderwijs der slaven bestaan, waarvan de straffen en boeten veel zwaarder zijn dan die welke gezet zijn op mishandelingen en folteringen die hun door hun meester worden aangedaan,—ze moeten er op voorbereid zijn, dat ze hier gezichten aan zullen treffen, die al bijster laag staan op de ladder van verstandelijke uitdrukking. Maar het donkere—niet van huid, maar van ziel—dat des vreemdelings oog ieder oogenblik tegenkomt; het verdierlijken en uitwisschen van al de schoone trekken die door de hand der Natuur gewrocht zijn,—dat alles gaat zijn verwachting op dit punt ver, onmetelijk ver te boven. Die reiziger, een gewrocht van ’t brein van den grooten Satiricus, die, zoo kersversch van zijn verblijf onder paarden teruggekomen, met bevenden afschuw uit een hoog raam op de wezens van zijn eigen soort neerzag, kon door dat gezicht niet pijnlijker getroffen zijn geworden dan zij die deze menschelijke gelaatstrekken voor ’t eerst van hun leven zagen, ontwijfelbaar getroffen zijn.
Den laatsten hunner liet ik achter me in den persoon van een ongelukkigen stumpert, die, na den geheelen dag tot middernacht heen en weer geloopen, en na middelerwijl wat op de trappen gedommeld te hebben, ’s morgens om vier uur alweer present was om de donkere gangen te schrobben; en ik ging mijns weegs met een dankbaar hart, dat ik niet gedoemd was om te leven daar waar de slavernij was, en een slavenhand mijn geestvermogens niet zoo stompgewiegd had, dat ik al het verkeerde, al het afschuwelijke dat die instelling aankleeft, niet meer kon beseffen.
Ik was van plan geweest, over de James-rivier en de Chesapeake-baai naar Baltimore te gaan; maar daar een der stoombooten, die een ongeluk gekregen had, niet aan de gewone ligplaats te vinden en ons vertrek dus onzeker geworden was, zoo keerden wij langs denzelfden weg naar Washington terug, hielden ons daar nog een nacht op en vertrokken den volgenden namiddag naar Baltimore. In ’t voorbijgaan wil ik nog meedeelen, dat er aan boord van onze stoomboot twee politieagenten geweest waren, om weggeloopen slaven op te halen.
Het gemakkelijkst en best ingerichte van al de logementen, waar ik eenige ondervinding van heb opgedaan in de Vereenigde Staten en zij waren niet weinige, is dat van Barnum in die stad, waar de Engelsche reiziger voor den eersten en waarschijnlijk laatsten keer in Amerika gordijnen voor zijn bed zal vinden, en wat alweer niet overal het geval is, ook genoeg water heeft om zich te wasschen.
Deze hoofdstad van den staat Maryland is een allerdrukste stad met vrij wat handel van allerlei aard en voornamelijk met scheepvaart. Dat gedeelte der stad, dat daar ’t meest van profiteert, is wel is waar niet van de zindelijkste, maar het hooger gedeelte ziet er heel anders uit en heeft tal van aangename straten en openbare gebouwen. Het Washington-monument, een fraaie kolom met een standbeeld er bovenop, het Geneeskundig College en het Krijgsmonument ter gedachtenis aan een gevecht met de Engelschen bij de Noordkaap, ziedaar een en ander wat het meest in ’t oog springt.
In deze stad is ook een zeer goede gevangenis, en het stelsel der eenzame opsluiting behoort mede tot haar instellingen. In dit laatst genoemde gesticht deden zich twee opmerkelijke gevallen voor.
Het eene was dat van een jonkman, die wegens vadermoord gevangen zat. Het bewijs zijner schuld hing geheel en al van bijkomende zaken af, terwijl de zaak zeer treurig en twijfelachtig mocht heeten; ook was ’t onmogelijk, eenige beweegreden bij te brengen, die hem tot zoo’n vreeselijke misdaad kon aangezet hebben. Tweemaal was hij voor geweest; en bij de tweede gelegenheid aarzelde de jury zoodanig om hem schuldig te verklaren, dat zij een verdict van manslag of moord in den tweeden graad toepasten, iets wat met geen mogelijkheid het geval kon wezen, aangezien er, en dit stond zoo vast als een paal, noch krakeel noch uittarting plaats had gevonden, en hij, was hij werkelijk schuldig, dan ook ontegenzeglijk schuldig was aan moord in de ruimste en ergste beteekenis des woords.
