XV.

CANADA TEGENOVER DE VEREENIGDE STATEN.

IN CANADA; TORONTO; KINGSTON; MONTREAL; QUEBEC; ST. JOHN’S. WEER IN DE VEREENIGDE STATEN; LIBANON; HET KWAKERDORP EN WEST POINT.

Ik wensch er mij van te onthouden, de geringste vergelijking te maken of eenige parallel te trekken tusschen de kenmerkende eigenschappen van ’t maatschappelijke leven der Vereenigde Staten en die van de Britsche bezittingen in Canada. Om deze reden zal ik me dan ook bepalen bij een zeer kort verslag van onze uitstapjes naar ’t laatstgenoemde grondgebied.

Maar voordat ik den Niagara verlaat, moet ik op een zekere stuitende omstandigheid wijzen, die bezwaarlijk ontsnapt kan zijn aan de aandacht van elken fatsoenlijken reiziger die de watervallen bezocht heeft.

Op de zoogenaamde Tafelrots staat een hut, die aan een gids behoort, waar kleine relieken van de plaats verkocht worden en bezoekers hun namen schrijven in een boek dat er expres voor dat doel op na wordt gehouden. Op den muur der kamer, waar een groote menigte van deze boeken bewaard worden, is het volgende verzoek aangeplakt: „De bezoekers worden verzocht, van de aanteekeningen en dichterlijke ontboezemingen uit de hier gehouden registers en albums noch afschriften noch uittreksels mede te nemen.”

Zonder dien zijdelingschen wenk had ik ze laten liggen op de tafels, waar ze evenals boeken in een gezelschapskamer, met zorgvuldige nalatigheid door elkaar verspreid lagen,—ik had toch rijkelijk genoeg aan de verbazende zouteloosheid van zekere verzen met een anticlimax aan ’t einde van ieder couplet, die in lijstjes gezet en aan den muur opgehangen waren. Maar daar dat bericht mijn nieuwsgierigheid geprikkeld had om eens te gaan zien, wat voor geestesproducten zoo zorgvuldig bewaard werden, sloeg ik een stuk of wat bladen om en vond ze toen volgekrabbeld met de vuilste en smerigste liederlijkheid, waar tweevoetige zwijnen ooit schik in hadden.

Is ’t nog niet vernederend genoeg te weten, dat er onder menschen zulke liederlijke en nietswaardige dieren gevonden worden, dat ze ’r schik in kunnen hebben, hun ellendige profanatiën tot zelfs op de trappen van ’t grootst altaar der Natuur neer te leggen?! Maar dat deze zwijnerijen ten pleiziere van hun medezwijnen opgehoopt en op een openbare plaats bewaard worden, waar aller oogen ze kunnen zien, kijk, dat is een schande voor de Engelsche taal, waar ze in geschreven zijn (ofschoon ik hoop dat maar weinig Engelschen zich aan die vuilheid hebben schuldig gemaakt) en een verwijt voor den Engelschen kant waar ze bewaard worden.

De kwartieren van onze soldaten bij den Niagara zijn mooi en luchtig gelegen. Sommige daarvan zijn groote op zichzelf staande huizen op de vlakte boven de watervallen, die oorspronkelijk voor logementen bestemd waren; en ’s avonds als de vrouwen en kinderen over de balkons leunden om naar de mannen te kijken, die op ’t gras voor de deur aan ’t ballen en met andere spelen bezig waren, leverden ze dikwijls zoo’n vroolijk en opgewekt, tafereeltje op, dat het een pleizier was, dien weg langs te komen.

Het spreekt van zelf, dat er op elke garnizoensplaats, waar de demarcatielijn tusschen het eene land en het andere zoo allersmalst is als bij den Niagara, menigmaal gevallen van desertie voor moeten komen, en redelijkerwijs mag men veronderstellen, dat, koesteren de soldaten de wildste en dolste verwachtingen dat daar aan den overkant fortuin en onafhankelijkheid voor hen weggelegd zijn, de impulsie om den verrader te spelen, die zoo’n plaats laaghartige gemoederen instort, er niet zwakker op wordt. Maar zelden, uiterst zelden gebeurt het, dat de menschen, die deserteeren, naderhand gelukkig zijn en ’t naar hun zin hebben. Er zijn zelfs voorbeelden van in menigte, dat ze hun smartelijke teleurstelling bekend en meteen hun ernstige begeerte te kennen gegeven hebben, om tot hun ouden dienst terug te keeren, als ze maar verzekerd konden zijn van pardon of ten minste van een lichte straf. Verscheidene hunner kameraden maken er zich echter af en toe schuldig aan; en voorvallen van soldaten, die bij hun pogingen om de rivier over te zwemmen er het hachje bij inschieten, behooren waarlijk niet onder de zeldzaamheden. Het is nog niet zoo lang geleden, dat verscheidene mannen jammerlijk verdronken toen ze probeerden om naar den overkant te zwemmen, en een, die de dolheid had om zich op een tafel als op een vlot te vertrouwen, werd naar de draaikolk heen gesleurd, waar zijn gehavend lijk dagen achtereen ronddraaide.

Ik voor mij geloof, dat men het gedruisch der watervallen erg overdreven heeft voorgesteld, en dat zal des te waarschijnlijker voorkomen, als men de diepte der groote kom, waar het water in opgevangen wordt, in aanmerking gelieft te nemen. Zoolang wij ons hier ophielden was de wind geen enkel oogenblik hoog of onstuimig, en toch hebben we op een afstand van drie mijlen dat gedruisch nog nooit gehoord, zelfs niet bij zonsondergang, wanneer alles zoo rustig om ons heen was en wij onze ooren terdege spitsten.

Queenston, vanwaar de stoombooten naar Toronto afvaren (of ik moest liever zeggen waar ze stoppen, want hun aanlegplaats is te Lewiston aan den overkant), Queenston ligt in een liefelijk dal, waardoor de Niagara, donkergroen van kleur, haar loop voortzet. Men komt aan deze plaats langs een weg, die zich slingert onder de hoogten waar de stad door beschut wordt, en levert, van dit punt gezien, een buitengewoon mooi en schilderachtig gezicht op. Op de verhevenste dezer hoogten stond een gedenkteeken opgericht door de Provinciale Vergadering ter eere van generaal Brock, die, na de overwinning te hebben behaald in een gevecht met de Amerikaansche legermacht sneuvelde. De een of andere vagebond—men veronderstelt dat het een deugniet, een zekere Lett is, die nu zit, althans nog onlangs wegens een zwaar vergrijp in de gevangenis was—deze nu heeft dit monument voor een paar jaar in de lucht doen vliegen, zoodat het thans een nare puinhoop is met een lang stuk van een ijzeren leuning, dat er boven aan hangt, en evenals een wilde klimoptak of geknotte wijngaardrank heen en weer slingert. Het is van veel hooger gewicht dan men bij oppervlakkige beschouwing zou veronderstellen, dat dit standbeeld op algemeene kosten weer hersteld wierd, iets wat trouwens al sinds lang had moeten geschieden. Ten eerste, omdat het beneden de waardigheid van Engeland is, een gedenkteeken, dat ter eere van een zijner verdedigers op de plaats zelve waar hij stierf opgericht is geworden, in dezen toestand te laten. Ten tweede, omdat het gezicht van dat gedenkteeken in zijn tegenwoordigen toestand, en de herinnering aan de ongestrafte beleediging die daarvan de oorzaak was, waarlijk niet zeer geschikt is, om beter gevoelens onder de hier wonende Engelsche onderdanen aan te wakkeren of hun twisten en oneenigheden over de grensbepaling bij te leggen.


