De eerste indruk van een dergelijke plaats als Albaro, de voorstad van Genua, waar ik mij thans neergezet heb, moest natuurlijk, volgens mijne wijze van zien, droevig en teleurstellend zijn. Het vereischt een weinig tijd en gewoonte om de neerslachtigheid te overwinnen, die in het begin gevoeld wordt en het gevolg is van eene zoodanige verwaarloozing en van een dergelijk plichtverzuim. Nieuwheid, die iedereen behaagt, bevalt mij buitengemeen. Ik wordt niet licht mistroostig als ik de middelen bezit mijne eigene denkbeelden en bezigheden te volgen; en ik vermeen, dat ik een bijzonderen aanleg heb om mij naar de omstandigheden te schikken.—Maar, tot nog toe, zwerf ik rond in alle hoekjes en gaatjes der nabuurschap, in een voortdurenden staat van verwondering; en keer ik naar mijne villa terug: de villa Bagnerello, (de naam klinkt romantisch, maar signor Bagnerello is een slachter uit de nabijheid), dan heb ik genoeg te doen om over mijne nieuw opgedane ondervinding te peinzen en haar, zeer tot mijn eigen vermaak, te vergelijken met mijne verwachtingen, totdat ik weder dolen ga. De villa Bagnerello, of het Roode Gevangenhuis, eene veel juistere uitdrukking voor het huis, is zoo prachtig gelegen als men zich slechts verbeelden kan. In hare nabijheid bevindt zich de trotsche golf van Genua en de donkerblauwe Middellandsche zee; oude, verlaten, monsterachtige huizen en paleizen zijn overal verspreid; hooge bergen, wier toppen zich dikwerf in de wolken verschuilen, en wier sterke forten in de hoogte tegen hunne ruwe hellingen aanleunen, zijn ter linkerzijde in de nabijheid, en vóór u, van de muren van het lusthuis tot aan de vervallen kapel, die zich op de fiere schilderachtige rotsen aan den oever der zee verheft, zijn groene wijngaarden, waar gij den geheelen dag kunt wandelen, gedeeltelijk in de schaduw, en, zoover uw oog reikt, slechts druiventrossen ziet, die, over de smalle paden heen, om een ruw latwerk geslingerd zijn.
Van dit eenzame plekje loopen zulke smalle paden, dat wij, bij het tolkantoor aankomende, bevonden, dat de lieden de maat genomen hadden van het smalste van alle, en wachtende waren om ze met deze breedte van het rijtuig te vergelijken: de plechtigheid werd ernstig volvoerd op straat, terwijl wij allen in angstige verwachting er bij stonden. Het scheelde wel niet veel, maar er bestond eene mogelijkheid, en meer niet—zooals ik alle dagen herinnerd word, door het beschouwen der verschillende groote gaten, welke het rijtuig aan weerszijden in den muur stootte toen het er tusschen doortrok. Men heeft mij verhaald, dat wij gelukkiger zijn dan eene bejaarde dame, welke, niet lang geleden, een lusthuis in deze streken huurde, en in eene steeg met haar rijtuig bleef vastzitten, en daar het onmogelijk was een der portieren te openen, was zij verplicht zich te onderwerpen aan de onwaardige behandeling, door een der kleine raampjes aan de voorzijde getrokken te worden, evenals een harlekijn.
