XII.

NAAR St. LOUIS.

VAN CINCINNATI NAAR LOUISVILLE MET EEN ANDERE WESTERSCHE STOOMBOOT; EN VAN LOUISVILLE NAAR ST. LOUIS MET NOG EEN ANDERE. ST. LOUIS.

Om elf uur voor den middag verlieten we Cincinnati en scheepten ons in naar Louisville in de stoomboot de Pike. Deze boot, die de brieven overbracht, was een packet van veel beter allooi dan die waarmee we van Pittsburg waren gekomen. Daar deze overtocht niet meer dan een uur of dertien vereischte, maakten we de noodige schikkingen, om dien avond aan wal te gaan, alles behalve van plan als we waren om in een zoogenaamde staatsiehut te slapen, wanneer het mogelijk was, ergens elders te slapen.


Behalve de gewone alledaagsche massa passagiers bevond zich toevallig aan boord dezer boot een zekere Pitchlynn, een opperhoofd van den stam der Choctaw-Indianen, die mij zijn kaartje zond, en met wien ik het genoegen had, een langdurig onderhoud te hebben.


Engelsch sprak hij volmaakt goed, ofschoon hij, naar hij me vertelde, die taal eerst begonnen was te leeren, toen hij een volwassen jonkman was. Hij had vele boeken gelezen; en Scott’s poëzie scheen een sterken indruk op zijn ziel te hebben gemaakt: vooral het begin van de Dame van ’t Meer en de scène van den grooten Slag in Marmion, waar hij, ongetwijfeld om de overeenkomst der onderwerpen met zijn eigen lievelingswerk en smaak, veel belang in stelde, en niet minder genoegen in smaakte. Al wat hij gelezen had, scheen hij zeer goed te begrijpen; en elke fictie, die zijn sympathie verworven had, hij sloeg er mannelijk en ernstig geloof aan, ik moest bijna zeggen heftig. Hij had onze gewone dagelijksche kleeding aan, die hem los en met ongekunstelde sierlijkheid om zijn fraaie gestalte hing. Toen ik hem zei, dat het mij speet, dat ik hem niet in zijn eigen kleederdracht zag, stak hij een oogenblik zijn rechterarm uit, alsof hij een of ander zwaar wapen zwaaide, en antwoordde, toen hij hem weer liet vallen, dat zijn ras gaandeweg nog wel heel wat andere dingen verloor, dan hun kleeding, en het niet lang zou duren, of ze werden niet meer gezien op aarde: maar hij droeg ze thuis, voegde hij er met fierheid bij.

Verder vertelde hij me nog, dat hij zeventien maanden lang bewesten den Mississippi geweest was en zich nu op de terugreis bevond. Voornamelijk was hij daarom te Washington geweest, om eenige onderhandelingen ten einde te brengen, die al sinds lang tusschen zijn stam en het Gouvernement aanhangig waren, maar (en dit zei hij op droefgeestigen toon) ze waren nog altijd niet tot een goed einde gebracht, en hij vreesde dat dit wel nooit zou gebeuren, want wat vermochten een stuk of wat Indianen tegenover zulke uitgeslapen kooplui als de blanken? Van Washington hield hij niet; de steden, groot en klein, hingen hem gauw de keel uit, en hij verlangde naar ’t Bosch en de Prairie.


Ik vroeg hem, wat hij van ’t Congres dacht? Glimlachend gaf hij ten antwoord, dat het in ’t oog van een Indiaan waardigheid miste.


Voor zijn dood, zei hij, zou hij heel graag Engeland willen zien; ook sprak hij met veel belangstelling over de groote dingen die daar te zien waren. Toen ik hem van die kamer in ’t Britsch Museum sprak, waar huishoudelijke souvenirs bewaard worden van een ras dat reeds duizend jaar geleden opgehouden had te bestaan, was hij zeer aandachtig, en het viel niet moeielijk te zien, dat hij bij zich zelf dit feit met het trapsgewijze wegkwijnen van zijn eigen volk in verband bracht.


Dit bracht het onderwerp van ons gesprek op het Kunstkabinet des heeren Catlin, dat hij hoogelijk prees, en er de opmerking bijvoegde, dat zijn eigen portret onder de collectie was, en allen „keurig” geleken. Volgens hem had de heer Cooper de Roodhuiden goed getroffen; en hij wist, dat ik dit ook wel zou doen, als ik maar met hem wou gaan op de buffeljacht, iets wat hij erg graag had, dat ik zou doen. Toen ik hem zei, dat, gesteld ik ging ook zijn landstreek bezoeken, ik den buffels al bitter weinig schade toe zou brengen, vatte hij het als een kolossale grap op en lachte hartelijk.