Ik stond hier op de kaai naar de passagiers te kijken, die zich inscheepten in een stoomboot, die de door ons verwachte boot voorafging en deelde in de ongerustheid waarmee een sergeantsvrouw haar armzalig boeltje bij elkaar legde. Strak hield ze haar eene afgetrokken oog gevestigd op de kruiers, die haar goed aan boord gooiden, en haar andere op een waschtobbe zonder hoepels, waar ze, al was het ook het geringste stuk van haar huisraad, bijzonder veel van scheen te houden. Ondertusschen kwamen er een stuk of vier soldaten met een milicien aan, die aan boord gingen.

De milicien was op ’t oog nog piepjong, stevig gebouwd en welgemaakt, maar alles behalve nuchter, ja had zelfs al het voorkomen van iemand die dagen achtereen min of meer beschonken was geweest. Hij droeg een klein bundeltje over zijn schouder dat aan ’t end van een wandelstok was vastgemaakt, en had een korte pijp in zijn mond. Hij was even stoffig en vuil als miliciens gewoonlijk zijn, en aan zijn schoenen kon men zien, dat hij al een aardig eindje te voet had afgelegd. Niettemin, hij had niet weinig schik in zijn leven. Zoo schudde hij den eenen soldaat de handen, en klopte een ander op zijn rug, en praatte en lachte onophoudelijk, kortom maakte een drukte als een dartele, speelsche keffer.

De soldaten lachten eerder om dezen vroolijken snuiter dan met hem, en zooals ze daar hun rottingen recht stonden te buigen en hem koeltjes aankeken, schenen ze wel te zeggen: „ga je gang maar, jongelief, doe maar net of je thuis bent! langzamerhand zal je wel ontgroend worden”.... daar viel de nieuweling, die in zijn brooddronkenheid achteruit naar ’t gangboord geloopen was, voor hun oogen pardoes in ’t water en spartelde niet zoo’n klein beetje in de rivier tusschen ’t schip en ’t dok.

Nooit zag ik iets dat me zoo goeddeed als de verandering die ik op eens bij deze soldaten bespeurde. Bijna voordat de man er in lag, was al hun stijfheid en stroefheid, hun stand zoo eigen, in een ommezien verdwenen, en legden ze de grootste geestkracht aan den dag. In minder tijd dan vereischt wordt om ’t te vertellen, hadden ze hem er weer uit, eerst de voeten, met de panden van zijn jas die hem over zijn oogen fladderen, terwijl alles hem verkeerd aan ’t lijf hing en het water uit iederen draad van zijn kaalgesleten kleeren stroomde. Maar op ’t zelfde oogenblik dat ze hem op de been hadden geholpen en merkten dat alles goed afgeloopen was, waren ze weer soldaten en keken stijver en strakker dan ooit.

De halfontnuchterde milicien keek een oogenblik rond, alsof de eerste opwelling bij hem dit was, zijn redders te bedanken, maar toen hij zag hoe doodonverschillig zij er bij stonden en dezelfde soldaat, die zich het drukst bij de karwei geweerd had, hem met een vloekwoord zijn natte pijp terug gaf, toen stak hij ze in zijn mond, stopte zijn handen in zijn vochtige zakken en ging, zonder zelf het water uit zijn kleeren te schudden, al fluitend op en neer loopen, precies alsof er, ik zal niet zeggen niets gebeurd was, maar alsof hij ’t voor de grap gedaan had en de grap hem volkomen was gelukt.

Zoodra deze boot weg was, kwam de onze aanstoomen en bracht ons gauw naar de monding van de Niagara, waar de sterren en strepen van Amerika aan den eenen kant wapperen en Engelands nationale vlag aan de andere zij: en zoo nauw is de ruimte tusschen hen, dat de schildwachten in ieder fort dikwijls elkaars parool kunnen verstaan. Vandaag stoomden wij het meer Ontario in, een binnenlandsche zee, en waren tegen halfzeven te Toronto.

Daar de landstreek rondom deze stad zeer vlak is, treft men er ook geen opmerkelijke natuurtooneelen aan, maar de stad zelf is vol leven en beweging, en draagt alle kenmerken dat er veel om- en vooruitgaat. De straten zijn goed geplaveid en met gas verlicht, de huizen groot en goed; de winkels uitmuntend. In verscheiden winkels was de uitstalling van dien aard dat men ’t op de drukste plaatsen van Engeland niet beter kan vinden; sommige magazijnen zouden zelfs de hoofdstad niet ontsieren. Er is een goede steenen gevangenis hier, buitendien een mooie kerk, een gerechtshof, openbare bureaux, tal van geriefelijke particuliere woningen, en een gouvernements-observatorium om de magnetische veranderingen op te teekenen en er vervolgens verslag van uit te brengen. In ’t college van Opper Canada, een van de openbare instellingen der stad, wordt een gezond onderwijs gegeven in alle vakken die tot een beschaafde opvoeding behooren. Het leergeld is zeer matig gesteld. Iedere leerling betaalt namelijk jaarlijks niet meer dan hoogstens negen pond sterling. Deze school is nogal rijk in land en bekleedt onder de nuttige maatschappelijke instellingen een eervolle plaats.

’t Was maar een dag of wat geleden, dat de gouverneur-generaal den eersten steen had gelegd van een nieuwe school. Het zal een fraai, ruim gebouw worden, met een lange laan tot toegang, die al geplant is en als een openbare wandelplaats zal gebruikt worden. De stad is wel geschikt voor een gezonde beweging in elk seizoen, want de voetpaden in de passages, die achter de hoofdstraat liggen, zijn met planken beschoten evenals een vloer en worden goed en zindelijk onderhouden.

Wel is het grootelijks te bejammeren, dat staatkundige geschillen te dezer stede zoo hoog kunnen loopen, dat ze de allertreurigste en allernadeeligste gevolgen hebben. Zoo is ’t nog niet lang geleden, dat er uit een raam geschoten werd op de gelukkige candidaten bij een verkiezing, bij welke gelegenheid de koetsier van een hunner een schot in zijn lijf kreeg, dat Goddank! niet doodelijk afliep. Maar er was één man, die bij dezelfde gelegenheid gedood werd, en van ’t zelfde raam waar hij het doodelijk schot uit ontving, werd dezelfde vlag die zijn moordenaar beschermde (niet alleen in de uitvoering zijner misdaad, maar zelfs tegen haar gevolgen) opnieuw uitgestoken bij gelegenheid dat de openbare plechtigheid waar ik zoo even op gezinspeeld heb, door den gouverneur-generaal geleid werd. Van al de kleuren in den regenboog is er maar één, die zóó gebruikt kon worden: ik behoef niet te zeggen dat die vlag de oranje-vlag was.


