Op een schoonen Zondagochtend, in het midden van den zomer des jaars achttienhonderd vier en veertig, was het, goede vriend, dat—schrik geenszins; niet dat men twee reizigers had kunnen opmerken, hoe zij traag hun weg vervorderden, op den schilderachtigen en oneffen grond, langs welke men gewoonlijk het eerste hoofdstuk van een middeleeuwschen roman bereikt—maar, dat een Engelsche reiswagen van aanmerkelijken omvang, zoo pas gehaald uit de belommerde zalen van Pantechnicon1 bij Belgrave-Square te Londen, werd gezien door een zeer klein Fransch soldaat (want ik zag dat hij er naar keek), hoe deze de poort uitreed van het hotel Meurice, in de straat Rivoli te Parijs.
Ik ben niet sterker verplicht opheldering te geven, waarom de Engelsche familie, die met dit rijtuig—binnenin en buitenop—reisde, van al de dagen der week, juist op Zondag naar Italië zou trekken, dan tot het aantoonen der reden, waarom in Frankrijk al de kleine manspersonen soldaat en al de dikke mannen postiljon zijn: dat een onveranderlijke regel is. Maar zij hadden, ik twijfel er niet aan, eenigermate reden voor hetgeen zij deden; en hunne reden, in het geheel genomen, daar te zijn, was, zooals gij weet, dat zij een jaar lang het schoone Genua gingen bewonen; en, dat het hoofd des gezins voornemens was, gedurende dat tijdsbestek overal rond te zwerven waar zijn rustelooze geest hem zou voeren.
En het had mij luttel genoegen gebaard, aan de bevolking van Parijs in het algemeen, de verklaring te geven, dat ik hoofd en aanvoerder was, en niet de stralende verlichamelijking van opgeruimdheid, die naast mij zat in den persoon van een Fransch koerier—de beste der bedienden en de glansrijkste man! Om de waarheid te zeggen, zag hij er aanmerkelijk meer aartsvaderlijk uit dan ik, die in de schaduw zijner heftige diklijvigheid tot volstrekt niets wegkromp.
Er was natuurlijk in het voorkomen van Parijs zeer weinig—daar wij in de nabijheid der akelige Morgue2 en over de Pont-Neuf rolden—dat ons verwijten deed om ons reizen op den Zondag. De wijnhuizen (om de andere woning) dreven een handel vol rumoer, aan de buitenzijde der koffiehuizen werden zeilen gespannen en stoelen en tafels gerangschikt, als voorbereidsels tot het eten van ijs en het gebruiken van verkoelende dranken, dat later op den dag plaats had; schoenpoetsers waren bezig op de bruggen; winkels waren geopend; karren en wagens rolden af en aan; de nauwe, oploopende en trechtervormige straten, aan de overzijde der rivier, waren zoo menige volgepropte perspectieven van gewoel en gedrang, gedeeltelijk gekleurde slaapmutsen, tabakspijpen, blauwe kielen, wijde laarzen en ruigharige koppen; op dat uur was er niets dat een rustdag verkondigde, behalve hier en daar het verschijnen van een gezin, dat een speeltochtje ging doen, gestopt in een lomp, oud, waggelend rijtuig, of van eenig bespiegelend rustdagvierder, in de meest vrije en gemakkelijke ochtendkleeding, die uit een laag zoldervenstertje leunde, wachtende, met een kalm genoegen, op het drogen van zijne pas gepoetste schoenen, staande op de kleine borstwering daar buiten (als ’t een heer was), of (was het een dame) op het drogen harer kousen in de zon.
Eens verlost van het onvergetelijke of onvergeeflijke plaveisel, dat Parijs omgeeft, zijn de drie eerste dagen naar Marseille stil en eentonig genoeg. Naar Sens. Naar Avallon. Naar Chalons. Eene schets van den eenen dag is eene schets van alle drie; en hier is zij.
