XVIII.

SLOTOPMERKINGEN.

SLOTOPMERKINGEN.

Er komen verscheidene passages in dit boek voor, waar ’t me inderdaad eenige moeite heeft gekost, de verzoeking te weerstaan, om mijn lezers met mijn eigen gevolgtrekkingen en slotsommen lastig te vallen. Ik voor mij gaf er toch de voorkeur aan, dat zij voor zich zelf zouden oordeelen en wel uit zulke gegevens als ik onder hun oogen gebracht heb. Ja, mijn eenige plan in den beginne was, ze getrouwelijk overal mee te nemen waar ik naar toe ging, en van die taak heb ik me gekweten.

Maar men zal ’t mij niet ten kwade kunnen duiden, dat ik, alvorens dit boek af te sluiten, begeerig ben, met een paar woorden mijn eigen gevoelen uit te drukken over zoo’n onderwerp als het algemeen karakter van ’t Amerikaansche volk en het algemeen karakter van hun maatschappelijk stelsel, gelijk zich dat aan des vreemdelings oog voordoet.

Van nature zijn de Amerikanen openhartig, degelijk, hartelijk, gastvrij en vriendschappelijk. De beschaving en verlichting schijnen de warmte van hun hart en hun vurige geestdrift eer goed dan kwaad te doen; en nu is ’t juist het bezit van deze laatstgenoemde eigenschappen in een alleropmerkelijksten graad, dat een welopgevoed Amerikaan tot een der beminnelijkste en edelmoedigste vrienden maakt. Nooit heeft een klasse van menschen mij zoozeer voor zich ingenomen als deze; nooit schonk ik mijn volle vertrouwen en achting zoo spoedig en zoo van harte als aan hen; nooit kan ik weer, in een half jaar tijds, zooveel vrienden maken wien ik zooveel genegenheid toedroeg als had ik ze al de helft mijn levens gekend.

Onvoorwaardelijk geloof ik, dat deze eigenschappen het geheele volk eigen zijn. Dat ze evenwel in haar wasdom jammerlijk ondermijnd en bedorven worden onder den grooten hoop, en dat er invloeden werkzaam zijn, waaronder deze zelfde eigenschappen er nog meer gevaar loopen, zóó zelfs dat er voor ’t oogenblik bitter weinig uitzicht op bestaat, dat ze haar normale gezondheid ooit terugkrijgen: ziedaar een waarheid die niet verzwegen mag worden.

Het is een wezenlijk deel van elk nationaal karakter, machtig grootsch te zijn op zijn gebreken, en juist uit de overdrijving, waar men zich te dezen opzichte aan schuldig maakt, de teekenen van zijn deugd en wijsheid af te leiden. Zoo is er één groote vlek in ’t volkskarakter van Amerika, en de vruchtbare bron van ontelbare verkeerdheden; en die is? Een algemeen Wantrouwen. De Amerikaansche burger geeft echter zoo grif niet toe, dat dit een vlek is. Integendeel! Hij laat zich nogal iets voorstaan op dezen geest, ook zelfs dan nog, wanneer hij onbevooroordeeld genoeg is, om al het verderfelijke, dat er uit voortvloeit, op te willen merken; en niettegenstaande zijn eigen verstand hem van ’t tegendeel overtuigd, zal hij het zelfs als een voorbeeld aanhalen van de groote schranderheid en scherpzinnigheid zijner landgenooten en hun superieure slimheid en zelfstandigheid.