Van Toronto vertrekt men ’s middags naar Kingston. Den volgenden morgen is de reiziger om acht uur aan ’t eind zijner reis, die per stoomboot afgelegd wordt op ’t meer Ontario. De boot legt te Port Hope en Coburg aan. Deze laatste plaats is een vroolijk en bedrijvig stadje. Ook de lading dezer schepen bestaat voornamelijk uit meel. Zoo hadden wij tusschen Coburg en Kingston niet minder dan duizend tachtig vaatjes aan boord.


Kingston, thans de zetel der regeering in Canada, is een armzalige stad, die er nog armzaliger uitziet, omdat er onlangs een brand geweest is, die op haar marktplein nogal wat verwoestingen heeft aangericht. Ja waarlijk van Kingston mag gezegd worden, dat de eene helft er van verbrand schijnt te zijn en de ander helft niet schijnt opgebouwd te worden. Het gouvernementsgebouw is noch sierlijk noch gemakkelijk, en toch is ’t het eenige huis van eenig gewicht in de buurt.


Men vindt hier een uitmuntende gevangenis, die met veel beleid bestuurd wordt en waarvan de inrichting in ieder opzicht voortreffelijk mag heeten. De mannen worden er aan ’t werk gezet als schoenmakers, touwslagers, grofsmeden, kleermakers, timmerlui en steenhouwers; ook waren er sommige bezig met het bouwen van een nieuwe gevangenis, die op een kleinigheid na af was. De vrouwelijke gevangenen waren met naaiwerk in de weer. Onder haar was een mooi twintigjarig meisje, dat er al bijna drie jaar geweest was. Tijdens den opstand in Canada diende zij als overbrengster van geheime depêches voor de zoogenaamde Patriotten op Navy Island, bij welke gelegenheid zij nu eens als een meisje gekleed was en dan de depêches in haar korset verstopte, dan weer jongenskleeren droeg en ze tusschen de voering van haar hoed verborg. In dit laatsten karakter reed ze altijd zoo goed als de beste jongen, iets wat niets voor haar was, want ze kon rijden tegen den besten, ja kon met de zweep in de hand zelfs een vierspan mennen. Op een harer patriottische zendingen eigende zij zich het eerste het beste paard toe, dat ze machtig kon worden, welke daad haar daar bracht waar ik ze nu zag. Zij had een allerliefst gezicht, ofschoon er, gelijk de lezer uit deze schets van haar geschiedenis op kan maken, een duiveltje in haar helder oog op de loer lag, waarmee ze nogal scherp tusschen de tralies van haar gevangenis zat te gluren.

Er is hier een verbazend sterk bomvrij fort, waarvan de positie uitnemend is, en dat zonder twijfel in oorlogstijd van grooten dienst zou zijn, ofschoon ’t mij voorkomt dat de stad te dicht bij de grenzen ligt om in zoo’n tijd lang aan zijn doel te beantwoorden. Ook vindt men hier een kleine marine-werf, waar een paar gouvernements-stoombooten gebouwd werden, iets wat daar vlug van de hand scheen te gaan.

’s Morgens om halftien vertrokken we van Kingston naar Montreal, en stoomden de St. Laurentius-rivier af. Bezwaarlijk kan men zich een denkbeeld vormen van de schoonheid van dezen edelen stroom op bijna ieder punt, maar voornamelijk in ’t begin dezer reis, als hij zich te midden van al die honderden eilanden heenslingert. Het getal en gestadig voor den dag komen van deze eilanden, alles groen en verbazend houtrijk; hun afwisselende omvang, zoodat sommigen zoo groot zijn, dat ze een half uur lang den overkant der rivier schijnen te wezen, en sommigen zoo klein dat ze louter kuiltjes zijn in haar breeden boezem; hun oneindige verscheidenheid van vormen, en de ontelbare mengelingen van schoone vormen die de daarop groeiende boomen aanbieden: dat alles maakt een schilderij uit, die geen alledaagsch genot oplevert.

In den namiddag schoten we langs eenige snelvlietende punten naar beneden, waar de rivier op een vreemde manier kookte en borrelde en de plotselinge heftigheid van den stroom geweldig was. Om zeven uur bereikten we de landingsplaats van Dickenson, van waar de reizigers een uur of drie per diligence reizen, daar de rivier hier zoo snel vliet, dat het te gevaarlijk en te moeielijk zou wezen voor de stoombooten, om hier den overtocht te wagen. Het getal en de lengte dier portages, waarover slechte wegen loopen en het reizen dus langzaam gaat, maken den weg tusschen de steden Montreal en Kingston min of meer vervelend.

„HEM ZIJN NATTE PIJP TERUGGAF,” ENZ. (Bladz. 111).

„HEM ZIJN NATTE PIJP TERUGGAF,” ENZ. (Bladz. 111).

Onze weg lag over een wijde, open landstreek op een kleinen afstand van den rivieroever, van waar de helder waarschuwende lichten op de gevaarlijke punten van de St. Laurentius-rivier ons tegenglinsterden. Donker en guur was de avond, en de weg nogal eentonig. Het was bij tienen toen we aan den steiger kwamen, waar de volgende stoomboot lag. Hier gingen we aan boord, en naar bed.

Zij lag daar dien ganschen nacht, en vertrok zoodra de dag aanbrak. De morgen werd ingewijd met een geweldigen donderstorm en was erg nat, maar van lieverlede klaarde het weer op. Toen ik na ’t ontbijt op dek ging, keek ik vreemd op, een reusachtig vlot, met een stuk of veertig houten huizen er op, en ten minste met even zooveel masten, met den stroom naar beneden te zien drijven, zoodat het wel iets weghad van een straat op zee. Naderhand zag ik verscheidene van deze vlotten, maar nooit een dat zoo groot was. Al het timmerhout („lumber” noemt men dit in Amerika), dat de St. Laurentius-rivier passeert, wordt op deze manier gevlot. Bereikt nu zoo’n vlot de plaats zijner bestemming, dan wordt het opgebroken, het materieel verkocht, en de vlotters keeren huiswaarts, om nieuwe vracht te halen.

Om acht uur landden we weer, en reisden vier uur achtereen per diligence door een liefelijke en welbebouwde streek, die er in ieder opzicht geheel op zijn Fransch uitzag: de hutten; de houding, taal en kleeding van den boerenstand; de uithangborden voor de winkels en kroegen; nissen met Mariabeelden er in, en kruisen langs den weg. Bijna iedere gemeene landbouwer en jongen, al had hij geen schoenen aan zijn voeten, droeg een sjerp van de een of andere lichte kleur om zijn middel: gewoonlijk rood; en de vrouwen, die aan de velden en tuinen werkten en daar allerlei arbeid verrichtten, hadden altemaal groote platte stroohoeden op met allerbreedste randen. Er waren Roomsche priesters en liefdezusters in de dorpsstraten; en beeltenissen van den Zaligmaker aan de hoeken van kruisstraten en op andere publieke plaatsen.

