EEN UITSTAPJE NAAR DE LOOKING-GLASS PRAIRIE, HEEN EN TERUG.
Laat mij beginnen met voorop te zetten, dat Amerikanen het woord prairie op verschillende wijzen uitspreken, bij voorbeeld als paraaer, parearer en paroarer. De laatste wijze van uitspraak is misschien het meest in zwang.
Wij waren met ons veertienen, en allen jonge mannen. Nu, het is een zonderlinge, ofschoon zeer natuurlijke kenmerkende trek in de gezelschappen die deze afgelegen nederzettingen bezoeken, dat ze voornamelijk uit personen bestaan in den bloei des levens, die voor geen kleintje vervaard zijn, en dat er maar bitter weinig grijze hoofden onder door loopen. Dames waren er niet bij. Geen wonder, want het uitstapje was nogal vermoeiend en ’s morgens met klokkeslag van vijven zouden we op marsch gaan.
Ik werd om vier uur geroepen, om er zeker van te wezen, dat niemand op mij behoefde te wachten, en nadat ik wat brood en melk gebruikt had voor mijn ontbijt, gooide ik het raam open en keek in de straat, denkende dat ik het geheele gezelschap druk in de weer zou zien met het maken van aanstalten voor onzen tocht. Maar daar alles doodstil was en de straat er even somber uitzag als dit gewoonlijk elders om vijf uur in den morgen het geval is, begreep ik dat het maar geraden zou zijn, weer naar bed te gaan, wat ik dan ook deed.
Om zeven uur werd ik weer wakker, en toen was ons gezelschap bijeen, rondom een licht rijtuigje met een kolossale wagenas; zoo iets op wielen als een speelwagentje; een dubbelen phaeton van groote antiquiteit en bovenaardschen bouw; een sjees met een groot gat in ’r rug en een gebroken hoofd, en een soort van postiljon die te paard zat, en vooraan zou gaan. Ik ging met drie tochtgenooten in ’t eerste rijtuig zitten; de overigen zochten een goed onderkomen in de andere rijtuigen; twee groote manden werden aan ’t lichtste rijtuig vastgemaakt; twee groote kruiken in teenen kokers, waarvan de technische naam bij ons demi-johns is, werden aan de „least rowdy”1 uit het gezelschap ter bewaring toevertrouwd; en zoo ging de optocht naar de veerboot, waar, zooals de gewoonte in deze streken meebrengt, menschen, paarden, wagens en alles mee overgezet zou worden.
Goed en wel kwamen we over deze rivier, en monsterden elkaar weer voor een kleine houten kast op wielen, die geheel schuins in een moeras stond met „MEESTER KLEERENMAKER” in zeer groote letters boven de deur geschilderd. Nadat we onze marschorde en den weg, dien we in zouden slaan vastgesteld hadden, zetten we ons andermaal in beweging en begonnen met een slecht ter naam staanden zwarten hollen weg in te slaan, die men hier, minder krachtig, den Amerikaanschen Bodem noemt.
Den vorigen dag was ’t—ik zal niet zeggen heet geweest, want zelfs dit woord zou te zwak zijn, om den lezer een denkbeeld te geven van de temperatuur. De stad had als ’t ware in een lichtelaaien gloed gestaan. Maar ’s avonds was het beginnen te regenen dat het goot, en den geheelen nacht was ’t zonder ophouden door blijven regenen. Wij hadden een span stevige paarden, doch legden niettemin maar een beetje meer dan een paar mijlen per uur af, door één onafgebroken poel van zwarte modder en water, zonder eenig andere afwisseling dan dat het hier wat dieper was dan daar. Zoo zakten we ’r nu eens tot half over de wielen in, dan tot over de as, en straks bijna tot aan de portierraampjes. Overal weergalmde de lucht van ’t luide gekwaak der kikvorschen, die hier het rijk alleen schenen te hebben in vereeniging met de varkens (een gemeen, leelijk ras, dat er zoo ongezond uitzag als was het zoo regelrecht uit deze streek opgegroeid). Hier en daar reden we een blokhut voorbij; maar de armzalige hutten stonden ver van elkaar af; want ofschoon de grond te dezer plaatse zeer rijk is, kunnen er maar weinigen in zoo’n doodelijke atmosfeer leven. Aan iederen kant van den weg, als hij dien naam nog verdient, bevond zich het dikke „kreupelhout,” en overal zag men stilstaand, slijmerig, stinkend, smerig water.