„Gij brengt,” zegt de vreemdeling, „dezen naijver en dit wantrouwen in elke handeling van ’t openbare leven over. Doordien ge waardige mannen uit uw wetgevende vergaderingen weert, is er een klasse van candidaten voor den dag gekomen, waarmee het stemrecht nu te rekenen heeft, die, in elk hunner daden, uw Instellingen en uw volkskeus in kwaden reuk brengen. Het heeft u zoo wispelturig en veranderlijk gemaakt, dat uw onstandvastigheid tot een spreekwoord is geworden, want zoo gauw zet ge den een of anderen afgod niet goed en wel neer, of ge kijkt, om zoo te zeggen al naar de gereedschappen om, waarmee ge hem straks van zijn voetstuk afrukken en verbrijzelen zult. En waarom doet ge dat nu? Waarom? Omdat zoodra ge een weldoener van ’t volk, of een openbaar ambtenaar, beloont, gij hem, louter omdat hij beloond is, ook op staanden voet wantrouwt en onmiddellijk aan ’t visschen gaat of gij altemet ook te scheutig met de bewijzen uwer erkentelijkheid geweest zijt, of hij, nu de aap toch binnen is, misschien ook aan ’t slabakken is en zich van zijn taak met een Jantje van Leiden afmaakt. Van den President af, kan ieder, die een hooge plaats onder u inneemt, gerust zijn val van dat oogenblik dagteekenen; want de eerste de beste gedrukte leugen, die de een of andere bekende schavuitige penvoerder in omloop weet te brengen, al druischt die leugen ook ten eenenmale tegen ’t karakter en den levenswandel van den bekladde in, ze maakt op eens uw wantrouwen gaande en.... wordt geloofd. In één woord, op den weg van ’t vertrouwen, hoe eerlijk ook gewonnen en hoe welverdiend, zult ge een mug uitzuigen, maar een heele karavaan van kemels zult ge doorzwelgen, als ze maar beladen zijn met onwaardige twijfelingen en lage vermoedens. Nu vraag ik u zelf in gemoede af: zou zoo’n gedragslijn wel de geschiktste wezen om in uw midden het karakter der bestuurders of bestuurden te verheffen?

Het antwoord komt onveranderlijk hierop neer: „Bij ons bestaat, naar ge weet, vrijheid van meening. Zoo denkt iedereen voor zich zelf, en wij zijn er de mannen niet naar, om ons zoo gemakkelijk een knol voor een citroen in de hand te laten stoppen. Ziedaar de reden waarom ons volk achterdochtig is geworden.”


Een andere in ’t oogloopende trek in ’t Amerikaansche volkskarakter is de zucht om in zijn handel en wandel „bij de hand” te zijn,—een eigenschap, die menige zwendelarij en verregaande kwade trouw, menige openbare en particuliere knoeierij verguldt, en menigen schurk, die een strop driedubbel verdient, in staat stelt om met zijn hoofd in zijn nek den besten onder de oogen te zien—alhoewel datzelfde „bij de hand zijn” in een tijdsverloop van slechts weinig jaren meer gedaan heeft om het openbaar krediet te benadeelen en de openbare hulpbronnen te verstoppen, dan domme eerlijkheid, onbezonnen als die soms te werk gaat, in een eeuw kon gedaan hebben. De „verdiensten” van een mislukte speculatie, of bankroet, of fortuinlijken gauwdief worden dan ook niet beoordeeld naar den maatstaf van den gulden regel; „Doe, zooals ge wilt dat men tegenover u doe,” och neen, maar naarmate er, met betrekking tot de zaak of den persoon, van meer of minder „bij de hand zijn” sprake is. Zoo herinner ik me, dat ik, beide keeren toen ik dat slecht ter naam staande Caïro bij den Mississippi passeerde, eenige opmerkingen maakte over de nadeelige gevolgen, die zulke op groote schaal gedreven bedriegerijen teweeg moesten brengen als ze aan ’t daglicht kwamen. „Komen zulke knoeierijen uit,” in dier voege redeneerde ik onder anderen, „dan spreekt het vanzelf, dat men buitenlands over ’t algemeen wantrouwen krijgt en huiverig wordt om met u handel te drijven.” Hierop trachtte men mij aan ’t verstand te brengen, dat men met dat al aardig geld wist te verdienen en het alleraardigste van dat „bij de hand zijn” nog dit was, dat men al die aardige dingetjes in ’t buitenland heel gauw vergat en weer aan ’t speculeeren ging alsof er niets gebeurd was. De volgende samenspraak heb ik wel honderdmaal gehouden: „Is ’t niet erg te bejammeren, dat zoo’n man als N. N. op zoo’n verfoeielijk gemeene manier aan zooveel geld komt, en ondanks al de misdaden waar hij zich aan schuldig heeft gemaakt, door uw burgers zelfs geholpen wordt? Is zoo iemand eigenlijk geen lastpost en schandvlek in de maatschappij?”—„Ja, m’nheer.”—Een overtuigd leugenaar?”—„Ja, m’nheer.”—„Hij is geschopt, heeft klappen om zijn ooren gekregen, en is op rottingsmeer getrakteerd, niet waar?”—„Ja, m’nheer.”—„En hij is in den hoogsten graad wat men, plat doch duidelijk uitgedrukt, onder een uitgekotsten ploert verstaat?”—„Ja, m’nheer.”—„Maar waar steekt dan toch in vredesnaam zijn verdienste in?”—„Wel, m’nheer, ’t is een man die bij de hand1 is.”