Wanneer gij die nauwe stegen door zijt, dan komt gij aan eene gewelfde poort, onvolkomen gesloten door een oud verroest hek—mijn hek. Aan dit verroeste, oude hek prijkt eene schel, waaraan gij zoo lang kunt trekken als gij wilt, en waarop niemand u zal antwoorden, daar zij volstrekt niet met het huis in verband staat. Maar daar is nog een oude verroeste klopper, ook—vrij slecht vastgemaakt, zoodat hij rondglipt, wanneer gij hem aanraakt—en als gij den slag er van leert, en lang genoeg klopt, komt er iemand. De brave koerier komt en laat u in. Gij betreedt een klein vruchtbaar tuintje, geheel verwilderd en vol onkruid: van hier neemt de wijngaard een aanvang: ga het door, loop in eene vierkante zaal als een kelder, klim eene gescheurde marmeren trap op en treed in eene verschrikkelijk groote kamer, met eene gewelfde zoldering en gewitte muren; bijna als eene groote kapel van Methodisten. Dat is de sala. Zij heeft vijf ramen en vijf deuren en is versierd met schilderijen, welke de schilderij-opknappers zouden doen watertanden, die in Londen, als een uithangbord, eene schilderij ophangen, welke verdeeld is evenals de dood en de dame, boven aan de oude ballade, en u altijd in een staat van onzekerheid laat, of de kundige professor de eene helft schoon of de andere heeft smerig gemaakt. Het ameublement van deze sala is een soort van roode gebloemde stof. Al de stoelen zijn onverschuifbaar en de sofa weegt verscheidene tonnelasten.
Op dezelfde verdieping, en in deze kamer uitkomende, bevinden zich de eetzaal, de receptiezaal, en verschillende slaapkamers: elk met een menigte deuren en vensters voorzien. Boven zijn verscheidene andere naakte kamers en eene keuken, en beneden is eene andere keuken, welke, met alle soorten van vreemdaardige inrichtingen voorzien om houtskolen te branden er uitziet als het laboratorium eens scheikundigen. Er zijn ook nog een half dozijn kleine kamers, waar de bedienden, gedurende deze warme Julidagen, de hitte van het vuur kunnen ontvluchten, en waar de brave koerier den ganschen avond alle soorten van muziekinstrumenten van zijn eigen maaksel bespeelt. Het is een zoo oud, verstrooid, spookachtig weergalmend, onvriendelijk, kaal huis, als ik ooit te voren gezien of gedroomd heb.
Van uit de receptiezaal komt men op een klein, met wijnranken bedekt terras; onder dit terras, en eene zijde van den kleinen tuin vormende, bevindt zich, wat vroeger een stal was. Het is thans een koestal en er staan drie koeien in, zoodat wij emmers vol versche melk krijgen. Daar er geen weiland in de nabijheid is komen ze nooit uit den stal, maar liggen steeds neer en doen zich te goed aan de wijngaardbladen—volmaakte Italiaansche koeien—den geheelen dag het dolce far niente (het zoete nietsdoen) genietende; zij staan onder het opzicht van een oud man, Antonio genaamd, en van zijn zoon, die beiden daar slapen, beiden van Sienna geboren, door de zon verbrand, met bloote beenen en voeten, die elk een hemd en eene broek dragen en een rooden gordel om het lijf hebben, en een reliek of gewijde amulet, evenals de boon uit een driekoningenkoek, om den hals hebben hangen.
De oude man is zeer verlangend, mij tot het katholieke geloof over te halen, en preekt mij dikwijls voor. Des avonds zitten wij somtijds op een steen bij de deur, eene omgekeerde herhaling van Robinson Crusoë en Vrijdag gevende, en gewoonlijk verhaalt hij, om mijne bekeering te bevorderen, een uittreksel der geschiedenis van Sint Petrus,—voornamelijk, zoo geloof ik wegens het onuitsprekelijk genoegen dat hij smaakt in zijne nabootsing van den haan.
