DE SLAVERNIJ.
De aanhangers van de slavernij in Amerika, van de afschuwelijkheden van welk stelsel ik geen woord zal schrijven, waar ik niet het doorslaandst bewijs voor heb, kunnen in drie groote klassen verdeeld worden.
De eerste klasse bestaat uit die gematigde en redelijkdenkende eigenaars van menschenvee, die er op dezelfde wijs aan gekomen zijn als aan zoo menigen rijksdaalder voor hun bedrijfskapitaal, maar in ’t afgetrokkene den vreeselijken aard der Instelling aannemen en de gevaren inzien dien zij voor de maatschappij meebrengt: gevaren, die, wat voor cordon van voorzorgsmaatregelen er ook omheen getrokken worde en hoe langzaam ze ook aan komen stappen, niettemin op haar schuldig hoofd neer zullen vallen zoo zeker als de Dag des Oordeels is.
De tweede klasse bestaat uit al die eigenaars, fokkers, gebruikers, koopers en verkoopers van slaven, die ze, luk of raak, willen eigenen, fokken, gebruiken, koopen en verkoopen net zoolang tot dat bloedig liedje aan zijn bloedig end gekomen is, die brutaalweg al het afgrijselijke van dit stelsel heeten te liegen, al duwt ge hun een massa bewijsstukken onder den neus zooals nog nooit bij eenig ander onderwerp te berde werd gebracht, bewijsstukken waar ten overvloede de ondervinding van iederen dag nog haar ontzettend gewicht bij in de schaal legt; die ’t met plezier aan zouden zien als Amerika vandaag of morgen in een binnen- of buitenlandschen oorlog gewikkeld werd, als daarvan dit maar doel en uitslag was, dat zij in hun recht gehandhaafd bleven, om de slavernij in stand te houden en de slaven af te beulen zonder dat eenig menschelijk gezag daar een stokje voor mocht steken; die, als zij van Vrijheid spreken, de vrijheid bedoelen om hun medemenschen te verdrukken en zich als Nero’s aan te stellen; en van wie ieder exemplaar op zijn eigen grond—en dat in ’t republikeinsch Amerika—een meer volkomen en ongenadig, en minder verantwoordelijk dwingeland is, dan de Kalief Haroun Al raschid in zijn ontzaginboezemend scharlakenrood gewaad.
De derde klasse, en niet de minst talrijke of invloedrijke, bestaat uit al die fatsoenlijke burgers die geen meerdere kunnen velen en huns gelijken kunnen luchten noch zien; met andere woorden, uit de klasse wier heele republikeinsche gezindheid hierop neerkomt: „Ik duld niemand boven me, en van allen die beneden me staan moet geen een het wagen, mij te na te komen;” wier dwaze hoogmoed, in een land waar vrijwillige dienstbaarheid geschuwd wordt als de pest, door slaven moet bediend worden en wier onvervreemdbare rechten alleen door de verongelijkingen, den negers aangedaan, kunnen gehandhaafd worden.
Men heeft soms aangevoerd, dat men in de vruchtelooze pogingen, die er aangewend zijn geworden om de zaak der persoonlijke vrijheid in de republiek van Amerika te bevorderen (wel vreemd tusschen twee haakjes dat men, over Amerika, het vrije Amerika, schrijvende, zoo’n punt heeft te behandelen), nu heeft men, zeg ik, soms aangevoerd, dat men bij al zulke pogingen niet genoegzaam acht geslagen heeft op ’t bestaan van de door ons zoo even aangeduide eerste klasse van personen, en, zoo werd er dan verder geredeneerd, nu ging het niet aan, ja deed men die eerste klasse bepaaldelijk onrecht, door haar met de tweede over één kam te scheren. Ongetwijfeld is dit het geval; op edele voorbeelden zou men kunnen wijzen van personen die zich in ’t belang hunner slaven geldelijke en persoonlijke opofferingen getroost hebben, en wel is ’t te bejammeren dat de kloof tusschen hen en de pleitbezorgers der emancipatie door al dergelijke scheeve voorstellingen als anderszins nog wijder kan gemaakt zijn, des te meer daar er buiten kijf onder deze slavenhouders verscheidene goedgezinde meesters gevonden worden, die zachtmoedig, neen teeder zijn in de uitoefening hunner onnatuurlijke macht. Edoch dit neemt de vrees niet weg, dat deze oprechtheid onafscheidelijk verbonden is aan een staat van zaken waar menschelijkheid en waarheid geroepen zijn, een appeltje mee te schillen. De slavernij is er geen zier draaglijker om, omdat er sommigen zijn aan te wijzen, wier edelmoedig hart de harde gevolgen dezer instelling gedeeltelijk weet te verzachten, ook mag de stroom van den heiligen toorn niet stil blijven staan, al stuit hij in zijn steeds voortgaanden loop op enkele weinigen die onder een heir van schuldigen vergelijkenderwijs onschuldig zijn.
Ziehier wat deze betere menschen onder de pleitbezorgers der slavernij ons bij wijze van zelfverdediging gewoonlijk te gemoet voeren. „Een slecht stelsel is het, nu ja, en hing ’t van mij af, ik zag het graag, heel graag aan den dijk gezet. Maar zoo slecht als jelui het in Engeland afschildert, is het niet. Weet je, wat met jelui ’t geval is? al die mooie voorstellingen van de apostelen der emancipatie hebben jelui ingepalmd, daar zit ’m de knoop! Zoo zijn de meesten van mijn eigen slaven aan mij gehecht, en waarlijk niet zoo’n klein beetje. Nu zal jelui zeggen, dat ik er voor zorg dat ze niet streng behandeld worden, maar eilieve, ik zet het jelui, te gelooven dat het een algemeene praktijk kàn zijn om ze ònmenschelijk te behandelen. Zoo iets zou immers hun waarde verminderen en—dit is zoo klaar als ’n klontje—tegen ’t belang hunner meesters wezen!”
