NAAR HUIS.
Nooit in mijn leven had ik zooveel belang gesteld, en zal allerwaarschijnlijkst wel nooit zooveel belang stellen in den staat van den wind, als op den lang verbeiden morgen van Dinsdag den zevenden Juni. Een zekere autoriteit op zeevaartkundig gebied had me een dag of twee van te voren gezegd: „elke wind met wat uit ’t westen er bij is gunstig.” Toen ik nu bij ’t aanbreken van den dag het bed uitsprong, en mij, zoodra ik het raam opengooide, een frissche noordwestenwind, die ’s nachts op was komen zetten, tegenwoei, viel me dat zoo frisch op ’t lijf, en vielen me meteen zooveel gelukkige gedachten in, dat ik op staanden voet een bijzondere genegenheid opvatte voor alle winden, die uit dien hoek van ’t kompas waaien, een genegenheid die me, gerust durf ik ’t verzekeren, lief en dierbaar zal blijven, totdat mijn eigen wind zijn laatsten, zwakken zucht heeft uitgeblazen en zich voor altijd van den kalender der sterfelijkheid verwijderd heeft.
De loods had niet geluierd om zijn voordeel te doen met dit gunstige weer, en hetzelfde schip, dat gister nog in zoo’n volgepropt dok gelegen had, dat het, wat toen de kans betreft om uit te kunnen zeilen, wel gerust zijn matten voorgoed had mogen oprollen, zie, het lag nu al ruim zestien mijlen verder. Een heerlijk gezicht leverde het op, toen we, er per boot naar toe stoomende, het in de verte voor anker zagen liggen, met zijn slanke masten in sierlijke lijnen tegen de lucht afgeteekend, en elk touw, groot en klein, schier haarfijn onderscheiden konden; ook heerlijk was ’t gezicht, toen zoodra wij aan boord waren, het anker bij ’t forsche, als in koor gezongen: „Cheerily men, o cheerily!”1 naar boven rees, en het schip statiglijk in ’t zog kwam van de sleepboot; maar het heerlijkst van alles was, dat, toen de boegseerlijn losgelaten was, het dundoek van zijn masten wapperde, en het, als ’t ware zijn witte vleugelen uitslaande, op zijn vrijen en eenzamen weg heenvloog.
In de achterkajuit waren we maar met ons vijftienen passagiers; de meesten waren uit Canada, waar sommigen onzer elkaar gekend hadden. De nacht was ruw en buiig, de beide volgende dagen insgelijks, maar ze vlogen gauw voorbij, en ’t duurde niet lang of we vormden een partijtje zoo pleizierig en gezellig, met een braven, degelijken kapitein aan ons hoofd, als er ooit te land of ter zee bij elkaar kwamen met het besluit om elkaar het leven zooveel mogelijk te veraangenamen.
We ontbeten om acht uur, dronken koffie om twaalf uur, aten om drie uur en gebruikten onze thee om halfacht. Vermakelijkheden hadden we bij de vleet, en het middageten was daaronder waarlijk niet het minste: ten eerste om ’t eten zelf, ten tweede omdat het zoo buitengewoon lang aanhield. Met inbegrip van al de lange pauzen tusschen de verschillende gerechten, duurde het namelijk zelden korter dan derde half uur, een tijdsruimte die steeds door den gezelligsten kout werd aangevuld. Om nu te maken dat men zich onder zoo’n lang diner niet verveelde, kwamen de gezelligsten uit het gezelschap aan ’t lager eind der tafel bij den mast bijeen, vormden daar als ’t ware een uitverkoren clubje met een uitnemenden president aan ’t hoofd, waar de bescheidenheid mij verbiedt, verder op te zinspelen. Een prettige, en allerprettigste en joviale instelling inderdaad! Nu, ze stond dan ook, dit dient gezegd te worden, op een witten voet met de rest van ’t gezelschap en vooral met een zwarten hofmeester, die drie weken lang om de grappen en uien der bewuste pretmakers heeft moeten ginnegappen, dat het een aard had.
