VAN AVIGNON NAAR GENUA.

Toen de heks de oubliettes had getoond, gevoelde zij dat haar groote slag geslagen was; zij liet het luik knarsend vallen en stond er bovenop, met hare armen in de zijden en vervaarlijk snuivende.

Toen wij de plaats verlieten, vergezelde ik haar naar hare woning, die in de buitenste poort van het front was, om eene kleine geschiedenis van het gebouw te koopen. Haar kroeg, een donker vertrek, door kleine raampjes verlicht, zonk in den dikken muur, in het verzachte licht en met een schoorsteen, gelijkende naar dien eener smidse; het kleine buffetje bij de deur, met flesschen, kruiken en glazen er op; het keukengereedschap en de kleedingstukken langs de muren, en een vrouw van een nuchter voorkomen (zij moest een leven leiden gelijksoortig met dat van de heks), die aan de deur breide—het zag er volkomen uit als eene schilderij van Ostade.

Ik wandelde de buitenzijde van het gebouw rond, in een soort van droom en had echter het bekoorlijke gevoel, dat ik er uit ontwaakt was, waarvan het licht, dat in de gewelven nederviel, mij de verzekering had gegeven. De bovenmatige dikte en duizelende hoogte der muren, de verbazende sterkte der stevige torens, de groote uitgestrektheid van het gebouw, zijne reusachtige evenredigheden, gefronst voorkomen en barbaarsche onregelmatigheid, baren ontzag en verbazing. De herinnering van de tegenstrijdige doeleinden, waartoe het voorheen werd gebruikt—eene onneembare forteres, een weelderig paleis, eene verschrikkelijke gevangenis, eene plaats van marteling, het hof der inquisitie: op een en denzelfden tijd een huis van festijnen en gevechten, van godsdienst en bloed, maakt elken steen van zijne verbazend hooge gedaante vreesbarend en belangwekkend tevens, en deelt eene nieuwe beteekenis mede aan het onovereenkomstige daarvan. Ik kon echter toen, en nog lang naderhand, aan niets anders denken dan aan de zon in de holen. Dat het paleis was verlaagd tot eene slenterplaats van luidruchtige soldaten, en gedwongen was hunne ruwe taal en gemeene vloeken terug te kaatsen, en toe te laten, dat hunne kleedingen uit zijne morsige ramen fladderden, was eenigermate eene vernedering van zijn vorigen staat, en tevens iets genoegenbarends; maar het daglicht in de cellen, en de hemel tot dak van zijne aan de wreedheid gewijde vertrekken—dit was de storing en de nederlaag er van. Indien ik het had zien in vlam staan, van de gracht tot aan den wal, dan zou ik hebben gevoeld, dat niet dit licht, evenmin als al het licht van al het vuur dat er brandt, het derwijze kon verwoesten, als de zonnestralen in zijne geheime raadkamers en kerkers.

Alvorens dit pauselijk paleis te verlaten, wil ik uit de korte beschrijving, zoo even door mij vermeld, eene kleine geschiedenis mededeelen, geheel geschikt voor het gebouw en in verband staande met het wedervaren er van.

„Eene oude overlevering bericht, dat in 1441 een neef van Pierre de Lude, de pauselijke legaat, eene verregaande beleediging deed aan eenige voorname dames van Avignon, wier betrekkingen, om zich te wreken, den jonkman vatten en schrikkelijk verminkten. Gedurende eenige jaren begroef de legaat zijne wraak in zijn eigen boezem, maar had niettemin besloten zich die eindelijk te verschaffen. Na een lang tijdsverloop deed hij zelfs de eerste stappen tot een volkomen verzoening; en toen de schijnbare oprechtheid er van de zege had behaald, noodigde hij zekere gezinnen, geheele gezinnen, welke hij wilde verdelgen, tot een luisterrijk gastmaal in dit paleis. Het gastmaal werd gekruid door de grootste vroolijkheid; maar de maatregelen van den legaat waren wel getroffen. Toen het nagerecht op tafel stond, kwam de portier binnen, met het bericht, dat een vreemd gezant om een buitengewoon gehoor verzocht. De legaat, die voor een oogenblik verlof van zijne gasten nam, verwijderde zich, door zijne ambtenaren gevolgd wordende. Weinige oogenblikken later waren vijfhonderd personen in asch verkeerd, doordien men den geheelen vleugel des gebouws met eene verschrikkelijke ontploffing in de lucht had doen springen!”

