TERUGKEER NAAR CINCINNATI. EEN RIT PER DILIGENCE VAN DIE STAD NAAR COLUMBUS EN VAN DAAR NAAR SANDUSKY. ZOO, OVER ’T MEER ERIE, NAAR DE WATERVALLEN VAN DEN NIAGARA.
Daar ik graag door de binnenlanden van den staat Ohio wou reizen en, zooals de geijkte uitdrukking in die streken luidt: „strike the lakes”1 bij een klein stadje, Sandusky geheeten, waar die route ons naar toe brengen zou op onzen weg naar Niagara, zoo dienden we langs denzelfden weg, dien we op waren gegaan, van St. Louis terug te keeren, en onzen eersten tocht weer te hervatten tot aan Cincinnati.
Het was een mooie dag toen we van St. Louis afscheid zouden nemen, en aangezien nu de stoomboot, die, ik weet niet hoe vroeg in den morgen af zou varen, voor de derde of vierde maal haar vertrek tot na den middag uitstelde, reden we naar een oud Fransch dorp aan de rivier, waarvan de eigenlijke naam Carondelet, doch de spotnaam Vide Poche (Leege Zak) was, en spraken af dat de packet ons daar af zou wachten.
De plaats bestond uit een stuk of wat arme hutten en twee of drie herbergen, waarvan de provisiekamers in dien toestand verkeerden, dat dit alleen den spotnaam wettigde, want in geen van de drie kon men iets te eten krijgen. Door zoo wat een halve mijl terug te gaan, vonden we echter ten laatste een eenzaam huis waar men ham en koffie krijgen kon, en daar toefden we om de komst af te wachten van de boot, die we, al heel in de verte, van uit het lommer voor de deur waar zouden kunnen nemen.
Het was een nette, doodeenvoudige dorpskroeg, waar we ons middagmaal gebruikten in een net kamertje met een ledikant er in, dat opgepronkt was met een stuk of wat oude schilderijen, die in hun tijd waarschijnlijk dienst gedaan hadden in een Roomsche kapel of klooster. Al wat men er te eten kreeg, was zeer goed en werd met groote zindelijkheid opgedischt. Het huis werd gehouden door een karakteristiek oud paar, waar wij een lang gesprek mee hadden, en dat misschien een zeer goed exemplaar was van dat slag van menschen in ’t Westen.
De herbergier was een droge, taaie, ruwe oude kwant (wel niet zoo heel oud, want hij was maar even over de zestig, naar ik denk), en hij had in den laatsten oorlog met Engeland bij de militie gestaan en daar allerlei dingen gezien, die betrekking hebben op den krijgsdienst, ja, allerlei dingen... behalve een veldslag; maar hij was er toch heel dicht bij geweest, om een veldslag bij te wonen, heel dicht, voegde hij er bij. Daar hij razend veel van verandering hield en aan dien trek geen weerstand had kunnen bieden, had hij zijn leven lang rust noch duur gehad. Vandaar dat hij ’t niet lang op een en dezelfde plaats uitgehouden, maar gedurig heen en weer gezworven had; en nog altijd was hij zoo lustig als een eenloopend gezel, want was er niets dat hem aan huis bond (en toen hij dit zei, wees hij even met zijn hoed en duim naar ’t raam van de kamer waar de oude vrouw zat, terwijl wij voor ’t huis stonden te babbelen), dan maakte hij in een wip zijn geweer schoon en was morgenochtend op reis naar Texas. Hij was een van de oude afstammelingen van Kaïn, die aan dit vasteland zoo bijzonder eigen zijn; een van die mannen met andere woorden, die van hun geboorte bestemd schijnen te wezen om als pioniers in de groote armee der menschheid te dienen; die jaar-in jaar-uit blijmoedig haar voorposten uit gaan breiden, en het eene te-huis na ’t andere achter zich laten en ten laatste sterven, zonder dat zij zich er ’t minst hun hoofd over breken of het op hen volgende, insgelijks zwervende geslacht zich op zijn beurt weer duizenden mijlen zal verwijderen van hun graven.
Zijn vrouw was een van lieverlede huishoudelijk geworden, goede, beste oude stumperd, met hem meegekomen „uit de koninginne-stad van de wereld,” die, naar ’t scheen, Philadelphia was; maar hart had ze niet voor dit westersche land. Nu, daar bestond dan ook wel reden toe. Begrijp eens, al haar kinderen had ze hier een voor een in den vollen bloei hunner jaren zien sterven! Haar hart werd pijnlijk aangedaan, zei ze, als ze daarom dacht; en als ze nu maar eens, al was ’t dan ook maar tegenover vreemdelingen, dienaangaande haar hart uit kon storten op deze rampzalige plaats die zoo ver van haar geboortegrond af lag, kijk, dat schonk haar eenige verlichting, ja, werd haar tot een droefgeestig genot.
Daar de boot tegen den avond aankwam, zeiden we die goede, beste, oude vrouw en haar zwervenden man vaarwel, begaven ons daarop naar de naastbijgelegen aanlegplaats, en nu duurde het niet lang, of we waren weer aan boord van de Messenger, in onze oude kajuit, en stoomden den Mississippi op.
Is het opvaren van deze rivier, zoo langzaam als het dan tegen den stroom in gaat, een vervelende reis,—het afvaren met haar troebelen stroom is bijna nog erger; want dan heeft de boot, die twaalf of vijftien mijlen per uur aflegt, zich met geweld een weg te banen door een doolhof van drijvende blokken, die men in den donker dikwijls onmogelijk van te voren kan zien, laat staan vermijden. Den ganschen nacht was de bengel dan ook geen vijf minuten achtereen stil, en na ieder gelui kreeg de boot een schok, soms twaalf schokken gauw achter elkaar, en van die schokken dat de lichtste meer dan genoeg scheen te wezen om haar broze kiel als pasteikorst te vergruizen. Keek men nu bij ’t aanbreken van den dag in de smerige rivier, dan scheen ze te wemelen van insecten, daar deze zwarte massa’s op de oppervlakte dreven, of, met den kop het eerst, op eens uit het water te voorschijn kwamen, wanneer de boot, door al die hinderpalen heenstoomende, een stuk of wat voor een oogenblik onder water duwde. Soms stopte de machine vrij lang, en dan bevonden zich voor de boot en er achter, en dicht aan alle kanten, zooveel van die ellendige hindernissen, dat zij er, als het middelpunt van een drijvend eiland, ten eenenmale van ingesloten, en wel genoodzaakt was daar te blijven, totdat ze, evenals donkere wolken zulks voor den wind doen, ergens naar toe gingen en van lieverlede een doortocht ontsloten.