’s Middags gingen we aan boord van een andere stoomboot, en bereikten tegen drieën het dorp Lachine, negen mijl van Montreal. Daar verlieten we de rivier en gingen over land.

Montreal ligt heel aardig aan den oever der Laurentius-rivier en heeft van achteren een stuk of wat beduidende hoogten, waar bekoorlijke rij- en wandelwegen zijn aangelegd. Over ’t algemeen zijn de straten nauw en onregelmatig, zooals in de meeste Fransche steden die een beetje oud zijn; maar in de nieuwere gedeelten zijn ze wijd en luchtig. De winkels, die men daar aantreft bieden nogal wat verscheidenheid aan en zijn heel goed, en zoowel in de stad als in de voorsteden zijn tal van uitmuntende particuliere woningen. De granietsteenen kaaien vallen in ’t oog door hun schoonheid, stevigheid en uitgebreidheid.

Er bevindt zich hier een zeer groote Roomsche hoofdkerk, die eerst onlangs is gebouwd, met twee slanke torenspitsen, waarvan de eene nog niet af is. Op de open ruimte voor dit gebouw staat geheel op zich zelf een sombere vierkante steenen toren, die er erg vreemd en in ’t oogloopend uitziet, weshalve de wijsneuzen der plaats dan ook besloten hebben, hem onmiddellijk onder den voet te halen. Het gouvernementsgebouw is veel beter dan dat te Kingston, en de stad vol leven en vertier. In een der voorsteden is een planken weg—geen voetpad—die een mijl of zes lang is, en een weg waar wat omgaat ook. Al de rijwegen in den omtrek waren hier eens zoo druk geworden door ’t invallen der lente, die hier zoo op eens verschijnt, dat men als ’t ware binnen een dag uit den barren winter de bloeiende jeugd des zomers voor zich ziet.

De stoombooten op Quebec leggen de reis ’s nachts af; dat is te zeggen, ’s avonds om zes uur verlaten ze Montreal en den volgenden morgen om zes uur zijn ze te Quebec. Tijdens ons oponthoud te Montreal (dat ruim veertien dagen duurde) hebben we dit uitstapje eenmaal gedaan, en waren verrukt door al het belangwekkende en schoone, dat we daar aantroffen.

Met zijn duizelingwekkende hoogten, zijn citadel die als ’t ware in de lucht hangt, zijn schilderachtige steile straten en dreigende poortwegen en de prachtige gezichten waar telkens en telkens weer het oog op stuit, is de indruk, dien dit Gibraltar van Amerika op den bezoeker maakt, èn eenig in zijn soort èn duurzaam. Het is een plaats die niet vergeten, of in onzen geest met andere plaatsen verward, of maar een enkel oogenblik in gewicht verminderd kan worden te midden van de massa tooneelen die een reiziger in zijn geheugen terug kan roepen. Daargelaten de werkelijkheden dezer allerschilderachtigste stad, hechten er zich zooveel belangrijke herinneringen aan, dat het zelfs een woestijn belangwekkend zou maken. De gevaarlijke afgrond, bij welks rotsachtig front Wolfe en zijn dappere metgezellen het pad der glorie beklommen; de Vlakten van Abraham, waar hij zijn doodelijke wond ontving; de vesting, door Montcalm zoo ridderlijk verdedigd; en het graf van zijn soldaat, door ’t springen van een bom nog tijdens zijn leven voor hem gedolven, ziedaar eenige van de herinneringen, die waarlijk niet onder de onbeduidendste kunnen gerekend worden, maar integendeel tot de gewichtigste episoden der geschiedenis behooren. Meteen is dat een edel Gedenkteeken, en twee groote Natiën waardig, dat de nagedachtenis van beide dappere generaals vereeuwigt en waar hun namen gezamenlijk op gegriffeld staan.

De stad is rijk in openbare instellingen, en in Roomsche kerken en gestichten van liefdadigheid, maar ’t is voornamelijk in ’t gezicht, dat men van ’t oude Gouvernementsgebouw en van de Citadel geniet, dat haar weergalooze schoonheid gelegen is. De even voortreffelijke als uitgebreide landstreek, rijk in akkers en in bosschen, in berghoogten en in water, die daar voor u ligt, terwijl mijlen ver Canadasche dorpen u tegenglinsteren in lange witte strepen, evenals aderen die door ’t landschap loopen; de bonte massa spitse gevels, daken, schoorsteentoppen in de oude heuvelachtige stad onmiddellijk bij de hand; de schoone St. Laurentius-rivier vonkelend en flikkerend in de zon; en de nietige schepen, daar onder aan de rots vanwaar ge het tooneel aanstaart, waarvan de tuigage, op zoo’n afstand beschouwd, wel iets wegheeft van spinnewebben, terwijl de groote en kleine vaten op hun dekken tot speelgoed inkrimpen en aan den gang zijnde matrozen zooveel poppetjes worden; dit alles, omlijst als het is door een ingezakt raam in de vesting en beschouwd van uit de beschaduwde kamer daarbinnen, het vormt een der helderste en bekoorlijkste schilderijen waar ’s menschen oog op rusten kan.

In ’t voorjaar trekken groote massa’s landverhuizers die onlangs uit Engeland of Ierland kwamen, tusschen Quebec en Montreal door, op hun weg naar de zwarte wouden en nieuwe nederzettingen van Canada. Is het (gelijk ik heel dikwijls ondervonden heb) een aardig tijdverdrijf, als men ’s morgens op de kaai te Montreal rondslentert en ze dan bij groepen van honderden op de steigers ziet bij hun kisten en koffers,—een allerbelangrijkste zaak mag het heeten, hun medepassagier te zijn op een dezer stoombooten en, vermengd onder den grooten hoop, ze dan onopgemerkt gade te slaan.

Het schip, waarmee we van Quebec naar Montreal terugkeerden, krioelde van dat soort volkje, en ’s nachts spreidden zij hun bedden tusschendeks (zij althans, die een bed rijk waren) en sliepen zoo vlak naast de deur onzer kajuit, dat de passage heen en terug gestremd was. Bijna allen waren ze Engelschen, grootendeels uit Cloucesterhire, en hadden een lange winterreis gehad; maar ’t was verwonderlijk hoe zindelijk de kinderen waren gehouden en hoe onvermoeid al de arme ouders in hun liefde en zelfverloochening waren.