Na het bezichtigen der kerken (ik wil u juist nu niet met kerken lastig vallen) verlieten wij Avignon in den namiddag. Om de zeer sterke hitte waren de wegen buiten de stadsmuren bezaaid met menschen, die op elk beschaduwd plekje vast sliepen, of met werkelooze groepen, tusschen slapen en waken in waren, en daar wachtten tot de zon laag genoeg zou zijn gedaald om tusschen de verzengde boomen en op den stuivenden weg te kunnen kegelen. De oogst was hier reeds binnengehaald, en muilezels en paarden waren bezig het koorn in de velden uit te treden1. Tegen donker kwamen wij in eene woeste en heuvelachtige streek, die eens door struikroovers berucht was, en trokken langzaam tegen eene steile hoogte op. Aldus gingen we voort tot ’s avonds elf uur, toen wij stilhielden in de stad Aix, op twee stations van Marseille, om er nachtverblijf te houden.

Het logement, waarvan al de zonneschermen en blinden gesloten waren, om er licht en hitte buiten te houden, was den volgenden morgen aangenaam en luchtig, en de stad was zeer zindelijk; maar zoo heet en zoo bovenmatig schitterend van licht, dat, toen ik des middags uitging het juist was alsof men plotseling uit eene donkere kamer in een fel brandend vuur keek. De lucht was zoo helder, dat verafgelegene heuvels en rotsachtige punten slechts een uur gaans schenen: terwijl de stad in mijn bereik—met een soort van blauwachtig waas tusschen mij en haar—gloeiend geleek, en en heeten gloed uit hare oppervlakte scheen te verspreiden.

Wij verlieten deze stad tegen den avond, en begaven ons op weg naar Marseille. Het was een stoffige weg; de huizen waren alle gesloten, en de wijngaarden wit bestoven. Bijna aan alle deuren der boerenhutten waren vrouwen bezig met uien in aarden kommen te schillen en voor het avondmaal in schijfjes te snijden. Dit hadden zij ook den vorigen avond langs den geheelen weg van Avignon gedaan. Wij trokken langs een of twee schaduwrijke, sombere kasteelen, met boomen omgeven en met koele waterkommen versierd; die des te meer indruk maakten uit hoofde van de groote schaarschheid van dergelijke verblijfplaatsen langs den weg dien wij hadden afgelegd.

Toen wij Marseille naderden, begon de weg bedekt te worden met lieden in hun feestgewaad gedost. Voor de herbergen waren eenigen bezig met rooken, drinken, dam- en kaartspel en (ééns) met dansen. Maar stof, stof, overal stof. Wij gingen verder, door eene lange, verstrooide vuile voorstad, propvol van menschen. Links lag een naakt glooiend stuk grond, waarop de buitenplaatsen der kooplieden van Marseille, altijd verblindend wit, door elkander en zonder de minste regelmaat opgehoopt zijn, achter-, voor-, zij-gevels en daken, naar alle streken van het kompas; totdat wij, ten laatste, in de stad kwamen.

Ik was daar, twee- of driemalen naderhand in fraai en in slecht weder; en ik vrees dat er geen twijfel bestaat, of het is eene morsige en onaangename plaats. Maar het uitzicht van de versterkte hoogten op de schoone Middellandsche zee, met hare bevallige rotsen en eilanden, is allerverrukkendst. Deze hoogten zijn een wenschelijke afzonderingsplaats, om minder schilderachtige redenen—om eene mengeling van onaangenaam riekende dampen te ontvluchten, die voortdurend opstijgen uit een haven vol stilstaand water en besmet met hetgeen tallooze schepen, met allerhande ladingen, geweigerd hadden in te nemen; wat, bij warm weder, in den hoogsten graad te vreezen is.

Daar waren vreemde zeelieden, van alle natiën op straat; met roode hemden, blauwe hemden, gesteven hemden, taankleurige hemden en oranjekleurige hemden, met roode mutsen, blauwe mutsen, groene mutsen, zware baarden en baardeloos; met Turksche tulbanden, glimmende Engelsche hoeden, en Napolitaansche hoofddeksels.

Daar waren stedelingen, groepsgewijs op het voetpad zittende, of zich verluchtende op de daken hunner huizen, of de nauwste en minst luchtige Boulevards op en neer wandelende; en daar waren hoopen volks van de geringe klasse, die er trotsch uitzagen en gedurig den weg versperden. Te midden van al dat geraas en oproer stond het krankzinnigengesticht; een laag, saamgedrongen, ellendig gebouw, dat recht op de straat uitzag, zonder de minste beschutting of voorhof; waar snaterende krankzinnige mannen en vrouwen, door geroeste staven, omlaag, naar de gapende aangezichten staarden, terwijl de zon, met fierheid in hunne kleine cellen schuin invallende, hunne hersenen schenen te verdrogen en te pijnigen, evenals werden ze door een koppel honden nagezeten.

Wij waren tamelijk wel gehuisvest in het hotel du Paradis, dat in een nauwe straat stond, waarin zeer hooge huizen waren. Er tegenover was een kapperswinkel, voor een raam twee levensgroote wassen damesbeelden ten toon stellende, die heen en weder draaiden, hetgeen de kapper zelf zoo verrukte, dat hij en zijn huisgezin, in armstoelen, en luchtig gekleed, midden op de straat zaten, zich met eene luie waardigheid verheugende in de voldoening der voorbijgangers. Het huisgezin had zich ter ruste begeven, toen wij te middernacht naar bed gingen; maar de kapper (een gezet man met lakensche muilen) zat er nog, met zijne voeten recht voor hem uitgestoken, en kon klaarblijkelijk niet verdragen, dat men de blinden sloot.