Buitendien hadden we een schaakspel voor de liefhebbers, whist, cribbage2, boeken, triktrak en een glijplank. In allerlei weer, mooi of leelijk, stil of winderig, waren we allemaal op dek, liepen twee aan twee op en neer, of lagen in de booten, of leunden over den kant, of stonden bij groepjes met elkaar over koetjes en kalfjes te praten. Aan muziek hadden we ook geen gebrek, want de een speelde op ’t accordéon, een ander op de viool, en nog een ander (die gewoonlijk ’s morgens om zes uur al begon) op den waldhoorn, en daar ze allen, gelijk somtijds het geval was, verschillende deuntjes speelden, op verschillende gedeelten van ’t schip, op denzelfden tijd en zonder dat de een iets van den ander hoorde (want ieder was ijselijk met zijn eigen instrument ingenomen), zoo was de vereenigde uitwerking van die drie instrumenten verheven akelig.
Gebeurde het af en toe, dat we in geen dezer vermakelijkheden schik hadden, welnu, soms kregen we een schip in ’t gezicht en bezorgde ons dat weer wat afleiding, vooral als dat schip er bij mistig weer in de verte zoo echt spookachtig uitzag, of ons zoo dicht voorbijvoer, dat we met behulp onzer kijkers het volk bovenop konden zien, en gemakkelijk zijn naam en de plaats zijner bestemming konden opmaken. Ook uren achtereen konden we staan kijken naar de dolfijnen en bruinvisschen, zooals die om ’t schip aan ’t rollen en springen en duiken waren, of naar die kleine dieren, altijd in min of meer vliegende beweging, die onze Engelsche zeelui de kuikens van Moeder Carey noemen,—diertjes die ons van de baai van New-York af gezelschap hadden gehouden en nu al veertien dagen om den achtersteven van ’t schip heenfladderden. Een dag of wat was ’t doodstil of woei er een heel klein koeltje. Dan vermaakte zich het scheepsvolk met visschen of wist altemet een ongelukkigen dolfijn aan den haak te krijgen, die dan naar boven gesjord werd en in al zijn regenboogkleuren op ’t dek krepeerde: een gebeurtenis van zoo’n gewicht in onzen schralen kalender, dat we naderhand begonnen te dagteekenen van den dolfijn af, en den dag waarop hij den weg van alle vleesche ging, tot een nieuwe jaartelling maakten.
Maar we hadden nog andere afleiding. Zoo begon men, toen we een dag of zes onder zeil waren geweest, al druk te babbelen over ijsbergen, van welke drijvende eilanden een ongewoon getal gezien was geworden door de schepen die een paar dagen, voordat wij die haven verlaten hadden, New-York waren binnengeloopen; en voor wier gevaarlijke nabijheid we gewaarschuwd werden door de plotselinge kou van ’t weer en het dalen van ’t kwik in den barometer. Zoolang nu deze teekenen duurden, werd er een dubbele wacht uitgezet; en viel de avond, dan werden er wel eens fluisterend van die praatjes gehouden over schepen die des nachts op zoo’n klomp ijs gestooten en naar den kelder gegaan waren, dat men er kippevel van kreeg; maar daar de wind ons noodzaakte, een zuidelijken koers te houden, kregen we ’r geen een van te zien, en duurde het niet lang of de weersgesteldheid werd weer helder en warm.
Men kan licht nagaan, dat de waarnemingen, elken middag, en het daarnaar regelen van den koers van ’t schip, mede een punt van gewicht uitmaakten in onze tegenwoordige levenswijze. Ook was er (gelijk dit nooit het geval is) alles behalve gebrek aan wijsneuzige twijfelaars aan de berekeningen van den kapitein, die, zoodra hij zijn hielen gelicht had, bij gebreke van een passer met endjes koord, en hoeken van zakdoeken, en punten van snuiters, de kaart aan ’t opmeten gingen en zonneklaar bewezen dat hij zich daar eventjes maar zoo wat duizend mijlen vergiste. Het was erg stichtelijk, deze ongeloovigen hun hoofden te zien schudden en de wenkbrauwen te zien fronsen, en ze dan danig te hooren redekavelen over de zeevaart: niet dat zij er iets van verstonden, maar omdat ze den kapitein bij stil weer of tegenwind altijd wantrouwden. Waarlijk, ’t kwik zelf is nooit zoo veranderlijk als deze klasse van passagiers, die ge, als het schip statig de golven doorklieft, doodsbleek van bewondering zult hooren zweren dat de kapitein allen kapiteins ter wereld de baas is, ja die er zelfs op zinspelen om hem door middel eener algemeene inteekening een of ander mooi cadeau aan te bieden, terwijl diezelfde passagiers den volgenden morgen als de wind is gaan liggen en al de zeilen slap neerhangen, weer moedeloos hun hoofden schudden en met opgetrokken lippen, zeggen, dat ze hopen, dat de kapitein een zeeman is, maar ze zijn sluw genoeg om er in hun hart aan te twijfelen, ja waarachtig, dat doen ze.