Op dezelfde manier worden allerlei bekrompen en onstaatkundige gebruiken op rekening gesteld van den nationalen handelzucht, ofschoon er, grappig genoeg, een vreemdeling een erge grief van zou gemaakt worden, bijaldien hij de Amerikanen als een volk van kooplui aanzag. De handelzucht wordt aangewezen als een reden voor die met alle comfort zoo ten eenenmale in strijd zijnde, doch niettemin in landsteden zoo sterk overheerschende gewoonte, dat getrouwde lui in logementen wonen, geen eigen haard er op nahouden, en elkaar van den vroegen morgen tot den laten avond zelden ontmoeten, of ’t moest aan de tables d’hôte zijn, waar alles nog wel zeer haastig in zijn werk gaat ook. De handelzucht is een reden waarom Amerika’s letterkunde voor altijd onbeschermd moet blijven: „want wij zijn een handeldrijvend volk en bekommeren ons niet om poëzie,” ofschoon wij, om dit van onzen kant in ’t voorbijgaan te doen opmerken, wèl voorgeven dat we erg grootsch zijn op onze dichters, maar gezonde vermakelijkheden, vroolijke middelen van uitspanning, en heilzame phantasieën het veld doen ruimen voor de stroefgetroniede maar dubbeltjes opleverende handelspret.

Deze drie kenmerkende eigenschappen nu van ’t Amerikaansche volkskarakter vallen den vreemdeling telkens en telkens weer in ’t oog. Maar de zoo weinig tierende woekerplant van Amerika’s verderf heeft nog een knoestiger wortel dan deze en slaat haar vezelen diep in zijn losbandige Pers.

In Oost en West, in Noord en Zuid mogen er scholen opgericht worden, waar honderden bij honderden, duizenden bij duizenden leerlingen worden onderwezen door ontelbare onderwijzers; colleges mogen er bloeien, kerken mogen er propvol zijn, matigheidsgenootschappen mogen er handen vol werk hebben, en met reuzenschreden moge de uitwendige beschaving in elken anderen vorm vooruitgaan, het zij zoo! maar zoolang de krantenpers van Amerika op haar tegenwoordigen lagen trap, of daaromtrent, blijft staan, zoolang is de innerlijke, de wezenlijke beschaving in dat land hopeloos. Jaar-in jaar-uit moet en zal ze achteruitgaan; jaar-in jaar-uit moet de standaard der openbare meening lager zinken; jaar-in jaar-uit moet zoowel het Congres als de Senaat minder in tel geraken bij alle fatsoenlijke lieden; en jaar-in jaar-uit moet de nagedachtenis van de groote Vaderen der Omwenteling hoe langer hoe meer gehoond worden in den slechten levenswandel hunner verbasterde kinderen.