Nu vraag ik op mijn beurt: Is ’t in ’t belang van iemand om te stelen, te dobbelen, zijn gezondheid en geestvermogens door dronkenschap te verwoesten, te liegen, valsche eeden af te leggen, aan de inblazingen van den haat toe te geven, in zijn razernij op wraak en altijd op wraak uit te zijn, of zich aan moord of doodslag schuldig te maken? Immers neen. Al deze wegen toch voeren ten verderve. En waarom zijn er dan menschen, die ze bewandelen? Waarom? Omdat zulke neigingen mede tot de booze eigenschappen van ’t menschdom behooren. Neen, vrienden der slavernij, wischt eerst van de lijst der menschelijke hartstochten den brutalen lust uit, en de wreedheid, en het misbruikmaken van onverantwoordelijke macht (van alle verzoekingen op aarde de moeilijkste om er weerstand aan te bieden), en hebt ge dát gedaan, dan, maar niet vroeger, zullen wij eens aan ’t onderzoeken gaan of ’t in ’t belang van een meester zij, de slaven, over wier levens en ledematen hij een onbeperkt gezag uitoefent, met de zweep te slaan en te verminken.
Maar er is meer. Èn deze klasse, èn die laatste die ik opgenoemd heb, de ellendige aristocratie, die teelt eener valsche republiek,—ze verheffen gezamenlijk hun stem en roepen uit: „De openbare meening, en de openbare meening alleen, is ruimschoots voldoende om zoo’n wreedheid als door u aan de kaak gesteld wordt te voorkomen.” Och kom, de openbare meening! Maar is de openbare meening in de Slaven-staten niet juist vóór de slavernij? spreek op!... Helaas, maar al te waar! Ja, de openbare meening heeft, in de Slaven-staten, de slaven aan de genade of ongenade hunner meesters overgegeven. De openbare meening heeft de wetten gemaakt en hun alle wettelijke bescherming ontzegd. De openbare meening heeft de zweep geknoopt, het brandijzer heet gemaakt, de buks geladen en den moordenaar in bescherming genomen. De openbare meening bedreigt den abolitionist, d. i. voorstander der afschaffing, met den dood, als hij het hart mocht hebben, één voet in ’t Zuiden te zetten, en sleurt hem, met een touw om zijn middel, op klaarlichten dag door de eerste stad in ’t Oosten, ’t Is nog zoo heel lang niet geleden, dat de openbare meening een slaaf levend verbrand heeft boven een langzaam gestookt vuur in de stad St. Louis; en tot op den huidigen dag heeft de openbare meening dien achtingswaardigen rechter in zijn rang gehandhaafd, die de Jury, daar opgeroepen om de moordenaars te verhooren, op ’t gemoed drukte om ten deze niet uit het oog te verliezen, dat hun afgrijselijke daad een handeling der openbare meening was en bijgevolg niet gestraft moest worden door de wetten die het openbaar gevoelen gemaakt had. En de openbare meening? Met een wild gebrul juichte zij deze leer toe, en stelde de gevangene op vrije voeten, zoodat ze zich evenals voorheen, als mannen van aanzien, invloed en stand, frank en vrij in de stad konden bewegen.
De openbare meening! Wat voor klasse van menschen heeft een onmetelijk overwicht over de rest, wat de macht betreft om de openbare meening in de Wetgevende Vergadering te vertegenwoordigen? Wie anders dan de slavenhouders? Zijn zij ’t die uit hun twaalf Staten honderd leden afvaardigen; de veertien vrije Staten, met een vrije bevolking die bijna eens zoo groot is, daarentegen maar honderd twee en veertig. Voor wien buigen de candidaten voor den presidentszetel het nederigst; wien smeren ze den meesten honig om den mond, en wien kijken zij het onderdanigst naar de oogen? altijd en eeuwig de slavenhouders.
De openbare meening! Luister eens naar de openbare meening van ’t vrije Zuiden, zooals die uitgedrukt wordt door zijn eigen leden in ’t Huis der Volksvertegenwoordigers te Washington. „Ik heb allen eerbied voor den president,” zei Noord Carolina, „ja, allen eerbied heb ik voor hem als lid van ’t Huis, ook heb ik allen eerbied voor hem persoonlijk; en louter die eerbied houdt me tegen, om naar de tafel te vliegen en die petitie in stukken te scheuren die zoo even ingeleverd is geworden om de slavernij in ’t district Columbia af te schaffen.”—„Ik waarschuw de abolitionisten,” zegt Zuid Carolina, „onwetende, razende barbaren die ze zijn, dat, mocht een van hen bijgeval in onze handen vallen hem de dood van een misdadiger wacht.”—„Laat,” schreeuwt een derde, een collega van dat teerhartige Carolina, „laat een abolitionist eens het hart in zijn lijf hebben om binnen de grenzen van Zuid Carolina te komen, en we zullen hem wel inrekenen en voor de rechtbank brengen, en al zouden alle gouvernementen ter wereld, de Bondsvergadering incluis, tusschen beiden treden, OPHANGEN zullen we hem toch.”
De openbare meening heeft deze wet gemaakt.—Zij heeft verklaard dat in Washington in dezelfde stad die haar naam ontleent aan den vader der Amerikaansche vrijheid, elke vrederechter elken neger, die daar op straat gezien wordt, mag boeien en in de gevangenis werpen: het is niet eens noodig, dat de zwarte het geringste misdaan heeft, och neen, de justitie redeneert op dit punt eenvoudig zoo: „Ik zie daar een zwarte, die zwarte is stellig weggeloopen,” en zonder complimenten te maken, sluit ze hem op. De openbare meening verleent den man der wet de macht om, zoodra hij dit gedaan heeft, den neger in de nieuwsbladen te zetten, den eigenaar waarschuwende om over te komen en hem op te eischen, bij gebreke waarvan hij in veiling gebracht zal worden, ten einde de gemaakte gevangeniskosten te vergoeden. Maar gesteld nu eens, dat hij een vrije zwarte is en geen eigenaar heeft, dan zal hij—dit vermoeden ligt immer als iets dat vanzelf spreekt voor de hand—toch wel op vrije voeten gesteld worden. Of hij zelfs in dát geval op vrije voeten gesteld wordt? Wel neen! DAN WORDT HIJ VERKOCHT OM ZIJN CIPIER SCHADELOOS TE STELLEN. Zoo iets heeft zich telkens en telkens weer voorgedaan. Hij toch, de arme maar vrije slaaf, hij heeft geen middelen om te bewijzen dat hij vrij man is; hij heeft geen raadsman, geen boodschaplooper of iemand die hem, op welke wijze dan ook, met raad of daad ter zijde staat; er wordt zelfs geen onderzoek ingesteld met betrekking tot zijn zaak. Hij, een vrij man, die misschien jaren lang dienstbaar geweest is en zijn vrijheid heeft gekocht, hij wordt zonder vorm van proces, om geen misdaad, zelfs niet op vermoeden van misdaad, in de gevangenis geworpen en.... verkocht, verkocht om zijn gevangeniskosten te betalen. Dit schijnt onmogelijk, zelfs van Amerika, maar de wet is nu eenmaal zoo, en de wet wortelt in de openbare meening.