Den volgenden morgen kwamen we echter weer in ’t gezicht van ’t afschuwelijk moeras Caïro genaamd. Daar stopten we, om hout in te nemen, en gingen naast een barge liggen, waarvan het hier en daar uitschietend getimmerde nauwelijks den boel bij elkaar hield. Ze was aan den oever vastgemaakt, en op haar zij stond het woord „koffiehuis” geschilderd. Dat nu was, naar ik veronderstel, het drijvende Paradijs, waar het volk een toevluchtsoord zoekt, als het voor een maand of twee zijn huizen verliest onder de afzichtelijke wateren van den Mississippi. Maar toen we zuidwaarts van dit punt afzagen, smaakten we de zelfvoldoening, die onuitstaanbare rivier al haar slijmerigen en leelijken last plotseling naar New Orleans te zien voortstuwen: en nadat we een gele streep over waren, die zich dwars door den stroom uitstrekte, waren we weer op den helderen Ohio, om naar ik vertrouw, nooit den Mississippi meer te zien, of ’t moest wezen in onrustige droomen en nachtmerries. Hem verlaten voor ’t gezelschap van zijn glinsterenden buur, stond dan ook gelijk met den overgang van smart tot vreugd, of het ontwaken uit een verschrikkelijk visioen tot een vroolijke werkelijkheid.
Op den vierden avond kwamen we te Louisville aan, en maakten terdege van ons voortreffelijk logement gebruik. Den volgenden dag gingen we op de Ben Franklin, een mooie mailboot, en bereikten kort na middernacht Cincinnati. Daar ’t thans zoover gekomen was, dat het slapen op planken ons eigenlijk eer vermoeide dan uit deed rusten, waren we maar wakker gebleven, om dadelijk aan wal te kunnen gaan; en ons terstond een weg banende door al de donkere dekken van andere booten, en onder doolhoven van stoommachines en lekke suikervaten, belandden we eindelijk op de straten, porden den portier wakker aan ’t logement waar we vroeger gelogeerd hadden, en nu duurde het niet lang, of we waren tot onze groote blijdschap gezond en wel onder dak.
Te Cincinnati bleven we maar één dag, en vertrokken toen naar Sandusky. Daar met dat uitstapje twee diligence-ritten gemoeid waren, die, met de door mij reeds aangestipte, de hoofdkenmerken bevatten van deze wijze van reizen in Amerika, wil ik den lezer als onzen reisgenoot meenemen en mij verbinden om den afstand zoo gauw mogelijk af te leggen.
De plaats onzer bestemming in eerste instantie is Columbus. Het ligt maar ongeveer honderd en twintig mijlen van Cincinnati, doch (een zeldzame zegen inderdaad!) de geheele weg is gemacadamiseerd, en de berekening is, dat men hier zes mijlen per uur aflegt.
’s Morgens om acht uur stappen we in een groote diligence, waarvan de kolossale wangen zoo erg rood en volbloedig zijn, dat ze wel last schijnt te hebben van neiging tot bloedopstijging naar ’t hoofd. Waterzuchtig is ze zeker, want ze kan wel een dozijn passagiers bergen. Maar—hoe verwonderlijk, niet waar? dat we ’r dit bij kunnen voegen—ze is erg glunder en schoon, want ze is pas nieuw, moet men weten, en vroolijk ratelt ze door Cincinnati’s straten.
Onze weg ligt door eene mooie landstreek die welig bebouwd is en een schitterend overvloedigen oogst belooft. Soms rijden we een veld voorbij, waar de als borstels overeindstaande sterke stengels van Indiaansch koorn er als zooveel wandelstokken uitzien, en soms een omheinden akker waar de groene tarwe onder een doolhof van boomstronken opspringt. De primitieve omheining van wormhout is algemeen en staat alles behalve mooi; maar de boerderijen werden netjes onderhouden, en, dit alleen daargelaten, zou men wanen in Kent te reizen.
Dikwijls blijven we stilstaan bij een herberg aan den landweg, om aan de paarden water te geven; bij zoo’n herberg is ’t altijd doodstil. De koetsier klimt van den bok, vult zijn emmer en houdt dien zijn paarden voor. Het gebeurt bijna nooit, dat er iemand is, om hem een handje te helpen; zelden treft hij er zoo’n exemplaar van ’n straatslijper aan; en nooit een stalknecht om wat gekheid mee te maken. Soms, wanneer we van span verwisseld zijn, kost het een beetje moeite, weer voort te komen, en dat komt hier vandaan, dat in deze buurt een zonderlinge manier heerscht, om een jong paard te dresseeren. Ziehier hoe dit in zijn werk gaat. Men vangt het, tuigt het tegen wil en dank, en spant het dan maar voor een diligence, zonder er verder notitie van te nemen. Geen wonder, dat het dan eerst met horten en stooten gaat; edoch, dit verbetert van lieverlede, en zoo zetten we onze reis weer voort.
Nu en dan gebeurt het, dat, als we pleisteren, om van paarden te verwisselen, een stuk of drie half dronken straatslijpers met hun handen in hun zakken aan komen drentelen. Of wel, men ziet ze zoo lang als ze zijn in schommelstoelen liggen of tegen de vensterbank of kolonnade aanleunen. Het gebeurt niet vaak, dat ze òf ons òf iemand anders iets te zeggen hebben, maar ze zitten, of staan, of liggen daar maar vadsig en lui naar de koetspaarden te kijken. Gewoonlijk is de herbergier onder hen. Deze sinjeur schijnt zich echter het minst van allen te bemoeien met hetgeen er in zijn huis omgaat. Ja, hij staat in dezelfde verhouding tot de kroeg, als de koetsier tot de koets en de passagiers; wat er ook binnen den kring zijner werkzaamheid voor moge vallen, och, het komt hem niet aan de koude kleeren, en in dat opzicht laat hij Gods water maar over Gods akker loopen.