Als ’t stil weer was, werd het zelfs een tijdverdrijf dat men zich gedurig verwonderd afvroeg: kijk: ’t zal me benieuwen of de wind nu toch in den rechten hoek zal komen, waar hij—uit al de berekeningen en vroegere gevallen bleek dit duidelijk—al lang geleden had moeten zijn. Den eersten stuurman, die daar lustig over liep te fluiten, keek men niet weinig naar de oogen omdat hij zoo voet bij stuk hield, ja zelfs de ongeloovigen hielden hem voor een matador onder de zeelui. En als hij dan, terwijl het diner aan den gang was, door de lantaren der kajuit af en toe een somberen blik wierp naar de klapperende zeilen, dan nam bij sommigen de treurigheid zoodanig de overhand dat ze hun stoute schoenen aantrokken en voorspelden dat we eerst half Juli thuis zouden wezen. Nu vindt men aan boord altijd menschen van een sanguinisch en van unmelancholisch temperament. Deze laatste categorie speelde gedurende dit gedeelte der reis weinig op haar poot en zegevierde, telkens als men bijeen kwam om wat te gebruiken, over de sanguinischen door hun namelijk de vraag voor te leggen waar zij veronderstelden dat de Great Western (die New-York een week na ons verlaten had) nu was; en waar zij veronderstelden dat de Cunard stoompacket nú was; en wat zij nú dachten van zeilschepen vergeleken met stoomschepen: allemaal kwaadaardige vragen, niet waar? waarop zij, de sanguinischen, dan ook maar om des lieven vredes wille een gezicht trokken zoo melancholisch als iets.
Dit nu kon men meerekenen onder de aanhangsels van de lijst onzer vermakelijkheden, maar er was nog een andere bron van afleiding, en waarlijk niet zonder belang. We hadden namelijk in ’t vooronder zoowat een honderd passagiers: een kleine wereld van armoede; en daar we ’r nu af en toe sommigen van te zien kregen door op het dek te kijken waar zij over dag een luchtje kwamen scheppen en hun eten kookten, het heel dikwijls opaten ook; werden we nieuwsgierig naar hun geschiedenissen. Ja graag wilden we eens weten met wat voor verwachtingen zij naar Amerika vertrokken waren, en met wat voor doel zij de terugreis naar ’t vaderland aanvaardden en in wat voor omstandigheden zij verkeerden. De inlichtingen, die we daaromtrent van den timmerman kregen die het opzicht had over dit volkje, waren dikwijls van de vreemdste soort. Zoo waren sommigen hunner maar drie dagen in Amerika geweest, sommigen maar drie maanden, en sommigen hadden de laatste reis van datzelfde schip meegedaan waar ze nu weer huiswaarts mee keerden. Anderen hadden hun kleeren verkocht om de vracht te betalen en hadden nauwelijks lompen om zich te dekken; anderen hadden geen voedsel en leefden van de liefdadigheid van de rest; en één man was er bij (dit werd ontdekt toen de reis bijna afgeloopen, was, niet vroeger, want hij liet van zijn geheim niets uitlekken en zocht geen medelijden) die nergens anders van leefde dan van de beentjes en stukjes vet, overgeschoten van ’t middageten in de achterkajuit, en die hij dan van de borden opzocht als ze weggehaald waren om gewasschen te worden.