Het is alweer de openbare meening, waar men zich aan houdt in gevallen als het volgende, dat in de nieuwsbladen bij wijze van hoofdartikel behandeld wordt:
„Belangrijke rechtzaak.
„Een belangrijke zaak wordt nu behandeld voor het Hoog gerechtshof. Ziehier wat er aanleiding toe gegeven heeft. Een heer, die in Maryland woonde, had, verscheidene jaren geleden, een bejaard paar zijner slaven feitelijke, alhoewel niet wettelijke vrijheid geschonken. In dien staat was hun een dochter geboren, die in dezelfde vrijheid opgroeide, totdat ze een vrijen neger huwde en met dezen in Pennsylvanië ging wonen. Zij hadden verscheidene kinderen en leefden ongemoeid totdat de oorspronkelijke eigenaar kwam te overlijden, waarop zijn erfgenaam probeerde of hij ze niet weer in zijn macht kon krijgen; maar de overheid, waar zij voor gebracht werden, besliste dat zij in dit geval geen uitspraak kon doen. De eigenaar liet nu de vrouw en haar kinderen ’s nachts oplichten en bracht ze naar Maryland.”
„Contant geld voor negers”, „contant geld voor negers”, „contant geld voor negers”, staat dikwijls in de lange kolommen der compres gedrukte kranten met hoofdletters boven de advertentiën te lezen. Houtsnee-vignetten, voorstellende een weggeloopen neger met geboeide handen, die voor de voeten kruipt van een ruwen vervolger die hem gesnapt heeft en bij de keel grijpt—ziedaar wat strekken kan tot meerdere opluistering van den op zich zelf al zoo prettigen tekst. Het hoofdartikel verzet zich tegen „die afschuwelijke en helsche leer van de afschaffing, die zoowel tegen elke goddelijke wet als tegen elke natuurwet aandruist.” Mamaatje, die de krant in haar koele verandah zit te lezen, stemt glimlachend in met dit vermakelijk mopje en sust haar jongste kind, dat lastig begint te worden, door den jongen, o hoe lief, niet waar? een zweepje te beloven, een zweepje om er de negertjes mee te slaan.—Maar de negers, klein en groot, worden immers door de openbare meening beschermd!!!
Laat ons deze openbare meening nog eens op eene andere manier den pols voelen en wel met dien verstande dat zij zelf het nu zal wezen, die ons de zaak in quaestie uit drieërlei nieuwe gezichtspunten zal doen beschouwen. Me dunkt, zoo iets kan niet onbelangrijk geacht worden. We zullen namelijk nu eens gaan zien ten eerste: hoe wanhopig bleu slavenhouders tegenover de openbare meening zijn, in hun kiesche beschrijving van voortvluchtige slaven in wijd en zijd verspreide nieuwsbladen; ten tweede; hoe volmaakt de slaven in hun schik zijn en hoe uiterst zelden ze wegloopen; ten derde hoe maagdelijk rein de slaven gehouden worden van litteekens en van al wat een wreede behandeling ten gevolge zou kunnen hebben, gelijk dit blijken zal uit de schilderijen daarvan opgehangen, niet door leugenachtige abolitionisten, maar door hun eigen waarheidslievende meesters.
Men houde daarbij wel in ’t oog, dat de volgende staaltjes maar enkele weinige specimens zijn van de advertentiën in de nieuwsbladen. Het is nog maar vier jaar geleden sinds de oudste daarvan verschenen is; en anderen van ’t zelfde allooi worden er, dag-in dag-uit, bij de vleet gepubliceerd.
„Weggeloopen, de negerin Caroline. Had een halsband om met één tand naar beneden gekeerd.”
„Weggeloopen, een zwarte vrouw, Betsy. Had een ijzeren beugel om haar rechterbeen.”
„Weggeloopen, de neger Manuel. Heeft nog al wat moeten van ijzers op zijn lichaam.”
„Weggeloopen, de negerin Fanny. Had een ijzeren band om haar hals.”
„Weggeloopen, een negerjongen van ongeveer twaalf jaar. Had om zijn hals een hondenhalsband met de „„de Lampert”” er in gesneden.”
„Weggeloopen de neger Hown. Heeft een ijzeren ring om zijn linkervoet. Ook Grisy, zijn vrouw, die een ring en ketting om ’t linkerbeen heeft.”
„Weggeloopen, een negerjongen, met name Koo. Deze jongen was geboeid, toen hij me verliet.”
„Gevangen gezet, een man die zich Jan noemt. Aan zijn rechtervoet heeft hij een ijzeren blok, dat wel een pond of vijf zal wegen.”
„In de politiegevangenis gezet, de zwarte lichtekooi Myra. Heeft verscheidene striemen van ZWEEPSLAGEN en ijzer aan haar voeten.”
„Weggeloopen, een negerin en twee kinderen; een dag of wat voordat ze wegliep, BRANDDE IK HAAR MET EEN GLOEIEND IJZER OP DEN LINKERKANT VAN HAAR GEZICHT. Ik probeerde, de letter M te maken.”
„Weggeloopen, een neger Hendrik genaamd; zijn linkeroog kwijt, sommige litteekenen van een dolk aan en onder zijn linkerarm, en vol striemen van de zweepslagen.”