Laten we op dit punt nog zoo’n huichelachtigen onzin uitkramen—en we zullen dit wel doen tot aan ’t einde der dingen—het is veel moeielijker voor den arme om deugdzaam te wezen dan voor den rijke, en het goede, dat in hem is, schijnt daarom des te helderder. In menige adellijke huizing woont een man, de beste echtgenoot en vader, wiens voortreffelijkheid in beiderlei gezicht terecht hemelhoog verheven wordt. Maar breng hem eens hier, op dit volgepropte dek. Ontdoe zijn mooie jonge vrouw van haar zijden japonnen en juweelen, maak los heur gevlochten haar, groef vroege rimpels boven haar wenkbrauwen, druk op haar verflenste wang den stempel van zorg en veel ontbering, hul haar uitgemergelde gestalte in een armzalige opgelapte kleeding, laat er niets anders dan zijn liefde wezen om haar te prijzen of op te schikken, en ge zult hier waarlijk de som op de proef zetten. Verander buitendien zijn stand in de wereld, zoodat hij in deze jonge kinderkens, die daar klauteren op zijn knieën, geen dragers van zijn naam en rijkdom ziet, maar stumpertjes met hem worstelend om hun dagelijksch brood, eigenlijk zooveel stroopers op zijn dak, die zijn schralen pot nog schraler, zijn bange zorg nog banger maken. Stapel op zijn hoofd in plaats van al datgene wat voor de rijken de prille jeugd hunner lievelingen tot een Eden toovert, al haar nooden en behoeften, haar ziekten en gebreken, haar knorrigheid en luimen, en wat er al meer in de schamele hut of vochtige kelderwoning of bedompte vliering binnensluipt en nestelt;—laat geen: „Och toe, papa, geef me dit; och toe, mama, geef me dat,” of soortgelijk gesnap zijn ooren kittelen maar de nare, allernaarste tonen, die gorgelend uit de zwakke keeltjes komen: „Vader, ’k heb zoo’n honger en dorst; moeder, ’k ben zoo koud,” zijn vaderhart als vaneenrijten, en... als nu zijn vaderlijke liefde dit alles uit kan staan, en hij geduldig, waakzaam, teeder blijft, altijd bezorgd voor ’t leven zijner kinderen, altijd deelend in hun vreugd en smart, welnu, stuur hem dan terug naar Parlement en Kansel en Rechtbank, en hoort hij dan van die mooie, honingzoete praatjes over de verdorvenheid van dezulken die van de hand in den tand leven en hard werken om er op die manier nog rond te komen, laat hem dan, als iemand die er nu alles van weet, zijn mond open gaan doen om die wauwelaars in de ooren te donderen dat zij, die in zoo’n gansch andere klasse dan die der armen verkeeren, aartsengelen in hun dagelijksch leven konden zijn en moesten wezen, en dat, vergeleken bij haar, de klasse der armen, de weg naar den Hemel hun zoo effen gebaand is, dat zij hem als ’t ware maar voor ’t grijpen hebben.

Ja, wie onzer zal zeggen wat hij doen zou, als zoo’n vreeselijke werkelijkheid, niet zoo’n bitter kleine hoop op den koop toe dat het ooit anders zal worden, eens zijn deel ware! Wat mij betreft, toen ik deze menschen om me heen opnam: ver van huis, zonder huis, behoeftig, zwervend, vermoeid van al dat reizen en trekken en sloven en slaven; en toen ik zag hoe goed zij op hun kleinen pasten; hoe zij altijd eerst in hun behoeften voorzagen en daarna maar half in hun eigen; toen ik zag wat edele priesteressen van geloof en hoop de vrouwen waren; hoe de mannen door haar voorbeeld leerden; en hoe zeldzaam, hoe uiterst zeldzaam een onvertogen woord over hun lippen kwam of een ruwe klacht uit hun midden opsteeg,—toen ik nu van een en ander getuige was, voelde ik dat een warmer gloed van eer en trots op mijn medemenschen mijn hart doortintelde, en ontboezemde ik een wensch tot God, dat menig Atheist, menigeen die het hooger deel in ’s menschen natuur loochent, daar ter plaats aanwezig had mogen zijn, om met mij deze eenvoudige les uit het Boek des Levens te lezen.


Den dertigsten Mei verlieten wij Montreal, om weer naar New-York terug te keeren. Te dien einde staken we per stoomboot naar La Prairie over, aan den overkant van de St. Laurentius-rivier, en spoorden vervolgens naar St. John’s, dat aan den oever van ’t meer Champlain ligt. De laatste groet, dien we in Canada kregen, was van de Engelsche officieren in de pleizierige barakken te dier plaatse (een klasse van heeren, die elk uur van ons bezoek gedenkwaardig hadden gemaakt door hun gastvrijheid en vriendschap); en terwijl het „Rule Brittania” ons nog in de ooren klonk, lieten wij ’t spoedig achter ons.


Maar Canada heeft altijd een voorname plaats in mijn aandenken bekleed, en zal die plaats altijd blijven bekleeden. Weinig Engelschen zijn ondertusschen voorbereid, om het recht te laten wedervaren. Geen nood! Met zijn bedaarden vooruitgang; met zijn streven en oude geschillen bij te leggen, die dan ook trouwens al bijna in ’t vergeetboek geraakt zijn; met zijn openbare meening en particulieren ondernemingsgeest, die beide in een gezonden en bloeienden toestand verkeeren, terwijl niets wat naar koortsachtige gejaagdheid zweemt zijn maatschappelijk bestaan in gevaar brengt, maar integendeel elke polsslag gezondheid en kracht verraadt;—met dat alles nu toont Canada, dat het een landstreek is vol hoop en vol belofte. Ik althans, gewend als men mij had, om me dit land voor te stellen als iets dat in de renbaan onzer vooruitgaande maatschappij heel achteraan was gebleven, als iets, dat, verwaarloosd en vergeten, maar lag te dutten en op die manier al dommelend wegkwijnde,—ik keek niet weinig vreemd op, toen ik te dezen opzichte een werkelijkheid onder mijn oogen kreeg, die daarvan hemelsbreed verschilde. Die vraag naar ambachtslui en dat bedrag der arbeidsloonen, die drukke kaaien van Montreal, die schepen ladende en lossend, dat aantal schepen in de verschillende havens; die handel, die wegen en openbare werken, alles gemaakt om den tand des tijds te kunnen verduren; die fatsoenlijkheid en rechtschapenheid der dagbladen, en dan die teekenen van welvaart, de vrucht van noeste vlijt en werkzaamheid,—dat alles was wel geschikt om mijn verbazing niet weinig op te wekken. Laat me ’r nog bij voegen, dat, wat orde, zindelijkheid en veiligheid betreft, alsmede het hoogst fatsoenlijk karakter der kapiteins en de wijze waarop zij ze ten gerieve der passagiers ingericht hebben, de stoombooten op de meren zelfs voor de beroemde en op dit punt terecht bij ons zoo hoog aangeschreven Schotsche schepen niet onder behoeven te doen. Nu is ’t waar, dat de logementen in den regel slecht zijn, omdat het hier zoo niet de gewoonte is, evenals in de Vereenigde Staten, van de table d’hôte gebruik te maken, en, behalve dat de Engelsche officiers, die een groot deel van de maatschappij in iedere stad uitmaken, gewoonlijk aan de regimentstafels eten, maar in ieder ander opzicht zal de reiziger in Canada even plezierig, even gemakkelijk kunnen reizen als in elke mij bekende plaats.