Hoe dikwijls men ook van koetsier verandere, dit brengt niet de geringste verandering in des koetsiers karakter. Of ge ’r één ziet of tien, altijd is hij vuil, altijd knorrig, altijd stil. Indien hij vatbaar mocht zijn voor eenige aandoening, hetzij van zedelijken of lichamelijken aard, dan bezit hij een vermogen om dit te verbergen, dat waarlijk wonderbaar is. Zit ge naast hem op den bok, nooit spreekt hij een woord tot u, en spreekt gij tot hem, dan antwoordt hij (als hij antwoordt!) met eenlettergrepige woorden. Niets zal hij u op den weg aanwijzen; trouwens hij kijkt zelden naar iets en heeft er al den schijn van, of hem dit alles te veel, ja, hij eigenlijk levenszat is. Hoe neemt hij nu de honneurs waar ten opzichte zijner koets? Dit heb ik al gezegd: hij bemoeit zich met zijn paarden, en daarmee uit. De koets volgt, omdat ze aan de paarden vastgemaakt is en op wielen gaat: niet, omdat gij of ik er in zit. Soms—’t loopt dan naar ’n end van een langen rit—begint hij op eens een brokstuk van een of ander lievelingsliedje te zingen, valsch ook, maar zijn gezicht zingt nooit mee: ’t is alleen zijn stem, en die dikwijls nog niet eens.
Altijd pruimt hij, en altijd spuugt hij, en nooit getroost hij zich de moeite, om een zakdoek te gebruiken. Nu, waartoe zal een vrij schepsel zoo’n last zich op den hals halen?! Dat is waar ook, maar niet minder waar, dat de gevolgen niet uitblijven voor den passagier die op den bok zit, vooral als de wind naar zijn kant is, en dat die gevolgen alles behalve plezierig zijn.
Telkens als de wagen stil blijft staan, en ge de stemmen kunt hooren van de passagiers daarbinnen; of telkens als er een der omstanders tot hen of een der hunnen het woord richt, of ze elkaar aanspreken, zult ge één volzin gedurig en gedurig, ja oneindige keeren hooren inhalen. Op zich zelf is ’t al een ordinaire en weinig om ’t lijf hebbende volzin. ’t Is toch noch meer, noch minder dan „Ja m’nheer”; maar diezelfde volzin wordt op allerlei omstandigheden toegepast en vult iedere pauze in den loop van ’t gesprek. Bij voorbeeld:
’t Is een uur na den namiddag. Het tooneel is een plaats waar we dien dag zullen ophouden om te eten. De wagen rijdt tot aan de deur der herberg, ’t Is warm weer, en er zijn verscheidene straatslijpers, die om en nabij de kroeg slenteren, en er op wachten tot de open tafel klaar is. Onder hen bevindt zich een kranig heer met een bruinen hoed op, die zich in een schommelstoel op straat heen en weer zit te wiegelen.
Als de koets ophoudt, kijkt een heer met een stroohoed uit het portierraampje.
Stroohoed (tot den kranigen heer in den schommelstoel). Ik meen, dat ik daar den rechter Jefferson voor me zie, niet waar?
Bruinhoed (nog altijd wiegelend, en zeer langzaam en doodbedaard sprekende). Ja, m’nheer.
Stroohoed. Warm weer, Rechter.
Bruinhoed. Ja, m’nheer.
Stroohoed. Verleden week was ’t een beetje koud.
Bruinhoed. Ja, m’nheer.
Stroohoed. Ja, m’nheer.
Een pauze. Allerernstigst kijken ze elkaar aan.
Stroohoed. Ik ga bij me zelf na, dat u nu toch wel die zaak (van de „Corporation judge”) achter den rug zult hebben.
Bruinhoed. Ja, m’nheer.
Stroohoed. Hoe is de zaak uitgewezen, m’nheer?
Bruinhoed. De eischer is in ’t ongelijk gesteld geworden, m’nheer.
Stroohoed (vragenderwijs). Ja, m’nheer?
Bruinhoed (bevestigenderwijs). Ja, m’nheer.
Beiden (peinzend, daar ieder naar de straat kijkt). Ja, m’nheer.
Een nieuwe pauze. Alweer kijken ze elkaar aan, en nog ernstiger dan te voren.
Bruinhoed. Ik geloof, dat de wagen vandaag nogal wat over zijn tijd aankomt.
Stroohoed (twijfelachtig). Ja, m’nheer.
Bruinhoed (op zijn horloge ziende). Ja, m’nheer, ’t is dicht bij tweeën.
Stroohoed (zijn wenkbrauwen met groote verbazing fronsend). Ja, m’nheer!
Bruinhoed (op stelligen toon, terwijl hij zijn horloge weer in zijn zak steekt). Ja, m’nheer.
Al de andere passagiers van binnen (onder elkaar). Ja m’nheer.
Koetsier (op een allerknorrigsten toon). Neen, dat ’s niet waar.
Stroohoed (tot den koetsier). Nu, ik weet ’t niet, m’nheer. We zijn die laatste vijftien mijlen nogal aardig opgeschoten. Dat’s waarheid.
Daar de koetsier geen antwoord geeft en er niets van wil weten om in eenige woordenwisseling te treden over een onderwerp waar zijn sympathie en gevoelens zelfs in de verte niets mee te maken hebben, zegt een andere passagier: „Ja, m’nheer,” en om nu die loffelijke daad te erkennen, zegt de heer met den stroohoed op zijn beurt: „Ja, m’nheer,” tot hem. De stroohoed vraagt dan aan den bruinhoed, of de koets waar hij (de stroohoed) in zit, niet een nieuwe is? Waarop bruinhoed antwoordt: „Ja, m’nheer.”
Stroohoed. Dat dacht ik wel. Wat ’n sterke vernislucht, niet waar, m’nheer?
Bruinhoed. Ja m’nheer.
Al de andere passagiert van binnen. Ja, m’nheer.
Bruinhoed (tot het gezelschap in ’t algemeen). Ja, m’nheer.
