Chalons is eene lieve verblijfplaats uithoofde van het goede logement op den oever der rivier, en de kleine op- en afvarende stoombooten, die er, rood en groen geschilderd als zij zijn, vroolijk uitzien, en die, na de stuivende wegen, een vermakelijk en verfrisschend tooneel opleveren. Maar ge zoudt Chalons kwalijk tot verblijfplaats begeeren, ten ware ge mocht verkiezen te wonen op een onmetelijk plein met ongelijke rijen van onregelmatige populieren, die er van verre uitzien als even zooveel kammen met gebroken tanden, en ten ware gij er op gezet zoudt zijn, uw leven te verslijten zonder in de mogelijkheid te zijn een heuvel te bestijgen, of iets anders op te klimmen dan trappen.
Waarschijnlijk zou ze echter meer in uw smaak vallen dan Lyon, welke stad gij, desbegeerende, met eene der bovengenoemde stoombooten in acht uren kunt bereiken.
Welk eene stad is dat Lyon. Spreek eens van eene bevolking, die zich in ongelukkige tijden gevoelt als ware zij uit de wolken gevallen! Hier is eene geheele stad die, op eene of andere wijze, uit de lucht gevallen, en gelijk andere steenen, welke uit die streek neerkomen, eerst is opgeraapt van uit moerassen en onvruchtbare plaatsen, die een akelig voorkomen hebben. De twee hoofdstraten, door welke de beide groote rivieren stroomen, en al de kleine straten, wier naam legio (eene groote menigte) is, waren verschroeiend, blakerend en verzengend. De huizen hoog en ruim, uitermate morsig, rottig als oude kaas en zwaar bevolkt. Tot zelfs op de heuvels, die de stad omringen, is het krielend vol van die huizen; en de mijten daarbinnen, op luie wijze uit de ramen liggende en hunne kleeding-lompen op stokken drogende, en de deur in- en uitkruipende en naar buiten komende, om op het plaveisel te hijgen en te snakken, en in- en uitkruipende, tusschen hooge stapels en balen van vunze, muffe, stinkende goederen; en tot hun tijd zou komen, levende, of om beter te zeggen niet stervende, in een vergaarbak. Als men alle fabrieksteden versmolt tot een enkele, dan zou die kwalijk een indruk op mij kunnen maken, gelijk aan dien, welken Lyon mij baarde toen het zich aan mij vertoonde; want al de natte, morsige eigenschappen eener vreemde stad schenen daar geënt op de ingeboren ellendigheden eener fabriekplaats, en brengen zulke vruchten voort, dat ik een omweg van eenige mijlen zou willen maken, om geen andere van dien aard te ontmoeten.
In de avondkoelte, of liever in de verminderde hitte van den dag, gingen wij de hoofdkerk bezichtigen, waar onderscheidene oude vrouwen en eenige weinige honden in beschouwing waren verdiept. Wat het stuk der zindelijkheid betreft, was er geen onderscheid te bespeuren tusschen het plaveisel van deze en dat der straten; en daar was een wassen heiligenbeeld in een kistje, als een kompashuis aan boord, met een glas er voor, waarvan mevrouw Tussaud niet zou willen hebben, dat men in eenig opzicht kwaadsprak, en waardoor zelfs de Westminster-abdij beschaamd zou kunnen worden. Zoudt ge iets willen weten omtrent den bouwstijl van deze of eenige andere kerk, hare stichting, uitgebreidheid, hare begiftiging en geschiedenis; is dit dan niet vermeld in den Reisgids van den heer Murray, en kunt ge het dan daar niet lezen met gevoelens van dankbaarheid jegens hem, zooals ik deed.