Daar ’t hier de gewoonte is, een paard een zekere hoeveelheid koud water te geven, telkens als het zoo heet is dat het schuimt, maakten we met dat doel halt voor een blokherberg in ’t bosch, die ver van eenige andere woning af stond. Ze bestond uit één vertrek, natuurlijk kaal van dak en kaal van muren, met een zolder er boven. De dienstdoende kellner was een zwartachtige jonge neger, in een gedrukt katoenen hemd, dat wel iets weghad van een beddeken, en met een opgelapte broek aan. Behalve deze sinjeur waren er nog een paar jonge knapen, die, bijna naakt, bij den put lagen te luieren; en zij, en hij, en de reiziger in de herberg, kwamen te voorschijn om ons op te nemen.
VOOREERST NOG NIET, M’NHEER, VOOREERST NOG NIET. (Blz. 99).
De reiziger was een oud man met een grijzen stekeligen baard van twee duim, een ruigen knevel van dezelfde kleur, en verbazend groote wenkbrauwen, die zijn lodderige, half beschonken oogen bijna geheel en al overschaduwden, toen hij zich beurtelings op zijn teenen en hielen in evenwicht houdende, ons met de armen over elkaar stond aan te gapen. Zoodra een uit ons gezelschap hem aansprak, kwam hij nader, krabde aan zijn kin (iets wat onder zijn vereelte hand een geluid maakte alsof iemand, die spijkers onder de zolen zijner schoenen heeft zitten, over nieuw kiezelzand loopt), en zei dat hij van Delaware was. Vervolgens wees hij naar een der moerassen, waar de geknotte boomen het dichtst naast elkaar stonden, en zei dat hij daar ginds onlangs een boerderij gekocht had. Nog vertelde hij ons, dat hij naar St. Louis ging om zijn familie te halen die hij achtergelaten had; maar hij scheen niet veel haast te hebben, om dit karweitje achter den rug te krijgen, want toen we wegreden, ging hij op zijn gewone slungelachtige wijze de hut weer in, en scheen wel van zins om daar tabernakelen te bouwen tot zijn laatste cent op was. Natuurlijk was hij een groot staatkundige en ontvouwde aan een uit ons gezelschap nogal wijdloopig zijn gevoelens; maar ik herinner me alleen, dat hij met twee uitroepen concludeerde, waarvan de eene was: Iemand voor altijd! en de andere: Weg met ieder ander! Iets wat in geenen deele bewijst, dat de man de zaken niet goed inzag.
Toen de paarden tot bijna tweemaal hun natuurlijken omvang gezwollen waren (men schijnt hier van ’t denkbeeld uit te gaan, dat zoo’n soort van opgeblazenheid hun onder ’t loopen goeddoet) gingen we weer verder, door modder en vocht, en vurige hitte, en struiken en heesters, altijd geaccompagneerd door de muziek der kikkers en der zwijnen, en dat hield zoo aan tot bij den middag, toen we halt maakten op een plaats Belleville genaamd.
Belleville was een kleine verzamelplaats van houten huizen, die in ’t hartje van ’t kreupelhout en ’t moeras als bijeengehutseld waren. Verscheidene daarvan hadden opzienbarend lichtrood en geel geschilderde deuren; want de plaats, moet men weten, was onlangs bezocht door een reizenden schilder, die, zooals men mij vertelde, „op die manier aan den kost zag te komen.” Het gerechtshof hield juist een zitting en was op dat oogenblik bezig met het verhooren van eenige misdadigers, die paarden moesten gestolen hebben: allerwaarschijnlijkst zou ’t slecht met hen afloopen, want daar levende have van allerlei soort uit den aard der zaak nogal gevaar loopt in de bosschen, zoo is ze bij de gemeente eigenlijk nog meer in tel dan ’t leven van een mensch, weshalve de jury gewoonlijk iedereen, die van vee-diefstal beticht wordt, schuldig verklaart, onverschillig of hij ’t is al dan niet.