Onder de massa kranten, die in de Vereenigde Staten worden uitgegeven, zijn er sommige—behoef ik ’t den lezer eigenlijk wel te zeggen? die karakter hebben en krediet. Een persoonlijke kennismaking met hoogst beschaafde heeren, die aan de hier bedoelde bladen verbonden waren, heeft me dan ook veel genoegen verschaft, ja ik heb er zelfs voordeel van getrokken. Maar helaas! de naam van deze klasse is Weinige, en van de andere Legio; en machteloos is de invloed der goede Pers om het doodelijk gif der slechte tegen te werken.

Onder de fatsoenlijke burgerij van Amerika; onder de goed en bedaardgezinden; onder de geleerden; aan de balie en rechtbank is er, en kan er trouwens niet anders dan één meening zijn ten opzichte van ’t verderfelijk karakter dezer schandbladen. Soms wordt het betwist, dat hun invloed zoo groot zou zijn als een vreemdeling allicht zou veronderstellen.—Nu, ik zal niet zeggen, dat mij zoo iets bevreemdt, o neen; niets natuurlijker toch dan om verontschuldigingen te zoeken voor zoo’n schande: als men ’t mij maar niet kwalijk wil nemen, wanneer ik van mijn kant zoo vrij ben, hiertegen aan te voeren, dat er geen gegronde reden bestaat, om ’t te kunnen betwisten, daar al de op dit punt maar al te welsprekende feiten tot een lijnrecht daartegenover staande slotsom leiden.

Zoodra iemand, van eenige kennis of karakter, tot de een of andere openbare onderscheiding, ’t komt er niet op aan welke, in Amerika op kan klimmen zonder eerst de voetveeg te zijn geweest van dit monster van verdorvenheid; zoodra iemand van uitnemende hoedanigheden veilig is voor zijn aanvallen; zoodra dat monster het maatschappelijk vertrouwen onaangerand laat of de banden van maatschappelijke betamelijkheid en eer maar eenigermate ontziet; zoodra iemand in dat Vrije Land vrijheid van meening heeft en vrijelijk voor zijn meening uit mag komen, zonder verplicht te zijn in allen ootmoed een censorschap naar de oogen te kijken, dat hij, om zijn verwaten onwetendheid en lage karakterloosheid, in zijn hart tot in de hel verafschuwt; zoodra zij, die, ’t diepst onder zijn schandvlekkend juk gebukt gaande, ’t levendigst gevoelen wat voor oneer het over de natie uitstort en elkander daar het meest over durven onderhouden, nu dan ook hun hielen op dat monster durven zetten en ’t openlijk ten aanschouwen van Jan en alleman verpletteren; zoodra dàt alles gebeurt, welnu, dàn zal ik gaan gelooven dat zijn invloed aan ’t tanen is en de menschen in Amerika hun vijf zinnen weer terugkrijgen. Maar... zoolang die Pers haar boosaardig oog in ieder huis durft slaan en haar zwarten neus in elke benoeming tot een landsbetrekking, van een president af tot een brievenbesteller toe, durft steken; zoolang ze, met niets anders tot voorraad dan liederlijke lastertaal, de letterkundige standaard is van een verbazend groote klasse van menschen, die kranten moeten lezen of ze lezen niemendal... zoolang moet haar vuile adem het aangezicht des lands bezoedelen en het kwade, dat zij wrocht, zoo klaar als het licht zichtbaar wezen in de Republiek.