Het uitzicht, zooals ik reeds vroeger zeide, is verrukkend; maar op den dag moet men de zonneschermen gesloten houden, anders zou de zon u razend maken; en als de zon ondergaat, moet gij al de ramen sluiten, of de muskieten zouden u in de verzoeking brengen een zelfmoord te begaan. Omstreeks dezen tijd van het jaar ziet gij weinig van het inwendige der huizen. Wat de vliegen betreft, gij geeft er niet om. Even zoo min om de vlooien, die een verschrikkelijken omvang bezitten, en wier getal Legio is, en die het koetshuis zoodanig bevolken, dat ik dagelijks verwacht, het rijtuig vanzelf te zien voortgaan, door myriaden nijvere, opgetuigde vlooien getrokken. De ratten worden op eene aangename wijze verdreven door benden magere katten, die in den tuin tot dit doeleinde rondzwerven. Om de hagedissen bekommert zich natuurlijk niemand; zij spelen in de zon en bijten niet. De kleine schorpioenen vallen alleen wat nieuwsgierig. De torren komen wat laat, en zijn nog niet verschenen. De kikvorschen zijn gezelschap. In de gronden van de naastgelegene villa is er een voorraad van, en als het avond is geworden, zou men denken, dat geheele hoopen vrouwspersonen met klakken aan de voeten, zonder een oogenblik op te houden, op een vochtig steenen plaveisel heen en weer gingen; juist zulk een geraas maken zij.
De vervallen kapel aan den schilderachtigen en schoonen zee-oever was vroeger aan St. Johannes den Dooper gewijd. Ik geloof er bestaat eene overlevering, dat de beenderen van St. Johannes daar met verschillende plechtigheden ontvangen zijn geworden, toen zij het eerst naar Genua werden gevoerd; want Genua bezit ze tot heden nog. Als er een buitengewone storm op zee heerscht, worden zij naar buiten gebracht, en aan het onstuimige weder vertoond, dat zij onmisbaar doen bedaren. Uit hoofde dezer betrekking tusschen St. Johannes en de stad worden een aantal lieden der geringere klasse Giovanni Battista (Joannes de Dooper) genaamd. Dit laatste woord wordt in het Genueesch patois (volkstaal) „Batchietcha” uitgesproken, evenals iemand die niest. Het klinkt een vreemdeling vrij zonderling en vermakelijk in de ooren, op Zon- en feestdagen, wanneer er veel volk op de been is, hen elkander Batchietcha te hooren toeroepen.
De smalle lanen loopen op groote villa’s uit; wier muren (buitenmuren bedoel ik) beschilderd zijn met alle soorten van onderwerpen; treurige en heilige. Maar het weder en de zeelucht hebben ze bijna uitgewischt; en zij zien er uit als de ingang der Vauxhall tuinen op een zonnigen dag. De voorpleinen dezer lusthuizen zijn met gras en onkruid begroeid; allerlei afzichtelijke vlakken bedekken de voetstukken der standbeelden, als waren zij door eene huidziekte aangetast; de buitenhekken zijn verroest, en de ijzeren tralies van de onderste vensters zijn alle op het punt van naar beneden te storten. Het brandhout wordt in zalen bewaard, waar misschien de kostbaarste schatten kunnen zijn opgehoopt; de watervallen zijn uitgedroogd en verstopt; fonteinen, te dommelig om het water op te spuiten, en te lui om het te doen neervallen, herinneren zich nog juist zóóveel van hare bestemming, om in haar slaap de nabuurschap vochtig te maken; en de sirocco-wind waait dikwijls dagen achtereen over al deze zaken, evenals over een reusachtigen uitgedoofden oven.
Voor eenigen tijd had er een feestdag plaats, ter eere van de moeder der H. Maagd: toen de jongelieden uit de nabuurschap, bij den een of anderen optocht groene ranken en wijngaardbladen hebbende gedragen, zich bij hoopen in het vocht der vrucht baadden. Het zag er zeer wonderlijk en aardig uit. Hoewel ik bekennen moet, dat ik (die op dien tijd niets van het feest wist) dacht, en er bijna zeker van was, dat die ranken hun denzelfden dienst moesten doen als aan de paarden, namelijk de vliegen van het lijf te houden.
