XI.

NAAR CINCINNATI.

VAN PITTSBURG NAAR CINCINNATI OP EEN WESTERSCHE STOOMBOOT. CINCINNATI.

De Messenger behoorde onder de vele stoombooten van hooge drukking, die te zamen aan den kant der kaai vastlagen. En van den rijzenden grond dien de aanlegplaats vormt, èn van den hoogen oever aan den overkant der rivier beschouwd, scheen deze boot niet grooter dan een gewone boot. Ze had een stuk of veertig passagiers aan boord, behalve de armer personen op ’t lager dek; en stak in een half uur of minder van wal.

Voor ons gebruik hadden wij een nietig zoogenaamd staatsievertrek met twee kooien er in, die in de dameskajuit uitkwam. Zonder twijfel lag er iets vertroostends in deze „locatie,” in zoover ze zich namelijk in den steven van ’t schip bevond, en men ons herhaaldelijk ten ernstigste op ’t gemoed gedrukt had, zoo ver mogelijk naar achteren te gaan, „omdat de stoombooten gewoonlijk van voren in de lucht vliegen.” En dat dit geen overbodige voorzorg was, werd ons op onze reis door meer dan een soortgelijk noodlottig ongeval voldoende bevestigd. Daargelaten deze reden tot tevredenheid, deed het ons onuitsprekelijk goed, een plaatsje te hebben, hoe klein dan ook, waar men alleen kon zijn; en daar de rij van kleine kamertjes, waar dit een van was, ieder een tweede glazen deur had, behalve die welke zich in de dameskajuit bevond, en die deur in een nauwe galerij uitkwam buiten ’t schip waar die andere passagiers zelden kwamen en men dus in vrede kon zitten kijken naar ’t zich telkens afwisselende panorama, zoo namen we ons nieuwe kwartier met veel genoegen in bezit.

Gelijken de packetschepen, die ik reeds beschreven heb, al bitter weinig op iets, dat wij gewoon zijn, op ’t water te zien,—deze westersche schepen wijken nog veel verder af van al de denkbeelden, die wij ons ten opzichte van booten plegen te vormen. Ik weet dan ook ternauwernood, waar ik ze bij vergelijken of hoe ik ze beschrijven zal.

Ten eerste hebben ze geen mast, touwwerk, takels en want, of wat er van dien aard aan tuig wordt aangetroffen op een boot; evenmin hebben ze iets hoegenaamd in hun vorm wat iemand kan herinneren aan den voor- of achtersteven, de zijden of de kiel van een boot. Behalve dat zij op ’t water liggen, en een paar raderkasten ten toon spreiden, zou men ze kunnen houden voor iets dat integendeel bestemd schijnt te zijn om hoog en droog op een bergtop den een of anderen onbekenden dienst te verrichten. Er is zelfs geen dek zichtbaar: niets dan een lang, zwart leelijk dak, van boven met twee ijzeren schoorsteenpijpen en een ruwe veiligheidsklep, en een glazen huisjen voor den stuurman. Naarmate men nu zijne oogen naar ’t water toekeert, ontdekt men de zijden en deuren, en ramen van de zoogenaamde staatsiekamers, zoo ongelijk door elkaar gehutseld als vormden ze een smalle straat, die naar den verschillenden smaak van een dozijn menschen aan was gelegd; het geheel wordt geschraagd door balken en pilaren, die op een vuile barge rusten, maar een duim of wat boven de oppervlakte van ’t water, terwijl zich in de nauwe ruimte tusschen dat bovenste samenstel en het dek dezer barge de stookplaatsen en de machinerie bevinden, die op zij aan weer en wind zijn blootgesteld.