„Honderd dollars belooning, voor een negerknaap Pompey, 40 jaar. Hij is gebrandmerkt op de linkerwang.”
„Gevangen gezet, een neger. Heeft geen teenen aan den linkervoet.”
„Weggeloopen, een negerin Rachel genaamd. Al haar teenen kwijt behalve de groote.
„Weggeloopen, Sam. Kort geleden had hij een schot gekregen door de hand, en heeft verscheidene schoten in zijn linkerarm en zij.”
„Weggeloopen, mijn neger Dennis. Gezegde neger heeft een schot gekregen in den linkerarm tusschen den schouder en elleboog waardoor de linkerhand verlamd is geworden.”
„Weggeloopen, mijn neger Simon genaamd. Men heeft hem geschoten in zijn rug en rechterarm, maar niet al te raak.”
„Weggeloopen, een neger met name Arthur. Heeft een groot litteeken dwars door zijn borst, en iederen arm, met een mes gemaakt; spreekt graag over Gods goedheid.”
„Vijf en twintig dollars belooning voor mijn knecht Isaäc. Hij heeft een litteeken aan zijn voorhoofd, door een klap veroorzaakt; en een in zijn rug, door een pistoolschot.”
„Weggeloopen, een negermeid, Marie genaamd. Heeft een klein litteeken over haar oog, is nogal wat tanden kwijt, de letter A is op haar wang en voorhoofd gebrand.”
„Weggeloopen, neger Ben. Heeft een litteeken aan zijn rechterhand, daar zijn duim en wijsvinger gekwetst zijn door een schot dat onlangs op hem gelost is geworden. Een gedeelte van ’t been stak er uit. Hij heeft ook een of twee groote litteekens aan zijn rug en heupen.”
„Gevangen gezet, een mulat, Tom genaamd, Heeft een litteeken aan de rechterwang, en schijnt met kruit op ’t gezicht gebrand te zijn.”
„Weggeloopen, een neger, Ned genaamd. Drie zijner vingers zijn door een snee in de palm zijner hand kromgetrokken. Heeft een litteeken achter aan zijn hals, zoowat half rond, door een mes veroorzaakt.”
„Was gevangen gezet, een neger. Zijn naam is Josiah. Zijn rug vol striemen van de zweep; gebrand op de dij en heupen op drie of vier plaatsen, dus (JM). Zijn rechter-oorlelletje is afgebeten of afgesneden geworden.”
„Vijftig dollars belooning, voor mijn knaap Eduard. Hij heeft een litteeken om den hoek van zijn mond, twee sneden aan en onder zijn arm, en letter E op zijn arm.”
„Weggeloopen, de negerjongen Ellie. Heeft een litteeken aan een zijner armen van den beet van een hond.”
„Weggeloopen, van de plantage van James Surgette, de volgende negers: Randal, heeft één oor afgekapt; Bob, is één oog kwijt; Kentucky Tom, heeft één kaak gebroken.”
„Weggeloopen, Anthony. Een zijner ooren afgesneden, en zijn linkerhand met een bijl afgehakt.”
„Vijftig dollars belooning voor den neger Jim Blake. Uit elk oor is hem een stukje gesneden en de middelste vinger der linkerhand is afgesneden tot het tweede gewricht.”
„Weggeloopen, een negerin Maria genaamd. Heeft een litteeken aan de eene zij van haar wang, door een snee. Sommige litteekens aan haar rug.”
„Weggeloopen de mulattin-lichtekooi Mary. Heeft een snee op den linkerarm, een litteeken op den linkerschouder, en is twee boventanden kwijt.”
(Tot opheldering van ’t laatste gedeelte dezer beschrijving, zal ik misschien geen overtollig werk verrichten door te doen opmerken, dat onder de andere zegeningen die de openbare meening der negers verzekert, de algemeen in zwang zijnde gewoonte behoort, hun met geweld de tanden uit te stooten. Om ze over dag en ’s nachts ijzeren halsbanden te laten dragen en de honden tegen hen aan te hitsen, dat zijn van die praktijken bijna te ordinair om er opzettelijk melding van te maken.)
„Weggeloopen, mijn man Fontein. Heeft gaten in zijn ooren, een litteeken aan den rechterkant van zijn voorhoofd, heeft een schot beet in de achterdeelen zijner beenen, en heeft striemen op zijn rug van de zweep.”
„Tweehonderd vijftig dollars belooning voor mijn neger Jim. Zijn rechterdij draagt nogal wat litteekens van een schot. Het schot kwam er aan den buitenkant in, halverwege tusschen de heup en kniegewrichten.”
„Naar de gevangenis gebracht, Jan. Linkeroor afgehakt.”
„Opgevangen, een neger. Heeft nogal wat litteekens over zijn gezicht en lijf, en is zijn linkeroor kwijt, dat hem afgebeten is.”
„Weggeloopen, een zwarte meid, Mary genaamd. Heeft een litteeken aan haar wang, en de top van een harer teenen afgesneden.”
„Weggeloopen, mijn mulattin Judy. Haar rechterarm is gebroken.”
„Weggeloopen, mijn neger Levi. Zijn linkerhand is verbrand geworden, en ik geloof dat hij den top van zijn wijsvinger kwijt is.”
„Weggeloopen, een neger, WASHINGTON GENAAMD. Heeft een stuk van zijn middelsten vinger verloren, en den top van zijn pink.”
„Vijf en twintig dollars belooning voor mijn man Jan. Het puntje van zijn neus is afgebeten.”
„Vijf en twintig dollars belooning voor den negerslaaf Sally. Loopt alsof hij kreupel was in den rug.”
„Weggeloopen, Joe Dennis. Heeft een kleine kerf in een zijner ooren.”
„Weggeloopen, negerjongen Jack. Mist een klein stukje van zijn linkeroor, dat er van afgekapt is.”
„Weggeloopen, een neger Ivoor genaamd. Mist een klein stukje van iedere oorlel, dat er uitgesneden is.”