Hij was een opmerkelijk schoon man, naar mijn gevoelen een jaar of wat over de veertig, met lang zwart haar, een arendsneus, breede wangbeenderen, een door de zon verbrande tint en een zeer helder, scherp, donker en doordringend oog. Naar hij me vertelde, waren er nog maar twintig duizend Choctaws over, en hun getal slonk bij den dag. Enkele van zijn medechefs waren genoodzaakt geweest, de beschaving der blanken aan te nemen en zich bekend te maken met hetgeen de blanken wisten, want dit was hun eenige kans om te blijven bestaan. Maar hun getal was niet groot; en de overigen waren zooals ze altijd geweest waren. Lang stond hij bij dit punt stil, en zei meermalen dat zij als weggeveegd moesten worden voor de reuzenschreden die de beschaafde maatschappij zette, tenzij ze probeerden om zich met hun veroveraars te vereenzelvigen.

Toen we bij ’t afscheidnemen elkaar de hand drukten, zei ik hem, dat hij naar Engeland moest komen, daar hij immers zoo verlangend was, dat land te zien,—dat ik hoopte, hem daar nog eenmaal aan te zullen treffen en hem wel dorst beloven, dat hij goed ontvangen en vriendelijk behandeld zou worden. Deze verzekering deed hem blijkbaar goed, ofschoon hij hier met een vroolijken glimlach en schalksche beweging van zijn hoofd op repliceerde, dat de Engelschen dol veel van de Roodhuiden plachten te houden, als ze hun hulp van noode hadden, maar.... zich naderhand weinig om hen bekommerden.

Hij nam dan afscheid van me en deed dit met zooveel waardigheid, den onbedorven Zoon der Natuur eigen, als ik ooit in mijn leven gezien heb. Hierop bewoog hij zich onder ’t volk in de boot, als een ander soort van schepsel. Kort daarna stuurde hij me zijn gelithographeerd portret, zeer gelijkend, ofschoon ternauwernood mooi genoeg,—dat ik ter herinnering aan onze korte kennismaking zorgvuldig bewaard heb.


De reis van dien dag leverde ons overigens weinig belangwekkends op, en te middernacht kwamen we te Louisville aan. Wij sliepen in ’t Galt House, een prachtig logement, waar we zoo allerkostelijkst logeerden als waren we te Parijs geweest, en niet honderden mijlen aan genen kant van ’t Alleghany-gebergte.

Daar de stad geen merkwaardigheden bezat van dien aard, dat het de moeite waard was, ons aldaar op te houden, besloten we reeds den volgenden dag met een andere stoomboot, de Fulton, verder te gaan. We hadden ons te dien einde, tegen den middag, naar een zekere voorstad, Portland genaamd, te begeven, waar de boot een kanaal door moest, dat haar natuurlijk eenigen tijd op zou houden.

Den tijd, die ons na ’t ontbijt overbleef, besteedden we aan ’t doorrijden van de stad, die regelmatig en vroolijk aangelegd is. De straten beschrijven namelijk rechte hoeken en zijn met jonge boomen beplant. De gebouwen zien er rookerig en zwart uit, door ’t gebruik van steenkolen, maar een Engelschman is wel gewoon aan dat gezicht en heeft geen lust daar over te vallen. In den handel scheen niet veel om te gaan; en sommige onvoltooide gebouwen als anderszins schenen er op te zinspelen dat de stad overbouwd was in de drift van Amerika’s lievelingsleus: „Vooruit maar! Hals over kop maar!” en nu gebukt ging onder de reactie, die er een onvermijdelijk gevolg van is, als men zijn krachten op zoo’n koortsachtig gejaagde wijze overschat.

Op onzen weg naar Portland passeerden we een „Magistrate’s office,” waar ik me niet weinig vroolijk over maakte, daar ’t meer weg had van een jongejuffrouwenschool dan van een politie-bureau. Verbeeld u, dit ontzagwekkend gebouw was niets dan een klein, nestig spreekkamertje, dat aan de straat uitkwam, en in dat kamertje lagen twee of drie figuren (ik veronderstel den schout en zijn rakkers) zich als toonbeelden van vadsige rust te koesteren in de zon. Kortom ’t was een volkomen beeld van de Justitie die zich uit gebrek aan klanten uit de zaken teruggetrokken, haar zwaard en schaal verkocht heeft, en nu met de beenen op de tafel op haar doode gemak ligt te rentenieren.