Gaat men nu ’s avonds een dezer booten voorbij, en ziet men dan het groote vuur, open en bloot, zooals ik zoo even beschreven heb, onder dien brozen toestel van geschilderd hout loeien en razen; ziet men vervolgens de machinerie, die, ten eenenmale aan haar lot overgelaten, haar gang gaat te midden van de massa lanterfanters, landverhuizers en kinderen, die op het lager dek krioelen; en dat onder het opzicht van achtelooze lieden, die misschien eerst voor een maand of zes zoo’n betrekking gekozen hebben,—ziet men nu een en ander, dan voelt men op staanden voet dat het verwonderlijke hierin bestaat, niet dat er zooveel ongelukken op zoo’n reis gebeuren, maar dat er één, zegge één reis, veilig en wel kan gedaan worden.

Van binnen is een lange, nauwe kajuit over de geheele lengte der boot, waar de staatsiehutten van weerszijden op uit komen. Een klein gedeelte daarvan, aan den steven, is voor de dames afgezonderd, terwijl het buffet vlak aan den overkant is. In ’t midden staat een lange tafel, en aan ieder eind een kachel. De waschtoestel is vooraan, boven op ’t dek. Het is een beetje beter dan aan boord der kanaalboot, maar niet te veel. Wat de middelen betreft om voor zijne persoonlijke zindelijkheid te kunnen zorgen, stuit men in Amerika, onverschillig op welke wijze men ook reizen moge, op gewoonten die uiterst slordig, neen vuil mogen heeten. Ik voor mij hel dan ook sterk tot het geloof over, dat vele ziekten, die in Amerika heerschen, aan die verregaande onzindelijkheid te danken zijn.

Aan boord van de Messenger moeten wij drie dagen blijven, en (gebeuren er geen ongelukken) dan zijn we Maandagmorgen te Cincinnati. Men eet driemaal per dag. Zoo ontbijt men om zeven uur, gebruikt het middagmaal om halfeen, het avondeten tegen zessen. Bij elk maal staan tal van kleine schotels en schalen op tafel, met bitter weinig er in; zoodat ofschoon het al den schijn heeft, dat er machtig „uitgehaald” wordt, er zelden in de werkelijkheid meer is dan een burgerpot, tenzij men houde van en genoegen neme met wat schijfjes beetwortel, sneedjes gedroogd vleesch, zuurtjes, mais, Indiaansch koorn, appelmoes en pompoen.

Sommigen bedienen zich van al deze liflafjes (en confituren nog op den koop toe) bij wijze van dessert op hun gebraden varkensvleesch. Dat zijn dan gewoonlijk van die aan slechte spijsvertering sukkelende heeren en dames, die bij hun ontbijt en avondeten ongehoorde hoeveelheden heet brood verorberen (iets wat tusschen twee haakjes bijna even goed voor de spijsvertering is als een gekneed speldenkussen). Zij, die deze gewoonte niet opvolgen, en af en toe het een en ander gebruiken, zitten gewoonlijk in gedachte te zuigen aan hun messen en vorken, totdat ze ’t met zich zelf eens geworden zijn, wat nu te nemen,—halen dan die voorwerpen uit den mond, leggen ze op hun bord neer, bedienen zich en gaan weer aan den gang. Onder ’t middageten valt er niets te drinken dan koud water, dat in groote kruiken op de tafel staat. Eet men, hetzij ’s morgens of ’s middags of ’s avonds, dan wordt er niet gesproken. Al de passagiers zijn erg zwaarmoedig, zoo zwaarmoedig alsof er allerlei schrikkelijke geheimen op hun ziel drukken. Men praat niet, men lacht niet, men maakt geen pret, kortom men doet niets dat gezellig mag heeten, of ’t moest spugen zijn, en dit laatste wordt gedaan in stille kameraadschap, om de kachel, als men gedaan heeft met eten. Iedereen zit stil en sprakeloos op zijn stoel; slokt zijn ochtend- en middag- en avondeten op alsof dat alles louter noodzakelijke behoeften waren die nooit met een of ander genot of pleizier kunnen gepaard gaan; en na zijn voedsel in sombere stilte in zijn lichaam te hebben opgesloten, sluit hij zich meteen al dichter en dichter op, met dat gevolg, dat, als men ze niet zag eten en drinken, ge onwillekeurig zoudt gaan veronderstellen, dat al de mannelijke leden, die daar aanzaten, de droefgeestige schimmen van opgestapte boekhouders waren, die voor hun lessenaar dood zijn neergevallen. Ja, waarachtig, met zoo’n voorkomen van drukke bezigheid zitten ze daar aan tafel. Bij hen vergeleken, zou men een kraai of aanspreker of groefbidder, of hoe men zoo’n tweevoeter ook betitele, een vroolijken Frans kunnen noemen, en zou een grafmaal met zijn geraspte broodjes en wat dies meer zij, in vergelijking met deze maaltijden, als een dollemans-partij door kunnen gaan.