Aangezien er nu al heel wat gevergd is van de spraakzaamheid van ’t gezelschap, doet de stroohoed het portier open en stapt uit. Al de anderen volgen zijn voorbeeld. Kort daarna eten we met de logeergasten, en krijgen niets te drinken dan koffie en thee. Daar beide zeer slecht zijn en het water nog slechter is, vraag ik om brandewijn; maar het is een Matigheids-Hotel, en sterken drank kan men er noch voor goede woorden noch voor geld krijgen. Deze dwaze manier om reizigers te dwingen, dat ze nare dranken tegen wil en dank door hun keelgat jagen, is in Amerika in ’t geheel niet ongewoon, maar nooit ontdekte ik, dat de teere gemoedsbezwaren van zulke brave Hendrikken onder de logementhouders hen aanspoorden om dan ook tusschen de qualiteit van ’t geen men bij hen krijgen kan en de prijzen die er voor genoteerd worden een ongewoon fatsoenlijke evenredigheid in acht te nemen: integendeel, ik vermoedde eerder, dat zij, bij wijze van schadeloosstelling voor de winstderving op den verkoop van geestrijke dranken, slechter qualiteit aansmeerden voor hooger prijs. Doch wat hiervan ook zij, voor personen van zulke teere gewetens zou ’t misschien het meest geraden zijn, om zich maar geheel en al te onthouden van ’t kasteleinsbedrijf.
ALS DE KOETS OPHOUDT, KIJKT EEN HEER MET EEN STROOHOED UIT HET PORTIERRAAMPJE. (Blz. 103).
Zoodra we gegeten hebben, stappen we in een ander rijtuig, dat bij de deur klaar staat (want onze koets is in dien tusschentijd verwisseld), en gaan weer op reis. Onze weg voert ons door dezelfde soort van landstreek tot aan den avond, als wanneer we aan de stad komen, waar we aanleggen om thee te drinken en te soupeeren; en nadat de brievenzakken aan ’t postkantoor afgegeven zijn, rijden we door de gewone breede straat, met de gewone magazijnen en huizen, naar ’t logement waar deze maaltijd klaargemaakt is. In ’t voorbijgaan wil ik nog meedeelen, dat de lakenkoopers, bij wijze van uithangbord, altijd een stuk rood laken aan hun deur hebben hangen. We komen dan aan ’t logement aan, en aangezien hier velen van de open tafel gebruik plegen te maken, is het gezelschap nogal groot en... oudergewoonte nogal saai. Maar aan ’t hooger eind der tafel zit de vroolijke kasteleines, en daar vlak tegenover een eenvoudige schoolmeester uit Wallis met zijn vrouw en kind, die op een speculatie, die meer beloofde dan ze wel gaf, hier naar toe kwam om de klassieken te onderwijzen. Zoowel in dezen meester en de zijnen als in de dame, wordt ruimschoots belang gesteld, totdat men gedaan heeft met eten en nu staat een ander rijtuig gereed. Door helder maanlicht beschenen stappen we daar nog eens in, en rijden door tot middernacht. Dan stoppen we, om alweer van koets te veranderen, en blijven zoo wat een half uur in een armzalig vertrek, met een besmeerde steendrukplaat van Washington boven den rookerigen haard, en een kolossale kruik koud water op de tafel,—aan welke verfrissching zich de knorrige passagiers zoodanig te goed doen, dat ze altemaal wel trouwe patiënten van dokter Sangrado lijken te wezen. Onder hen is een kleine dreumes van een jongen die pruimt als de grootste; en een vadsige heer die, om met poëzie te beginnen, over alle onderwerpen op arithmetische en statistieke wijze spreekt; en die altijd op denzelfden toon spreekt, met precies denzelfden nadruk en met een allerdeftigsten ernst. Hij was zoo even uit den wagen gestapt en vertelde me hoe de oom van een zekere jonge dame, die door een zekeren kapitein met list ontvoerd en gehuwd was geworden, in deze streek woonde; en hoe deze oom zoo’n razende Roeland was, dat hij zich niet zou verwonderen of hij volgde den bewusten kapitein naar Engeland, „en schoot hem op straat dood, waar hij hem ook tegenkwam,” iets wat ik hem zoo grif niet toe wou geven. Ik voelde me namelijk zoo doodmoe, dat ik mijn oogen nauwelijks open kon houden, en nu kwam ’t zeker hier vandaan, dat ik op eens trek kreeg hem tegen te spreken, en hem daarom de opmerking maakte, dat, als die oom het hart in zijn lijf mocht hebben om tot zoo’n krassen maatregel zijn toevlucht te nemen, hij op een mooien morgen in de vroegte in de Old Bailey opgeknoopt zou worden; en dat hij wel zou doen, zijn testament te maken voordat hij vertrok, daar hij niet heel lang in Engeland zou wezen, of hij zou ’t van noode hebben.
Den ganschen nacht rijden we door. Van lieverlede begint de dag aan te breken, en nu duurt het niet lang of de eerste liefelijke stralen der warme zon komen ons in de schuinte beschijnen. Ze wierp overigens haar licht op een ellendige woestenij van verzengd gras, doodsche boomen en armzalige hutten, een tooneel zoo allernaarst dat men zich met mogelijkheid niets ergers voor zou kunnen stellen. Ja, ’t was een woestijn zelf in ’t bosch, waarvan de plantengroei even dampig is en schadelijk als die welke men op de oppervlakte van stilstaand water aantreft; waar de giftige paddestoel in den zeldzamen voetafdruk op den drabbigen bodem groeit, en uit de reten in muur en zolder opschiet. Afzichtelijk, niet waar? om zoo’n plek gronds zoo dicht in de nabijheid, ja, als ’t ware op den drempel eener stad tegen te komen! Maar wat zal ik u daarvan zeggen? Jaren geleden was die ellendige plek opgekocht, maar de eigenaar is niet op te sporen, en nu kan de Staat er de handen niet aan slaan. Zoo blijft ze daar dan te midden eener ontgonnen en bebouwde streek als een stuk gronds, waar de vloek van de een of andere groote misdaad aan kleeft.
Even voor zevenen bereikten we Columbus en bleven daar dien dag en nacht om ons wat te verfrisschen. We troffen ’t goed: voortreffelijke apartementen toch stonden ons ten dienste in een zeer groot doch nog niet afgebouwd hotel, het Neill House genaamd, die, rijkelijk gestoffeerd met meubelstukken van ’t gepolijste hout van den zwarten noteboom, evenals kamers eener Italiaansche huizing, op een fraai portico en steenen veranda uitkwamen. De stad is zindelijk en aardig, en is natuurlijk „op weg” om hoe langer hoe meer uitgebreid te worden. Ze is de zetel van de Wetgevende Vergadering van Ohio en maakt bijgevolg aanspraak op eenig aanzien en gewicht.