Het heele stelsel om deze ongelukkige personen in te schepen en te vervoeren is van dien aard, dat een wezenlijke herziening hoog noodig is. Als eenige klasse verdient, door het gouvernement beschermd en bijgestaan te worden, dan is ’t die klasse van menschen, die door de ellende uit hun geboorteland verbannen worden en nu in den vreemde geen rijkdom maar louter een middel van bestaan gaan zoeken. Al wat het diepste medelijden en de menschlievendheid van den kapitein en diens onderhoorigen voor deze arme lui kon doen, was gedaan, maar hun ellendige toestand vereischt meer, veel meer. De wet is verplicht, ten minste van den kant der Engelschen, om toe te zien dat er niet te veel van die ongelukkigen aan boord van één schip gestopt worden, en dat men op betamelijke wijze voor hen zorge, niet zóó dat de onzedelijkheid en losbandigheid in de hand gewerkt worden. Zij is ook verplicht, in naam der algemeene menschenliefde, te verklaren dat niemand aan boord mag toegelaten worden voor en aleer een daarvoor geschikt ambtenaar, na behoorlijk onderzoek hoe het met den levensvoorraad van den landverhuizer geschapen staat, dienaangaande een geruststellende verklaring afgelegd hebbe. Zij is verplicht, voor geneeskundige hulp te zorgen, of althans te eischen dat daarvoor gezorgd worde, terwijl men er op zulke schepen tevergeefs naar om zou zien, niettegenstaande ziekte van volwassenen en sterfgevallen van kinderen gedurende de reis aan de orde van den dag zijn. Boven alles is het de plicht van de regeering, onverschillig of ze monarchaal of republikeinsch zij, tusschen beiden te treden en een einde te maken aan dat stelsel, waardoor een firma van handelaars in landverhuizers van de eigenaars het heele tusschendek van een schip opkoopt en dan, zonder de minste notitie te nemen hetzij van de inrichting van ’t vooronder, hetzij van ’t aantal kooien of van de wijze waarop mannen en vrouwen gehuisvest zullen worden, kortom zonder iets hoe ook genaamd in aanmerking te nemen behalve hun eigen profijt, maar zooveel van die arme stumperts aan boord stuurt als er met mogelijkheid geborgen kunnen worden. En zelfs dit is nog niet eens het ergste van ’t verfoeilijk stelsel, want zekere agenten dezer huizen, die als ronselaars of zielverkoopers in hun dienst staan, en als zoodanig provisie krijgen van al de passagiers die ze in weten te palmen, zijn gedurig op de been om al de plaatsen af te loopen, waar armoede en ontevredenheid rijp zijn, en spelen dan den verzoeker bij de lichtgeloovigen door hun als vrucht hunner landverhuizing gouden bergen voor te spiegelen, terwijl zij heel goed weten dat daar nooit iets van verwezenlijkt kan worden, maar dien ellendigen integendeel nog meer ellende wacht.
Van ieder gezin, dat we aan boord hadden, was de geschiedenis vrij wel één potnat. Nadat ze gepot, en geleend, en gebedeld, en al wat los en vast was verkocht hadden, om de passage te kunnen betalen, waren ze naar New-York vertrokken, in de stellige verwachting daar de straatsteenen van goud te zullen vinden, en lacy! ze hadden geen andere straatsteenen gevonden dan gewone straatsteenen, zeer hard nog wel. Wat nu te beginnen? Met den ondernemingsgeest was ’t treurig gesteld; aan landbouwers bestond geen gebrek; karweitjes kon men nog wel krijgen, maar... geen duiten. Zoo keerden ze dan met hangende pootjes naar hun vaderland terug, nog armer dan ze ’t verlaten hadden. Een hunner bracht een open brief mee van een jong Engelsch handwerksman, die een veertien dagen in New-York geweest was, aan een vriend dicht bij Manchester, wien hij sterk op ’t gemoed drukte om hem te volgen. Een der scheepsbeambten bracht me dien brief voor de aardigheid. „Dit is me eerst een landje, Koos,” dus luidde de inhoud. „Ik hou dan ook niet zoo’n klein beetje van Amerika. Hier wor’ je niet gekoejonneerd, en dat is toch maar het voornaamste. Men bedelt om ambachtslui in allerlei vakken, en de loonen zijn razend hoog. Je hebt maar een vak te kiezen, en klaar is Koos. Ik heb er nog geen uitgekozen, Koos, maar zal ’t gauw doen. Voor ’t oogenblik ben ik ’t nog niet met me zelf eens wat ik zal worden: een timmerman of een kleerenmaker.”