Wat nu het volk aangaat, dit is koekoek één zang. Verschillende karakters treft men onder hen niet aan. Zij reizen bijna voor dezelfde boodschap, doen en zeggen dezelfde dingen op precies dezelfde manier, en loopen in één en ’t zelfde sombere kringetje rond. Over de geheele lange tafel is er ternauwernood één die in eenigerlei opzicht van zijn buurman verschilt. ’t Is waarlijk een buitenskansje, tegenover dat vijftienjarig meisje met haar praatachtig kinnetje te mogen zitten: zij toch, om haar dit recht te laten wedervaren, is levendig als kwikzilver en doet alle eer aan de handteekening der natuur, want van al de kleine snapsters, die ooit de rustige rust eener dommelige dameskajuit verstoorden, is zij hennetje de voorste. Het mooie meisje, dat een beetje van haar af zit—daar verder aan ’t end der tafel—huwde eerst de vorige maand den jongen man met den donkeren knevel, die naast haar zit. In datzelfde verre Westen gaan zij zich nederzetten, waar hij vier jaar gewoond heeft, waar zij nog nooit geweest is. Onlangs waren zij beiden met een diligence omgevallen (een ongunstig voorteeken overal waar zulke ongelukken niet dagelijks voorvallen), en zijn hoofd, dat de teekenen van een versche wond draagt, is nog verbonden. Ook zij werd bij die gelegenheid gekwetst, en lag, zoo helder als haar oogen nu zijn, een dag of wat van haar zelf.

Nog verderop zit een man, die eenige mijlen verder dan de plaats hunner bestemming gaat, om een kortelings ontdekte kopermijn te „exploiteeren.” Het dorp—dat heet wat het dorp worden moet—brengt hij mee: een stuk of wat geraamten van hutten, en een toestel om het koper te smelten. Ook de aanstaande bewoners brengt hij mee. Deels zijn ze Amerikanen en deels Ieren, die te zamen op ’t lager dek hokken, waar zij zich gisteravond, tot de nacht al aardig gevorderd was, vermaakten met het nu eens afschieten van pistolen dan weer zingen van liederen.

Zij, en de zeer weinigen die zoo wat een minuut of twintig aan tafel geweest zijn, staan op en gaan heen. Wij doen hetzelfde, en onze kleine staatsiehut doorgaande, hernemen we onze zitplaatsen in de rustige buitengalerij.