Spoedig daarop was er een andere feestdag, ter eere van zekere Sint Nazaro. Een van de jongelieden van Albaro bracht, kort nadat wij ontbeten hadden, twee groote ruikers, en naar boven komende in de groote sala, bood hij zelf ze aan. Dit was eene beleefde wijze om een bijdrage te verzoeken, ten einde de onkosten te bestrijden van eenige muziek, ter eere van den Heilige; ik herinner mij niet meer wat wij gaven, maar zijn afgezant vertrok, wel voldaan. Des avonds ten zes uur gingen wij naar de kerk—dicht in de buurt,—eene zeer zwierige plaats, geheel behangen met festoenen en schitterende draperieën, en, van het altaar tot den hoofdingang, opgepropt met vrouwen, die allen zaten. Zij dragen hier geen mutsen; maar alleen een langen, witten sluier—de „mezzero” genaamd; en het was de luchtigste, vroolijkst uitziende schaar, welke ik immer zag. Over het algemeen zijn de jonge meisjes niet fraai, maar zij bezitten eene statige houding, en vertoonen in hare manieren en in het omslaan harer sluiers veel aangeboren bevalligheid en sierlijkheid. Er waren eenige mannen aanwezig, maar niet veel, en enkelen van hen lagen geknield in de zijvleugels, waar iedereen over hen struikelde. Tallooze waskaarsen brandden in de kerk; de kleine stukjes zilver en tin aan de heiligen (vooral in het halssnoer van de Heilige Maagd) blonken glinsterend; de priesters zaten om het hoofdaltaar; het orgel speelde lustig op, en een welbezet orkest deed hetzelfde: terwijl een orkestmeester, in eene kleine galerij er vlak tegenover, met eene rol papier op den voor hem bestemden muzieklessenaar hamerde; en een tenor, die volstrekt geene stem had, begon te zingen. Het orkest speelde deze, het orgel gene wijs; de zanger koos eene derde, en de ongelukkige orkestmeester sloeg en sloeg, en zwaaide zijne rol, naar een hem eigen stelsel, klaarblijkelijk wel voldaan over de geheele uitvoering. Ik heb nooit een dergelijk wangeluid gehoord. Al dien tijd was het smoorwarm.
De mannen met roode mutsen, en wijde buizen die over hunne schouders hangen (zij trekken ze nooit aan), gingen, zoodra zij de kerk uitwaren, aan het kegelen en het koopen van lekkernijen. Wanneer een zestal een spel geëindigd had, kwamen zij onder de zijvleugels, kruisten zich met wijwater, knielden voor een oogenblik neder, en gingen dan weder naar buiten om een spelletje te kegelen. Zij zijn daarin bijzonder handig en zullen in de met steenen bezaaide lanen en straten en op den ruwsten grond, die voor dat doel het minst geschikt is, met evenveel nauwkeurigheid spelen als op een biljart. Maar het meest geliefkoosde spel is het volksspel, de Mora, dat zij met een verwonderenswaardigen ijver doorspelen en waarop zij alles zullen zetten wat zij bezitten. Het is een allerverderfelijkst dobbelspel, dat geene andere hulpmiddelen behoeft dan de tien vingers, die altijd—ik bedoel er geen kwinkslag mee—bij de hand zijn. Twee mannen spelen te zamen. De een noemt een getal—stel het hoogste: tien. Hij duidt aan wat gedeelte hij er van wil, door drie, vier of vijf vingers in de hoogte te steken; en zijne tegenpartij moet op hetzelfde oogenblik, op goed geluk af, en zonder naar zijne hand te zien, zooveel vingers uitsteken als waardoor juist het ontbrekende moet worden aangevuld. Hunne oogen en handen worden hieraan zóó gewend en bewegen zich met zulk eene wonderlijke snelheid, dat een oningewijd toeschouwer het vrij moeielijk, zoo niet onmogelijk zou vinden den voortgang van het spel na te gaan. De ingewijden echter, waarvan er altijd een met