Van ooren gesproken, zal ik zoo vrij zijn, bij deze gelegenheid nog mee te deelen, dat een deftig abolitionist in New-York eens een negeroor ontving, dat vlak bij ’t hoofd afgesneden was. Dit oor gewerd hem over de post en in een gewonen brief, en was verzonden door den vrijen en onafhankelijken heer, die het af had laten zetten, terwijl er het beleefd verzoek was bijgevoegd, om het specimen in zijn „collectie” een plaatsje te verleenen.
Ik kon deze lijst vermeerderen met gebroken armen, en gebroken beenen, en gekorven vleesch en ontbrekende tanden, en opengereten ruggen, en hondenbeten, en ontelbare brandmerken met gloeiend heete ijzers. Maar aangezien mijn lezers aan al ’t voorafgaande reeds zoo rijkelijk hun bekomst zullen hebben dat ze ’r misschien al misselijk van geworden zijn, wil ik uit dit vermakelijk boek, dat ons zoo’n aardig kijkje verleent in de waardij der Amerikaansche openbare meening, nog een andere niet minder vermakelijke bladzij openslaan.
De bovenstaande advertenties, waarvan een dergelijke collectie elk jaar, en maand, en week, en dag kon opgemaakt worden, en die men in den huiselijken kring leest als dingen die van zelf spreken en onder het nieuws van den dag en bij de koetjes en kalfjes thuis behooren, kunnen daartoe bijdragen om den belanghebbende te toonen hoe bijster erg de slaven van de openbare meening profiteeren en hoe teer zij zich te hunnen aanzien gedraagt. Maar ’t is ook niet van belang ontbloot, eens na te gaan hoe de slavenhouders, en de klasse der maatschappij, waaronder velen hunner dienen gerangschikt te worden, de openbare meening naar de oogen kijken in hun gedrag, niet jegens hun slaven maar jegens elkaar; hoe zij gewoon zijn, hun hartstochten te bedwingen; hoe hun houding is onder hen zelf; of ze opvliegend zijn of zacht; of hun maatschappelijke gewoonten brutaal, bloeddorstig en heftig zijn of den stempel van beschaving en verlichting dragen.
Opdat men ons niet kunne beschuldigen van partijdiglijk onze bewijzen aan abolitionisten te hebben ontleend, zal ik alweer tot hun eigen nieuwsbladen terugkeeren en mij ditmaal bepalen tot een keur van paragrafen, die, tijdens mijn bezoek aan Amerika, van dag tot dag verschenen en altemaal betrekking hebben op gebeurtenissen die voorvielen terwijl ik daar was. Evenals in de voorgaande, ben ik het die ook in deze uittreksels onderstreept heb.
Naar men zien zal, vonden deze gevallen wel is waar niet allen plaats op grondgebied dat thans tot wettig erkende Slavenstaten behoort, ofschoon het met de meeste en ergste scènes wel deugdelijk het geval was; maar de ligging van de plaatsen waar zij voorvielen zoo dicht in de nabijheid van districten waar de slavernij wet is, en de sterke gelijkenis tusschen die soort van gewelddadigheden en de rest: ziehier een feit dat tot het niet onjuiste vermoeden leidt dat het karakter van de daarin betrokken personen in slaven-districten gevormd en door daar in zwang zijnde gewoonten verdierlijkt was.
Laat ons beginnen.
„VREESELIJK TREURSPEL.
„Uit een strook van The Southport Telegraph, Wisconsin, vernemen wij dat de EdelAchtb. heer Charles C. P. Arndt, lid van den Raad voor ’t graafschap Brown, op den vloer van de Raadkamer doodgeschoten is door James R. Vinyard, lid voor ’t graafschap Grant. De zaak ontstond uit een benoeming tot Sheriff in ’t graafschap Grant. De heer E. S. Baker stond op de nominatie en werd ondersteund door den heer Arndt. Deze nominatie werd bestreden door Vinyard, die verlangde dat zijn eigen broeder die betrekking kreeg. In den loop van ’t debat kwam de overledene met eenige opgaven te berde die Vinyard voor valsch verklaarde, zich daarbij van een heftige en beleedigende taal bedienende, die doorspekt was van allerlei hatelijke personaliteiten, waar de heer A. geen antwoord op gaf. Na de verdaging ging de heer A. naar Vinyard toe, en verzocht hem, zijn woorden in te trekken, wat hij weigerde, de beleedigende woorden herhalende. De heer Arndt sloeg toen naar Vinyard, die een voetstap achteruitweek, een pistool trok en hem doodschoot.
„Het schijnt dat deze afloop geprovoceerd is geworden door Vinyard, die, het kostte wat het wilde, het besluit had opgevat om de benoeming van Baker te verijdelen, en zelf uit het veld geslagen, al zijn wraakgierigheid en wrok tegen den ongelukkigen Arndt keerde.”
„HET WISCONSINSCHE TREURSPEL.
„Hoog loopt de openbare verontwaardiging op het grondgebied van Wisconsin naar aanleiding van den moord, die in de zaal der Wetgevende Vergadering van ’t grondgebied gepleegd is geworden. Meetings zijn er gehouden in verschillende graafschappen van Wisconsin, om te protesteeren tegen de gewoonte om in ’t geheim wapens bij zich te dragen in de Wetgevende Kamer des lands. Wij hebben het verslag ingezien van de Verwijdering van James R. Vinyard, den bedrijver der bloedige daad, en zijn verbaasd te hooren, dat na deze verwijdering door hen die Vinyard den heer Arndt zagen dooden in ’t bijzijn van zijn ouden vader die zijn zoon op was komen zoeken en er zeker al bitter weinig van gedroomd had dat hij getuige zou zijn van diens vermoording, rechter Dunn Vinyard onder borgtocht vrijgelaten heeft1. De Miners’ Free Press spreekt in bewoordingen van verdienden afkeer over de beleediging daardoor de gevoelens van ’t volk van Wisconsin aangedaan. Vinyard stond niet meer dan op armslengte van den heer Arndt af, toen hij zoo doodelijk op hem aanlegde, dat hij nooit meer sprak. Zoo dicht naast hem staande, had Vinyard, als hij maar gewild had, hem alleen kunnen wonden, maar neen, hij verkoos hem te dooden.”