Het opmerkelijke punt in dit rechtsgeding was dat, bijaldien de ongelukkige overledene niet werkelijk door dezen zijn eigen zoon vermoord was geworden, zijn eigen broer de dader moest zijn. Opmerkelijk inderdaad, maar óf de een óf de ander moest het gedaan hebben, daar ging niets van af. Op al de bezwarende punten was de broer van den afgestorvene de getuige; al de verklaringen ten aanzien van den gevangene (waarvan sommige zeer aannemelijk waren) moesten den rechter door middel van ontleding en vergelijking tot de gevolgtrekking brengen, dat de broer er op uit was, om de schuld op zijn neef te gooien. Nog eens dus: een van beiden moest het gedaan hebben, en de jury had te beslissen tusschen het vermoeden op beiden, en dat met betrekking tot een wandaad die, hetzij de zoon of de neef ze gepleegd had, bijna even onnatuurlijk, onverklaarbaar en vreemd mocht heeten.
Het andere geval was, dat van een man, die bij een likeurstoker een koperen maat gestolen had, waar zich een zekere hoeveelheid drank in bevond. Men had hem achternagezeten en gearresteerd met den eigendom in zijn bezit, waar hij twee jaar voor gekregen had. Toen hij na afloop van zijn straftijd uit de gevangenis vandaan kwam, ging hij weer naar denzelfden stoker toe, en ontstal hem dezelfde koperen maat, inhoudende dezelfde hoeveelheid drank. Er bestond niet de geringste reden om te veronderstellen, dat de man naar de gevangenis wenschte terug te keeren: integendeel, alles, behalve het misdrijf zelf, pleitte tegen die onderstelling. Er zijn maar twee wegen om deze ongewone handelwijze te verklaren. De eene is, dat hij, na voor deze koperen maat zooveel te hebben ondergaan, begreep, dat hij er nu in zekeren zin recht en aanspraak op mocht laten gelden, terwijl men van den anderen kant aan zou kunnen nemen, dat het, door er zoo lang om te denken, een monomanie bij hem geworden was, en dat ding hem als ’t ware zoo betooverd had, dat het in zijn verbeelding van een aardsche koperen maat in een bovenaardsch gouden vat was veranderd, zoodat hij er onmogelijk langer weerstand aan had kunnen bieden.
Na hier een paar dagen te hebben vertoefd, besloot ik mijn zoo onlangs opgevat plan te volvoeren en zonder verwijl onze reis naar ’t Westen te aanvaarden. Ik begon daarom hiermee, dat ik mijn bagage tot den kleinst mogelijken omvang beperkte, door namelijk al wat ik niet volstrekt noodig had, naar New-York terug te sturen, met verzoek het naderhand in Canada naar ons op te zenden. Vervolgens voorzag ik mij van de noodige kredietbrieven van bankiershuizen, die op onzen weg lagen, en nadat we buitendien een paar avonden naar de ondergaande zon hadden gekeken met zoo’n juist omschreven denkbeeld van ’t voor ons liggende land, als stonden we op ’t punt van een reis te ondernemen naar ’t middelpunt zelf van die planeet, verlieten we Baltimore langs een anderen spoorweg om halfnegen ’s morgens, en bereikten de stad York, die er een mijl of zestig van af ligt, juist toen ’t etenstijd was aan ’t logement, dat de pleisterplaats was van ’t vierspannig rijtuig, waar we naar Harrisburgh mee zouden vertrekken.
Dit vervoermiddel, waarvan ik gelukkig genoeg was den bok machtig te worden, was ons aan ’t station te gemoet gereden en zag er even modderig en ongemakkelijk uit als naar gewoonte. Daar er meer passagiers aan de deur van ’t logement op stonden te wachten, maakte de koetsier op den toon, waarop men dit gewoonlijk doet, bij zich zelf de opmerking, en meteen keek hij naar zijn beschimmeld tuig, als richtte hij daar het woord tegen:
„Ik denk wel, dat we de groote koets noodig zullen hebben.”