Er is één Amerikaansche boot—het schip dat ons over het meer Champlain, van St. John’s naar Whitehall bracht—waar ik hoogen lof aan toebreng, maar niet hooger dan ze verdient, wanneer ik zeg dat ze zelfs beter is dan die waarmee we van Queenston naar Toronto, of van laatstgenoemde plaats naar Kingston stoomden, ja—ik mag er dit gerust bijvoegen—beter dan eenige andere boot ter wereld. Deze stoomboot, die de Burlington heet, is een modelboot, wat zindelijkheid, sierlijkheid en orde betreft. De dekken zijn receptie-kamers; de kajuiten boudoirs, die met smaak gestoffeerd, en met platen achter glas, schilderijen en muziekinstrumenten versierd zijn; tot zelfs ieder hoekje is een curiositeit van sierlijk „comfort” en schoonen bouw. Kapitein Sherman, aan wiens vernuft en uitstekenden smaak alleen dit alles is te danken, heeft zich bij meer dan een hachelijke gelegenheid op de verdienstelijkste wijze onderscheiden, en wel niet het minst bij gelegenheid dat er (gedurende den opstand in Canada) Britsche troepen moesten getransporteerd worden en hij zedelijken moed had, zijn vaartuig, destijds het eenige daarvoor geschikte schip, bereidvaardig te leenen. Hij en zijn schip worden dan ook algemeen in eere gehouden, zoowel door eigen landgenooten als door de onzen, en nooit verdiende iemand meer de achting, die hem in zijn werkkring zoo van alle kanten te beurt, viel, dan hij.


Met behulp nu van dit drijvende paleis bevonden we ons weer spoedig in de Vereenigde Staten, en legden dien avond te Burlington aan, een aardig stadje, waar we ons zoo wat een uur ophielden. Wij bereikten Whitehall, waar we ons ’s morgens om zes uur moesten ontschepen. We hadden dit wel vroeger kunnen doen, lagen deze stoombooten ’s nachts niet verscheidene uren stil, iets wat ze wel moeten doen om reden het meer op dat gedeelte onzer reis erg nauw en in den donker moeielijk te bevaren is. Op één punt is ’t zelfs zoo nauw, dat ze verplicht zijn, zich van een touw te bedienen, om de boot er door te krijgen.


Nadat we te Whitehall ontbeten hadden, stapten we in de diligence naar Albany, een groote en drukke stad, waar we dien middag tusschen vijven en zessen arriveerden. We hadden ’t dien dag erg heet gehad, want we waren nu weer in ’t hartje van den zomer. Om zeven uur vertrokken we naar New-York, aan boord eener groote Noord-rivier-stoomboot, die zoo propvol met passagiers was, dat het bovendek wel iets weghad van de koffiekamer in een schouwburg onder de pauze, en het benedendek van Tottenham Court Road op een Zaterdagavond. Maar we sliepen evenwel als op rozen en kwamen den volgenden morgen een beetje na vijven te New-York aan.


Hier vertoefden we alleen dien dag en nacht, om van onze laatste vermoeienissen op ons verhaal te komen, en aanvaardden toen onze laatste reis in Amerika. We hadden nog vijf dagen over, voor en aleer we ons naar Engeland inscheepten, en ik voor mij wou heel graag „het Kwakerdorp” zien, dat door een godsdienstige sekte bevolkt is, waar het zijn naam aan ontleent.


Te dien einde stoomden we weer de Noordrivier op, tot aan de stad Hudson toe, en huurden daar een extra rijtuig om ons naar Libanon te brengen, dat daar dertig mijlen van af ligt. Dit Libanon is natuurlijk een ander dorp, dan dat waar ik op ons uitstapje naar de Prairie den nacht doorbracht.


De landstreek, waar onze weg doorheen kronkelde, was rijk en mooi, het weer prachtig, en mijlen ver kwamen de Kaatskillbergen, waar Rip van Winkel en de afgrijselijke Hollanders op een gedenkwaardigen stormachtigen namiddag aan ’t kegelen waren, aan den blauwen gezichteinder als statige wolken voor den dag. Aan zeker punt, waar we een steilen heuvel opgingen (ze waren toen juist bezig met het aanleggen van een spoorweg, dwars over den voet van dezen heuvel), stuitten we op een Iersche kolonie. Daar ze de middelen bij de hand hadden, om nette, behoorlijke hutten te kunnen bouwen, bevreemdde het mij niet weinig, hier zulke lompe, ruwe en armzalige krotten aan te treffen. De besten beschermden de bewoners tegen weer en wind, maar hiermee was ook alles gezegd, terwijl de slechtsten door wijde openingen in de van gekookt gras saamgeflanste daken, en uit modder opgetrokken muren aan weer en wind vrijen toegang verleenden. Sommigen hadden noch deuren noch ramen; sommigen stonden op ’t punt van in te storten, en werden nog zoo goed en zoo kwaad als ’t ging door staken en palen gestut; allen waren bouwvallig en smerig. Afzichtelijk leelijke oude vrouwen en allerdartelste jonge vrouwen, varkens, honden, mannen, kinderen, zuigelingen, potten, ketels, mesthoopen, afval en vullis, vunzig stroo en stilstaand water, en dat alles tot een onafscheidelijken hoop bij elkaar gehutseld, ziedaar het meublement van elke donkere en vuile hut.


’s Avonds tusschen negenen en tienen kwamen we te Libanon aan. Dit plaatsje is vermaard om zijn warme baden en om een groot hotel, dat, ik twijfel er niet aan, ten eenenmale berekend is voor den eigenaardigen smaak van dezulken, die hier gezondheid of pleizier komen zoeken, maar waar ik voor mij me alles behalve op mijn gemak voelde. Zoo bracht men ons naar een verbazend groot, door twee flauw brandende kaarsen verlicht vertrek, dat men de gezelschapskamer geliefde te noemen, en waaruit men langs een trap in een andere groote woestijn afdaalde, die men onder den niet minder weidschen naam van eetzaal aanduidde. Nu onze slaapkamers. Deze vond men onder zekere lange rijen heel dunnetjes gewitte cellen aan weerskanten van een sombere gang, en hadden zooveel weg van gevangeniscellen, dat ik, toen ik naar bed ging, half verwachtte opgesloten te zullen worden en er onwillekeurig naar luisterde of de sleutel niet van buiten werd omgedraaid. Er moeten stellig ergens anders in de buurt gelegenheden bestaan om de baden te gebruiken, want al de overige waschbenoodigdheden waren op zoo’n bekrompen voet ingericht, als ik ooit zelfs in Amerika zag. Begrijp eens! Men vond in deze slaapkamers zelfs geen stoelen, een artikel van weelde dat toch wel zeer gewoon mag heeten, niet waar? Kortom, waren we dien ganschen nacht niet vreeselijk gebeten geworden, we zouden waarachtig hebben durven verzekeren, dat we dien in een slaapkamer hadden doorgebracht, waar letterlijk niets in was.