Om die reden zou ik me ook onthouden melding te maken van ’t zonderlinge uurwerk in de Lyonsche hoofdkerk, als ik niet wilde spreken van eenen kleinen misslag, dien ik ten aanzien van dat werktuig beging. De kerkbewaarder was er zeer op gezet dat het vertoond zou worden, deels ter eere van het gebouw en der stad, en wellicht ook omdat er een presentje voor hem voortvloeit uit de achteraankomende bewondering. Hoe ’t er ook mede zij, het werd in beweging gebracht, en daarop vlogen een tal van deurtjes open en ontelbare kleine beeldjes waggelden er uit, en draaiden vanzelven weder naar binnen, met die eigenaardige onstandvastigheid van doen, en ’t hortende in den gang, als gewoonlijk wordt opgemerkt in beelden die door uurwerk in beweging worden gebracht. Onderwijl stond de koster die wonderen uit te leggen, en toonde ze, door behulp eener roede, afzonderlijk aan. Daar was in het midden een beeld van de Maagd Maria, en, dicht bij haar, een klein hok waaruit eene andere pop kwam, die er zeer leelijk uitzag en eene van de snelste duikelingen maakte, welke ik ooit heb zien bewerkstelligen, en, toen hij haar zag, dadelijk terugsprong en het deurtje met geweld achter zich dichtsloeg. Daar ik dit opnam als het zinnebeeld der zegepraal over zonde en dood, en er niet afkeerig van was, te toonen, dat ik het onderwerp volkomen verstond, vóórdat de man het mij uitlegde, zeide ik met spoed: „Aha! dat is zeker de booze geest. Met dien is het spoedig afgeloopen.”—„Verschoon mij, mijnheer,” zei de koster, met eene beleefde beweging van zijne hand naar het deurtje wijzende, alsof hij iemand voorstelde.—„De engel Gabriël.”
Kort na zonsopgang van den volgenden dag stoomden wij de Rhône af, met eene snelheid van twintig mijlen1 per uur, in een zeer morsig vaartuig vol koopmansgoederen en slechts drie of vier andere passagiers tot reisgenooten: onder welke zich het meest deed opmerken een onnoozel ridder, die een zachtaardig gelaat had, knoflook at, overmatig beleefd was, en een smerig reepje rood lint in zijn knoopsgat had, als was het er door hem ingeknoopt om zich iets te herinneren, zooals Tom Knikkebol in het kluchtspel, knoopen in zijn zakdoek legt.
Gedurende de laatstverloopen twee dagen hadden wij groote sombere bergen gezien, als de eerste teekens van de Alpen, die in de verte opdoemden. Nu ijlden we er langs, soms zeer dicht er naast, soms gescheiden door een tusschenliggende glooiing, die met wijnstokken was bedekt. Dorpen en kleine steden, als midden in de lucht hangende, benevens groote olijfbosschen, welke men door de sierlijk opengewerkte torens der kerken kon zien, en wolken die zachtkens voortdreven boven de steile hoogten er achter; op elke hoogte kasteelen, welke in puinhoopen lagen; en huizen, die verspreid waren in de kloven en geulen der heuvels; dit alles maakte het zeer schoon. De groote hoogte van deze was oorzaak, dat de gebouwen er zoo net uitzagen, dat zij al het bevallige hadden van elegante modellen. Hunne buitengewone witheid afstekende bij het bruine der rotsen, of het sombere, donkere, doffe en droeve groen der olijfboomen; de kleine gedaante en de langzame wandeling der Lilliputsche mannen en vrouwen op den oever, leverden een bekoorlijk tafereel op. Er waren tallooze overhaalschuiten en bruggen; de beroemde Pont d’Esprit, met ik weet niet hoeveel bogen; steden, die geachte wijnsoorten opleveren, Valence, waar Napoleon studeerde; en de edele rivier, die bij het omvaren van elke bocht nieuwe schoonheden in het gezicht bracht.
Denzelfden namiddag lag de gebroken brug van Avignon voor ons, met de geheele stad, die in de zon braadde, omringd door een muur met kanteelen, welke de kleur had van eene halfgaar gebakken pasteikorst, en die nimmer bruin zal worden, ofschoon hij eeuwen lang braadt.
De druiven hingen bij trossen in de straten neer, en de schitterende oleander stond overal in vollen bloei. De straten zijn oud en zeer nauw, maar tamelijk zuiver, en overschaduwd door zeilen, welke van het eene huis tot aan het andere reiken. Aangezien schitterende stoffen en zakdoeken, zeldzaamheden, oude lijsten van gesneden hout, oude stoelen, kerktafels, heiligen- en Moedergodsbeelden, engelen, gekladde portretten die u aanstaarden, daaronder ten verkoop waren uitgestald, was het er recht aardig en levendig. Dit alles kreeg ook meer luister door de blikken, welke roestige, half openstaande deuren toelieten te werpen op stille, vakerige binnenplaatsen, waarachter zich statige oude huizen bevonden, die zwijgend waren als het graf. Alles geleek tamelijk wel op eene van de beschrijvingen in de Duizend-en-één-nacht-vertelsels; de drie eenoogigen hadden aan eene dezer deuren kunnen kloppen tot de straat weergalmde, en de portier, die volhield met het doen van vragen—de man, die de keurige aankoopen van den ochtend in zijn korf had gedaan—zou ze zeer natuurlijk hebben geopend.