Met verwondering vroeg ik me zelf onwillekeurig af, hoe groot die groote koets dan toch wel zou wezen, en hoeveel personen er wel in zoude gaan; want het rijtuig, dat te klein was voor ons doel, was al iets grooter dan twee Engelsche zware nachtdiligences. Mijn bespiegelingen kwamen evenwel gauw tot rust; want zoodra we gegeten hadden, kwam er een soort van barge op wielen, die als een zwaarlijvige reus heen en weer schommelde, de straat op. Na veel horten en stooten bleef de wagen voor de deur stilstaan, maar al stond hij nu stil, dit nam niet weg, dat hij nog altijd, en niet weinig ook, van den eenen kant naar den anderen door bleef schommelen, alsof hij kou gevat had in zijn vochtigen stal en nu geheel en al van streek was van kortademigheid, omdat men van hem had durven vergen, op zijn ouden waterzuchtigen dag een beetje gauwer aan te stappen dan gewoonlijk.
„Zoo, is dan hier eindelijk de postwagen naar Harrisburgh? En wat ziet-i er vreeselijk glunder en kostelijk uit,” riep een bejaard heer min of meer opgewonden uit, „stop m’n moeder!”
Ik weet waarachtig niet wat voor gewaarwording het is, als men evenals een kous gestopt wordt, of dat nu juist een mans moeder op zoo’n stopproces ijselijker gesteld moet zijn, of er vreeselijker hekel aan moet hebben dan iemand anders; maar als het ondergaan van deze geheimzinnige plechtigheid door de oude dame in quaestie bijgeval afhankelijk mocht geweest zijn van de nauwkeurigheid van haar zoons visioen met betrekking tot de afgetrokken glunderheid en kostelijkheid van den postwagen op Harrisburgh, dan zal de arme stumperd de penetentie ondergaan hebben ook. Niettemin, van stoppen gebroken, zooveel is zeker, dat zij er twaalf man in stopten; en zoodra de bagage (met inbegrip van zulke beuzelarijen als een groote schommelstoel en vrij groote eettafel) bovenop den wagen vastgemaakt was, reden wij heel deftig af.
Aan de deur van een ander logement stond nog een passagier, die mee moest.
„Is er nog plaats, heerschap?” roept de nieuwe passagier den koetsier toe.
„Wel, er is ruimte genoeg,” antwoordt de koetsier, zonder af te stappen of zelfs naar hem te kijken.
„Er is in ’t geheel geen plaats meer, mijnheer,” schreeuwt een heer van binnen. Iets wat een andere heer (ook van binnen) bevestigt, door te voorspellen, dat „’t niet goed af zou loopen,” als men ’t wou probeeren, er nog meer passagiers in te laten.
De nieuwe passagier, die er volstrekt niet naar uitziet, alsof hij zich in ’t minst over die praatjes bekommert, kijk eerst in de koets en vervolgens naar den koetsier, en zegt na een poos: „Welnu, wat dunkt u er van, koetsier, want mee moet ik?”
De koetsier legt een knoop in zijn zweep en neemt verder geen notitie van de vraag, daarmee klaarblijkelijk te kennen gevende, dat dit iedereen behalve hem aangaat, en de passagiers dit maar onder malkander uit moeten maken. In dezen staat van zaken schijnt ieder in den wagen een beetje op te moeten schikken.... daar roept alweer een andere passagier die in een hoekje zit en bijna stikt, met een matte stem:
„Ik ga er uit!”
Dat is geen zaak waar de koetsier zich geluk mee wenscht, want met zijn onveranderlijke wijsbegeerte komt het hem niet aan de koude kleeren, wat er ook daar binnen in den wagen voor moge vallen. Van alle dingen ter wereld zou juist de koets het laatste ding blijken te zijn, waar hij zijn hoofd over brak. Ondertusschen de ruilhandel heeft zijn beslag gekregen, met dat gevolg, dat de passagier, die zijn plaats heeft afgestaan, den derden persoon uitmaakt op den bok, plaats nemende daar wat hij het midden gelieft te noemen, dat wil zeggen, met de helft van zijn corpus op mijn beenen en met de andere helft op de beenen van den koetsier.