Het logement zelf is echter zeer aangenaam gelegen, en we kregen een goed ontbijt. Toen dat op was, gingen we naar de plaats onzer bestemming, zoo wat een mijl of twee bij ons vandaan. De weg daarheen werd aangeduid door een handpaal, waarop geschilderd stond: „Naar ’t Kwakerdorp.”


Den weg langs rijdende, passeerden we een troepje Kwakers, die daar werkten. Zij hadden zulke breede randen aan hun hoeden als ik nog nooit in mijn leven gezien heb en waren in alle zichtbare opzichten zulke allerhouterigste mannen, dat ik evenveel sympathie voor hen opvatte en evenveel belang in hen stelde, als waren het zooveel van die houten beelden op een schip geweest. Het duurde niet lang of we kwamen aan ’t begin van ’t dorp, stapten af aan een huis waar de kwakers-artikelen verkocht worden en het hoofdkwartier der oudsten gevestigd is, en verzochten verlof om hun godsdienstoefening bij te wonen.


Terwijl dit verzoek aan een der oudsten werd overgebracht, traden wij een sombere kamer binnen, waar verscheidene sombere hoeden aan sombere haken hingen, en somber werd de tijd aangekondigd door een sombere klok, die elken tik met een soort van sombere worsteling volbracht, alsof ze de sombere stilte met weerzin en onder protest afbrak. Tegen den muur stonden een stuk of acht stoelen met zeer hooge ruggen, die zoo allersomberst met al dat sombere sop overgoten waren, dat men liever op den grond was gaan zitten, dan aan een daarvan de geringste verplichting te willen hebben.


Daar kwam, stijf als een paal, een sombere oude Kwaker dit vertrek binnenstappen, met oogen even hard, en dof, en koud als de groote ronde metalen knoopen van zijn jas en vest: een soort van kalm spook. Van onze begeerte onderricht, haalde hij een krant voor den dag, waar de vergadering der oudsten, waar hij lid van was, een dag of wat geleden in bekend gemaakt had, dat ten gevolge van de onbetamelijke wijze waarop vreemdelingen nu en dan hun godsdienstoefening gestoord hadden, hun kapel voor den tijd van een jaar voor ’t publiek gesloten was.


Daar tegen deze redelijke bepaling niets was in te brengen, vroegen we permissie om een kleinigheid van hun artikelen te koopen, iets wat op somberen toon werd toegestaan. We gingen dientengevolge naar een magazijn in ’t zelfde huis en aan de overzij van de gang, waar een levend voorwerp in een roodbruin bankje het opzicht voerde. De oudste zei, dat het een vrouw was. Nu, ik wil gelooven, dat het een vrouw was, maar vermoed had ik ’t niet.


Aan den overkant van den weg was hun bedehuis: een koel, zindelijk, houten gebouw, met breede ramen en groene luiken, dat op een ruim zomerhuis geleek. Daar we nu in deze plaats niets uit konden voeren dan maar heen en weer drentelen en dit en andere gebouwen in ’t dorp opnemen (die gebouwen waren voornamelijk van hout, donkerrood geschilderd, evenals Engelsche schuren, en bestonden uit verscheidene verdiepingen, gelijk Engelsche fabrieken), zoo kan ik den lezer niets anders meedeelen dan het weinige dat ik onder ’t doen van onze inkoopen opmerkelijk vond.


Men noemt deze menschen Kwakers1 naar den eigenaardigen vorm hunner godsdienstoefening, bestaande uit een dans, door mannen en vrouwen van allerlei leeftijd uitgevoerd, die daartoe in twee rijen tegenover elkaar gaan staan. Voordat ze beginnen, ontdoen de mannen zich van hun hoeden en jassen, die zij deftig aan den muur ophangen, en binden vervolgens een lint om hun hemdsmouwen, alsof ze op ’t punt stonden van gelaten te worden. Zij accompagneeren zich zelf met een brommend, gonzend geluid, en dansen met een malle soort van draf, nu eens vooruit- dan weer achteruitgaande, totdat ze zoo goed als „op” zijn. Men zegt, dat de indruk, dien dit teweegbrengt, allerdolst is. Nu, afgaande op een prent van deze plechtigheid, die ik mijn bezit heb en volgens hen, die in de kapel geweest zijn, zeer nauwkeurig moet wezen, is deze vertooning waarlijk dol, allerdolst.


Zij worden door een vrouw bestuurd, en alhoewel ze door een raad van oudsten ter zijde gestaan wordt, wordt haar heerschappij verondersteld, onbeperkt te wezen. Naar men mij verteld heeft, leeft ze, in strenge afzondering, in zekere kamers boven de kapel en is ze nooit ofte nimmer zichtbaar voor ongewijde oogen. Mocht ze bijgeval gelijken op de dame, die in dat bankje zat, dan bewijst men der menschheid een grooten liefdedienst door haar zooveel mogelijk achterbaks te houden, en zou ik mijn dank niet krachtig genoeg kunnen betuigen over zoo’n edelmoedige handelwijs.


Al de bezittingen en inkomsten der inrichting worden in een gemeenschappelijke kas gestort, die door de oudsten beheerd wordt. Hebben zij bekeerlingen gemaakt onder menschen die nogal wat in de melk te brokken hadden, en matig en zuinig zijn, dan spreekt het vanzelf dat dit fonds bloeit; des te meer naarmate zij veel land hebben opgekocht. Ook is deze kolonie te Libanon niet de eenige Kwaker-nederzetting. Ik geloof, dat er ten minste drie andere zijn.


Ze zijn goede boeren en al hun producten gaan grif van de hand en zijn zeer gezien. „Kwakerzaden,” „kwakerkruiden” en „kwaker-gedistilleerde wateren” worden gewoonlijk in de winkels van groote en kleine steden verkocht. Ook zijn ze goede veefokkers, en behandelen hun stomme dieren met liefde. Bijgevolg is ’t een zeldzaamheid, dat het kwakervee niet dadelijk gekocht wordt op de markt.


Volgens de Spartaansche gewoonte eten en drinken zij gezamenlijk aan een groote publieke tafel. Vereeniging der beide sexen vindt men onder hen niet, en iedere Kwaker, mannelijk en vrouwelijk, is op dit punt aan een leven van onthouding gebonden. Men heeft daaromtrent nogal wat woorden vuil gemaakt, maar hier moet ik den lezer weer verwijzen naar de dame in dat bankje en er bijvoegen, dat, als verscheidene van de zusterkwakers op haar gelijken, al zulke lasterzieke praatjes onder die praatjes dienen gerangschikt te worden die de sterkste kenmerken van stellige onwaarschijnlijkheid aan hun voorhoofd dragen. Maar dat zij zelfs proselieten maken onder personen, die zoo jong zijn dat ze onmogelijk zelfkennis en evenmin die wilskracht kunnen bezitten, welke vereischt wordt om èn op dit punt èn op andere punten de zoo onmisbare zelfbeheersching te openbaren, ziedaar iets wat ik gerust durf verzekeren, want met mijn eigen oogen heb ik Kwakers onder die arbeiders aan den weg gezien, die nog piepjong waren.