Na den volgenden ochtend te hebben ontbeten, spoedden wij ons heen om het merkwaardige te zien. Uit het noorden blies een zoo verrukkelijk koeltje, dat de wandeling daardoor bekoorlijk werd, ofschoon de straatsteenen en de steenen van muren en huizen veel te heet waren om er met schik de hand op te kunnen leggen.
Vóór alles stegen wij eene rotsachtige hoogte op naar de hoofdkerk, waar de mis werd gelezen voor een gehoor, dat zeer veel had van dat te Lyon, namelijk: onderscheiden oude vrouwen, een klein kind en een zeer bedaarde hond, die zich een klein loopperk of vlakte had uitgekozen, om er lichaamsoefeningen te houden, beginnende aan het altaar-hek en eindigende aan de deur, waar hij gedurende den dienst geregeld op en neer wandelde, zoo stelselmatig en bedaard als eenigerhande oude heer daar buiten. Het is eene naakte, oude kerk, en de schilderstukken der zoldering zijn door tijd en vochtig weer op eene droevige wijze verwoest; maar de zon scheen er door de roode gordijnen der ramen heerlijk in, en deed de altaarversiersels schitteren; het zag er naar den aard blinkend en vroolijk uit.
Mij in deze kerk afzonderende om eene schilderij te beschouwen, welke door een Fransch kunstenaar en zijn leerling in fresco was uitgevoerd, kreeg ik aanleiding, nauwkeuriger dan ik anders zou hebben gedaan, een groot aantal gelofte-offeranden (ex voto) op te merken, met welke de muren der verschillende kapellen overvloedig waren behangen. Ik zal niet zeggen versierd; want ze waren zeer ruw en potsierlijk toegetakeld: waarschijnlijk waren ze ’t werk van uithangbord-schilders, die op deze wijze hun bestaan verbeterden; ’t waren altemaal kleine schilderijtjes, welke ieder eene ziekte of kwaal verbeeldde, waaraan de persoon, die het er had neergehangen, door tusschenkomst van zijn of haar beschermheilige of van de moeder Gods was ontkomen. En ik kan er op verwijzen als goede stalen van de algemeene soort. Zij zijn in Italië in overvloed aanwezig.
In potsierlijke hoekigheid van omtrek, en het onmogelijke van het perspectief, waren zij niet ongelijk aan de houtsneden in oude boeken maar het waren olieverf-stukken, en, evenals de schilder der familie Primrose2, was de kunstenaar niet karig met zijne kleuren geweest. In een van deze werd aan eene dame een teen afgezet—eene operatie waarover werd gewaakt door een persoon, als heilige voorgesteld, die op een wolk in het vertrek was komen zeilen. In een ander tafereel lag eene dame te bed, die zeer netjes en zorgvuldig was ingepakt, en met veel bedaardheid staarde op een drievoet met een groot bekken er op, in den gewonen vorm van eene waschtafel, en zijnde, behalve hare legerstede, het eenige meubelstuk in haar vertrek. Nooit zou men hebben verondersteld, dat zij aan eenige ongesteldheid leed, behalve het ongemak, dat zij op eene wonderdadige wijze klaar wakker was gehouden, indien niet de schilder op het denkbeeld ware gevallen, haar geheele gezin geknield in een hoek te plaatsen, met de beenen als laarzen-beenen achteruitstekende op den grond, waarboven de Maagd, op eene soort van blauwen divan (of sofa), beloofde, de lijderes te herstellen. In een ander stuk was eene dame voorgesteld, op het oogenblik dat zij onmiddellijk buiten de stadsmuren werd overreden, door eene soort van wagen in den vorm eener piano-forte. Maar ook daar was de Maagd er bij. Hetzij nu de bovennatuurlijke verschijning het paard (een kastanjebruine griffioen) had moeten doen stilstaan, of hetzij die onzichtbaar voor het beest was, ik weet het niet; maar het galoppeerde heen, ding-dong, zonder den minsten eerbied of wroeging. Op elke schilderij waren de woorden „Ex voto” met gele hoofdletters in de lucht geschilderd.