Evenals overal elders in deze streken, krioelde ook hier de weg van varkens van allerlei leeftijd, die hier en daar en overal lagen te slapen of al knorrende aan ’t zoeken waren van verborgen lekkernijen. ’t Is misschien een gril van me, nu goed, maar ik kan ’t niet helpen, ik ben altijd op de hand geweest van die oolijke dieren; als niets me op kon vroolijken, dan heb ik toch nog altijd schik gehad wanneer ik ’t naging hoe zij reilden en zeilden. Toen wij er dien morgen langs reden, merkte ik een klein voorvalletje op tusschen twee jeugdige varkens, dat onuitsprekelijk koddig mocht heeten. Ik zal ’t u vertellen, lezer, ofschoon ik er zeker van ben, dat het dan nogal saai zal worden.

Een zekere jongeheer (een zeer delicaat zwijn, wien verscheidene strootjes nog uit den neus staken, wel een bewijs hoe kort het nog maar geleden was dat hij een wetenschappelijke reis naar den een of anderen mesthoop ondernomen had), een zekere jongeheer dan liep, in diep gepeins verzonken, te kuieren, toen zijn broer, ik wil zeggen m’nheer zijn broer, die in een modderplas lag, iets wat hij niet gezien had, spookachtig van de dampende modder zich op eens aan zijn ontstelde blikken vertoonde. Nooit had een varken al zijn bloed zoodanig voelen stollen. Ten minste drie voet sprong hij achteruit, keek een oogenblikje op, en zette het toen zoo hard hij maar kon op ’n loopen, terwijl zijn buitengewoon klein staartje van de haast en den schrik schudde als een penduleslinger die in de war is. Maar voordat hij nog heel ver gegaan was, begon hij blijkbaar bij zich zelf te redeneeren over den aard dezer vreeselijke verschijning; en onder ’t redeneeren begon hij zoetjes aan zachter te loopen; totdat hij ten laatste stil bleef staan en weer rechtsomkeert maakte. Daar lag, met de modder op ’m glimmende in de zon, zijn broer hem uit denzelfden modderplas aan te gapen: men kon ’t hem aanzien, dat hij er met zijn varkensverstand maar niet de hoogte van had kunnen krijgen wat zijn broer toch bewogen had, zich als zoo’n dolleman aan te stellen! Nauwelijks had hij zich hiervan verzekerd (en hij verzekerde zich er zoo sekuur van, dat men bijna zou zeggen, dat hij zijn hand voor zijn oogen deed, om des te beter te kunnen zien), of hij keerde op een fiksch drafje terug, vloog op hem aan, en beet hem zonder complimenten een stukje van zijn staart af, alsof hij ’t hem op die manier in wou peperen, om in ’t vervolg wat beter op te passen en nooit ofte nimmer weer eenig lid zijner familie in de maling te nemen.


Wij vonden de stoomboot in ’t kanaal, waar ze wachtte op den afloop van die even vervelende als langzame karwei, welke bij schippers en consorten onder den naam van „schutten” bekend staat. We gingen toen aan boord, waar we kort daarna een nieuw slag van bezoeker hadden in den persoon van een zekeren Reus uit Kentucky, wiens naam Porter is en in zijn kousen de gematigde hoogte van zeven voet acht duim bereikt.