„MOORD.
„Door een brief in een nieuwsblad van St. Louis van den 14 vernemen wij een vreeselijk voorval te Burlington, Iowa. Daar een zekere heer Bridgman een geschil gehad had met een burger van de plaats, den heer Ross, voorzag een schoonbroeder van laatstgenoemden zich van een Colt revolver, kwam den heer B. op straat tegen, en loste de vijf pistoolloopen op hem: ieder schot was raak. Alhoewel verschrikkelijk gewond, en stervende bleef de heer B. hierop het antwoord niet schuldig, maar schoot Ross op de plaats dood.”
„SCHRIKKELIJKE DOOD VAN ROBERT POTTER.
„Uit de „„Caddo’sche courant”” van den 12 l.l. vernemen wij den vreeselijken dood van kolonel Robert Potter.... In zijn eigen huis werd hij door een vijand, een zekere Rose, omsingeld. Hij sprong zijn bed uit, greep zijn geweer en vloog in zijn nachtkleeren het huis uit. Daar hij zijn vijand zoo wat tweehonderd el vooruit was, scheen zijn vlugheid zijn vervolgers te verschalken, maar verward rakende in kreupelhout werd hij gevangen genomen. Rose zei hem daarop, dat hij van plan was, zich eens edelmoedig te gedragen, en gaf hem nog een kans voor zijn leven. Hij, Potter, mocht namelijk wegloopen en tot op zekeren afstand zou men hem niets doen. Op het commandowoord vloog Potter weg, en voordat er een geweer was afgeschoten had hij het meer al bereikt. Het eerst wat bij hem opkwam, was, in ’t water te springen en onder te duiken, wat hij dan ook deed. Rose zat hem dicht op de hielen en formeerde zijn manschappen op den oever in dier voege, dat ze kant en klaar waren om hem dood te schieten als hij met zijn hoofd boven water kwam. Na verloop van eenige oogenblikken kwam hij boven, om adem te halen; en nauwelijks stak zijn hoofd boven de oppervlakte des waters uit, of het werd geheel verbrijzeld door de schoten hunner geweren, en zonk hij, om niet meer levend op het droge te komen!”
„MOORD IN ARKANSAS.
„Wij vernemen dat er weinig dagen geleden een ernstige ontmoeting heeft plaats gevonden in ’t Land der Senecas tusschen den heer Loose, den onderagent van de vereenigde stammen der Senecas, Quapaws en Shawnees, en den heer James Gillespie, van de handelsfirma Thomas G. Allison en Co, van Maysville, Benton, graafschap Ark, bij welke gelegenheid de laatste met een bowie-mes gedood werd. Er had al sinds eenigen tijd eenige moeilijkheid tusschen de partijen bestaan. Men zegt dat majoor Gillespie den aanval met een rotting begon. Hierop volgde een hevig gevecht, waarbij twee pistolen werden afgeschoten, een door Gillespie en een door Loose. Loose doorstak toen Gillespie met een dier nooit missende wapens, een bowie-mes. De dood van majoor G. wordt zeer betreurd, daar hij een vrijzinnig en degelijk man was. Sinds het bovenstaande gezet was, hebben we vernomen dat majoor Allison aan sommige onzer burgers in de stad verzekerd heeft, dat de heer Loose den eersten slag gegeven had. Wij onthouden er ons van, in verdere bizonderheden te treden, aangezien de zaak het onderwerp van een gerechtelijk onderzoek zal zijn.”
„LEELIJKE DAAD.
„De stoomboot Thames, zoo even van de Missouri aangekomen, bracht ons een biljet, waarmee een belooning uitgeloofd werd van 500 dollars voor den persoon die in den nacht van den 6 l.l. Lilburn W. Baggs, onlangs gouverneur van dezen Staat, te Independence vermoordde. Gouverneur Baggs was, gelijk in een geschreven memorandum verklaard wordt, niet dood, maar doodelijk gewond.
„Sinds het bovenstaande was geschreven, kregen we een nota van den boekhouder van de Thames, waar de volgende bijzonderheden in voorkomen. Gouv. Baggs werd Vrijdagavond den 6 l.l., terwijl hij in zijn kamer in zijn eigen huis te Independence zat, door den een of anderen schurk doodgeschoten. Zijn zoon, een jongen, die een knal hoorde, vloog de kamer in, en vond den gouverneur in zittende houding in zijn stoel. Zijn kaak was geheel uitgezakt en zijn hoofd hing achterover. Zoodra de knaap merkte wat men zijn vader gedaan had, maakte hij alarm. In den tuin werden eronder ’t raam voetstappen gevonden en een pistool opgeraapt waarvan men veronderstelde dat het overladen en door de hand van den onverlaat, die het afschoot, daar neergesmeten was geworden. Drie schoten, die zwaar waren geladen, hadden doel getroffen. Het eene was namelijk door zijn mond gegaan, het tweede in de hersenpan en het derde waarschijnlijk in of bij de hersenpan, terwijl alle drie tot heel achter in den nek en in ’t hoofd doorgedrongen waren. Op den morgen van den 7 leefde de gouverneur nog; maar zijn vrienden koesteren in ’t geheel geen hoop op zijn herstel, zijn geneesheeren maar bitter weinig hoop.
„Men had vermoeden op een man, en de Sheriff heeft hem op dit oogenblik allerwaarschijnlijkst reeds in zijn macht.
„De pistool behoorde tot een koppel, dat een dag of wat geleden van een bakker te Independence ontvreemd was geworden, en de overheid heeft de beschrijving van het andere.”
„ONTMOETING.