Daar er langs den weg, dien wij wenschten te volgen, den volgenden dag geen diligence afreed, zoo huurde ik tot billijken prijs een „extra” om ons naar Tiffin te brengen, een klein stadje van waar een spoor loopt naar Sandusky. Dit zoogenaamde extra was een gewone diligence met vier paarden, zooals ik die reeds beschreven heb; een rijtuig dat gedurig van paarden en koetsiers veranderde, maar voor deze reis uitsluitend ter onzer beschikking bleef. Ten einde ons er van te verzekeren, dat we aan alle pleisterplaatsen paarden zouden krijgen en geen overlast zouden hebben van vreemdelingen, stuurden de eigenaars een agent op den bok mee, die ons den heelen weg over gezelschap zou houden; en onder dat geleide nu, en buitendien een sluitmand vol geurige koude vleeschspijzen, vruchten en wijn meenemende, reden we den volgenden morgen om halfzeven welgemoed af, ook niet weinig in onzen schik dat we onder ons waren, en met de ernstigste voornemens dat we ons zelfs door de ruwste teleurstellingen der reis niet uit ons humeur zouden laten brengen.
Gelukkig voor ons, dat we in zoo’n goed humeur waren, want de weg, dien we dien dag langs reden, was zeker reeds voldoende om gestellen, die juist niet op Mooi Weer stonden, zoodanig te schokken, dat ze een duim of wat beneden Stormachtig kwamen. Zoo werden we in ’t eene oogenblik achter in den wagen in een hoop bij elkaar gesmeten, en het volgende oogenblik bezeerden we onze hoofden aan den hemel. Nu eens zat de eene kant van ’t rijtuig diep in de modder, en klemden we ons aan de andere zij vast. Dan weer lag de koets op de staarten van de twee achterste paarden om zoo aanstonds, als in een vlaag van razernij, in de hoogte te vliegen, terwijl al de vier paarden, op den top eener onoverkomelijke hoogte staande, hun kop omdraaien en er doodbedaard naar kijken alsof ze wilden zeggen: „Kom, span ons maar uit. ’t Gaat toch niet.” De koetsiers op deze wegen, die zeker op een bepaald miraculeuze wijze dit terrein overrijden, draaien en zwaaien bij ’t forceeren van een doortocht, die wel iets heeft van een kurketrekker, zoodanig met hun paarden door al de poelen en moerassen, dat er, keek men het portierraampje uit, volstrekt niets vreemds in stak, wanneer men den koetsier met de enden leisels in zijn handen, alsof hij niets meende, maar louter paardje speelde, terwijl het voorspan dat stond aan te gapen alsof het er eenig idee van had, om zoo aanstonds achterop te gaan staan. Een groot deel van den weg lag over datgene wat men een Corduroyroad noemt; een weg die hiervan wordt gemaakt, dat men blokken hout, soms heele boomstammen in een moeras neersmijt, waar ze dan maar uit zich zelf vast moeten gaan liggen. De lichtste van de schokken, waarmee de zware wagen van ’t eene blok op ’t andere viel, was genoeg, naar ’t scheen, om al de beenderen in ’t menschelijk lichaam te hebben ontwricht. Het zou dan ook onmogelijk zijn, in andere omstandigheden een dergelijke reeks van gewaarwordingen te ondergaan, tenzij misschien als men ’t eens ging probeeren, om per omnibus naar den top van de Paulskerk te rijden. Nooit, nooit ofte nimmer was onze wagen dien dag een enkel oogenblik in eenige stelling of soort van beweging, waar men in koetsen gewoon aan is. Nooit ondervond men iets, dat zelfs in de verste verte zweemde naar dat wat men gewoonlijk ondervindt onverschillig in wat voor voertuig, dat op wielen gaat, men ook reize.
Niettemin, het was een mooie dag en liefelijk was de temperatuur, en ofschoon wij den zomer achter ons gelaten hadden in ’t Westen, en op ’t punt stonden om de Lente te verlaten, waren we op reis naar den Niagara en naar huis. Tegen den middag stapten we in een mooi bosch af, dineerden op een omgevallen boom, en vervolgden weer vroolijk onze reis, nadat we onze beste klieken achtergelaten hadden voor een hutbewoner en onze slechtste voor de varkens (die, tot grooten troost van ons commissariaat in Canada, als zandkorrels aan ’t zeestrand zoo talrijk, in deze landstreek aangetroffen worden.)
Toen de avond viel begon het pad al nauwer en nauwer te worden, totdat het zich eindelijk zoo onder de boomen verloor, dat de voerman instinctmatig zijn weg scheen te vinden. Ten minste hadden we den troost te weten, dat er geen gevaar bestond dat hij in slaap zou vallen, want ieder oogenblik kon een der wielen op zoo’n onzachte manier in botsing komen met een ongezien blok hout, dat hij er als de kippen bij moest wezen, om zich even gauw als stevig aan de leisels vast te houden, wou hij niet pardoes van den bok tuimelen. Evenmin behoefden we ’r bang voor te wezen, dat de paarden op hol zouden raken; ’t was al mooi genoeg voor de dieren om over zoo’n oneffen weg stapvoets te rijden. En wat nu het schichtig worden betreft, daar hadden ze geen ruimte voor: een kudde wilde olifanten kon in zoo’n bosch, met zoo’n koets achter zich, niet aan ’t hollen gegaan zijn. Zoo sjokten we dan maar zonder de minste ongerustheid voort.
Deze boomstronken zijn een opmerkelijke bijzonderheid als men in Amerika reist. De verschillende begoochelingen, die zij, zoodra het maar donker wordt, het daaraan ongewone oog aanbieden, zijn waarlijk verwonderlijk wat haar getal en werkelijkheid betreft. Nu eens verbeeldt men zich, een Grieksche urn te zien die daar opgericht is in ’t midden van een eenzaam veld; dan weer een vrouw weenende bij een graf; nu eens een alledaagsch oud heer met een wit vest aan, met een duim in elk armsgat van zijn jas gestoken; dan weer een student die ijverig in een boek leest; nu eens een kruipenden neger, dan weer een paard, of hond, of kanon, of gewapend man, of bochel die zijn mantel afgooit en in ’t licht aan komt stappen. Dikwijls vermaakte ik me daarmee evenzeer als met zoo menig glas in een tooverlantaren, en nooit namen ze die vormen aan op mijn bevel, maar schenen zich tegen wil en dank bij me op te dringen; en hoe vreemd, niet waar? soms herkende ik tegenhangers van figuren er in, die mij eens gemeenzaam waren uit prentenboekjes, waar ik al lang niet meer om dacht.