Nooit bestond er een menschenras, dat de geschiedenis zoo ten eenenmale logenstrafte of de kroniekschrijvers zoo gruwelijk in hun geschriften belasterd hebben, als deze reuzen. In plaats van de wereld in rep en roer te brengen en ze onderste boven te keeren, in plaats van er altijd en eeuwig op uit te zijn om hun Cannibalen-provisiekamers van ’t noodige te voorzien, en te dien einde gedurig op ongeoorloofde manier naar de markt te gaan, zijn zij de zachtzinnigste menschen die men zich met mogelijkheid voor kan stellen: eerder geneigd tot melk en plantaardig voedsel en over wie men wel, zooals men dit noemt, heen zou kunnen loopen, als men ze maar met rust en vrede laat. Ja zoo stellig zijn vriendelijkheid en zachtzinnigheid de hoofdkenmerken van hun karakter, dat ik beken, op dien jongen, die zich onderscheidde door ’t slachten van deze niets en niemand kwaaddoende personen, als een valschen roover neer te zien, wien ’t, onder ’t voorgeven van menschlievende bedoelingen, wezenlijk nergens anders om te doen was, dan om de schatten te plunderen die zij in hun kasteelen opgestapeld hadden. En des te eer hel ik hiertoe over, daar ik vind, dat zelfs de geschiedschrijver van die heldendaden, met al de partijdigheid voor zijn held, toch, en grif ook, toe moet geven, dat de geslachte monsters in quaestie van een zeer onschuldig en eenvoudig kaliber waren; buitengewoon argeloos en lichtgeloovig; zoo lichtgeloovig zelfs dat ze de onwaarschijnlijkste vertelseltjes voor echte munt aannamen; personen die, om kort te gaan, met zich om lieten springen als de kat met de muis, die zich dan ook zoetsappig in kuilen lieten stoppen, ja zelfs (evenals in ’t geval van den Reus uit Wallis) met een overmaat van de gastvrije beleefdheid van een logementhouder zich liever in stukjes lieten hakken, dan dat ze in de verte op de mogelijkheid zouden gezinspeeld hebben, dat hun gasten bedreven waren in de landlooperskunst, van de maar al te wel bekende vlugvingerigheid en hocus-pocus.


Onze Kentuckische reus nu was maar een nieuwe illustratie van de waarheid dezer stelling. Hij had een zwakte in de kniestreek en een geloofwaardigheid in zijn langwerpige tronie die zelfs op „vijf voet negen” een beroep deed, om hier een handje te helpen. Hij was eerst vijf en twintig jaar, naar hij zei, en nog niet lang geleden uit de kluiten gewassen, want men had het noodig geoordeeld, een stuk te zetten aan de pijpen van zijn onderbroek. Op zijn vijftiende jaar was hij een kleine dreumes, en in die dagen had het weinig gescheeld of zijn Engelsche vader en Iersche moeder hadden hem vinnig gekapitteld, als zijnde te klein van postuur om de eer der familie op te houden. Hij voegde er bij, dat hij niet al te gezond geweest was, ofschoon het nu wat beter ging; maar er is geen gebrek aan kleine menschen, die fluisteren dat hij te veel drinkt.

Ik verneem verder, dat hij huurkoetsier is, maar moeielijk zou men kunnen begrijpen hoe hij ’t aanlegt, of hij moet achter op ’t voetenbankje gaan staan, en daar met zijn borst op den hemel en met zijn kin op den bok gaan liggen. Uit aardigheid had hij zijn geweer meegebracht. Als „die kleine buks” gedoopt en buiten een winkelraam uitgestald, zou een winkelier in Holborn er door boven Jan geraakt zijn. Toen hij zich vertoond en een beetje gepraat had, vertrok hij met zijn zakinstrument, en als een vuurtoren wandelende onder lantaren palen, slingerde hij te midden van menschen van zes voet en langer de kajuit in.

Nu duurde het nog maar een minuut of wat en we waren het kanaal uit, en weer op den Ohio.

De boot was op dezelfde wijs ingericht als de Messenger; ook de passagiers waren lui van ’t zelfde allooi. Wij aten op dezelfde uren van dezelfde spijzen op dezelfde saaie manier, en met dezelfde gebruiken. Het gezelschap scheen onder dezelfde achterkousigheid gebukt te gaan en dezelfde onvatbaarheid te bezitten om vroolijk te wezen en luchtig van hart. Nooit in mijn leven zag ik zoo’n onverschillige, zwaarmoedige saaiheid als die daar broedde over deze maaltijden: bloot de heugenis daarvan drukt als lood op mijn ziel en maakt me voor een oogenblik onpasselijk. Geen wonder dan ook, dat, als ik daar in onze kleine kajuit op mijn knie zat te lezen en te schrijven, ik er werkelijk tegen opzag dat het aanstonds weer zoo laat was om te komen eten; en, was het eten afgeloopen, zoo blij van tafel opstond als had ik in de kast gezeten. Waar gezonde vroolijkheid en opgeruimdheid bij den disch aanzitten, kon ik met de Le Sage’s rondreizenden speelman mijn broodkorst doopen in de fontein en den grootsten schik hebben in mijn leven, maar... om nu met zooveel mede-dieren aan te zitten en dan dorst en honger te stillen op de manier waarop men handel drijft aan de Beurs; aan te moeten zien, dat ieder schepsel zijn bord leegt zoo gauw als hij maar kan en dan op eens uitsnijdt; kortom, er getuige van te wezen, dat deze maatschappelijke gebruiken ontbloot zijn van alles behalve van datgene wat met de gulzige bevrediging der natuurlijke behoeften overeenkomt, kijk, dat alles doet bij mij de gal zoodanig overloopen, dat ik in gemoede geloof dat de herinnering aan deze begrafenismalen mij een wakende nachtmerrie zal zijn zoolang ik leef.