„Een ongelukkige zaak vond Vrijdagavond in Chastres Street plaats, waar een onzer achtingswaardigste burgers met een dolk een gevaarlijke wond in den onderbuik werd toegebracht. Uit de Bij (New Orleans) van gisteren vernemen we dienaangaande de volgende bijzonderheden: Het schijnt dat er Maandag laatstleden een artikel in ’t Fransche gedeelte dier krant stond, waarin eenige critische aanmerkingen voorkwamen op het artillerie-bataljon, wegens het afvuren namelijk van zijn kanonnen op Zondagmorgen, in antwoord op die van de Ontario en Woodbury, waardoor veel alarm veroorzaakt was geworden onder de families van die personen, welke den geheelen nacht op de been waren geweest om de rust der stad te bewaren2. Daarover geraakt, ging majoor C. Gally, de bataljons-commandant, bij ’t bureau der redactie aan, en vroeg den naam van den schrijver. Men zei dat de schrijver P. Arpin heette, die toen afwezig was. Met een der eigenaars van ’t blad werden toen eenige bittere woorden gewisseld, waar een uitdaging op volgde. Wel deden de vrienden van beide partijen hun best om de zaak bij te leggen, maar tevergeefs. Vrijdagavond, tegen zevenen kwam majoor Gally den heer P. Arpin in Chastres Street tegen en sprak hem aan: „Is u m’nheer Arpin?”
„„Ja m’nheer.”
„„Dan heb ik u eenvoudig te zeggen, dat je een” (hier volgde een toepasselijk scheldwoord) „bent.”
„„Ik zal u aan uw woorden herinneren, m’nheer.”
„„Maar ik heb gezegd dat ik m’n stok op je schouder stuk zou slaan.”
„„Dat weet ik, maar ik heb den eersten slag tot nog toe niet gevoeld.”
„Op deze woorden sloeg Majoor Gally, die een rotting in zijn hand had, den heer Arpin dwars over ’t gezicht, waarop deze een dolk uit zijn zak haalde en den Majoor in den onderbuik trof.
„Men koestert vrees dat de wond doodelijk zal zijn. Wij vernemen dat de heer Arpin zekerheid heeft gegeven dat hij voor het Crimineel gerechtshof zal verschijnen om zich te verantwoorden.”
„VECHTPARTIJEN IN MISSISSIPPI.
„Op den 27 l.l. werd er bij een vechtpartij in de nabijheid van Carthago, graafschap Leake, Mississippi, tusschen James Cottingham en John Wilburn door den laatsten op den eersten geschoten, en werd hij zoo schrikkelijk gewond dat er geen hoop was op zijn herstel. Den 2 l.l. ontstond er een vechtpartij te Carthago tusschen A. C. Sharkey en George Goff, waarin de laatste een schot kreeg, dat men voor doodelijk hield, Sharkey gaf zich bij de autoriteit aan, maar bedacht zich later en ontvluchtte!”
„ONEENIGHEID.
„Eenige dagen geleden werd in Sparta de kastelein van een logement handgemeen met een zekeren Bury. Het schijnt dat Bury een beetje luidruchtig was geworden en dat de kastelein, vast besloten om de orde te bewaren, gedreigd had om Bury dood te zullen schieten, waarop Bury een pistool voor den dag haalde en den kastelein neerschoot. Volgens de laatste berichten was hij niet dood, maar bestond er weinig hoop op zijn herstel.”
„DUEL.
„De boekhouder van de stoomboot Tribune bericht ons dat er laatstleden Dinsdag nog een tweegevecht heeft plaats gevonden en wel tusschen den heer Robbins, een ambtenaar aan de Bank te Vicksburg, en den heer Fall, den uitgever van de Vicksburger Schildwacht. Volgens afspraak hadden de partijen elk zes pistolen, die zij, op ’t woord „vuur!” zoo dikwijls als ze verkozen, zouden afschieten. Fall schoot tweemaal zonder gevolg. Het schot van den heer Robbins was raak en wel in de dij van Fall, die neerviel en het gevecht niet langer voort kon zetten.”
„VECHTPARTIJ IN ’T GRAAFSCHAP CLARKE.
„Een ongelukkige vechtpartij vond er Dinsdag den 19 l.l. plaats in ’t graafschap Clarke (Mo) bij Waterloo. Deze vechtpartij ontstond uit een regeling van zaken betrekkelijk de vennootschap der heeren Kane en Allister, die een likeurstokerij gedreven hadden, en eindigde met den dood van den laatstgenoemden, die door den heer Kane neergeschoten werd, omdat hij getracht had zich in bezit te stellen van zeven vaatjes whiskey, het eigendom van Kane, die Allister bij gerechtelijke verkooping tegen één dollar per vaatje waren toegewezen geworden. Kane vluchtte onmiddellijk, en volgens de laatste berichten was het der politie niet gelukt, hem in handen te krijgen.
„Deze ongelukkige vechtpartij veroorzaakte daarom zoo geweldige opschudding in de buurt, omdat beide partijen mannen waren met talrijke huisgezinnen, die van hen afhingen, en goed ter naam en faam in de gemeente bekend stonden.”
Nu zal ik nog maar een enkel voorbeeld aanhalen, een voorbeeld dat om zijn monsterachtige ongerijmdheid de kroon op deze afgrijselijke daden zal zetten.
„EEREZAAK.
„Wij hebben zoo even de bijzonderheden gehoord van een ontmoeting die Dinsdag plaats had op Six Mile Island, tusschen twee jonge bloeden van onze stad: Samuel Thurston, oud vijftien, en William Hine, oud dertien jaar. Ze werden door jongeheeren van denzelfden leeftijd gesecondeerd. De bij deze gelegenheid gebruikte wapens waren een paar van Dicksons beste buksen; de afstand, dertig el. Zij schoten eenmaal op elkaar, zonder dat de eene partij de andere eenig letsel toebracht, behalve dat de kogel uit Thurston’s geweer door den bol van Hine’s hoed ging. Door de tusschenkomst van den Raad van Eer werd de uitdaging ingetrokken en het geschil vriendschappelijk bijgelegd.”
Als nu de lezer zich eens voor wil stellen met wat voor soort van Raad van Eer we hier te doen hebben, die zoo vriendschappelijk het geschil bijlegde tusschen deze twee kleine jongens, die in elk ander deel der wereld heel vriendschappelijk op een bank waren gelegd, waar men ze heel vriendschappelijk met berkenroeden afgestraft zou hebben,—ik maak me sterk, dat hij al het bespottelijke van deze „Eerezaak” niet minder in zal zien dan ik, die, telkens als ik er om denk, er hartelijk om lachen moet.