Ofschoon gelofte-offeranden in de heidensche tempels niet onbekend waren, en blijkbaar behooren tot de veelvuldige schikkingen, gemaakt tusschen den valschen en den waren godsdienst, toen de laatste in zijne kindsheid was, zou ik wenschen dat al de andere capitulatiën even onschadelijk waren. Dankbaarheid en godsdienstigheid zijn christelijke deugden; en een dankbare, christelijke geest moge de vervulling er van voorschrijven.
Vlak naast de hoofdkerk staat het oude paleis der pausen, waarvan een gedeelte nu een gewoon gevangenhuis, en het andere eene vunzige kazerne is, terwijl sombere reeksen van staatsie-vertrekken, die gesloten en verlaten waren, hun eigen oude praal en roem bespotte, evenals de gebalsemde lichamen van vorsten. Maar wij waren er niet heengekomen om staatsie-kamers, noch om soldaten-kwartieren, noch om eene gewone gevangenis te bezichtigen, ofschoon wij eenig geld lieten vallen in eene er buiten geplaatste bus voor de gevangenen, terwijl de gekerkerden zelven tusschen de ijzeren staven in de hoogte tuurden en ons reikhalzend bespiedden. Wij gingen de puinhoopen zien van de schrikbarende vertrekken, in welke de inquisitie gewoon was zitting te houden.
Een oud vrouwtje van een somber voorkomen en met een paar glinsterende zwarte oogen—een bewijs, dat de wereld den duivel in haar niet had bezworen, ofschoon ze er een zestig of zeventig jaren tijd toe had gehad—kwam uit de kazerne-herberg, waarvan zij de eigenaresse was, met eenige groote sleutels in de hand en geleidde ons den weg op, dien wij hadden te volgen. Hoe zij onderweg verhaalde, dat zij een lands-ambtenares was concierge du palais apostolique—(bewaarster van het pauselijk paleis) en dit reeds, ik weet niet hoeveel jaren lang was geweest; en hoe zij deze kerkerholen aan vorsten had getoond; en hoe zij de beste uitlegster van kerkerholen was; en hoe zij van kindsbeen af in het paleis had gewoond—en er, als ik mij wel herinner, geboren was—heb ik niet noodig mede te deelen. Maar zulke eene trotsche, kleine, vlugge, vonkelende, nadrukkelijke duivelin heb ik nimmer gezien. Zij was den geheelen tijd door vuur en vlam. Haar doen en laten was uiterst hevig. Zij sprak nooit, of zij bleef daartoe opzettelijk stilstaan. Zij stampvoette, greep ons bij den arm, nam bepaalde houdingen aan, en hamerde, om meer klem te geven, met hare sleutels tegen de muren; nu fluisterde zij als ware de inquisitie er nog, dan gilde zij alsof zij zelve op de pijnbank lag. Zij had eene geheimzinnige, heksachtige manier, als zij de overblijfselen van eenige nieuwe ijselijkheden naderde, met eene beweging des wijsvingers, achterwaarts te zien, steelswijze te loopen, en schrikbarende gezichten te trekken.—En deze enkele handeling zou haar bevoegd hebben gemaakt, met uitsluiting van alle andere beelden, eens zieken beddedeken op en neer te wandelen gedurende den geheelen duur der koorts.
Het binnenplein overgaande, tusschen groepen werkelooze soldaten, namen wij den weg door eene poort, welke deze vrouwelijke heks ontsloot om ons den toegang te verschaffen, en achter ons weer dichtsloot, en kwamen op eene enge binnenplaats, die nog nauwer was gemaakt door gevallen steenen en hoopen puin; waarvan een gedeelte den toegang stopte eener onderaardsche gang, welke voorheen gemeenschap had (of van welke gezegd wordt dat zij die had) met een ander kasteel aan den tegenoverliggenden oever der rivier. Dicht bij deze binnenplaats is een hol—in het volgende oogenblik stonden wij er in—in den akeligen toren des oubliettes, waar Rienzi gekerkerd was en vastgeklonken, aan denzelfden muur die er nog stond, maar gesloten voor het uitspansel dat er nu in neerzag. Een paar stappen brachten ons in de kerkers waar de gevangenen der inquisitie, na hunne gevangenneming, gedurende acht en veertig uren zonder eten of drinken werden opgesloten, ten einde hunne standvastigheid aan het wankelen mocht worden gebracht, alvorens men ze in de tegenwoordigheid hunner sombere rechters voerde. Tot deze had het daglicht nog geen toegang verkregen. Nog zijn het kleine cellen, ingesloten door vier stugge, stevige, dicht bijeenstaande, dikke muren, die nog volslagen donker, en nog stevig van deuren voorzien en gesloten waren als in vroeger dagen.