Wij hebben vier paarden en een postiljon, die eene zeer lange zweep heeft, zijn span besturende zoo wat in den smaak van den koerier van St. Petersburg, in het paardrijdersspel van Astley of Franconi; behalve dat hij op zijn paard zit in plaats van er op te staan. De reusachtige stijve laarzen, door deze postiljons gedragen, zijn somtijds eene eeuw of twee oud, en zoo bespottelijk ongeëvenredigd aan den voet van hem die ze draagt, dat de spoor, welke geplaatst is waar zijn eigen hiel zit, gemeenlijk halfweg van de schaft der laarzen staat. Vaak komt de man het stalplein af, met zijne zweep in de hand en zijne schoenen aan de voeten, en brengt, met beide handen, eerst de eene en dan de andere laars naar buiten, welke hij, met groote deftigheid, naast zijn paard op den grond nederzet, tot alles gereed is. Is dat het geval—en och hemel! welk geraas maken zij er om!—dan stapt hij, met schoenen en al, in de laarzen, of wordt er door een paar goede vrienden in geheschen; schikt de strengen in orde, die met verheven werk zijn voorzien door den arbeid van tallooze duiven in de stallen, brengt al de paarden aan het schoppen en steigeren, klapt met zijne zweep als een dolleman; schreeuwt: „En route—Hu!” en daar gaan we. Voor we nog ver weg zijn, ligt hij, daarvan is hij zeker, met zijn paard overhoop, en noemt het dan een dief, een struikroover en een zwijn, en wat niet al; en slaat het op den kop, als ware het van hout.
In de eerste twee dagen vertoont zich weinig meer dan ééne verscheidenheid in het voorkomen der streek. Van een akelige vlakte in eene eindelooze laan; en uit eene eindelooze laan wederom op eene nare vlakte. Er zijn eene menigte wijnstokken in het open veld, maar van eene kleine en gemeene soort, en niet in festoenen, maar om rechte staken gewonden. Overal zijn daar tallooze bedelaars; maar eene buitengewoon dungezaaide bevolking, en minder kinderen dan ik ooit heb ontmoet. Ik geloof niet, dat wij tusschen Parijs en Chalons honderd kinderen hebben gezien. Misselijke, oude steden met ophaalbruggen en muren; met wonderlijke torentjes op de hoeken, die er uitzien als snaaksche maskers; als had de muur een grijns voorgedaan en omlaag in de gracht starende. Andere vreemde torentjes, in tuinen en velden, en hellende lanen en op werven van hoeven, allen alleenstaande en altijd rond, met een spits dak, en nimmer tot eenig gebruik dienende; bouwvallige woningen van alle soort: somtijds een stadhuis, soms een wachthuis, soms een woonhuis, soms een kasteel met een verwilderden tuin, die vruchtbaar is in leeuwentand3, en bewaakt door torentjes met dompervormige kappen en pinkoogende venstertjes; dit zijn de vaste voorwerpen welke telkens herhaald worden. Soms komen wij eene dorpsherberg voorbij, met een daartoe behoorenden, afbrokkelenden muur, en eene volslagen stad van bijgebouwen, en op welker poort is geschilderd: „Stalling voor zestig paarden;” zooals er dan ook inderdaad stalling voor twintigmaal zestig zou zijn, als daar eenige paarden waren te stallen, of zich iemand daar zou ophouden, of als zich omtrent die plaats iets verroerde, behalve een slingerende krans, die zinspelende op den wijn daar binnen, in den wind heen en weer fladdert, en wat werkeloosheid betreft, een goed tegenhanger vormt met wat er rondom is; en gewis nooit een groenen ouderdom heeft, ofschoon hij althans zoo oud is, dat hij in stukken valt. Gedurende den geheelen dag komen er, al rammelend, vreemdsoortige, kleine, smalle wagentjes, in reeksen van zes of acht voorbij, die kaas uit Zwitserland aanvoeren, en waarvan de geheele rij vaak onder het bestuur is van een enkelen man, ja zelfs van een enkelen knaap die zeer dikwijls in de voorste kar ligt te slapen, terwijl de paarden de bellen op hunne tuigen slaperig doen rinkelen, en er uitzien alsof zij meenden (en ongetwijfeld is dit hun gevoelen) dat hunne groote, blauwe, wollige tuigen, van eene verbazende zwaarte en dikte, en voorzien van een paar potsierlijke horens, die uit de hamen opschieten, veel te warm zijn voor het weer in het hartje van den zomer.