Er was toch nog iets op deze boot dat ons een beetje opbeurde, wat we op de anderen niet gevonden hadden. De kapitein (een goed kalf van ’n vent) had namelijk zijn aardig vrouwtje bij zich, die levendig en spraakzaam van aard, het gezelschap wel waard was, evenals dit het geval was met een stuk of wat andere damespassagiers, die aan ’t zelfde end van de tafel bij ons zaten. Maar niets was bestand tegen den neerdrukkenden invloed van ’t gezelschap in zijn geheel genomen. Er heerschte een magnetisme van de saaiste botheid en de botste saaiheid onder dien troep, dat de koddigste grappenmaker ter wereld zich hier uit het veld geslagen zou gevoeld hebben. Een schertsend woord zou een misdaad geweest zijn, en een glimlach zou al heel gauw plaats hebben moeten maken voor een algemeen gegrijns van afschuw. Zoo’n doodachtig volk van lood; zoo’n stelselmatig gebuk en getob en gesloof onder de vervelendste en ondraaglijkste zwaarmoedigheid; zoo’n massa geanimeerde indigestie met betrekking tot al wat geestig, joviaal, rondborstig, gezellig of prettig mag heeten; ’t was zeker nooit en nergens bijeengebracht sinds den dag der schepping.

Toen wij de samenvloeiing van den Ohio en den Mississippi naderden, was het tooneel, dat zich daar aan ons oog vertoonde, ook alles behalve bezielend en opwekkend. De boomen waren in hun groei belemmerd; de oevers waren laag en plat; de nederzettingen en blokhutten geringer in aantal, en die er in woonden, nog bleeker en armzaliger dan de ellendigste wezens die we tot dusverre tegengekomen waren. Geen vroolijk gezang van vogels in de lucht, geen liefelijk geuren, geen afwisselend licht en schaduw van snel voorbijdrijvende wolken. Uur-in uur-uit scheen de onveranderlijke gloed van den heeten, onvriendelijken stroeven hemel op dezelfde eentonige voorwerpen. Uur-in uur-uit stroomde de rivier voort, zoo vervelend en langzaam als de tijd zelf.

In den ochtendstond van den derden dag kwamen we eindelijk aan de plek die er zooveel woester uitzag dan al wat we tot dusver van dien aard gezien hadden, dat de armzaligste plaatsen, die we voorbij gekomen waren, daarmee vergeleken, allerbelangrijkst konden genoemd worden. Aan de samenvloeiing der twee rivieren ligt op een bodem zoo vlak, en laag, en moerassig, dat hij op zekere tijden des jaars tot aan de nok der huizen overstroomd is, een broeinest van koorts, ziekte en dood; en dat rampzalige oord, het wordt in Engeland opgehemeld als een mijn van Gouden Hoop, en afgaande op monsterachtig verkeerde voorstellingen, laat men er zich zelf tot speculatiën door verlokken, die menigeens onheil ten gevolge hebben. Een akelig moeras, waar de half voltooide huizen wegrotten: hier en daar over een ruimte van een el of wat van boomen gezuiverd; en waar dan een welige, ongezonde vegetatie voor den dag komt, in wier ongezonde schaduw de ongelukkige landverhuizers, die hierheen gelokt zijn, kwijnen en sterven en begraven worden; de nare, afschuwelijke Mississippi, die er draaiend en kronkelend voorbijstroomt, en aan zijn zuidelijken loop een slijmachtig monster afzet, afzichtelijk om aan te zien; een broeibak van ziekte, een leelijk graf, een groeve waar geen enkele straal van hoop boven flikkert: een plaats zonder een enkele eigenschap, in bodem, lucht of water, die haar in ’t minst kan aanbevelen: ziedaar het beeld van dit ellendig Caïro.