De rivier is hier altijd fiks breed, maar op sommige gedeelten wijder dan op andere; buitendien is er gewoonlijk een groen met boomen bedekt eilandje, dat haar in twee stroomen verdeelt. Hetzij om hout in te nemen, hetzij voor passagiers, stoppen we hier nu en dan een paar minuten aan ’t een of andere stedeken of dorp (ik moest eigenlijk stad zeggen, want iedere plaats is hier een stad); maar meerendeels zijn de oevers wildernissen, echte wildernissen, begroeid met boomen die in dezen omtrek al in blad staan en groen ook. Mijlen en mijlen ver breekt geen enkel teeken van menschelijk leven, geen enkel spoor van menschelijke voetstappen deze wildernissen af; ook ziet men in den omtrek geen andere beweging dan die van de blauwe meerkol, wier kleur zoo helder is en toch zoo fijn dat ze ’r als een vliegende bloem uitziet. Op grooten afstand van elkaar komt hier en daar een blokhut, met haar kleine, van boomen gezuiverde lap gronds er omheen, uit een heuvelachtigen bodem voor den dag, en kronkelend stijgt er een draad van blauwen rook naar den hemel op. Ze staat in den hoek van ’t armzalige tarweveld, dat vol is van groote wanstaltige boomstronken, die wel iets weghebben van slagers-hakblokken. Soms is de grond eerst nu gezuiverd; de gevelde boomen liggen nog op den grond, en eerst van morgen is er een begin gemaakt met het bouwen van ’t blokhuis. Als wij zoo’n stuk gronds voorbijvaren, leunt de kolonist op zijn bijl of hamer, en kijkt peinzend naar ’t volk van de „wereld”. De kinderen kruipen uit de tijdelijke hut, die, evenals een Zigeunerstent, zoo maar vlak op den grond gezet is, en klappen in hun handen, en maken een leven dat het een aard heeft. Eerst gluurt de hond naar ons, en kijkt dan weer zijn meester vlak in ’t gezicht, alsof hij zich niet recht op zijn gemak voelde op ’t vermoeden dat zij in hun arbeid gestoord zouden worden, en van grappenmakers niets meer wou weten. En met dat al bespeurt men daar denzelfden, eeuwigen voorgrond. De rivier heeft zijn oevers weggespoeld en statige boomen zijn in den stroom neergevallen. Sommigen hebben er zoo lang in gelegen, dat ze niet meer zijn dan droge grijsachtige geraamte. Sommigen zijn er zoo even in neergetuimeld en baden, terwijl er nog slik aan hun wortels zit, hun groene kruinen in de rivier en brengen nieuwe loten en takken voort. Sommigen zijn nog bijna aan ’t glijden, als gij er naar kijkt, en sommigen waren al zoo lang geleden verdronken, dat hun verbleekte armen midden uit den vloed opsteken en hun best schijnen te doen om de boot te grijpen en ze onder water te sleepen.

Door zoo’n tooneel nu als dit, zet de logge machine stenend en norsch haar weg voort, en bij elke wenteling van haar raderen dreunt ze zoo geweldig, dat het, naar men meenen zou, voldoende was om de Indianen wakker te maken die daar begraven liggen onder die groote terp ginder,—een terp zoo oud, dat machtige eiken en andere woudboomen hun wortels geslagen hebben in haar bodem, en zoo hoog, dat het een heuvel is zelfs onder de heuvels die de Natuur in de rondte geplant heeft. Zelfs de rivier, alsof ze deelde in de gevoelens van medelijden voor de uitgeroeide volksstammen, die, in hun gezegende onwetendheid aangaande het bestaan van blanken, hier honderden jaren geleden zoo vreedzaam woonden,—zelfs de rivier, zeg ik, sluipt eventjes weg om naar deze aardhoogte heen te kabbelen; en er zijn maar weinig plaatsen waar de Ohio helderder glinstert dan bij de kreek dier groote begraafplaats.

Al wat ik daar beschrijf, zie ik, terwijl ik in de kleine buitengalerij zit. De avondschemering sluipt langzaam over het landschap heen en verandert het voor mijn oogen. Nu is ook het oogenblik daar, dat we stilhouden, om een stuk of wat landverhuizers aan wal te zetten.

Vijf mannen, even zooveel vrouwen, en een klein meisje. Al hun aardsche goederen bestaan uit een zak, een groote kist en een ouden stoel; zoo’n ouden, hooggerugden stoel met matten zitting; een eenzaam kolonist op zich zelf. In de boot worden ze naar den wal toegeroeid terwijl het schip een beetje verder haar terugkomst afwacht, want het water is ondiep. Zij worden afgezet aan den voet van een hoogen oever, op welks top zich een stuk of wat blokhutten bevinden, die alleen langs een lang slingerpad genaakbaar zijn. Het wordt ondertusschen hoe langer hoe donkerder; maar de zon is nog erg rood en schijnt in ’t water en op sommige der boomkruinen als vuur.