We hadden nog een ander slag van passagier, maar dat was dan ook een slag op zich zelf: een man, die bij stil weer of een licht koeltje voortdurend een onderwerp onzer gesprekken en opmerkingen was. ’t Was een Engelsch zeeman, van top tot teen een kranige Engelsche oorlogsmatroos, die bij de Amerikaansche zeemacht diende en nu met verlof op weg was om zijn vrienden eens op te zoeken. Toen hij zich aanmeldde om een plaats te nemen en ook te betalen, was ’t hem in den mond gegeven dat hij, als knap zeeman, zijn vracht wel inverdienen, en zoodoende zijn geld besparen kon, maar jawel! door dien wenk voelde Janmaat zich zoo erg op zijn teenen getrapt, dat hij met heftige verontwaardiging uitvoer: „’k ben gloeiend verd... als ’k dit keer niet aan boord kom zoogoed als ’n meneer.” Er zat dus niets anders op, dan om zijn geld naar zich toe te strijken, maar zoo gauw was hij niet aan boord, of hij borg zijn boeltje en ging in ’t vooronder, schikte aan tafel bij de bemanning, en den eersten den besten keer dat er handen uit de mouw moesten gestoken worden, was hij haantje de voorste en zoo vlug als een kat. En dat ging zoo de heele reis over: de eerste om te brassen, de laatste op de ra’s, kortom, overal hielp hij een handje, maar altijd met een afgemeten deftigheid in zijn manieren en een afgemeten lach op zijn gezicht, waar duidelijk deze woorden uit spraken: „ik doe ’t als ’n heer. Voor mijn eigen plezier, vergeet dit niet!”
Eindelijk en ten laatste kwam de beloofde wind in allen ernst opzetten, en met elke windvlaag, die het zeildoek zwellen deed, stoven wij weer vooruit, en kliefden stout de baren. Er was zoo iets grandioos in de beweging van ’t prachtige schip, zooals het daar, overschaduwd door de massa zijner zeilen, met woedende vaart over de golven heengleed, dat het den aanschouwer met een onbeschrijfelijk gevoel van trots en opgetogenheid vervulde. En als ’t zich dompelde in een schuimende vallei, hoe graag zag ik dan de groene, diep met wit omzoomde golven tegen den steven aankomen stuiven, om ’t naar hun welgevallen op te beuren en er omheen te kronkelen als ’t weer nederboog, maar ’t niettemin erkennende als hun fiere meesteres!3 Ondertusschen ijlden we voort, altijd voort, met een telkens wisselende lichttint over ’t water, daar we ons nu in de gezegende streek van als een vlies zoo doorschijnende wolken bevonden, en een heldere zon ons over dag verlichtte en een heldere maan des nachts, terwijl de wimpel rechtuit huiswaarts wees, evenals de trouwe wegwijzer voor den gunstigen wind en onze opgeruimde harten, totdat met zonsopgang, op een mooien Maandag ochtend—den zeven en twintigsten Juni, niet licht zal ik dien dag vergeten—kaap Clear, God zegene ze! voor ons lag. Ja, daar lag ze voor ons, de oude kaap, en als een wolk zag ze ’r in den nevel van den vroegen morgen uit: voor ons de helderste en meest welkome wolk, die ooit het gelaat verborg van ’s Hemels gevallen zuster—ons Te-huis.
Hoe ’n schemerachtig vlekje het op zoo’n verre afstand ook mocht zijn, maakte het toch den opgang der zon tot een vroolijker gezicht, en zette er een soort van belangrijkheid aan bij, wat er op zee aan schijnt te haperen. Evenals overal elders, gaat ook daar de terugkomst van den dag onafscheidelijk gepaard met een zeker gevoel van hernieuwde blijdschap en hoop; maar als het licht over de akelige waterwoestijn schijnt en er al haar omvang en eenzaamheid van laat zien, dan levert dit een plechtig schouwspel op, dat zelfs de nacht, die daar zijn donkeren, geheimzinnigen sluier overtrekt, geenszins overtreft. Het opkomen der maan is meer in overeenstemming met den eenzamen oceaan en heeft iets droefgeestig groots, dat, in zijn zachten en liefelijken invloed, al brengt het ook in droeve stemming, nochtans schijnt te vertroosten. Zoo herinner ik me nog heel goed, dat ik me op zeer jeugdigen leeftijd verbeeldde, dat de weerkaatsing der maan in ’t water een pad was naar den Hemel, betreden door de geesten van brave menschen op hun weg naar God; en zie, dit oude gevoelen overkwam me weer dikwijls, toen ik op een stillen avond op zee een dergelijk schouwspel gadesloeg.