„Vooruit kapitein!” roept de bevelvoerende kolonel.
„Voor—uit!” roept de kapitein tot zijn kompagnie—de paarden; en weg rijden we.
Nadat we een mijl of acht gereden hadden, namen we aan een dorpsherberg een beschonken heer op, die bovenop den wagen klauterde onder de bagage; maar er zich naderhand weer van af liet glijden, zonder zich te bezeeren, en dien we in de verte naar den drankwinkel, waar we hem gevonden hadden, terug zagen waggelen. Nu en dan stapte er ook een passagier af, zoodat, toen we versche paarden kregen, ik weer alleen buiten zat.
Krijgt men andere paarden, men krijgt ook een anderen koetsier, die gewoonlijk even vuil is als de wagen. Zoo was de eerste gekleed als een allergemeenste Engelsche bakker; de tweede als een Russische boer, want hij had een losse, roode kamelotten jas aan met een bonten kraag, die om zijn middel met een bonte sajetten sjerp vastgemaakt was; een grijze broek, lichtblauwe handschoenen en een muts van berenvel. Het was ondertusschen erg beginnen te regenen; ook viel er buitendien een koude natte mist, die ons door merg en been drong. Ik was erg in mijn schik toen ik gebruik kon maken van een halte en naar beneden ging om mijn beenen eens fiks uit te rekken, het water van mijn reismantel schudde en een beetje van dat anti-matigheids-recept gebruikte, ten einde een verkoudheid te voorkomen.
Toen ik weer op den bok klom, merkte ik dat er een nieuw pakje op den wagen lag, dat ik voor een groote viool aanzag, in een bruine kast. Na een mijl of wat verder te hebben gereden, ontdekte ik echter, dat het een verlakte pet aan ’t eene eind en een paar beslijkte schoenen aan ’t andere had; en bij een verdere waarneming bleek het een kleine jongen te zijn met een snuifkleurig jasje aan, die zijn handen zoo diep in zijn zakken gestoken had. dat het precies was alsof zijn armen tegen zijn zijden aangeplakt waren. Ik vermoed, dat hij een nabestaande of vriendje van den koetsier was, want hij lag boven op de bagage met zijn gezicht naar ’t regenzeil toe; en behalve wanneer een verandering van positie zijn schoenen in aanraking met mijn hoed bracht, scheen hij te slapen. Eindelijk en ten laatste, ’t was bij gelegenheid dat we weer eens stilhielden, richtte dit ding zich tot de hoogte van drie voet zes duim op, keek mij strak aan en maakte mij, met een gemeenzamen geeuw, die half getemperd werd door een nederbuigenden blik van vriendelijke bescherming, deze opmerking: „Wel, vreemdeling, ik gis, dat u dit bijna net zoo pleizierig vindt als ’n ritje na den middag in Engeland, niet waar?”
Het tooneel, dat in den beginne nogal saai geweest was, was de laatste tien of twaalf mijlen mooi. Onze weg kronkelde door de liefelijke vallei van de Susquehanna; bezaaid met ontelbare groene eilandjes, lag de rivier aan onze rechterhand, en aan onze linker een steile helling, oneffen van klipstukken en donker van pijnappelboomen. De mist, die ontelbare phantastische vormen aannam, bewoog zich plechtstatig op het water; en de avondschemering zette alles een waas van geheimzinnigheid en stilte bij, waardoor het op zich zelf reeds zoo belangwekkend tooneel nog oneindig dieper indruk moest maken.