Heeren die gewoon zijn om de Engelsche, of andere fatsoenlijke bladen van ’t Vasteland te lezen; heeren die gewoon zijn aan al wat maar gedrukt wordt,—zelfs hen zou men met geen mogelijkheid eenig denkbeeld kunnen geven van dat vreeselijk werktuig der menschelijke gedachte in Amerika, tenzij ik uit de verschillende nieuwsbladen een berg van uittreksels overnam, waartoe ik nog plaatsruimte noch lust heb. Maar mocht iemand verlangend zijn, om datgene bevestigd te zien wat ik dienaangaande zoo onverbloemd dorst schrijven, welnu, hij bezoeke doodeenvoudig de een of andere publieke plaats in onze goede stad Londen, waar men dergelijke kranten bij de vleet aan zal treffen; dan moge hij zijn eigen meening vormen. (Of laat hem daarover een degelijk en alleszins met de waarheid overeenkomend artikel in The Foreign Quarterley Review lezen, dat in October 1842 is uitgekomen, een artikel dat mijn aandacht getrokken heeft, sinds de vorige vellen afgedrukt waren; dan toch zal hij een menigte bijzonderheden ontmoeten, die wel is waar hoegenaamd niet belangrijk zijn voor iemand die in Amerika geweest is, maar iemand die dat land niet bezocht heeft daarentegen ruimschoots belang zullen inboezemen.)

Het is aan geen twijfel onderhevig, of ’t zou voor de Amerikaansche natie, in haar geheel genomen, vrij wat beter zijn, als ze wat minder van ’t Reëele en wat meer van ’t Ideale hield. Ja vrij wat beter zou het voor haar zijn, als men in haar midden de luchthartigheid en opgeruimdheid wat meer aanmoedigde en al wat schoon is wat meer beoefende, ook al levert het schoone in de allereerste plaats en rechtstreeks geen stoffelijk voordeel op. Maar ik vermeen dat men hier, en niet ten onrechte, met de algemeene tegenwerping voor den dag zal komen: „Wij zijn een nieuw land”, een tegenwerping die zoo vaak vooropgezet wordt als een verontschuldiging voor gebreken die ten eenenmale onverschoonlijk zijn, omdat het inderdaad geen nieuw land, maar de langzame uitlooper is van een oud; en daarom hoop ik eens te zullen hooren dat er behalve de krantenpolitiek nog eenig ander nationaal amusement in de Vereenigde Staten gevonden wordt.

Een geestig, humoristisch volk zijn ze zeker niet, en hun temperament maakte op mij altijd dezen indruk, dat het van een saaien en somberen aard is. In gevatheid en een zekere onbuigzame ingenomenheid met zich zelf spelen de Yankee’s of het volk van Nieuw Engeland, ontegenzeglijk de eerste viool, wat ze trouwens op verstandelijk gebied in den regel doen. Maar, gelijk ik al in vorige gedeelten van dit werk heb doen opmerken, op mijn uitstapjes buiten de groote steden, hinderde het mij geweldig, zooals die ernstige en droefgeestige koopmansachtige tronies in ’t oog vielen, een verschijnsel dat zoo algemeen en zoo eentonig was, dat ik in iedere stad, waar ik aankwam, precies dezelfde menschen meende tegen te komen, die ik den laatsten keer verlaten had. Zulke gebreken als welke op te merken zijn in de volkszeden, schijnen mij voor een groot deel hieraan toe te schrijven te zijn, dat men van de oude, gemeene sleur niet verkiest af te wijken en tegen beschaafde manieren als overtolligen ballast op de levensreis opziet. Washington, die in zake de uiterlijke wellevendheid bij uitstek nauwgezet was, moet de neiging zijner landgenooten, om zich op dit punt te bezondigen, stellig bespeurd hebben, en we kunnen er op aan, dat hij ook zijn uiterste best gedaan heeft, om ze daarvan te genezen.