Zelfs voor deze vermakelijkheid, werd het echter gauw te donker, en zoo dicht stonden de boomen naast elkaar, dat hun droge takken aan weerskanten tegen den wagen aan ratelden en ons allen noodzaakten, onze hoofden niet uit het portierraampje te steken. Drie uur achter elkaar weerlichtte het ook. Iedere bliksemflits was zeer helder, blauw en lang, en daar de felle stralen door de dichte takken heen schoten en de donder somber boven de kruinen der boomen rommelde, dacht men er onwillekeurig om, dat er op zoo’n tijd betere buren waren dan zulke dik begroeide wouden.
’s Avonds tusschen tienen en elven daagden er echter een stuk of wat flauwe lichten in de verte op, en Opper Sandusky, een Indiaansch dorp, waar we tot den morgen zouden vertoeven, lag voor ons.
In de blokherberg, de eenige restauratie der plaats, lagen ze al te bed, maar nauwelijks hadden we geklopt of ze stonden op en haalden wat thee voor ons uit een soort van keuken of gelagkamer, behangen met oude kranten, die tegen den muur waren aangeplakt. De slaapkamer, die mijn vrouw en mij aangewezen werd, was een groot, laag, spookachtig vertrek, met een massa dorre takken op den haard, en twee deuren zonder de minste sluiting tegenover elkaar, waardoor men den stikdonkeren avond en de woeste landstreek kon zien, en die beide zoo gemaakt waren, dat de een altijd de ander open deed waaien: een huisbouwkundige nieuwigheid, die ik me niet herinner vroeger gezien te hebben, en waarvan de ontdekking me niet al te pleizierig stemde toen ik in bed stapte, daar ik een aanzienlijke som in goud voor onze reiskosten in een kistje bij me had. Maar doordien ik een en ander van onze bagage voor de deur zette, was dit bezwaar gauw achter den rug, en sliep ik dien nacht tegen alle verwachting vrij rustig.
Mijn Bostonner vriend kroop ergens op den zolder onder de dekens, waar een andere logeergast al lag te snorken als een os. Maar daar hij zoo vreeselijk gebeten werd dat hij ’t niet langer uit kon houden, stond hij weer op en zocht een goed heenkomen in den wagen, die voor ’t huis stond te luchten. Politiek was deze stap niet, gelijk van achteren bleek; want nauwelijks hadden de varkens de lucht van hem gekregen, of ze zagen op de koets als een soort van pastei neer, met een of andere vleeschspijs van binnen, met dat gevolg dat ze ’r zoo vreeselijk omheen liepen te knorren, dat hij bang was, er uit te stappen, en er tot ’s morgens in lag te trillen als een juffrouws hondje. Ook kon men hem met den besten wil niet verwarmen door middel van een glas brandewijn; want met een zeer goede en wijze bedoeling verbiedt de Wetgevende macht aan de kroeghouders sterken drank in Indiaansche dorpen te verkoopen, een voorzorg, die echter volstrekt niet doeltreft, om de doodeenvoudige reden dat de Indianen er wel raad op weten om zich van rondventers drank te verschaffen, van slechter qualiteit en duurder prijs.
Deze plaats wordt door een nederzetting van de Wyandot-Indianen bewoond. Onder ’t gezelschap, waarmee we ontbeten, was een goedhartig oud heer, die jarenlang gebruikt was geworden door de regeering der Vereenigde Staten als bemiddelaar bij haar onderhandelingen met de Indianen, en die juist een tractaat gesloten had met dit volk, waarbij ze zich voor een zekere jaarlijksche som verbonden, om het volgende jaar te verhuizen naar een zekere landstreek, bewesten den Mississippi en een klein eindje achter St. Louis. Hij hing me een aandoenlijk tafereel op van hun sterke verknochtheid aan de plaatsen waar eenige herinneringen uit hun kinderlijken leeftijd aan verbonden waren, en vooral aan de begraafplaatsen hunner nabestaanden. Ook gaf hij me in niet minder treffende bewoordingen te kennen, hoe zij er tegen opzagen, al dergelijke plaatsen vaarwel te moeten zeggen. Zulke verhuizingen had hij meer dan eens bijgewoond, en altijd met tegenzin, ofschoon hij wist dat zij tot hun eigen welzijn vertrokken. De vraag of deze stam gaan zou of blijven, was een dag of drie geleden onder hen besproken geworden in een opzettelijk voor dat doel opgerichte hut, waarvan de blokken nog voor de herberg op den grond lagen. Toen de beraadslagingen afgeloopen waren, werden de ja- en neen-stemmers op twee rijen tegenover elkaar gezet, en bracht ieder volwassen man op zijn beurt zijn stem uit. Zoodra de uitslag bekend was, onderwierp de minderheid (een aanzienlijke minderheid) zich gewillig aan de rest en onthield zich van den geringsten tegenstand.
Naderhand kwamen we sommige van deze arme Indianen op ruige hitten tegen. Ze hadden zooveel weg van Zigeuners, dat, had ik er een stuk of wat van in Engeland gezien, ik de gevolgtrekking zou gemaakt hebben, als iets dat vanzelf sprak, dat ze tot dien omzwervenden en rusteloozen volksstam behoorden.
Daar we deze stad terstond na ons ontbijt verlieten, zetten we onzen tocht weer voort over een weg die zoo mogelijk nog slechter was dan die van gisteren, en kwamen tegen den middag te Tiffin aan, waar we met den „extra” vertrokken. Om twee uur gingen we per spoor; maar aangezien ook deze weg alles behalve goed gemaakt, en de grond vochtig en moerassig was, ging het reizen nog niet zeer vlug en kwamen we eerst ’s avonds te Sandusky aan, doch nog juist bijtijds om daar te kunnen dineeren. We stapten af aan een goed ingericht klein logement aan den oever van ’t Erie-Meer, sliepen daar dien nacht, en hadden geen andere keus dan om tot den volgenden dag te wachten, totdat er een stoomboot voor Buffalo op kwam dagen. De stad, die er nogal armzalig uitzag, had wel iets van den achterhoek eener Engelsche badplaats, als ’t seizoen om is.