De paarden van den rechter en de getuigen waren aan tijdelijke ruiven vastgemaakt, die maar licht en dicht op den weg waren neergezet (onder dat woordje „weg” heeft men een pad door ’t bosch heen te verstaan, waar men bijna tot aan de knieën in de modder en ’t slik zakte).
Er was hier ook een logement, dat evenals alle hotels in Amerika, een groote eetzaal had waar open tafel werd gehouden. Die zaal was een armzalige schuur voor het huis, laag van verdieping en half koeienstal, half keuken, met een gemeen bruin tafelkleed van zeildoek, en aan den muur vastgemaakte tinnen armblakers, waar men bij ’t avondeten de kaarsen in stak. Onze postiljon of koetsier of hoe men hem noemen wil, was vooruitgegaan, om koffie en wat „eten” te bestellen, en ze waren er nu bijna al klaar mee. Hij had „tarwebrood en kuiken-fixing” besteld, want daar hield hij meer van dan van „witbrood en zoo’n alledaagschen kost.” Met dit laatste bedoelt men hier alleen varkensvleesch en spek, terwijl men onder kuiken-fixings geroosterde ham, saucijsjes, kalfslapjes, ossenlapjes en andere soortgelijke vleeschspijzen verstaat, waar men van veronderstellen kan, dat ze (dit woord in een nogal ruimen, dichterlijken zin opgevat) een kuiken behoorlijk in de verteringsorganen van een dame of heer zullen „fix” (bevestigen.)
Aan een der deurposten van dit logement of liever herberg was een blikken plaatje, waar met vergulde letters „Dokter Crocus” op te lezen stond, en op een vel papier, dat bezijden dit plaatje aangeplakt was, las men een geschreven bericht dat Dr. Crocus ten genoegen van het Belleviller publiek, tegen betaling van zoo en zooveel per hoofd, dien avond een lezing zou houden over de Phrenologie of Schedelleer.
Terwijl de „kuiken-fixings” klaargemaakt werden, ging ik de trap op, en kwam toevallig de kamer van den dokter voorbij. Daar nu de deur wagenwijd openstond, en de kamer leeg was trok ik mijn stoute schoenen aan en gluurde er eventjes in.
Het was een kaal, ongemeubileerd, ongezellig vertrek, met een portret zonder lijst dat aan ’t hoofdeinde van ’t ledikant hing, en, naar ik gis, den dokter moet verbeeld hebben, want het voorhoofd was phrenologisch volkomen ontwikkeld, iets waar de kunstenaar kennelijk nogal werk van gemaakt had, om goed uit te doen komen. Over het ledikant zelf lag een beddesprei, als men een oude lappedeken met dien naam mag bestempelen. Geen karpet op den vloer, geen gordijnen voor de ramen. Er was een vochtige stookplaats zonder iets dat naar een kachel zweemde, vol houtskool; een stoel, en een zeer klein tafeltje, op welk laatstgenoemd meubelstuk dokters bibliotheek, bestaande uit een half dozijn smerige oude boeken, zoo lag uitgespreid, dat het nogal vertooning moest maken.
Nu zag deze kamer er zeker zoodanig uit, dat men ’t voor ’t laatste vertrek ter wereld zou gehouden hebben, waar u of mij iets goeds uit ten deel kon vallen. Maar, gelijk ik gezegd heb, de deur stond uitnoodigend open en hield in verband met den stoel, het portret, de tafel en de boeken als ’t ware deze toespraak: „komt maar binnen, heeren, komt maar binnen! Weest toch niet ziek, heeren, als ge wel kunt worden in een ommezien. Dokter Crocus is hier, heeren, de beroemde dokter Crocus! Dokter Crocus heeft deze heele reis afgelegd, om u te genezen, heeren. Hebt gij niet gehoord van Dokter Crocus, dan is ’t uw schuld, heeren, die zoo’n klein beetje buiten de wereld woont, maar dokter Crocus’ schuld is ’t niet. Komt maar binnen, heeren, komt maar binnen!”
Toen ik de trap weer afliep, kwam ik, in de gang beneden, dokter Crocus zelf tegen. Een massa menschen was uit het Gerechtshof saamgevloeid, en een stem uit haar midden riep den herbergier toe: „Kolonel! stel dokter Crocus toch ’reis voor.”