Maar welke woorden zullen den Mississippi beschrijven, dien grooten vader van rivieren, die (de Hemel zij geloofd!) geen jonge kinderen heeft als hij! Een reusachtig groote sloot, op sommige plaatsen een mijl of drie breed, die, zes mijlen in ’t uur, niets dan slik of modder met zich voert; zijn sterke en schuimende stroom overal belemmerd door blokken, ja, door heele boomen, die zich nu eens tot groote vlotten samenvlechten, uit wier tusschenruimten een met duinhelm begroeid, drabbig schuim opwerkt om op de oppervlakte van ’t water te dobberen; dan weer voorbijrollen als monsterachtige lichamen, terwijl hun verwarde wortels er uitzien als gevlochten haar; die nu een voor een als reusachtige bloedzuigers voorbijflikkeren, en zich dan weer als gewonde slangen in de draaikolk van den een of anderen maalstroom om en om wringen. De oevers laag, de boomen dwergachtig, de moerassen krioelende van kikkers, de armzalige hutten weinig in getal en ver van elkaar af, hun bewoners holwangig en bleek, het weer erg heet, muskieten die doordringen tot in iedere reet en spleet der boot, slik en slijm op ieder voorwerp: niets, niets dat er plezierig uitziet, dan het onschadelijke weerlicht dat elken avond aan den donkeren gezichteinder flikkert.

Twee dagen lang sukkelden we op dezen smerigen stroom voort. Gedurig stootten we tegen het drijfhout aan, of stopten, om die meer gevaarlijke hinderpalen te vermijden, de knoesten of zoogenaamde zagers, die de verborgen stronken der boomen zijn, die onder ’t water wortels geschoten hebben. Zijn de nachten stikdonker, dan weet de wacht, die voor aan de boot op den uitkijk staat, aan ’t rimpelen van ’t water, of er een of ander onheil dicht voor de hand ligt, en dan luidt hij een bengel naast hem, dat voor de machine het sein is om te stoppen: maar ’s nachts heeft deze bengel altijd werk, en na ieder gelui komt een schok, die het niet gemakkelijk maakt, in bed te blijven.

Het ondergaan der zon was hier erg prachtig; het uitspansel zwom als in een zee van rood en goud, tot boven onze hoofden. Toen de zon achter den oever onderging, schenen de kleinste grashalmpjes, die daar groeiden, even duidelijk zichtbaar te worden als de aderen in ’t geraamte van een blad, maar toen, daar de zon langzaam onderging, de roode en gouden strepen op ’t water hoe langer hoe doffer van tint werden, alsof ze ook ondergingen; en al de gloeiende kleuren van den afscheidnemenden dag duim voor duim voor den somberen nacht verbleekten, zie, toen werd het tooneel duizendmaal eenzamer en vervelender dan te voren, ja werd het even doodsch en naar als de lucht.

Zoolang wij ons op deze rivier bewogen, dronken we het slikkerige water dat ze opleverde. De inboorlingen houden ’t voor gezond; ’t is echter nog troebeler dan haverdegort. Ik heb zulk water in de filtreermachines gezien, maar nergens elders.

Den vierden avond na ons vertrek uit Louisville bereikten we St. Louis, en hier was ik getuige van ’t einde van een voorval, dat nogal onbeduidend op zich zelf, maar nogal aardig was om aan te zien en mij gedurende de geheele reis belang had ingeboezemd.

Er was, moet men weten, een klein vrouwtje aan boord, met een klein kindje; en zoowel dat kleine vrouwtje als dat kleine kindje zagen er met hun heldere kijkers zoo aardig en zoo vroolijk uit, dat het een lust was om ze te zien. Het kleine vrouwtje had lang met haar zieke moeder te New-York gewoond, en haar huis in St. Louis in dien toestand achtergelaten waar dames, die haar echtgenooten lief hebben, graag in verkeeren. De kleine was in haar moeders huis geboren; en zij had haar man (naar wien ze nu terugkeerde) in geen twaalf maanden gezien, daar ze hem een maand of twee na hun huwelijk verlaten had.