En nu, met deze stuitende bewijzen van den wezenlijken toestand der maatschappij in en bij de slavendistricten in Amerika voor oogen, nu doe ik een beroep op ieder mensch die een greintje gezond verstand en een beetje gevoel bezit, op ieder mensch die onbevooroordeeld is en redelijk denkt, onverschillig van welke staatkundige of kerkelijke kleur, en ik vraag: kunnen zij in ’t minst twijfelen aan den werkelijken toestand waarin de slaaf verkeert, of kunnen ze voor een oogenblik vrede sluiten tusschen deze instelling of eenige van haar in ’t oog springende vreeselijke kenmerken, en hun billijk oordeelende gewetens? Zullen zij, al is ’t eenigszins vergroot, van een of ander verhaal van afgrijselijke wreedheid zeggen, dat het onwaarschijnlijk is, als ze de openbare prenten kunnen raadplegen, en onder ’t loopen getuige kunnen zijn van daden als deze, gepleegd jegens elkander, door menschen die heerschappij uitoefenen over de slaven?
Weten we dan niet, dat al wat de slavernij maar leelijks en wanstaltigs in den hoogsten graad heeft aan te wijzen, èn de oorzaak èn het gevolg is van de verregaandste buitensporigheid, die deze vrijgeboren bandieten zich veroorloven? Weten we niet, dat de man die onder de verkeerdheden der slavernij is geboren en grootgebracht geworden; die in zijn kindsheid gezien heeft hoe mannen genoodzaakt werden om op het woord van commando hun eigen vrouwen af te ranselen, hoe vrouwen op onbetamelijke wijze gedwongen werden, haar eigen kleeren op te houden, opdat de mannen des te zwaarder slagen op haar beenen konden toebrengen, hoe vrouwen tijdens haar barensnood werden afgejakkerd en getreiterd door brutale opzichters en onder de zweepslagen moeder werden; die beschrijvingen van weggeloopen mannen en vrouwen en hun verminkte personen gelezen heeft of zijn jeugdige zuster heeft zien lezen, die elders onmogelijk duidelijker opgegeven konden worden, ook al gold het de viervoetige bewoners van een boerderij of een tentoonstelling van dieren;—weten we niet, wil ik nu eenvoudig gevraagd hebben, dat, als de toorn van zoo iemand maar ontstoken is, die man een brutale wilde zal zijn? Weten we niet, dat evengoed als hij een lafaard is, die, mèt zijn zware zweep gewapend, onder zijn van schrik ineenkrimpende slaven en slavinnen heen en weer loopt, hij zoo ook een lafaard zal wezen buitendeurs, en, eens lafaards wapenen in zijn borst verborgen houdende, iemand waar hij woorden mee krijgt, op staanden voet doodschieten of doodsteken zal? En als ons verstand ons deze en soortgelijke dingen niet leerde; als we zulke idioten waren om onze oogen te sluiten voor die prachtige methode, volgens welke zulke mannen opgevoed worden, zouden we dan nòg niet weten, dat zij, die in de zaal der wetgevende vergaderingen, en op ’t kantoor, en op ’t marktplein, en wat vreedzame plaatsen er nog meer in onze maatschappij gevonden worden, onder huns gelijken dadelijk met dolk en pistool in de weer zijn, voor hun onderhoorigen, ook al waren zij vrije dienstboden, zooveel ongenadige en onverbiddelijke dwingelanden moeten wezen?
Hoe! Zullen we uitvaren tegen Ierlands onwetenden boerenstand, en.... dadelijk water in onzen wijn doen, als er sprake is van deze Amerikaansche bazen?! Zullen we ach en wee roepen over de brutaliteit van hen die het vee de kniepees doorsnijden, en.... de Lichten der Vrijheid op aarde sparen, van die Lichten die mannen en vrouwen de ooren afkappen, die aardige spreuken snijden in ’t lillend vleesch, die les geven hoe men met gloeiend ijzeren pennen op ’t menschelijk aangezicht kan schrijven, die hun dichterlijke phantasie pijnigen om verminkingslivreien te verzinnen die hun slaven gedurende hun leven dragen en naar ’t graf meenemen zullen, die, evenals de krijgsknechten deden die den Zaligmaker der wereld bespotten en doodden, levende ledematen breken en weerlooze schepsels neerzetten om er schijf op te schieten?! Zullen we jeremieeren over legenden van de pijnigingen, die de Heidensche Indianen elkaar aandoen, en... glimlachen over de wreedheden van christenmenschen?! Zullen we, zoolang deze dingen aanhouden, juichen op de verstrooide overblijfselen van dat statige ras, en victorie kraaien, als de blanken zich in ’t bezit hunner uitgebreiden landen verheugen? Och, wat mij aangaat, herstel dan liever der Indianen bosch en dorp; laat in plaats van sterren en strepen zoo’n nietige veer in den wind wapperen; vervang de straten en pleinen door wigwams; en al moge de lijkzang van een honderdtal fiere krijgers door de lucht weergalmen, bij den gil van één ongelukkigen slaaf zal ’t ons als muziek in de ooren klinken.
Kom, laat ten opzichte van een onderwerp, dat we dagelijks voor oogen hebben en waaromtrent ons nationaal karakter van lieverlede verandert, de klinkklare waarheid gesproken worden, en laat ons niet, als lafaards, uitvluchten bedenken, door op den Spanjaard en den opvliegenden Italiaan te wijzen. Trekken Engelschen het mes als ze ruzie krijgen, laat men er dan openlijk voor uitkomen en zeggen: „Deze verandering danken we aan de Republikeinsche Slavernij. Dit nu zijn de wapens der Vrijheid. Met scherpe punten en kanten zooals deze, hakt en houwt de Vrijheid in Amerika haar slaven; of wil dit altemet niet vlotten, geen nood! dan wijden haar zonen diezelfde kanten en punten tot een beter gebruik, en keeren ze.... tegen elkaar.”