„De heer Dickens,” zegt de kolonel. „Dokter Crocus.”
Waarop dokter Crocus, die een groote, knappe Schot is, maar om de waarheid te zeggen wat al te forsch en te krijgsmansachtig voor een beoefenaar van de vreedzame geneeskunst, met zijn rechterarm en zijn borst zoo ver mogelijk vooruit, op eens uit het oploopje voor den dag komt en zegt:
„Uw landsman, m’nheer!”
Waarop Dokter Crocus en ik elkaar de hand geven, en dokter Crocus een gezicht trekt alsof ik in geenen deele aan zijn verwachting beantwoordde. Nu moet ik dan ook zeggen, dat ik met een linnen kiel en een grooten strooien hoed met een groen lint, en geen handschoenen aan, en mijn gezicht en neus rijkelijk versierd met de steken van muskieten en de beten van wandluizen, er zóó uitzag, dat het niet te verwonderen was, dat ik daaraan niet beantwoordde.
„Is u al lang hier, m’nheer?” zeg ik. (Ik diende toch iets te zeggen.)
„Een maand of vier, m’nheer,” zegt de dokter.
„Is-u van plan om gauw weer naar ’t oude vaderland terug te keeren, m’nheer?” zeg ik.
Een woordelijk antwoord geeft dokter Crocus op die vraag niet, maar zoo’n smeekenden blik krijg ik van hem, een blik die zoo duidelijk zegt: „Och toe, wees zoo goed en vraag me dat asjeblieft ’n beetje luider!” dat ik mijn vraag herhaal.
„Of ik van plan ben gauw weer naar ’t oude vaderland terug te keeren, m’nheer!” herhaalt de dokter.
„Ja, naar ’t oude vaderland, m’nheer,” herhaal ik weer op mijn beurt.
Dokter Crocus kijkt in de rondte om te zien, wat voor indruk deze woorden op de menigte om hem heen teweegbrengen, wrijft in zijn handen en zegt zeer luid:
„Vooreerst nog niet, m’nheer, vooreerst nog niet. Op zoo iets zal u me niet betrappen. Daartoe hou ik ’n beetje te veel van vrijheid, m’nheer. Ha! ha! ’t Is zoo gemakkelijk niet, m’nheer, zich los te scheuren van een vrij land zooals dit. Ha! ha! Neen! neen! Ha! ha! Niets van dat al, of je moet tegen wil en dank verplicht zijn, dat te doen, m’nheer. Neen, neen!”
Als dokter Crocus deze laatste woorden zegt, schudt hij veelbeteekenend zijn hoofd en lacht opnieuw. Verscheidene der omstanders schudden evenals de dokter, met hun hoofden en lachen ook, en kijken elkaar aan alsof ze wilden zeggen: „Die Crocus is toch ’n vroolijke vent, ’n opperbeste kerel!” en, of ik moet me al danig vergissen, dien avond gingen er heel veel de lezing bijwonen, die, zoo oud als ze waren, nog nooit om dokter Crocus of phrenologie gedacht hadden.
Van Belleville zetten we door dezelfde soort van woestenij, en, zonder dat het een enkel oogenblik ophield, bestendig geaccompagneerd door dezelfde kikkermuziek, onzen tocht voort, totdat we om drie uur na den middag nog eens halt maakten aan een dorp Libanon geheeten, om de paarden weer op te blazen en ze buitendien een beetje koorn te geven wat ze hoog noodig hadden. Gedurende deze plechtigheid kuierden wij het dorp in, waar ik een kant en klaargemaakt woonhuis tegenkwam, dat, door een stuk of twintig ossen voortgetrokken, den heuvel af kwam draven.
Het logement was hier zoo zindelijk en goed, dat de bestuurders van den tocht besloten, er op de terugreis weer aan te gaan en er zoo mogelijk den nacht door te brengen. Dit eenmaal vastgesteld, en de paarden goed verfrischt, rukten we weer op, en kwamen met zons-ondergang op de Prairie aan.