Er was al heel weinig wind op dezen zelfden Maandagmorgen, maar hij was nog in den rechten hoek, en zoo lieten we van lieverlede kaap Clear achter ons, en zeilden door, met de Iersche kust in ’t gezicht. En hoe vroolijk we allen waren, en hoe loyaal jegens George Washington, en hoe vol wederkeerige gelukwenschen, en hoe stout in ’t voorspellen van ’t juiste uur dat we te Liverpool aan zouden komen, dit zal men licht na kunnen gaan, niet waar? Ook, hoe hartelijk we dien dag onder ’t diner op de gezondheid van den kapitein dronken, en hoe we rust noch duur kregen om onzen boel te pakken, en hoe een stuk of drie van de levendigste gestellen het denkbeeld verwierpen om den ganschen nacht naar bed te gaan, als iets dat, nu men zoo dicht bij de kust was, eigenlijk de moeite niet meer waard was, doch die evenwel nochtans en desalniettemin onder de wol kropen en sliepen als een os, en hoe het bewustzijn van zoo dicht bij ’t eind onzer reis te wezen, aan een pleizierigen droom gelijk was, waar men tegen opzag om uit te ontwaken.
Den volgenden dag weerde de vriendelijke bries zich weer terdege, en deed ons nog eens voortstuiven dat het een aard had. Ondertusschen kregen we nu en dan een Engelsch schip in de gaten, dat met gereefde zeilen huiswaarts keerde, terwijl wij, met iederen duim van ons zeildoek ontplooid, luchtig voorbijstoven en onze buurvrouw ver achter ons lieten. Tegen den avond sloeg het weer om, werd het mistig en begon het te stofregenen. Het duurde zelfs niet lang, of de mist werd zoo dik, dat we als ’t ware in een wolk zeilden. En zoo ijlden we voort als een spookschip, en menig oog gluurde naar boven, naar den mast, waar de wacht op den uitkijk stond naar Holyhead.
Ten laatste werd zijn lang verwachte kreet gehoord, en op ’t zelfde oogenblik glinsterde ons op eens uit den dikken nevel een helder licht tegen, dat dadelijk verdween, en gauw zich weer liet zien, en spoedig weer verdween. Telkens als het terugkwam, schitterde en vonkelde aller oog aan boord als het licht zelf: en daar stonden we nu allemaal te kijken naar dit omwentelend licht op de rots Holyhead, en we loofden het om zijn helderheid en vriendelijke waarschuwing, kortom, prezen het boven alle andere seinlichten, die ooit hun glans verspreidden, totdat het nog eens, ver achter ons, flauwtjes in de verte glinsterde.
Toen was het tijd een kanonschot te lossen om een loods; en bijna voordat de rook daarvan was weggetrokken kwam er een bootje met een licht aan de steng, door de duisternis heen, als een pijl uit den boog naar ons toe. Ondertusschen waren onze zeilen gestreken, en nu kwam het bootje ons op zij, en zie, daar stond de schorre loods, terdege toegestopt en gemoffeld in pijjekker en bouffante, die zijn gezicht bedekte tot aan ’t puntje van zijn neus, die zoo menigen zilten druppel geroken had.—daar stond hij in levenden lijven onder ons op dek. En ik denk, had die loods ons vijftig pond voor een onbepaalden tijd en zonder de minste zekerheid ter leen gevraagd, we zouden onder ons niet de minste ruggespraak gehouden, maar ze hem grif geleend hebben voor en aleer zijn boot achter aan ’t schip vastlag, of (wat op ’t zelfde neerkomt) voor en aleer ieder stukje nieuws in de krant, die hij meegebracht had, aller gemeenschappelijk eigendom aan boord was geworden.
Dien avond gingen we nog al laat naar bed en stonden den volgenden morgen nogal vroeg op. Tegen zessen kwamen we allemaal op dek bij elkaar, kant en klaar om zoo aanstonds aan wal te gaan, en keken naar de torens, en de daken en den rook van Liverpool. Om acht uur zaten we allen in een zijner logementen, om voor ’t laatst samen te eten en te drinken. En tegen negenen hadden we allen over en weer elkaar de hand gedrukt en ons gezelschap voor altijd opgebroken.
De landstreek langs den spoorweg was in ons oog, toen we ’r overheen ratelden, een prachtigen tuin gelijk. De schoonheid der velden (wat zagen ze ’r klein uit!), de hagen en de boomen; de lieve optrekjes, de bloembedden, de oude kerkhoven, de ouderwetsche huizen, en ieder welbekend voorwerp; kortom, het uitgezocht genoegen, dat de reis van dien eenen dag opleverde, een genoegen, dat in ’t kort bestek van een enkelen zomerdag de vreugd van menig jaar bijgebracht en ons Te-huis en al wat het zoo dierbaar maakt, voor onzen geest vertegenwoordigde,—geen tong kan ’t vertellen, mijn pen kan ’t niet beschrijven.