Onze kastelein, die er niet weinig op uit was om ’t ons zoo gemakkelijk mogelijk te maken, was een knap man van middelbaren leeftijd die naar deze stad was toegekomen uit Nieuw Engeland, in welk gedeelte des lands hij groot was gebracht. Als ik er nu melding van maak, dat hij gedurig, met zijn hoed op, de kamer in- en uitliep; dat hij dan weer staan bleef om op dezelfde vrijpostige manier met ons een praatje te maken, of zoo lang als hij was op onze canapé ging liggen, de krant uit zijn zak haalde en ze op zijn doode gemak las,—zie, dan maak ik er alleen daarom gewag van, om den lezer eenigermate de eigenaardige gewoonten des lands te doen kennen, en in de verste verte niet om mij er over te beklagen als iets dat me eigenlijk hinderde. Thuis zou ik me door dergelijke handelwijze ongetwijfeld beleedigd gevoeld hebben, omdat het bij ons geen gewoonte is, en het in dat geval onbeschoft zou mogen heeten; maar in Amerika koestert een goede, beste vent van dit kaliber geen andere begeerte dan zijn gasten gastvrij en goed te bedienen; en ik had niet meer recht, en gerust mag ik er bijvoegen niet meer lust, zijn gedrag naar den Engelschen regel en standaard te beoordeelen, dan met hem aan ’t kijven te gaan, omdat hij niet precies de lengte had, om opgenomen te kunnen worden bij de grenadiers van de garde der Koningin. Even weinig trek had ik, om ruzie te maken met een potsierlijke oude juffrouw, die een der eerste dienstboden van dit etablissement was, en als ze ons bij den een of anderen maaltijd kwam bedienen, op haar doode gemak plaats nam op den allergemakkelijksten stoel en dan een bakerspeld voor den dag haalde om er haar tanden mee uit peuteren, die kiesche plechtigheid zonder ophouden door bleef verrichten en ons ondertusschen met alle deftigheid aankeek (ons nu en dan aansporende om haar tafel wat meer eer aan te doen), totdat het tijd was om op te staan en af te nemen. Het was ons genoeg, dat men al wat we begeerden, even beleefd als prompt deed, ja, dat men er zelfs op uit was, om, zooals men dat noemt, onze gedachten te raden.
Den dag na onze aankomst, een Zondag, gebruikten we wat vroeg ons middagmaal, toen er een stoomboot in ’t gezicht kwam en dadelijk aan de kaai aanlag. Daar ’t bleek dat ze op weg was naar Buffalo, repten we ons zooveel mogelijk om aan boord te komen, en lieten spoedig Sandusky ver achter ons. Ze was een groot schip van vijfhonderd ton en fraai gestoffeerd, ofschoon met machines van hooge drukking, iets waarbij ik altijd dat soort van gevoel had, dat ik, mijns bedunkens, ondervinden zou, als ik eens op de eerste verdieping van een kruitmolen logeerde. Ze had een lading meel in, waarvan een stuk of wat vaten op dek waren opgeslagen. De kapitein, die naar boven kwam om een praatje te houden en een vriend voor te stellen, ging als een andere Bacchus met zijn voeten dwars over een dezer vaatjes zitten, haalde daarop een groot knipmes uit zijn zak en begon het toen onder ’t praten te schillen, door dunne spaandertjes van de randen af te snijden. En dat schillen ging hem zoo fiks en zoo vlug van de hand, dat, was hij niet heel gauw ergens anders geroepen geworden, van ’t heele vaatje niets anders zou overgebleven zijn dan meel en spaanders.
Nadat we aangelegd hadden aan een paar vlakke plaatjes, met lage dijken die zich in ’t meer uitstrekten, waar, evenals windmolens zonder zeilen, plompe vuurtorens op stonden (een tooneel dat veel weghad van een Hollandsch vignet), kwamen we ’s nachts om twaalf uur te Cleveland aan waar we den heelen nacht en tot ’s morgens negen uur bleven liggen.
Ik was nogal nieuwsgierig ten opzichte van deze plaats. Men moet namelijk weten, dat ik te Sandusky een proeve van haar letterkunde gezien had in den vorm eener krant, die zich ijselijk druk maakte naar aanleiding van Lord Ashburton’s jongste aankomst te Washington, om de geschilpunten te regelen tusschen de regeering van de Vereenigde Staten en Groot-Brittannië, en ziehier nu wat ze haar lezers deed opmerken: had Amerika, toen het nog de kinderschoenen aanhad, Engeland afgerost, en het nog eens afgerost in zijn jeugd, nu was het klaarblijkelijk noodig, dat het, thans op rijper leeftijd gekomen, Engeland nog eens afroste. Daarbij gaf ze allen echten Amerikanen de verzekering, dat, als mijnheer Webster maar zijn plicht deed in de ophanden zijnde onderhandelingen en den Engelschen lord een, twee, drie naar huis stuurde, zij, de Amerikanen, binnen twee jaar „Yankee Doodle zouden zingen in Hyde Park, en Hail Columbia in de scharlakenroode zalen van Westminster!” Ik vond het een aardige stad en had het genoegen het bureau te zien, wel te verstaan van buiten, van ’t dagblad waar ik zoo even gewag van gemaakt heb. Maar het onuitsprekelijke genoegen om den verstandigen kop te aanschouwen uit wiens brein de bovenvermelde volzinnen voortkwamen, smaakte ik helaas niet. Ik twijfel er echter geen oogenblik aan of in zijn soort is hij een genie, een man die bij een uitgezochten kring zeer in tel is.
Er was een heer aan boord, wien ik zonder het te willen of te weten veel hartzeer scheen te veroorzaken. Toevallig vernam ik het door ’t dunne beschot dat onze staatsiehut scheidde van de kajuit waar hij en zijn vrouw samen zaten te praten. Waar ’t vandaan kwam, weet ik niet, maar ’t scheen dat hij me maar niet uit zijn gedachten kon verzetten en danig het land aan me had. Het eerste van al wat ik hem hoorde zeggen (en het grappigste van de zaak was, dat hij het me niet directer had kunnen meedeelen, al had hij op mijn schouders geleund en ’t me ingefluisterd), het eerste nu van al wat ik hem hoorde zeggen, was: „Boz is nog aan boord, lieve.” Na een vrij lange pauseering voegde hij er op stenenden toon bij: „Boz laat zich in ’t geheel niet zien,” iets wat maar al te waar was, want ik was niet al te wel en lag met een boek in mijn hand te bed. Nu dacht ik, dat hij me met rust zou laten, maar jawel! Alweer verliep er een minuut of wat, in welken tusschentijd ik mij verbeeld dat hij erg aan ’t woelen zal gegaan zijn en zijn best zal gedaan hebben om den slaap te vatten, daar barstte hij opnieuw in een jammerklacht uit: „Weet je wat ik denk? Boz is bezig met een boek te schrijven en zet er al onze namen in,” op welke denkbeeldige gevolgtrekking van zich aan boord te bevinden met Boz hij steende en stil werd.