Waar ’t vandaan kwam zou ik moeilijk kunnen zeggen—ofschoon ’t mogelijk was, dat het hier vandaan kwam, dat ik er zooveel van gehoord en gelezen had—maar dit weet ik wel, dat ik mij nu teleurgesteld gevoelde. Daar lag dan, den kant uit naar de ondergaande zon, een uitgestrekte vlakte voor mij, die door niets werd afgebroken dan door een dunne lijn van boomen, die zich in ’t verschiet ternauwernood als een streep voordeed, totdat die streep, om zoo te zeggen, den gloeienden hemel ontmoette, waar ze zich in scheen te dompelen, zich vermengende met zijn rijke kleuren, vooral met zijn overheerlijk azuur. Daar lag ze, de vlakte, aan een stille zee of meer zonder water gelijk, bijaldien men zoo’n vergelijking mag maken,—daar lag ze, terwijl de avondschemering allengs haar sluier er overheen trok: hier en daar trippelde een vogeltje, overigens was alles om ons heen even eenzaam en stil. Maar het gras stond er nog niet hoog; er waren kale zwarte plekken op den grond, en de weinige wilde bloemen, die het oog kon zien, zagen er armzalig uit. Hoe groot de schilderij ook was, juist dat vlakke en uitgestrekte, dat hoegenaamd geen stof aanbood voor de verbeelding, het deed de belangstelling niet weinig verflauwen. Ik voor mij voelde dan ook weinig van dien geest van vrijheid en blijheid, dien een Schotsche hei inboezemt, ja zelfs onze Engelsche duinen opwekken. Het was hier eenzaam en woest, maar neerdrukkend door zijn kale eentonigheid. Ik voelde dat ik bij ’t doortrekken der Prairiën mij nooit zoo met het tooneel om me heen inlaten kon, dat ik al het andere zou vergeten, wat ik instinctmatig zou doen als ik daar een heibewoner aan mijn voet mocht zien of een als in ijzeren banden geklonken kust: maar dat ik dikwijls turen zou naar de afgelegen en telkens wijkende lijn van den gezichteinder, en daarbij den wensch zou ontboezemen dat ik zoo ver was ze achter den rug had. Wel is ’t geen tooneel om vergeten te worden, maar bezwaarlijk zou men ’t onder die tooneelen kunnen rekenen, waar men naderhand met plezier om denkt of die men nog eens weerom verlangt te zien. Zoo komt het mij althans voor na al wat ik daarvan gezien heb.
Ter wille van ’t water dat wij er vonden, kampeerden we in de nabijheid van een eenzaam blokhuis, en gebruikten ons middagmaal op de vlakte. In de manden hadden wij gebraden gevogelte, buffeltong (een uitgezochte lekkernij tusschen twee haakjes), ham, brood, kaas en boter; beschuit, champagne en sherry; citroenen en suiker voor punch; en een massa ruw ijs. Het maal was kostelijk, en zij, die er ons op trakteerden, kruidden het ten overvloede door vriendelijkheid en opgeruimdheid. Menigmaal heb ik me sinds dien tijd dat vroolijke partijtje voor den geest geroepen, en al kom ik later weer met vrienden van ouder dagteekening aan den gezelligen disch bijeen, mijn goede, beste reismakkers in de Prairie zal ik toch niet gemakkelijk vergeten.
Dien avond naar ’t dorp Libanon terugkeerende stapten wij aan de kleine herberg af, waar we dien middag halt gemaakt hadden. Wat zindelijkheid en gemak betreft, had het de vergelijking door kunnen staan met elk min of meer welvarend dorpsbierhuis in Engeland.