Deze rivier passeerden wij over een houten brug, die van alle kanten boven en op zij bedekt was, en ongeveer een mijl in de lengte besloeg. Het was er pikdonker, want groote balken kruisten er elkaar in alle hoeken, terwijl, heel ver beneden ons, de snelvlietende rivier door de wijde reten en spleten van den vloer als een legioen van oogen heenblonk. Lampen hadden we niet, en daar de paarden deze plaats met een echten sukkeldraf aflegden in de richting van de plek in de verte waar het licht hoe langer hoe matter werd, zoo werd het ons te moede alsof er nooit een eind aan zou komen. Ik althans kon ’t me in den beginne waarlijk niet uit ’t hoofd praten dat ik benauwd droomde, toen we daar zoo zwaarmoedig voortstrompelden dat de brug er dof van dreunde en ik mijn hoofd omlaag hield om ’t tegen de balken daar boven me te beschutten; want ik heb er dikwijls van gedroomd, dat ik zulke plaatsen doortobde, en altijd mopperde ik in me zelf, ook als ik wakker was: „maar neen, dit kan geen werkelijkheid zijn.”
Ten langen leste belandden we evenwel aan de straten van Harrisburgh, waarvan de flauwe verlichting, die door den natten grond akelig teruggekaatst werd, alles behalve dezen indruk maakte, dat we nu in een vroolijke stad waren. Het duurde niet lang of we bevonden ons in een pleizierig logement, dat, ofschoon kleiner en veel minder prachtig dan menig ander waar we afgestapt waren, het gunstigst van allen bij me aangeteekend staat, doordien de houder er van de dienstvaardigste en fatsoenlijkste persoon was waar ik ooit mee te doen heb gehad.
Daar we niet voor na den middag verder zouden gaan, ging ik den volgenden morgen na ’t ontbijt uit, om eens een kijkje om me heen te nemen. Bij die gelegenheid liet men mij behoorlijk een modelgevangenis zien naar ’t systeem van eenzame opsluiting, die zoo even gebouwd was en waar tot dusverre niemand in zat; den stam van een ouden boom, waar Harris, de eerste kolonist hier (naderhand is hij er onder begraven), door vijandelijke Indianen aan vast gebonden werd met den brandstapel om hem heen, toen hij nog bijtijds gered werd door de verschijning van een troep zijner vrienden aan den overkant der rivier; de vergaderzaal van ’t wetgevend lichaam (want ook hier was zoo’n lichaam, en druk in de weer ook); en de andere merkwaardigheden der stad.
Ik stelde veel belang in ’t nazien van een aantal tractaten, die, bij tijd en wijle met de arme Indianen gesloten, door de verschillende opperhoofden bij gelegenheid hunner ratificatie onderteekend en onder de archieven van de secretarie van ’t Gemeenebest bewaard werden. Deze onderteekeningen, natuurlijk door hun eigen handen gezet, zijn ruwe teekeningen van de schepsels of wapens waar zij zich naar noemden. Zoo maakte de Groote Schildpad bij wijze van handteekening met pen en inkt een ruwe schets van een groote schildpad; de Buffel een dergelijke schets van een buffel; de Strijdbijl een dito van dat wapen. Hetzelfde deden de Pijl, De Visch, de Scalp, de Groote Cano, en hoe zij zich verder mochten noemen.
Toen ik deze zwakke en bevende voortbrengselen zag van handen, die den langsten pijl in een forschen elandshoornen boog tot aan ’t boveneinde konden spannen, of een kraal of veer met een bukskogel door midden zouden geschoten hebben, zie, toen dacht ik, of ik wou of niet, om Crabbe’s Mijmeringen over ’t Parochiale Register, en de met een pen gemaakte, onregelmatige krabben door menschen die van ’t eene end naar ’t andere een vore in al haar lengte lijnrecht zouden weten te trekken. Ook rezen er onwillekeurig de pijnlijkste gedachten in mijn ziel op met betrekking tot die eenvoudige krijgslieden wier handen en harten daar zoo ter goeder trouw waren neergezet en in den loop der tijden van blanke menschen alleen dit leerden, hoe men ’t best zijn woord kan breken en den inhoud van overeenkomsten spitsvindig verdraaien kan. Verwonderd vroeg ik me zelf ook af, hoe dikwijls de lichtgeloovige Groote Schildpad of vertrouwende Kleine Strijdbijl zijn merk wel zal gezet hebben onder tractaten die hem valsch voor waren gelezen, en maar weggeteekend had, zonder te weten wat, totdat het hem van achteren bleek, dat diezelfde tractaten hem inderdaad tot een wilde tegenover de nieuwe bezitters van ’t land gemaakt hadden.