Dan is er, twee of driemalen daags de diligence met de bestoven passagiers, die buitenop zitten in blauwe kielen als slagers: en die er binnen, met witte slaapmutsen, en de carbriolet, boven op het verhemelte, knikkebollend en schuddend als het hoofd van een simpele: en zijn jeune France passagiers uit de ramen turende, met baarden, die op hunne vesten nederhangen, en blauwe brillen, die hunne krijgszuchtige oogen op ontzagwekkende wijze overschaduwen, en zeer dikke stokken, die in hunne nationale vuist zijn geklemd. Verder de brievenmail, met slechts een paar passagiers, voortrennende met een waren waaghalsdraf, en in een ommezien uit het gezicht. Stevige, oude pastoors, nu en dan hossebossend voorbijkomende, in rijtuigen zoo rommelend en roestig, beschimmeld en rammelend, dat het een Engelschman niet zou gelooven; en doodmagere vrouwen, welke in eenzame plaatsen rondslenteren, daar zij de koeien onder het grazen aan een touw vasthouden, of graven en hakken, of nog zwaarder veldarbeid verrichten, of werkelijke herderinnen met hare kudden voorstellen—en van welk bedrijf en zijne volgers in eenig land men een juist denkbeeld kan verkrijgen, als men maar een of ander herdersdicht of soortgelijk schilderstuk neemt, en zich datgene verbeeld wat het meest, wat hemelsbreed verschilt van de daar gegeven afbeeldingen.
Gij hebt nu dofgeestig genoeg voortgereisd, zooals men over het algemeen op het laatste gedeelte van den dag doet; en de zes en negentig bellen der paarden—ieder paard heeft er vier en twintig—hebben u een half uur of daaromtrent slaperig in de ooren geklonken, en het is eene zware soort van sukkeldraf, eene eentonige, vermoeiende soort van bezigheid geworden; en ge hebt degelijk nagedacht over het middagmaal, dat gij op het naaste station zult houden; als aan het lager einde van een lange laan, welke gij thans doorreist, zich de eerste teekens eener stad vertoonen, in de gedaante van eenige verstrooide hutten; en het rijtuig begint te ratelen en te rollen over een schrikkelijk oneffen plaveisel. Als ware het rijtuig een groot vuurwerk, en als had het gezicht alleen van den rookenden schoorsteen eener stulp het doen ontvlammen, begint het dadelijk te kraken en een leven te maken als zat er de baarlijke duivel in. Krak, krak, krak, krak. Krak-krak-krak. Krik-krak. Krik-krak. Holla! Hort! Hu! Dief! Schelm! Hu! Hu! Hu! voor-r-r-r-r-uit. Zweep, raderen, voerman, steenen, bedelaars, kinderen; krak, krak, krak; holla! hort! eene aalmoes asjeblieft! krik, krik-krak, krak, krik, krik, krik, bof, bom, krak, plof krik, krak; den hoek om, de nauwe straat op, en aan de andere zijde den bestraten heuvel af; in de goot; bof, bof; bom, hots, krik, krik, krik, krak, krak, krak; in de winkelruiten, ter linkerzijde der straat, eventjes voor ge een slingerenden draai neemt binnen de houten poortdeur, ter rechterzijde; r-r-r-r-; klap-klap-klap, krik, krik, krik, en hier zijn we op het plein van het hotel de l’Écu d’Or; vermoeid, buiten adem, dampend en uitgeput, maar soms onverwachts een loozen sprong doende, zonder dat er iets van komt—zooals het vuurwerk op het laatst doet.
Hier is de kasteleines van het hotel de l’Écu d’Or, en hier is de kastelein van het hotel de l’Écu d’Or en de kamenier van het hotel de l’Écu d’Or is er ook, en een heer in eene glimmende pret, met rooden baard als een boezemvriend, die in het hotel de l’Écu d’Or vertoeft, is hier. Mijnheer de pastoor wandelt in een hoekje van de binnenplaats alleen op en neer, met een driekanten hoed op het hoofd en een zwart kleed aan het lijf, en een boek in de eene, en een zonnescherm in de andere hand; en een ieder behalve Monsieur le Curé, staat met gapenden mond en opgespalkte oogen voor het geopende rijtuigportier. De kastelein van het hotel de l’Écu d’Or is zóó verzot op den postiljon, dat hij nauwelijks zijn afstijgen kan afwachten, maar, terwijl hij daarmede bezig is, zijne beenen en laarzen reeds omvat.
„Mijn koerier! Mijn goede koerier! Mijn vriend! Mijn broeder!” De kasteleines heeft hem lief, de kamenier zegent hem, de knecht aanbidt hem. De koerier vraagt of zijn brief ontvangen is? Zeker is hij dat. Zijn de kamers gereed? Zeker zijn ze dat. De beste vertrekken voor mijn edelen koerier. De pronkkamers voor mijn hupschen koerier; het geheele huis staat ten dienste van mijn besten vriend! Hij legt zijne hand op het rijtuigportier, en doet eene andere vraag om de verwachting te spannen. Hij draagt een groen lederen tasch aan een riem. De leegloopers kijken er naar, een er van raakt ze aan. Ze is vol met vijf-frankstukken. Onder de jongens wordt een gemurmel van bewondering gehoord. De kastelein valt den koerier om den hals en drukt hem aan de borst. Hij is veel dikker geworden dan hij was, zegt hij! Hij ziet er zoo blozend en goed uit!