Eerst stappen de mannen de boot uit; helpen er de vrouwen uit; halen er den zak, de kist en den stoel uit; zeggen den roeiers „goeiendag,” en duwen daarna de boot van den wal af. Bij den eersten plas van de riemen in ’t water gaat de oudste vrouw van ’t gezelschap, zonder een woord te kikken, heel dicht bij den waterkant zitten. Niemand van de anderen gaat zitten, ofschoon de kist zoo breed is, dat menigeen er op zou kunnen zitten. Als waren ze in steen veranderd, blijven ze maar staan daar waar men ze aan land gezet heeft, en kijken de boot na. En dat duurt zoo een poos. Alles is doodstil: de oude vrouw en haar oude stoel in ’t midden; de zak en de kist op ’t strand, zonder iemand om er op te passen: aller oogen op de boot gevestigd. Ze komt op zij van ons schip, ze wordt vastgemaakt, de mannen klauteren aan boord, de machine wordt in beweging gebracht en weer gaan we hijgend en stenend weg. Zij blijven daar nog maar altijd staan en verroeren geen vin. Met mijn verrekijker kan ik ze zien, als ze door den afstand en steeds toenemende duisternis voor ’t oog niets meer dan stippen zijn: de oude vrouw zit nog altijd in den ouden stoel, en de rest staat om haar heen, onbeweeglijk als een paal. En zoo verlies ik ze van lieverlede uit het oog.

De avond is donker, en we varen voort in de schaduw van den boomrijken oever, die het nog donkerder maakt. Na gedurende eenigen tijd een somber doolhof van takken voorbij te zijn gevaren, komen we aan een open ruimte waar de groote boomen in brand staan. De vorm van iederen tak en twijg teekent zich bij den donkerrooden gloed af, en als een licht koeltje er doorheen ritselt, schijnen ze in vuur te groeien. Kortom, ’t is zoo’n gezicht als waarvan we in legenden van betooverde bosschen lezen, met dat onderscheid, dat het naar is om aan te zien hoe die edele werken der natuur zoo jammerlijk aan hun einde komen, en men niet minder treurig te moede wordt als men bedenkt hoeveel jaren er niet moeten verloopen voor en aleer de tooverkracht, die ze schiep, huns gelijken weer op dezen grond te voorschijn zal roepen. Maar die tijd zal komen, en wanneer in hun veranderde asch de groei van ongeboren eeuwen wortel zal geschoten hebben, dan zullen ook de onvermoeide geslachten dier volgende eeuwen weer optrekken naar deze onbevolkte wildernissen, en hun medeschepselen, uit ver verwijderde steden, die misschien nu nog onder de baren der zee sluimeren, ze zullen in een taal die vreemd zal klinken in elk oor, daar die taal hun nu reeds zeer oud is, van oorspronkelijke wouden lezen waar de bijl nooit werd gehoord en waar geen menschelijke voet den met dichte bosschen bezetten grond ooit betreden had.

De middernacht en de slaap wisschen al deze tooneelen en gedachten uit; en schijnt de morgen weer, dan verguldt hij de nokken der huizen van een drukke stad, voor wier breed geplaveide kaai de boot wordt vastgemaakt, met andere booten, en vlaggen, en bewegende raderen, en een gekrioel van menschen om zich heen, alsof er duizend mijlen in den omtrek geen eenzaam of rustig plekje gronds te vinden waren.