De heks, op de door mij beschreven wijze, achterwaarts ziende, ging zachtkens voort naar een gewelfd vertrek, thans gebezigd als magazijn en, voorheen gediend hebbende tot kapel van het heilig officie. De plaats waar de vierschaar zat was eenvoudig. Het verhemelte is mogelijk gisteren pas weggenomen. Verbeeld u, dat de gelijkenis van den barmhartigen Samaritaan op den muur van een dezer inquisitie-vertrekken geschilderd was. Maar dit was er en zal er nog wel bestaan.
Hoog in de nijdige muren zijn nissen, waar de stamelende antwoorden der beschuldigden werden gehoord en opgeschreven; velen van hen waren uit dezelfde cel, waarin wij zoo angstig hadden gekeken, langs dezelfde steenen gang gevoerd geworden. Wij waren in hunne eigene voetstappen getreden.
Ik staarde rondom mij met al den afschrik, welken de plaats inboezemt, toen de heks mijne vuist vatte, en niet haar dorren vinger, maar het bovengedeelte van een sleutel op hare lip legde. Zij noodigde mij met een zwaai haar te volgen. Ik deed het. Zij geleidde mij naar buiten, en naar een naastbijgelegen vertrek,—een lomp vertrek, met eene trechtervormige ineengekrompen zoldering, die, aan den top, voor den schoonen dag geopend was. Ik vraag haar wat dit is. Zij slaat de armen over elkander, lonkt op eene afschuwelijke wijze en blijft star-oogen. Ik vraag haar nogmaals. Zij blikt rond, om te zien of er het geheele kleine gezelschap bijeen is, zet zich op een hoop steenen, slaat hare armen naar boven, en gilt als een booze geest uit: „la salle de la question!” (De martelkamer). En de zoldering was dan daarom in dien vorm gemaakt om het geschreeuw der slachtoffers te verstikken! O heks, heks! laat ons daarover een wijl in stilte nadenken. Zwijg, heks! Blijf slechts vijf minuten zitten op dien hoop steenen, met uw korte armpjes kruiselings over uwe korte beentjes geslagen, en dan werp weder vlammen uit.
Minuten! er zijn geene seconden door de klok van het paleis aangeduid, of de heks vliegt, daar hare oogen vuurstralen uitschieten, naar het midden der kamer, waar zij met hare door de zon verschroeide armen een kring van hevige slagen beschrijft. Dus snorde het rond, roept de heks, bof, bof, bof! Een eindeloos bonzen van zware hamers. Bons, bons, bons op des lijderes ledematen. Ziedaar de steenen trog! zegt de heks, voor de watermarteling! Gorgel, zuip, zwel, barst, ter eere des Heilands! zuig bij elken ademtocht het bloedige lor diep in uw ongeloovig lichaam, ketter dat gij zijt3, en als de beul het er uitrukt, terwijl het dampt van de kleine geheimenissen van Gods waar evenbeeld, ken ons dan als Zijne uitverkoren dienaars, die waarlijk gelooven aan de Bergrede: als uitgekozen leerlingen van Hem, die nooit anders een wonderwerk deed dan om ons te heelen: die nooit een mensch sloeg met beroerte, blindheid, doofheid, stomheid, krankzinnigheid of eenigerhande bezoeking der menschen; en nooit Zijn gezegende hand uitstrekte, dan om hulp en verlichting aan te brengen.
Zie! roept de heks. Daar was het fornuis. Daar maakten zij de ijzers gloeiend. Deze holten droegen den scherpen paal, aan welken de gemartelden opgeheschen werden, en daar met hunne geheele zwaarte van de zoldering bleven neerhangen en slingeren. „Maar,” en de heks zegt dit op fluisterenden toon, „heeft mijnheer van dezen toren gehoord? Ja? Laat mijnheer dan omlaag zien!”
Een koude lucht, bezwangerd met een aardreuk, slaat tegen mijnheers aangezicht; want zij heeft onder het spreken een luik in den muur geopend. Mijnheer kijkt er in. Naar beneden op den grond, naar boven tegen de spits van een steilen, donkeren, hoogen toren, recht akelig, heel donker, zeer koud. De beul der inquisitie, zegt de heks, haar hoofd er in dringende om ook naar beneden te zien, wierp hier hen, welke over al de verdere martelingen heen waren, naar beneden. Maar kijk! Ziet mijnheer de zwarte vlekken op de muren? een blik over den schouder naar het scherpziend oog der heks toont mijnheer—en zou het zonder hulp van den aanwijzenden sleutel—waar zij waren. „Wat is dat? Bloed!”