Ik ben ’t niet eens met andere schrijvers over deze onderwerpen, dat de aanwezigheid van zooveel geheel uiteenloopende sekten in Amerika zelfs eenigermate te danken is aan ’t feit, dat daar te lande geen gevestigde of zoogenaamde Staatskerk bestaat. Och neen, bij mij staat het vast, dat de volksaard, ook al duldde hij dat zoo’n instelling in hun midden opgericht werd, er hen vanzelf toe zou brengen, om er zich niet aan te houden, louter omdat ze gevestigd wàs. Maar gesteld eens, zoo’n Kerk bestond in Amerika, toch zou ik in twijfel durven trekken of ze wel aan haar doel zou beantwoorden, om namelijk de dolende schapen in één grooten stal onder dak te brengen, om de doodeenvoudige reden dat het bij ons in Engeland om zoo te zeggen sekten regent; en ook omdat ik in Amerika geen enkelen godsdienstvorm aantrof waar wij in Europa, ja zelfs in Engeland, onbekend mee zijn. Evenals andere menschen vloeien er dissenters bij de vleet naar toe, om de eenige reden dat het een toevluchtsland is voor Jan en alleman; en groote nederzettingen van hen worden er gesticht, omdat daar, waar vroeger geen moederziel gevonden werd, grond aangekocht, steden en dorpen gebouwd kunnen worden. Ja zelfs de Kwakers emigreerden uit Engeland; ons land is den heer Joseph Smith, den apostel van ’t Mormonisme, of diens in den donker rondwroetende jongeren niet onbekend; met mijn eigen oogen heb ik in sommige onzer volkrijke steden godsdienstige tooneelen gezien die bezwaarlijk overtroffen kunnen worden door een zoogenaamde Amerikaansche kampmeeting, en ik ben er me niet bewust van, dat eenig voorbeeld van bijgeloovig bedrog aan den eenen kant en bijgeloovige lichtgeloovigheid aan de andere zij haar oorsprong gehad heeft in de Vereenigde Staten, ’t welk wij niet ruimschoots vergelijken kunnen met de precedenten van mevrouw Southcote, Mary Tofts de konijnenfokster, ja zelfs van den heer Thom van Canterbury, welk laatste geval ontstond, kort nadat de donkere eeuwen voorbij waren.


Ongetwijfeld leiden de republikeinsche instellingen van Amerika er het volk toe, om de achting voor zich zelf en hun gelijkheid te bevestigen; maar een vreemdeling dient zich van deze instellingen wel terdege rekenschap te geven, anders loopt hij niet weinig gevaar, zich al heel spoedig te ergeren, wanneer hij namelijk de familiariteit ondervindt van menschen die hem thuis niet anders dan op behoorlijken afstand en met den hoed in de hand zouden durven naderen. Wat mij betreft, als deze karaktertrek maar niet getint werd door mallen hoogmoed en een fatsoenlijke bediening niet in den weg stond, dan heb ik mij daardoor nooit beleedigd gevoeld, en uiterst zelden (als ’t ooit gebeurd is!) ben ik een Amerikaan tegengekomen die dezen eigenaardigen trek in hun karakter op eene ruwe of stuitende wijze openbaarde. Een paar malen had ik op dit punt een koddige ontmoeting. Ik zal dit voor de aardigheid eens meedeelen, maar voeg er nadrukkelijk bij, dat dit ten eerste alles behalve van dien aard was om er boos over te worden, integendeel, en buitendien zelfs in de verste verte als geen doorgaanden regel mag beschouwd worden.


In een zekere stad had ik een paar laarzen noodig, want ik had geen andere om mee te reizen dan die met de gedenkwaardige kurken zolen, die veel te heet waren voor ’t dek eener stoomboot. Vandaar dat ik een kruier naar een „artist in laarzen” stuurde met een boodschap in dezen trant: wel de complimenten van den heer Dickens, en ik zou me gelukkig achten, als ZEd. zoo vriendelijk zou willen wezen, om eens even bij me aan te komen. Waarop de „artist in laarzen” heel vriendelijk ten antwoord gaf, dat hij dien avond om zes uur eens „kijken” zou.