Cincinnati is een mooie stad; vroolijk, bedrijvig en druk. Niet dikwijls heb ik een plaats gezien, die zich bij den eersten aanblik zoo gunstig en pleizierig voordoet aan een vreemdeling als deze stad met haar nette roode en witte huizen, haar welbestrate wegen en voetpaden van glinsterend gebakken steen. Ook bij nader kennismaking wordt deze goede indruk niet minder. Breed en luchtig zijn de straten, de winkels buitengewoon goed, en de particuliere huizen moeten wel in ’t oog vallen, zoo sierlijk en net zijn ze. Deze huizen zijn in verschillenden, soms eigenaardigen stijl opgetrokken, een stijl, die van een vindingrijken geest en werkzame verbeelding getuigt, iets dat iemand, na in gezelschap te zijn geweest van zoo’n even smakeloos als saaie stoomboot, alweer hoogst pleizierig aan moet doen, aangezien men nu immers bij zich zelf de gevolgtrekking gaat maken, dat daar ter stede de zoo even vermelde hoedanigheden niet gemist worden. De neiging om deze lieve villa’s te versieren en aantrekkelijk te maken, leidt vanzelf tot de boom- en bloemkweekerijen, alsmede tot het aanleggen van goed onderhouden tuinen, waarvan het gezicht voor hen, die langs de straten wandelen, onuitsprekelijk verkwikkend en aangenaam is. Ik stond dan ook opgetogen van verrukking over het voorkomen van de stad en haar nabijgelegen voorstad Mount Auburn. Vooral van deze voorstad bezien, doet de stad zelf, die in een amphitheater van heuvels ligt, zich allergunstigst voor, ja, levert een werkelijk schoonen, weergaloozen aanblik op.

Den dag na onze aankomst hield het Matigheidsgenootschap er toevallig een groote vergadering; en daar, volgens den wegwijzer, de optocht het hotel, waar wij logeerden, voorbij moest, had ik een goede gelegenheid hem te zien, toen ze ’s morgens onder onze ramen voorbijtrokken. De optocht bestond uit ettelijke duizenden menschen, altemaal leden van verschillende „Onderafdeelingen van het Matigheidsgenootschap Washington,” en werd gedirigeerd door beambten te paard, die met sjerpen en linten van heldere kleuren, die vroolijk achter hen wapperden, langs den geheelen trein kranig op en neer draafden. Muziekkorpsen waren er ook bij, en banieren zonder tal, en het geheel zag er als een fiksch, feestelijk concours uit.

Wat mij bijzonder goeddeed, was het gezicht van de Ieren, die een duidelijk te onderscheiden afdeeling op zich zelf uitmaakten, en met hun groene sjerpen nogal in ’t oog liepen. Hun nationale harp droegen zij bij zich, en hoog boven hun hoofden stak hun portret van Vader Matthew uit. Zij zagen er even lustig en goed geluimd uit als altijd, en daar zij hard voor hun dagelijksch brood werkten en allen arbeid, die op hun weg lag, hoe zwaar ook, verrichtten, waren zij, mijns bedunkens, hier de onafhankelijkste mannen.

De banieren waren goed geschilderd en wapperden door de straten dat het een aard had. Een was er bij, waar het slaan tegen de rotsen en het springen van ’t water op afgeschilderd stond. Ook was er een matigheidsman met „considerable of a hatchet1 (gelijk de banierdrager waarschijnlijk zou gezegd hebben), die een doodelijken slag wou toebrengen aan een slang, die kennelijk op ’t punt stond, van boven een vaatje met sterken drank op hem aan te vliegen. Maar de voornaamste trek van dit gedeelte der vertooning was een groote Allegorie, die in de groep der scheepstimmerlui gedragen werd, en aan den eenen kant de stoomboot Alcohol voorstelde, waarvan de ketel sprong, en die met een groot gekraak in de lucht vloog, terwijl op de andere zij het goede schip Matigheid afgebeeld was, een Brave Hendrik onder de schepen, die dan ook, tot innige tevredenheid van kapitein, bemanning en passagiers, met een gunstigen wind doorzeilde.