Nu was er zeker nooit een vrouwtje zoo vol hoop en teerheid, zoo vol liefde en bezorgdheid als dit kleine vrouwtje: en den ganschen dag zei ze ons, dat het haar benieuwde of „Hij” aan den steiger zou wezen; en of „Hij” haar brief gekregen had; en of, bijaldien zij hun kind met iemand anders aan wal stuurde, „Hij” het kennen zou, als hij ’t op straat mocht tegenkomen, iets wat, in ’t afgetrokkene beschouwd, niet zeer waarschijnlijk was, daar hij den kleine immers nooit gezien had, doch voor de jeugdige moeder waarschijnlijk genoeg was. Zij was zoo’n ongekunsteld, naïef schepseltje, en verkeerde in zoo’n zonnige, stralende, hoopvolle gemoedsgesteldheid, en liet zich over al wat haar zoo na aan ’t hart lag zoo vrijmoedig uit, dat al de damespassagiers er evenzeer in deelden als zij zelf; en de kapitein (die er alles van hoorde door tusschenkomst van zijn vrouw) was verwonderlijk sluw, dat beloof ik u. Zoo deed hij er, telkens als we elkaar aan tafel ontmoetten, heel leuk onderzoek naar, of zij altemet ook iemand verwachtte die haar te St. Louis tegen zou komen, en of zij ook begeerte had, nog denzelfden avond van onze aankomst aan wal te gaan (maar hij veronderstelde, dat ze niet wou); en in dien trant veroorloofde hij zich nog meer geestige doch droge kwinkslagen. Onder ’t gezelschap bevond zich een zeker stokvischachtig oud vrouwtje met een tronie als een gedroogde appel, die deze gelegenheid te baat nam om haar twijfel uit te spreken aangaande de standvastigheid van mannen, als ze zoo lang bij hun vrouwen vandaan zijn; en er was nog een andere dame bij (met een schoothondje), oud genoeg om te moraliseeren over de lichtzinnigheid der menschelijke hartstochten en toch nog niet zoo oud, dat ze ’t laten kon om af en toe den zuigeling aan te halen, of met de overigen te lachen als het kleine vrouwtje hem bij zijn vaders naam noemde en in de blijdschap haars harten hem allerlei gekke vragen deed, betrekking hebbende op papa.

Het was min of meer een slag voor het kleine vrouwtje, dat, toen we nog maar twintig mijlen van de plaats onzer bestemming af waren, het natuurlijk noodig was, haar kleine te bed te leggen. Maar ook dit kwam ze met haar gewone opgeruimdheid te boven; zij bond een doek om haar hoofd en kwam met de overigen op de kleine galerij. Lieve hemel! wat werd zij toen een orakel met betrekking tot de localiteiten! en wat al aardigheden werden er toen uitgekraamd door de getrouwde dames! en wat werd er toen een sympathie aan den dag gelegd door de eenloopende dames! en wat beantwoordde het kleine vrouwtje zelf (die het wel uit had willen schreeuwen van de pret) al die kwinkslagen met den gulsten schaterlach!

Ten laatste vertoonden zich de lichten van St. Louis, en hier was de kaai en daar lag de trap, en met haar handen voor haar gezicht en harder dan te voren lachende (of schijnende te lachen), vloog ze naar haar eigen hut en sloot zich daarin op. Ik maak me sterk, dat ze, in de bekoorlijke onstandvastigheid van zoo’n overspanning, haar ooren toestopte, opdat ze „Hem” niet naar haar zou hooren vragen: maar gezien heb ik ’t niet.

Hierop stormde een massa volks aan boord, ofschoon ze nog niet vastgemaakt was, maar tusschen de andere booten doorvoer, ten einde een landingsplaats te vinden; en ieder keek naar den echtgenoot uit, en niemand zag hem, toen in ’t midden van ons allen—de Hemel weet hoe ze daar ooit beland is—het kleine vrouwtje een knappen, stevigen jongen kerel met beide armen om den hals viel! en een oogenblik later was zij daar weer, nu in de handen klappende van blijdschap, terwijl ze hem door de kleine deur van haar kleine hut heenduwde om naar den kleine te kijken, die daar rustig en wel lag te slapen!

We gingen naar een groot logement, het Planters’ House genaamd, gebouwd in den trant van een Engelsch hospitaal, met lange gangen en kale muren, en lantarens boven de kamerdeuren voor den vrijen omloop der lucht. Dit logement was druk bezocht, en toen wij de straat in kwamen rijden, zagen we zooveel licht uit de benedenramen glinsteren, alsof het ter eere van de een of andere festiviteit geïllumineerd was. Het is een voortreffelijk huis, en de eigenaars zijn volkomen op de hoogte van al wat het gemak der bezoekers maar eenigermate kan verhoogen. Zoo dineerde ik eens met mijn vrouw alleen op onze kamer, en telde toch niet minder dan veertien schotels.