Den volgenden dag gingen we naar de haven, waar zeelieden van alle natiën bezig waren te ontschepen en ladingen van alle soort in te nemen: vruchten, wijnen, olie, zijden-, wollen-, fluweelen stoffen en alle soort koopmansgoederen. Uit het groot aantal vroolijke bootjes één kiezende, dat zeilen had, welke gestreept waren, op eene wijze, die voor het oog bevallig was, roeiden wij weg, onder de achterstevens van groote schepen, onder touwen en kettingen, tegen en onder andere booten, en veel te dicht langs de boorden van andere schepen, die met sinaasappelen bevracht waren, naar de Marie Antoinette, eene nette stoomboot, naar Genua bestemd, liggende aan den ingang der haven. Langzamerhand kwam het rijtuig, die logge „kleinigheid van het Pantechnicon,” op een platboomd vaartuig, op gekke wijze langs boord liggen, tegen alles aanstootende, en aanleiding gevende tot een wonderbaarlijk aantal vloeken en gezichtsverdraaiingen; tegen vijf uur stoomden wij naar de ruime zee.

Het schip was uiterst zindelijk; de maaltijden werden opgedischt onder een zeil op dek; de nacht was kalm en helder; de rustige schoonheid van de zee en van den hemel onuitsprekelijk.

Wij reisden den volgenden morgen vroegtijdig naar Nizza af, en voeren bijna den geheelen nacht langs de kust, tot op eenige mijlen van den Cornice-weg (waarover later nader). Voor drie uur hadden wij Genua in het gezicht; en het waarnemen der langzame ontwikkeling van deze prachtige, amphitheatersgewijze gebouwde stad: terrassen op terrassen, tuin op tuin, paleis op paleis, heuvel op heuvel—hield ons genoeg bezig, tot wij de trotsche haven waren binnengevaren.

Na ons hier buitengewoon verwonderd te hebben over eenige Kapucijner monniken, die het wegen van hout op de werf gadesloegen, vertrokken wij naar Albaro, een paar mijlen verder, waar wij een huis hadden gehuurd.

Onze weg voerde ons door de voornaamste straten, maar niet door Strada Nuova, of Strada Balbi, die de beroemde straten der paleizen zijn. Nimmer in mijn leven was ik meer teleurgesteld! De wonderbare nieuwheid van alles, de ongewone reuk, de onverklaarbare morsigheid (hoewel men het voor de zindelijkste stad van Italië houdt) de verwarde mengeling van smerige huizen, het eene boven op het andere gebouwd; de stegen, vuiler en nauwer dan die in St. Giles, of het vroegere Parijs; waarin en waaruit geene landloopers kwamen, maar welgekleede vrouwen, met witte sluiers en groote waaiers, heen en weder gingen; het volstrekt gemis van gelijkenis in eenig woonhuis, of winkel, of muur, of stijl, of pilaar, met iets dat ik ooit vroeger gezien had; en de ontmoedigende vuilheid, het ongemak en verval verbaasden mij ten hoogste. Ik verviel in eene treurige mijmering. Mij is bewust, dat ik koortsachtig en verward gedroomd heb van heiligen en madonna’s in hunne nissen aan de hoeken der straten,—van een groot aantal monniken en soldaten,—van groote roode gordijnen, die voor de deuren der kerken fladderden,—van altijd bergop te gaan, en toch iedere nieuwe straat en steeg steeds te zien rijzen,—van fruitstalletjes, met versche citroenen en oranjeappelen, die aan festoenen van wijngaardranken hingen,—van een wachthuis, en eene ophaalbrug—en van poortlanen,—en van verkoopers van ijswater, met hunne kleine stalletjes aan den kant van het kanaal zittende—en dit is alles wat mij bewust is, totdat ik nedergezet werd op een vunzig, akelig, met onkruid begroeid plein, voor een soort van rood gevangenhuis; en men tot mij zeide, dat ik daar woonde.

Weinig dacht ik dien dag, dat ik ooit gehechtheid zou gevoelen voor de steenen zelfs in de straten van Genua, en met liefde terugblikken naar die stad, uit hoofde van de menigte gelukkige en rustige uren, welke ik daar heb doorgebracht. Maar dit zijn mijne eerste indrukken, eerlijk ternedergesteld; en hoe ze veranderden zal ik ook mededeelen. Laat ons thans ademhalen na deze langgerekte dagreis.


1 In sommige landen worden de graanhalmen niet gedorscht, maar door de hoeven van paarden en muilezels getreden.