ITALIANEN MORA SPELEND. (Bladz. 157).
Het portier wordt geopend. Ademlooze verwachting. De dame des gezins komt er uit. Ha! een lieve dame! Een mooie dame! De zuster van de dame des gezins komt er uit. Hemel! die juffrouw ziet er bekoorlijk uit! De eerste kleine jongen klimt er uit. O! wat een mooi jongetje! Het eerste meisje komt er uit. O! maar dat is eerst een innemend kind! Het tweede meisje komt er uit. De kasteleines, gehoor gevende aan de schoonste aandrift van onzen algemeenen aard, vangt het in de armen op. Het tweede knaapje komt er uit. O wat een lief jongetje. O wat aardige kleintjes! Het kleinste kind wordt uit den wagen gereikt. Een engelachtig dotje. De zuigeling heeft alles overtroffen. Al de verrukking komt op den zuigeling neer! Daarop strompelen er de twee kindermeiden uit; en daar de geestdrift tot uitzinnigheid klimt, wordt de geheele familie als ware het op eene wolk de trap opgedragen, terwijl de lanterfanters zich rondom het rijtuig verdringen, en er in kijken, en er rondom slenteren, en het aanraken. Want een rijtuig aan te raken, dat zooveel menschen heeft bevat, wil wat zeggen. Dat kan men als een legaat aan de kinderen nalaten.
De vertrekken zijn op de eerste verdieping, behalve de slaapkamer der kinderen, dat een groot leeg vertrek is met vier of vijf bedden: een donkere gang door, twee treden op, vier af, eene pomp voorbij, tegenover een balkon en naast den stal. De andere slaapvertrekken zijn ruim en luchtig; elk met twee kleine bedsteden, evenals de ramen, smaakvol behangen met roode en witte gordijnen. Het woonvertrek is van belang. Er is reeds voor drie personen gedekt en de servetten zijn opgevouwen in den vorm van punthoeden. De vloeren zijn van roode estrikken. Er zijn geene vloerkleeden en ook niet veel meubelen, waarvan men zou kunnen spreken, maar er is een overvloed van spiegels, en er zijn groote, met kunstbloemen gevulde vazen onder glazen stolpen, en er zijn eene menigte uurwerken. Alles is in beweging. Vooral de goede koerier is overal: hij beziet de bedden, nadat zijne keel, door zijn liefhebbenden, broederlijken vriend, den kastelein, met wijn is gesmeerd, en komkommers, altijd komkommers etende—de hemel weet waar hij ze vandaan haalt—met welke hij, in elke hand een, als commando-staven, rondwandelt.
Men bericht dat men heeft opgedischt. Daar is zeer dunne soep; er zijn groote broodjes,—een per persoon; een visch, daarna vier gerechten; daarna eenig gevogelte, daarna dessert, en wijn geen gebrek. Er is wel niet veel op de schotels, maar de spijze zijn zeer goed en altijd dadelijk gereed. Nu, daar het omtrent avond is geworden, komt de goede koerier, na het eten der twee in schijfjes gesneden komkommers, overgoten met den inhoud van eene tamelijk groote flesch olie en eene andere met azijn, uit zijn benedenverblijf te voorschijn, en doet den voorslag tot het bezoeken der hoofdkerk, welker zware torens zuur neerzien op de voorplaats van het logement. Wij vertrekken; en zij is zeer statig in het schemerlicht, op het laatst zoo duister geworden, dat de beleefde oude koster, met zijn ingevallen kaken, een klein eindje kaars in de hand houdt, om daarmede naar de grafsteenen te zoeken; en tusschen de stroeve zuilen, juist er uitziende, als een verdwaalde geest die zijn eigen graf opzoekt.
Bij onzen terugkeer zijn de mindere bedienden in de open lucht aan het avondmaal, aan eene groote tafel onder het balkon: het gerecht bestaat uit gestoofd vleesch en groenten, dat kokend heet, en opgedischt was in den ijzeren ketel, waarin het te vuur had gestaan. Zij hebben eene kruik lichten wijn en zijn zeer vroolijk; vroolijker dan de heer met den rooden baard, die aan het biljartspelen is, in het verlichte vertrek, ter linkerzijde der plaats, waar schaduwen met keuen in de handen en sigaren in den mond aanhoudend voor het venster heen en weer kruisen. Nog wandelt de magere pastoor met zijn boek en zonnescherm alleen op en neer. En nog wandelt hij daar, en nog rammelen de biljartballen hier, lang nadat wij in vasten slaap zijn gevallen.