Ik lag op de canapé met een boek en een glas wijn naast me. ’t Was bij zessen. Daar ging de deur open, en een heer, zoo wat in de dertig, met een stijve das om, trad binnen. Met handschoenen aan en zijn hoed op, liep hij dadelijk naar den spiegel, streek zijn haar in orde, trok zijn handschoenen uit, en haalde langzaam een maat uit de diepste diepte van zijn jaszak en verzocht me op een lijmerigen toon om mijn souspieds los te maken en mijn laarzen uit te trekken. Ik deed dat, maar keek meteen een beetje nieuwsgierig naar zijn hoed, dien hij nog altijd ophad. Of ’t nu daarvan kwam, of van de warmte—genoeg, hij nam hem af. Toen ging hij op een stoel tegenover me zitten, leunde met een arm op elke knie, boog zooveel mogelijk voorover en met veel inspanning gelukte het hem, om op die manier het proefstuk van hoofdstedelijke nijverheid, dat ik zoo even uitgetrokken had, van den grond op te beuren. Ondertusschen floot hij dat het een lust was om te hooren. Hij draaide de laars om, en nog eens om; bekeek ze met een minachting die geen taal kan uitdrukken, en vroeg me of ik er op gesteld was dat hij me een laars maakte zooals die? Hoffelijk antwoordde ik hem daarop, dat, als de laarzen maar groot genoeg waren, ik de rest aan hem overliet. „Als ze mij”—in dezer voege liet ik me uit—„als ze mij maar makkelijk zitten en ’t u niet al te moeielijk is, dan heb ik voor mij er niets tegen, als ze wat lijken op ’t model dat u daar voor u heeft; maar overigens laat ik ’t geheel en al aan uw oordeel en discretie over.”—„„Dan staat u er zeker niet op, dat de hiel zóó gemaakt wordt? Weet u, dat doen we hier op ’n andere manier.”” Ik herhaalde mijn laatste opmerking. Alweer keek hij in den spiegel. Ditmaal ging hij er zelfs dichter voor staan om wat stof, dat in den hoek van zijn eene oog geraakt scheen te zijn, uit te peuteren. Ook zijn das kreeg een beurt. In al dien tijd zat ik daar, met een Jobsgeduld, met mijn been en voet in de hoogte. „Is u bijna klaar, mijnheer?” vroeg ik. „O zoo aanstonds,” zei hij, „hou uw voet maar strak.” Ik hield èn voet èn gezicht zoo strak mogelijk. Ondertusschen was hij klaar gekomen met het stof in zijn oog, waarop hij zijn potlood kreeg, mij de maat nam en het noodige opteekende. Zoodra hij gedaan had, verviel hij in zijn oude houding, nam de laars weer in zijn hand, en bekeek ze eenigen tijd. „En dit is nu,” zei hij eindelijk, „een Engelsche laars! Dit is ’n Londensche laars, niet waar?”—„Dat is,” antwoordde ik, „een Londensche laars, m’nheer.” Alweer monsterde hij ze, op de manier waarop Hamlet met Yorick’s schedel te werk ging; schudde het hoofd, als wou hij zeggen: „ik beklaag de Instellingen die tot de productie van zoo’n laars leidden!” stond op, stak zijn potlood, aanteekeningen en papier in zijn zak—al dien tijd in den spiegel kijkende—zette zijn hoed op; trok op zijn doode gemak zijn handschoenen aan, en stapte ten langen leste op. Hij was nog geen minuut weg geweest, of de deur ging weer open, en weer zag ik zijn hoed en hoofd verschijnen.... Hij kijkt de kamer rond, en weer naar de laars, die nog op den vloer ligt, schijnt eenige oogenblikken in gepeins verzonken en zegt toen: „Nou, goeien avond.”—„Goeden avond, m’nheer,” zeg ik daarop, en hiermee was de conferentie met den artist-laarzenmaker afgeloopen.