Dien avond kwamen we om acht uur aan de stad Erie aan, en vertoefden daar een uur. ’s Morgens tusschen vijven en zessen arriveerden we te Buffalo, waar we ontbeten en daar we al te dicht waren bij de Groote Watervallen om geduldig ergens anders te wachten, spoorden we nog dienzelfden morgen om negen uur naar den Niagara.
Het was een ellendige dag. Koud en guur was het weer; er viel een natte mist, en kaal en winterachtig zagen de boomen er in die noordelijke streek uit. Waar de trein ook stopte, luisterde ik naar ’t gebruis, en gestadig keek ik den kant uit, waar ik wist dat de watervallen moesten zijn, daar ik de rivier in die richting zag stroomen. En zoo verwachtte ik ieder oogenblik het schuim te zullen zien. Een paar minuten voordat we stopten, niet vroeger, zag ik twee groote witte wolken, die langzaam en statig uit de diepten der aarde oprezen. Dit was alles. Ten laatste stapten we af; en toen hoorde ik voor ’t eerst het geweldig gebruis van water, en voelde ik den grond onder mijn voeten dreunen.
De oever is zeer steil, en was glibberig van regen en half gesmolten ijs. Ik weet ternauwernood hoe ik beneden kwam, maar ’t duurde niet lang of ik was op den bodem, en doof van ’t geweld, half blind van ’t schuim en kletsnat klauterde ik met twee officieren, die zich bij me aangesloten hadden, over een stuk of wat gebroken rotsen heen, en zie, we waren aan den voet van den Amerikaanschen waterval. Ik kon een onmetelijken waterstroom van een zekere groote hoogte eensklaps af zien bruisen, maar had geen idee van vorm of ligging, of van wat dan ook, behalve van onbepaalde onmetelijkheid.
Toen we in ’t kleine overhaalbootje zaten en de gezwollen rivier vlak tegenover beide watervallen overstaken, begon ik te voelen wat het was; maar zoo bedwelmd was ik dat ik den omvang van ’t tooneel niet begrijpen kon. Eerst toen ik aan de Tafelrots kwam en daar, Groote Hemel, wat ’n val van licht groen water voor me zag!—eerst toen deed het zich in al zijn macht en majesteit aan mij voor.
En toen ’k nu voelde, hoe dicht ik bij mijn Schepper stond, was de eerste en de blijvende uitwerking van ’t ontzagwekkend tooneel Vrede. Zielevrede: Rust: Kalme herinneringen aan de Dooden: Groote gedachten van Eeuwige Rust en Geluk: niets wat naar Somberheid of Schrik geleek. Neen, Niagara was op eens in mijn hart afgedrukt als een Beeld der Schoonheid, om daar te blijven onveranderlijk en onuitwischbaar, tot zijn slagaderen voor altijd ophouden te kloppen.
O, hoe week de strijd en moeite van ons dagelijksch leven al meer en meer op den achtergrond, gedurende de tien gedenkwaardige dagen die wij op dien betooverenden grond doorbrachten! Wat al stemmen spraken van uit het donderende water; wat al van de aarde verdwenen gezichten keken mij van uit zijn flikkerende diepten aan; wat hemelsche belofte glinsterde in de engeltranen, de veelkleurige droppelen, die in de rondte neerstroomden en zich kronkelend vereenigden met de prachtige bogen die de steeds afwisselende regenbogen vormden!
In al dien tijd bewoog ik me geen enkel oogenblik van de Canadasche zijde, waar ik ’t eerste naar toe gegaan was; en nooit stak ik de rivier weer over, want ik wist, dat er aan den overkant menschen waren en op zoo’n plaats is ’t natuurlijk dat men vreemd gezelschap mijdt. Den ganschen dag heen en weer te loopen, en de watervallen uit alle gezichtspunten te beschouwen; aan den rand te staan van den Great Horse Shoe-Val en ’t dan op te merken hoe het zich reppende water kracht schijnt te verzamelen als ’t den rand nadert, maar ook een oogenblik schijnt te wachten voor en aleer het zich werpt in den afgrond daar beneden; van de effen watervlakte starend op te zien naar den vloed, zooals die naar beneden stroomt; de naburige hoogten te beklimmen en den val door de boomen te bespieden en te zien hoe het water zich al draaiend en kronkelend haast, om zoo aanstonds met vreeselijk gedruisch omlaag te ploffen, te drentelen in de schaduw der statige rotsen drie mijlen beneden, en dan de rivier gade te slaan, zooals ze, door geen zichtbare oorzaak in beweging gebracht, zwol en draaide en de echo’s wakker maakte; de Niagara voor me te hebben, verlicht door de zon en door de maan, rood als de zon van lieverlede ondergaat en grauw als de avond langzaam invalt; er alle dag naar te kijken, en ’s nachts wakker te worden en zonder ophouden zijn stem te hooren: dit was genoeg.
En telkens als het thans rustig om mij heen is in de natuur, denk ik er aan, dat diezelfde wateren nog altijd rollen en springen, en den ganschen dag bruisen en ruischen. Dan denk ik er aan, dat, schijnt de zon er op, ze glinsteren en blinken als gesmolten goud, en dat, bij somber weer, ze als sneeuwvlokken neervallen of als het voorste gedeelte van een grooten krijtberg schijnen af te brokkelen of als dichte witte rook langs de rots schijnen af te rollen. Doch altijd schijnt de machtige stroom te sterven als hij naar beneden komt, en altijd verrijst uit zijn onpeilbaar graf dat schrikkelijk spook van schuim en damp, dat nooit verdwenen is maar altijd door is blijven spoken met dezelfde ontzettende plechtigheid sedert de Duisternis broedde over de diepte en die eerste stroom voor den Zondvloed—het Licht—op Gods woord zich over de schepping kwam verspreiden.