geestdrift bezielde troep toeziet, verslinden het met de hevigste gretigheid; en daar er altijd eenigen bereid zijn, zich als kampvechters op te werpen bij een of ander verschil, dat tamelijk dikwijls het geval is, zoo is het doorgaans eene zeer woelige zaak. Het is nooit het stilste spel ter wereld; want de getallen worden altijd met eene luide, sterke stem uitgeroepen, en volgen elkander zoo spoedig op als zij geteld kunnen worden. Wanneer gij op een feestavond aan uw venster staat, of in den tuin wandelt, of over straat gaat, of slentert op eenig bekoorlijk plekje in de nabijheid der stad, zult gij dit spel tegelijk aan den gang hooren in een reeks van wijnhuizen; of wanneer gij het oog over eenige wandelplaatsen van wijngaarden laat weiden, of welken hoek ge ook omslaat, stuit ge op een hoopje spelers, die luidkeels schreeuwen. Het is opmerkenswaardig, dat de meeste menschen zekere geneigdheid hebben, een bijzonder getal vaker dan een ander te noemen, en de ijver, met welke twee scherpziende spelers wederkeerig beproeven deze zwakheid op te sporen, en hun spel daarnaar in te richten, is zeer belangwekkend en onderhoudend. De uitwerking wordt grootelijks verhoogd door de algemeene snelheid en hevigheid der gebaren; twee menschen spelen om een klein koperen muntstuk met eene inspanning die slechts op het spel let,—als goldt de inzet het leven.
Hier in de nabijheid is een groot paleis, vroeger behoord hebbende aan een lid der familie Brignole, maar dat thans gehuurd was door eene school van Jezuïeten, om er hunne zomerkwartieren in te houden. Laatst op een avond, omstreeks het ondergaan der zon, doorwandelde ik zijne ontmantelde omstreken, en gevoelde mij gedrongen eene wijl op en neder te loopen, en dommelig het uitzicht op de stad te genieten, dat zich hier aan alle zijden herhaalt.
Ik slenterde op en neer, onder een zuilengang, twee zijden vormende van een met gras en onkruid begroeid voorplein, waarvan het huis eene derde zijde uitmaakte, en eene wandelplaats op een laag terras, vanwaar men den tuin en de naburige heuvelen kon overzien, de vierde. Ik geloof niet dat er in het geheele plaveisel één gave steen was. In het midden stond een beeld van een droefgeestig uiterlijk zoo bevlekt in zijn verval, dat het er uitzag alsof het met kleefpleister bedekt, en daarna gepoeierd was geworden. De stallen, de koetshuizen, de keukens waren allen ledig, allen vervallen, allen geheel verwoest.
De deuren hadden hare scharnieren verloren en werden nog slechts door klinken vastgehouden; de vensters waren gebroken, het beschilderd pleister was afgeschilferd en lag in brokken in den omtrek; vogels en katten hadden zich zoodanig van de buitengebouwen meester gemaakt, dat ik mij niet kon weerhouden aan de tooversprookjes te denken, en ze met argwaan aan te staren, alsof het betooverde dienaren waren, die afwachtten hunne natuurlijke gedaante te herkrijgen. Eene oude poes in ’t bijzonder: een mager beest, met groene hongerige oogen (ik ben inderdaad geneigd te gelooven, dat het vroeger een arme bloedverwant was), kwam loerend om mij heen draaien, alsof zij voor het oogenblik vermeende, dat ik de held zou kunnen zijn, die gekomen was om de juffer te huwen en alles in orde te brengen; maar haar misslag bemerkende, begon zij eensklaps schrikkelijk te mauwen, en liep met zulk een vervaarlijken staart weg, dat zij niet in het kleine gat kon kruipen, waarin zij huisvestte; maar verplicht was er buiten te wachten, totdat èn hare verontwaardiging èn haar staart geslonken waren.