Wij zijn ten zes uur des ochtends op. Het is een verrukkelijke dag, die het slijk van gisteren beschaamt, dat op het rijtuig zit; zoo er eenig ding ware, dat een rijtuig kon beschamen, in een land waar rijtuigen nooit worden schoongemaakt. Iedereen is frisch; en terwijl wij eindigen met ontbijten, komen de paarden al rammelend uit het posthuis op de plaats van het logement. Elk ding, dat uit het rijtuig genomen was, wordt er weder in geplaatst. De goede koerier bericht dat alles gereed is, nadat hij elk vertrek doorgeloopen en overal rondgekeken heeft om zeker te zijn, dat er niets is achtergelaten. Een ieder stijgt in. Een ieder, die in betrekking is met het hotel de l’Écu d’Or, is weer betooverd. De goede koerier loopt het huis in om een pakje te halen, bevattende koud gevogelte, gesneden ham, brood en beschuit voor het twaalfuurtje; hij reikt het in het rijtuig, en loopt weer terug.
Wat houdt hij nu in de hand? Nog al meer komkommers? Neen. Eene lange strook papier. Het is de rekening.
De goede koerier heeft dezen ochtend twee riemen om: een waaraan de tasch hangt, en een andere met een zeer goede soort van lederen flesch, tot aan den hals gevuld, met den besten, lichten Bordeauxwijn die er in huis is. Hij betaalt nooit de rekening vóór die flesch is gevuld. Dan beknibbelt hij die.
Thans beknibbelt hij ze heel erg. Nog is hij des kasteleins broeder, maar van een ander vader, of eene andere moeder. Hij is niet meer zoo nauw met hem verwant als den vorigen avond. De kastelein krabt zich het hoofd. De goede koerier wijst op zekere figuren in de rekening, en geeft te verstaan, dat, zoo die er op blijven staan, het hotel de l’Écu d’Or van nu af en voor altijd een hotel de l’Écu de cuivre zal zijn4. De kastelein treedt een klein kantoortje binnen. De brave koerier volgt hem, stopt hem de rekening en eene pen in de hand, een spreekt veel rasser dan hij nog heeft gedaan. De kastelein vat de pen. De koerier glimlacht. De kastelein maakt er eene verandering in. De koerier slaat thans eene aardigheid uit. De kastelein is vriendelijk, maar niet meer zoo hartelijk als vroeger. Hij verdraagt het als een man. Hij schudt zijn braven broeder de hand, maar omhelst hem niet. Nog houdt hij van zijn broeder; want hij weet, dat hij, op den een of anderen goeden dag, wederom langs dezen weg met eene andere familie zal terugkeeren, en hij voorziet, dat diens hart zich weder over hem zal ontfermen. De brave koerier gaat eens om het rijtuig heen, bekijkt de strengen, schouwt de raderen, stijgt met een sprong op, geeft een teeken, en—daar gaan wij!
Het is de ochtend van een marktdag. De markt wordt gehouden op het kleine plein daar buiten, tegenover de hoofdkerk. Het is volgepropt met mannen en vrouwen, in het blauw, in het rood, in het groen en in het wit; met overdekte stallen en fladderende koopwaren. De landlieden zijn er omheen geschaard met hunne zindelijke korven voor zich. Hier de kantkramers, daar de boter- en eierventers; hier de fruitverkoopers en daar de schoenmakers. De geheele plaats ziet er uit als ware zij het tooneel van een grooten schouwburg, en als ware de gordijn juist opgehaald, ter vertooning van een schilderachtig ballet. En daar is, als het schutsdoek op het tooneel, de hoofdkerk, geheel somber en zwart van uiterlijk, en bouwvallig en koud; de straatsteenen op eene plaats met zwakke purperen droppels bespattende, daar de morgenzon, door een klein raam aan de oostzijde invallende, door eene bevlekte glasruit aan de westzijde heendringt.
Binnen vijf minuten zijn wij voorbij het ijzeren kruis, met een klein verwaarloosd plaatsje van graszoden om er op te knielen, dat op de grens van het stadsgebied staat, en zijn alweer op weg.