Voordat we gingen eten, deelde onze logementhouder ons mee, dat sommige leden van de wetgevende vergadering van plan waren, ons de eer van een bezoek aan te doen. Heel vriendelijk had hij ons zijn vrouws eigen spreekkamertje afgestaan, en toen ik hem nu verzocht, de heeren maar hier te laten komen, zag ik hem met een verdrietig gezicht naar ’t lieve vloerkleed kijken, dat daar lag; ofschoon ik ’t toen zoo druk met andere dingen had, dat ik niet op de gedachte kwam, waarom hij toch zoo zuur keek.
Natuurlijk had het allen betrokken partijen meer tot eer gestrekt, en mijns bedunkens hun onafhankelijkheid in geenen deele gecompromitteerd, als enkele dezer heeren ditmaal niet alleen toegegeven hadden aan ’t vooroordeel om kwispedoors te gebruiken, maar zich buitendien hadden willen verwaardigen om zich voor ’t oogenblik op te houden met de elders in zwang gebrachte ongerijmdheid van zakdoeken.
Het regende nog maar altijd hard door, en toen we na den eten naar de kanaalboot gingen (want met dat vervoermiddel moesten wij de reis verder voortzetten), was het weer zoo nat en onpleizierig dat het weinig goeds voorspelde. Ook leverde deze kanaalboot, waar wij een dag of vier in door moesten brengen, een alles behalve prettigen indruk op; want we merkten al heel gauw, dat we ’s nachts met onze ligplaatsen nogal wat te stellen zouden hebben, dan spreek ik nog niet eens van de overige inrichting, die waarlijk niet zeer opbeurend was.
Maar we zaten nu eenmaal in ’t schuitje, en zoo zat er dan niets anders voor ons op dan om ons in ons lot zoo goed mogelijk te schikken. Ja, daar was ze, onze kanaalboot! Van buiten gezien, had ze wel iets van een barge met een klein huisje er in; en van binnen bekeken, leek ze op een kermistroep: de heeren toch waren er in gestopt, en dat evenzeer op hun gemak, als dit met hen het geval pleegt te zijn die op een kermis zoo’n tent met de een of andere verwonderlijke zaak voor ’t „bagatel van èèn stuiver of vijf centen” gaan bezichtigen, terwijl de dames van hen afgesloten waren door een rood gordijn, op de manier van de dwergen en reuzen in soortelijke inrichtingen, die men, ’t spreekt vanzelf, in hun doen en laten aan de oogen der buitenwereld dient te onttrekken.
Hier zaten we nu stilzwijgend te kijken naar de rij kleine tafels, die aan weerskanten van de kajuit stonden, en luisterden naar den regen zooals die op de boot droop en kletterde, en met een geluid, daar je naar van werd, in ’t water plaste, totdat de spoortrein aankwam, dien we, met het oog op eventueele passagiers af moesten wachten, voor en aleer we weer vertrekken gingen. De trein bracht een groote massa koffers mee, die bovenop ’t dek werden gesjord en gesmeten, en dat met zoo’n herrie, dat het ons even pijnlijk aandeed als had men ’t zonder behulp van een kruier maar pardoes neergegooid; ook kwamen er verscheiden heeren mee, wier kleeren, toen ze rondom de kachel waren gaan zitten, begonnen te dampen dat het een aard had. Zonder twijfel was het een beetje pleizieriger geweest, als de regen, die nu nog harder dan ooit neerviel, toegelaten had, een raam open te doen, of als ons aantal een beetje minder dan dertig geweest was; maar er schoot nauwelijks zooveel tijd over, aan een en ander te denken, of er werden drie paarden achter elkaar voor de lijn gespannen, de jongen, die op het eerste ging zitten, klapte met zijn zweep, het roer kraakte en steende erbarmlijk, en... onze reis was begonnen.