In October 1791, toen de revolutie hier op het hoogst was, werden zestig personen: mannen en vrouwen (en priesters, zegt de heks, „priesters”) vermoord, en de stervenden en de dooden in dien verschrikkelijken put geworpen waar eene menigte ongebluschte kalk op hunne lichamen werd neergestort. Die afgrijselijke overblijfselen van den moord waren weldra verdwenen; maar zoolang een steen van het hechte gebouw, waarin die daad werd verricht, op den ander zal staan, zullen zij zoo duidelijk in der menschen geheugen liggen als men nu de bloedspatten op den muur kan zien.
Was het een gedeelte van het groote ontwerp der vergelding, dat de wreede daad in die plaats moest worden ten uitvoer gebracht! Dat een gedeelte der afschuwelijkheden en monsterachtige instellingen, welke tientallen van jaren achtereen bezig waren met het veranderen der menschelijke natuur, ze op het laatst in verzoeking zou brengen, door de onder de hand liggende middelen, hunne razende en beestachtige woede te voldoen. Dat dit hen in staat zou stellen zich, in den hoogsten graad hunner dolheid, niet erger te vertoonen dan eene groote plechtstatige en wettelijke instelling, op de grootste hoogte van hare macht! Niet erger? veel beter! Zij gebruikten den toren der vergetenen in den naam der vrijheid—hunne vrijheid; een schepsel van lage geboorte, gevoedsterd in het zwarte slijk van de grachten en holen der Bastille, en noodwendig menigvuldige blijken gevende van zijne ongezonde opvoeding—terwijl de Inquisitie dien in den naam des hemels gebruikte.
De vinger der heks is opgeheven, en zij sluipt er weer uit naar de kapel van het heilig officie. Zij blijft staan bij een zeker gedeelte van den vloer. Haar groot effect is nabij. Zij wacht op de overigen. Zij werpt een blik op den braven koerier, die bezig is met het uitleggen van iets, geeft hem met den grootsten sleutel een klinkenden tik op den hoed en verzoekt hem stil te zijn. Zij brengt ons allen bijeen, rondom een klein valluik in den grond, als om een graf. „Voilà!” Zij blikt neer op den ring, en rukt het luik met haar heksen-nadruk, met een krassend geluid open, ofschoon het eene niet onbeduidende zwaarte heeft. „Voilà les oubliettes! Voilà les oubliettes! (ziedaar de holen der vergetenen) onderaardsch! Schrikkelijk! Donker! IJselijk! Doodelijk! Les oubliettes de l’Inquisition! (de holen der vergetenen van de Inquisitie).”
Mijn bloed stolde, toen ik den blik, van de heks af, naar beneden wierp, in de kelders, waar die vergeten schepsels, met herinneringen van de wereld daar buiten, van vrouwen, vrienden, kinderen, broeders, den hongerdood stierven, en de steenen deden klinken door hun vruchteloos gesteen. Maar de rilling, welke ik gevoelde bij het zien van den vervloekten muur beneden, die vervallen en doorgebroken was, en hoe de zon er in scheen door zijne gapende wonden, was gelijk aan een gevoel van zegepraal en overwinning. Ik gevoelde mij verheven door het grootsche genot, dat ik in deze ontaarde tijden leefde, om het te zien, als ware ik de held van eenige grootsche verrichting! Het licht in de ijselijke gewelven was het beeld des lichts, dat er was gestroomd op alle vervolging in den naam Gods, maar dat nog niet de middaghoogte heeft bereikt! Het kan niet liefelijker schijnen op een blinde, die kortelings het gezicht heeft herkregen, dan op een reiziger die het ziet, hoe het kalm en majestueus de duisternis diens helpoels vernietigt.
1 Hier en overal in het werk wordt van Engelsche mijlen gesproken, waarvan drie een uur gaans maken. ↑
2 Die van den Predikant van Wakefield, een bekende roman van Goldsmith. ↑
3 Den gemartelde werd een trechter tot aan de keelholte gebracht en door dezen het water ingegoten; doch opdat de lijder het water langzamerhand zou inzuigen, werd de onderzijde der trechterpijp met eene lap lijnwaad bedekt. ↑