Nadat de optocht de stad rondgegaan was, begaf hij zich naar een bepaalde plaats, waar hij, naar luid van ’t gedrukte program, ontvangen zou worden door de kinderen der verschillende vrije scholen, „Matigheidsliederen” zingende. Ik had verhindering gekregen en kon dus niet bijtijds present wezen om deze Kleine Nachtegalen te hooren, kan dus evenmin verslag uitbrengen van deze nieuwe soort van vocale vermakelijkheid: nieuw althans voor mij; maar ik vond in een groote open ruimte iedere afdeeling om haar eigen banieren geschaard, waar men in stille aandacht naar zijn eigen redenaar luisterde. Afgaande op het weinige, dat ik daarvan hooren kan, waren de redevoeringen zeker welberekend voor de gelegenheid, want ze hadden dien graad van betrekking op koud water, als waar natte dekens recht en aanspraak op hebben; edoch het voornaamste was de wijze waarop de toehoorders zich den ganschen dag aanstelden, en dat was waarlijk bewonderenswaardig en veelbelovend.

Cincinnati staat allergunstigst bekend om zijn vrije scholen, die het in zoo grooten getale bezit, dat op de geheele bevolking geen kind met mogelijkheid verstoken is van de middelen van opvoeding en onderwijs, waar dan ook gemiddeld vier duizend leerlingen jaarlijks gebruik van maken. Ik ben maar in een dezer inrichtingen geweest, terwijl er onderwijs gegeven werd. In de afdeeling voor de jongens, die vol kleine kleuters was (van verschillenden leeftijd, ik geloof, van zes jaar tot tien of twaalf), stelde de meester voor, de leerlingen voor de vuist eenige algebra-sommen te laten maken; een voorstel waar ik zoo vrij was, niet zonder eenige verlegenheid, voor te bedanken, en wel om de doodeenvoudige reden, dat ik mijn bekwaamheid om misslagen in die wetenschap aan te wijzen, volstrekt niet vertrouwde. In de meisjesschool stelde de onderwijzer voor, dat er iets gelezen zou worden. Nu, die kunst meende ik nogal tamelijk goed machtig te zijn, weshalve ik me bereid verklaarde, een klasse te hooren. Boeken werden er dus rondgedeeld, en een stuk of zes meisjes losten elkaar af met het lezen van paragrafen uit de Engelsche Geschiedenis. Maar ’t was niets meer dan een droge compilatie, die hun bevattingsvermogen oneindig ver te boven ging; en toen zij (klaarblijkelijk zonder er tien woorden van te verstaan), drie of vier saaie passages betrekkelijk het Verdrag van Amiens en andere zieldoorvlijmende onderwerpen van denzelfden aard afgeraffeld hadden, gaf ik te kennen, dat ik geheel voldaan was. ’t Is wel mogelijk dat het alleen geschiedde om de verbazing van den vreemden bezoeker gaande te maken, dat zij deze verbazend hooge sport op de ladder der Geleerdheid beklommen en zich bij andere gelegenheden ietwat lager bij den grond hielden; doch ik voor mij zou meer in mijn schik geweest zijn en me meer voldaan gevoeld hebben, bijaldien het examen geloopen had over eenvoudige lessen die zij begrepen.

Evenals op iedere andere plaats die ik bezocht, waren de rechters hier mannen van uitstekend karakter en talent. Ik woonde een der terechtzittingen een minuut of wat bij, en vond ze gelijk aan die, waar ik al gewag van gemaakt heb. Het geding liep over een eisch tot schadeloosstelling; er waren niet veel toehoorders, en de getuigen, raadsman en jury vormden een soort van familiekransje; nogal lollig, moet ik zeggen,

De gezellige kringen waar ik mij hier mee inliet, waren verstandig, hoffelijk en aangenaam. De bewoners van Cincinnati zijn trotsch op hun stad als een der belangrijkste in Amerika, en niet zonder reden; want zoo fraai en bedrijvig als ze nu is met een bevolking van vijftig duizend zielen, zijn er maar twee en vijftig jaar verloopen, sinds de grond waar ze op staat (die toen ter tijd voor een handvol dollars gekocht werd) een woest bosch was, en haar burgers maar een handvol personen waren, die in verspreide blokhutten aan den oever der rivier woonden.


1 Een vervaarlijk groote bijl.