Den volgenden morgen stond ik om vijf uur op, en ging toen het dorp eens in; geen een huis kwam ik dien dag in mijn zwerftocht tegen, misschien was ’t daartoe nog te vroeg. Vervolgens amuseerde ik me, door in een soort van boeren-erf achter de kroeg eens rond te drentelen, dat er nogal vreemd uitzag. Verbeeld u een stuk of wat ruwe loodsen die stallen moesten heeten; een ruwe zuilengang, gebouwd om ’s zomers een koele plaats tot verfrissching te hebben; een diepen put; een groote hoogte van aarde waar men ’s winters groenten in kon bewaren; een duiventil, waarvan de kleine openingen, gelijk met alle duivenhokken het geval is, veel te klein schenen te wezen om er de vette vogels met hun opgezwollen kroppen, die er deftig en wel omheen stapten, behoorlijk door te laten, ofschoon ze zeker nooit zoo erg hun best deden om er door te komen als toen. Na mijn nieuwsgierigheid op dit punt te hebben bevredigd, nam ik een kijkje in de twee spreekkamers, die versierd waren met gekleurde prenten van Washington, en President Madison, en van een jonge dame met een blank gezicht (dat nogal bespikkeld was van de vliegen), die haar gouden halsketting ter bewondering van den aanschouwer ten toon spreidde en allen die haar bewonderden meedeelde dat zij „juist zeventien” was, ofschoon ik haar voor ouder aangezien had. In ’t beste vertrek hingen twee portretten in olieverf, den herbergier en zijn jeugdigen zoon voorstellende, die er beide zoo stout uitzagen als leeuwen en je met zoo’n deftigheid aankeken, dat de duurste prijs, die er voor betaald was geworden, nog goedkoop zou mogen heeten. Ik geloof, dat ze door denzelfden kunstenaar geschilderd waren, die de deuren in Belleville zoo mooi met rood en goud belegd had, want onmiddellijk scheen ik diens verheven stijl te herkennen.
Na ’t ontbijt braken wij op, om langs een anderen weg dan wij gister ingeslagen hadden, terug te keeren, en daar we om tien uur een kamp van Duitsche landverhuizers tegenkwamen die hun goederen op wagens meevoerden en een lekker vuur gemaakt hadden dat zij juist bezig waren te verlaten, zoo maakten we daar halt, om ons wat te verkwikken. En welkom, uiterst welkom was ons dat vuur, want al was ’t gister heet geweest, vandaag was ’t erg koud en waaide er een scherpe wind. Toen we daar langs reden, zagen we in de verte nog zoo’n oude Indiaansche begraafplaats, de Monnikenhoogte geheeten, ter gedachtenis aan een vereeniging van dwepers van de orde van La Trappe, die, toen er duizenden mijlen in den omtrek geen enkel kolonist gevonden werd, verscheidene jaren geleden daar een eenzaam klooster hadden gesticht, en allen door het verderfelijk klimaat weggesleept waren, welk noodlottig ongeval misschien maar weinig verstandige lui als een ernstig verlies voor de maatschappij zullen beschouwen.
De tocht, dien we dien dag aflegden, bood dezelfde verschijnselen aan als de tocht van den vorigen. Daar was ’t moeras, het kreupelhout, het eeuwigdurend gekwaak van kikvorschen, de plantengroei en de ongezonde dampen die uit den grond opstegen. Hier en daar, en nogal menigvuldig ook, kwamen we een gebroken wagen tegen, die vol was van ’t goed van den een of anderen nieuwen kolonist. Het was een naar, een allernaarst gezicht, zoo’n wagen diep in de modder te zien steken; de as gebroken; een wiel er naast liggend; de man mijlen ver gegaan om hulp te halen; de vrouw als een beeld van schier wanhopig geduld, met een zuigeling aan haar borst te midden harer zwervende huisgoden zittende; terwijl het span ossen droevig in ’t slik nederligt en zulke dampwolken uit bek en neusgaten blaast, dat al de natte mist en nevel in de rondte rechtstreeks van hen afkomstig scheen te wezen.
Behoorlijk op zijn tijd kwamen we nog eens voor de woning van den meester kleerenmaker bijeen, en staken nadat we gemonsterd waren, per veerboot naar de stad over. Onderweg kwamen we een plek voorbij, het Bloedige Eiland genaamd, de strijdplaats van St. Louis, en onder die benaming aangeduid ter eere van den laatsten noodlottigen strijd die daar, borst tegen borst, met pistolen werd gestreden. Maar de strijders vielen dood ter aarde; en ’t is heel wel mogelijk, dat enkele verstandige lui van hen zullen denken wat ze van die sombere bent van in hun hersens geprikte Kluizenaars gedacht hebben, dit namelijk, dat ook hun dood geen groot verlies was voor de maatschappij.