In het oude Fransche gedeelte der stad zijn de straten hoekig en nauw; maar enkele huizen zijn allerkeurigst en schilderachtig, gebouwd als ze zijn van hout, met schuins afloopende balkons voor de ramen, die men langs een trap of liever ladder van de straat af bereikt. Ook zijn in deze wijk vreemdsoortige scheerwinkeltjes en kroegen; en massa bouwvallige huizingen met draairamen, zooals men die in Vlaanderen aantreft. Sommige van deze ouderwetsche woningen, met spits toeloopende vlieringramen in ’t dak, zien er min of meer op zijn Fransch uit en schijnen, daar ze stokoud zijn, hun hoofden op zij te houden, alsof ze bij de aanschouwing van al die Amerikaansche verbeteringen gezichten trokken van verbazing.


Ik zal wel niet opzettelijk behoeven te vermelden, dat deze verbeteringen uit kaaien en magazijnen, en nieuwe gebouwen in alle richtingen bestaan, alsmede uit tal van plannen die nog in „wording” zijn. Niettemin, verscheiden goede huizen, breede straten en winkels met marmeren voorpuien zijn reeds zoo ver af, dat men ze voltooid kan noemen, en het laat zich buitendien wel aanzien, dat de stad binnen weinig jaren aanmerkelijk verfraaid zal worden, ofschoon zij het, wat sierlijkheid of schoonheid betreft, wel nooit van Cincinnati zal winnen.


De Roomsch-Katholieke godsdienst, die hier door de vroegste Fransche kolonisten is ingevoerd, heeft sterk de overhand. Zoo telt men onder de openbare instellingen een Jezuïetencollege; een klooster voor de „Zusters van ’t Heilige Hart” en een groote kapel, die, bij ’t college behoorende, tijdens mijn bezoek in aanbouw was en den tweeden December dezes jaars ingewijd zou worden. De architect van dit gebouw is een van de eerwaarde vaders der school, en onder zijn opzicht alleen worden de werken voortgezet. Het orgel komt uit België.

Behalve deze inrichtingen is er een Roomsch-Katholieke hoofdkerk, gewijd aan den H. Franciscus Xaverius; een gasthuis gesticht door de weldadigheid van een overleden resident, die een lid der kerk was. Van hier stuurt ze ook zendelingen uit naar de Indiaansche stammen.

Evenals in de meeste andere deelen van Amerika wordt de kerk der Unitariërs op deze plaats vertegenwoordigd door een hoogst achtingswaardig en voortreffelijk heer. De armen hebben wel reden om haar in gedachtenis te houden en te zegenen; want zij begunstigt hen en bevordert de zaak der zedelijke opvoeding zonder sectarische of zelfzuchtige oogmerken. Kortom, deze kerk is achtbaar in al haar daden, welwillend tegenover andersdenkenden en milddadig zonder de minste bekrompenheid.

Er zijn in deze stad al drie vrije scholen opgericht en in volle werking. Een vierde is in aanbouw en zal spoedig geopend worden.

Niemand zal ooit toegeven, dat de plaats zijner inwoning ongezond is (tenzij hij ze verlate), en daarom zal ik ’t stellig wel aan den stok krijgen met de inwoners van St. Louis, door namelijk in twijfel te trekken of haar klimaat wel zoo erg gezond is, en een vermoeden te opperen dat hier ’s zomers en in den herfst nogal koortsen moeten heerschen. Laat mij er slechts dit bijvoegen, dat haar klimaat zeer heet, en de stad omringd is van groote rivieren en uitgestrekte streken ongedraineerd moerassig land, dan moge de lezer dienaangaande zijn eigen gevoelen opmaken.

Daar ik er sterk naar verlangde, een zoogenaamde Prairie te zien voor en aleer ik van ’t verste punt mijner zwerftochten terugkeerde, en eenige heeren der stad, door gastvrijheid gedreven, dezelfde begeerte hadden om aan dit mijn verlangen te voldoen, werd er een dag bepaald waarop wij voor mijn vertrek een tochtje zouden doen, naar de Looking-Glass1 Prairie, die ongeveer dertig mijlen van de stad afligt. Nu zullen mijn lezers er waarschijnlijk niets tegen hebben, eens te weten, wat zoo’n Zigeunerstocht op zoo’n afstand van huis wel inheeft, en onder wat voor soort van voorwerpen men zich daar beweegt. Welaan dan, in een volgend hoofdstuk hoop ik hun weetgierigheid te bevredigen.


1 Looking-Glass = Spiegel.