Men zegt, dat ze wel berekend zijn voor de negotie, maar eerlijkheid en goede trouw hierbij geenszins uit het oog verliezen, ja, dat ze zelfs in den paardenhandel weerstand bieden aan dien diefachtigen trek die, men weet niet om welke reden, wel bijna onafscheidelijk schijnt te wezen van dezen handelstak. In alle zaken gaan zij hun eigen bedaarden gang, leven voort in hun somberen stillen gemeenschappelijken omgang, en leggen weinig trek aan den dag om met andere lui in aanraking te komen.

Nu, dat alles is nog zoo kwaad niet, integendeel, maar rond opgebiecht, ik voor mij heb het toch op de Kwakers niet bijster begrepen. Neen, ’t is mij onmogelijk, hart voor hen te hebben, laat staan de geringste sympathie. Ik heb toch zoo’n afkeer van dien boozen geest, onverschillig door wat voor klasse of sekte hij gevoed moge worden, die het leven van zijn gezonde genietingen ontbloot, de jeugd van haar onschuldige genoegens berooft, den rijpen leeftijd en den ouden dag hun liefelijke sieraden ontrukt en van ons bestaan niets anders maakt dan een smal pad naar ’t graf; dien verfoeielijken geest, die, had hij maar het rijk alleen op aarde weten te krijgen, de verbeeldingskracht der grootste mannen met zoo’n onvruchtbaarheid moest geslagen hebben, dat ze, ondanks hun aangeboren vermogen om heerlijke en duurzame beelden voor hun nog ongeboren medeschepsels op te doen rijzen, aan de stomme dieren gelijk waren geworden; ik heb nu, wil ik zeggen, uit den grond van mijn hart zoo’n sterken afkeer van dien boozen, verfoeielijken geest, dat ik in deze zelfde breedgerande hoeden en deze zelfde doodsche kleedij, met hun stijfgenekte en somber getroniede vromigheid, onverschillig of ze ’r sluik haar op nahouden als de Kwakers of lange nagels als in een Hindoe-tempel, de ergsten onder de vijanden van hemel en aarde herken, die het water op de bruiloftsfeesten dezer arme wereld niet in wijn, maar.... in gal veranderen. En als er menschen moeten zijn, wier roeping het is, de onschuldige fantasieën te knakken en de liefde tot onschuldige genoegens, die een deel der menschelijke natuur zijn, en dat wel zoo goed een deel als elke andere liefde of hoop die ons gemeenschappelijk erfdeel is,—welnu, laten ze mijnenthalve openlijk te koop gaan staan onder de liederlijkste sujetten; zelfs de idioten weten immers wel, dat zij niet op den waren weg naar de Onsterfelijkheid zijn, en zullen hun dadelijk met verachting den rug toekeeren.


Wij verlieten het kwakerdorp met een hartelijken afkeer van de oude Kwakers en een hartelijk medelijden met de jongen, een medelijden dat getemperd werd door de sterke waarschijnlijkheid dat ze, als ze ouder en wijzer worden, wel weg zouden loopen, iets wat niet onder de zeldzaamheden behoort. En zoo keerden we langs den weg, dien we den vorigen dag ingeslagen hadden, naar Libanon terug, en vervolgens naar Hudson. Daar maakten we gebruik van de stoomboot, die ons over de Noordrivier naar New-York zou brengen, maar stopten zoo wat een uur of vier later, te Westpoint, waar we ons dien nacht, en den geheelen volgenden dag, tot den volgenden nacht incluis ophielden.

Op deze schoone plek, de schoonste onder de liefelijke Hooglanden der Noordrivier, ingesloten door donkergroene hoogten en tot puin vervallen sterkten, en neerziende op de in de verte liggende stad Newburgh, langs een glinsterend pad van door de zon beschenen water met hier en daar een bootje, waarvan het witte zeil nu eens naar den eenen kant, dan weer naar de andere zij overbuigt, als windvlagen er op eens tegen aan blazen uit de geulen in de heuvelen,—buitendien van alle kanten omringd met gedenkteekenen tot eer van Washington en van gebeurtenissen uit den omwentelingsoorlog: op deze plek nu verrijst Amerika’s Militaire School.

Ze kon op geen geschikter plek staan, en ’t zou bezwaarlijk gaan, om schooner plek aan te wijzen. De wijze waarop de jongelui opgeleid worden is streng, maar oordeelkundig en mannelijk. Gedurende de maanden Juni, Juli en Augustus kampeeren ze op de ruime vlakte waar het gebouw staat, en het geheele jaar door krijgen ze dagelijks les in de militaire exercitiën. De termijn van studie, dien de Staat van alle cadetten eischt dat ze aan deze inrichtingen door zullen brengen, is vier jaar; maar of dit nu komt òf van de strenge wijze waarop de tucht gehandhaafd wordt òf van het nationale ongeduld dat geen dwang kan velen, òf van beide oorzaken te zamen, wie zal ’t beslissen? maar zooveel is zeker, dat niet meer dan de helft van de jongelui, die hier komen, ooit blijft om hun studiën te voltooien. Daar het getal cadetten ten naastenbij gelijk staat met dat van de leden van ’t Congres, wordt er uit elk district een hier naar toe gezonden: dat districtslid heeft dan invloed op de keuze. De rangen bij den dienst worden volgens hetzelfde beginsel verdeeld. De woningen der verschillende leeraren liggen heel mooi; ook vindt men hier een uitnemend logement voor vreemdelingen, ofschoon er twee inconveniënten aan verbonden zijn, en wel deze: dat het ten eerste een logement is waar men noch wijn noch sterken drank kan krijgen (beide artikelen zijn den studenten verboden), ten tweede dat de verschillende maaltijden er op zeer ongeschikte uren gehouden worden: men ontbijt namelijk om zeven uur, dineert om één uur en soupeert met zonsondergang.


De schoonheid en frischheid van dit vreedzaam lustoord, zelfs als de zomer pas begint—’t was toen het begin van Juni—waren inderdaad verwonderlijk. En toen ik het den zesden verliet en naar New-York terugkeerde, om me den volgenden dag naar Engeland in te schepen, dacht ik er dan ook met pleizier aan, dat onder de laatste gedenkwaardige schoonheden, waar ons oog met welgevallen op gerust had, die waren waarvan de tafereelen, geschetst door geen alledaagsche hand, frisch aanwezig zijn in de ziel der meeste menschen, en niet licht oud zullen worden of van kleur verschieten zullen onder ’t stof des tijds: het Kaatskill-gebergte namelijk, en Sleepy Hollow en de Tappaan zee.


1 Het Engelsche woord Shaker wil, letterlijk vertaald, triller of bever zeggen.