Er is nog maar een punt, waar ik een aanmerking op wensch te maken, en dat is op de openbare gezondheid. In zoo’n uitgebreid land, waar duizenden millioenen morgen lands onbewoond en onbebouwd zijn, en op elke roede dier onmetelijke vlakten de plantengroei jaarlijks tot ontbinding overgaat; waar zooveel groote rivieren zijn, en het klimaat hier zóó en daar zus is,—dáár, ’t kan niet missen, moeten in zekere gedeelten des jaars allerlei ziekten heerschen. Maar, na mijn onderhoud met verscheidene beoefenaars van de geneeskunde in Amerika, durf ik gerust verzekeren, niet alleen te staan in de meening, dat, als men maar enkele gewone voorzorgsmaatregelen in acht wou nemen, veel van die heerschende ziekten kon voorkomen worden. Grooter middelen van persoonlijke zindelijkheid zijn te dien einde onmisbaar; de gewoonte om, driemaal daags, groote hoeveelheden dierlijk voedsel door ’t keelgat te jagen en na iederen maaltijd dadelijk zich aan stilzittende bezigheden over te geven, deze gewoonte dient veranderd te worden; de teere sekse moet wijzer gekleed gaan en wat meer gezonde beweging nemen; en wat dit laatste betreft, dienen ook de mannen mee te doen. Maar ’t is vooral in openbare inrichtingen, en in iedere groote of kleine stad, dat het stelsel van ventilatie, drainage en afvoering van onzuivere stoffen een geheele herziening vereischt. Ja, er is geen plaatselijk bestuur in Amerika, dat het voortreffelijk verslag des heeren Chadwick, over den Gezondsheidstoestand van onze arbeidende klassen, niet met onmetelijk voordeel zou kunnen bestudeeren.


En nu ben ik aan ’t einde van dit werk gekomen. Afgaande op zekere wenken, die mij sinds mijn terugkeer in Engeland gegeven zijn, heb ik maar bitter weinig reden om te gelooven, dat het door ’t Amerikaansche volk hartelijk of gunstig zal ontvangen worden. Het zij zoo! Ik vermeen onder de zoodanigen te behooren, die in staat zijn, een oordeel te vellen en hun meening uit te spreken; en mij hoofdzakelijk richtende tot de zoodanigen, was ’t mij slechts hierom te doen, de Waarheid te schrijven, niets meer en niet minder. Dat ik volstrekt niet verlangd heb, populaire toejuiching te verwerven, door me van onbehoorlijke middelen te bedienen: ziedaar iets waar men zich onder de lezing van heeft moeten overtuigen.

Het is me genoeg, te weten, dat wat ik in de vorigen bladzijden heb neergeschreven, mij aan den overkant van den Atlantischen Oceaan geen enkelen vriend kan kosten, die in eenigerlei opzicht dien naam verdient. Overigens stel ik mijn volle vertrouwen op den geest waarin mijn mededeelingen zijn ontworpen en opgesteld, en kan ik mijn tijd afwachten.

Ik heb geen melding gemaakt van de wijze waarop men mij ontvangen heeft; evenmin heb ik toegelaten, dat die ontvangst van invloed kon zijn op ’t geen ik heb geschreven, want in een van beide gevallen had ik maar met een povere erkenning voor den dag kunnen komen, pover in vergelijking met de gevoelens die ik in mijn ziel jegens die partijdige lezers van mijn vorige boeken aan de overzij der zee koester, welke mij met een open hand te gemoet kwamen, en niet met een hand die een ijzeren muilband vastmaakte.

EINDE DER SCHETSEN UIT AMERIKA.


1 In ’t Engelsch luidt dit „He is a smart man.” Bijna geen woordje in de Engelsche taal dat zoo’n curieuse rol vervult als dit woordje smart. In de bovenstaande periode komt het telkens voor, beginnende met the love of „smart” dealing, waarvan wij den zin niet beter wisten weer te geven, dan door: de zucht om in zijn handel en wandel „bij de hand” te zijn.