Eenige Engelschen hadden hier in dezen zuilengang, evenals wormen in eene noot, gewoond, in een soort van zomerhuisje, of wat het ook moge geweest zijn, maar de Jezuïeten hadden hen gewaarschuwd te verhuizen, en zij waren verhuisd; en dat was ook gesloten. Van het huis, eene verstrooide, weergalmende, gedruischmakende barak, waren de benedenvensters, zooals gewoonlijk, gesloten, maar de deur stond wijd open; en ik twijfel er niet aan of ik zou er hebben kunnen binnengaan, en er mij te bed leggen en sterven, en niemand zou er iets van geweten hebben. Alleen was er eene reeks van kamers op eene bovenverdieping bewoond, en uit een van deze kwam de stem eener jonge, muzikale dame, die lustig bravura aansloeg om den stillen avond op te luisteren.
Ik ging in den tuin, die verbeelden moest proper en netjes te zijn, met lanen en terrassen, en oranjeboomen, en standbeelden, en water in steenen kommen; en alles was groen, uitgeteerd, met onkruid bezet, verwilderd, overal begroeid, uitgeslagen, vochtig, en rijkelijk voorzien van alles wat maar vuil, klam, kruipend en onaangenaam was. Er was niets schitterends in het geheele tafereel, dan eene vuurkapel—eene enkele vuurkapel, die bij de donkere boschjes afstak, als ware zij het laatste restje van den vervlogen roem des huizes; en zelfs fladderde het in scherpe hoeken op en neer, en verliet eene plaats met een zwaai, en beschreef een onregelmatigen cirkel, en kwam op dezelfde plaats terug met een ruk, die iemand verbaasd deed staan, alsof zij zocht naar het overschot van den roem, en zich verwonderde (de hemel weet dat het mogelijk is!) om ’t geen er van was geworden.
Binnen twee maanden losten zich de zwevende vormen en schaduwen van mijne droefgeestige mijmerij trapsgewijze in meer gemeenzame vormen en zelfstandigheden op, en ik begon toen alreeds te gevoelen, dat wanneer over een jaar de tijd zou naderen om den langen feestdag te besluiten en naar Engeland terug te keeren, ik Genua met een geheel ander gevoel dan blijdschap zou verlaten.
Het is eene stad die u dagelijks meer inneemt. Het schijnt of er altijd nog iets is te ontdekken. Er zijn de meest buitengewone stegen en bijpaden om er in rond te wandelen. Gij kunt, desbegeerende, twintigmalen per dag verdwalen (hoe aangenaam, als men werkeloos is!) en onder de meest onverwachte en verrassendste moeielijkheden weder terecht komen. Er is overvloed van de vreemdsoortigste tegenstrijdigheden; dingen die schilderachtig, leelijk, gemeen, heerlijk, bekoorlijk en beleedigend zijn, vallen u bij elken keer in het oog.
Zij, die begeeren te weten, hoe schilderachtig de streek is die Genua onmiddellijk omringt, moeten (bij helder weder) opklimmen naar den top van Monte-Faccio, of ten minsten rondom de stadsmuren rijden: eene zaak die gemakkelijker gaat. Er is geen verschiet, dat meer afgewisseld en liefelijker kan zijn, dan de verscheidenheid van gezichten der haven en de oevers van de beide rivieren, de Polcevera en de Bizagno, op welker hoogten de zeer versterkte wallen voortgebouwd zijn, als de groote Chineesche muur in het klein. In het niet minst schilderachtige gedeelte van dezen rit is een schoon model van eene ware Genueesche herberg, waar de bezoeker goede sier kan maken met echte Genueesche gerechten, als: Tagliarini, Ravioli, Duitsche saucijsjes, sterk van het knoflook, in schijven gesneden en met versche, groene vijgen gegeten; hanekammen en schapenieren, met er onder gehakt schapevleesch en lever; kleine stukjes van eenig onbekend gedeelte van een kalf, in kleine reepjes gesneden, in de pan gebakken, en in een grooten schotel opgedischt als een waterzoodje: en andere aardigheden van dat slag. Vaak krijgen zij, in die gaarkeukens der voorstad, wijn uit Frankrijk, Spanje en Portugal, welke door geringe kapiteins van kleine koopvaarders aangevoerd wordt. Zij koopen dien tegen zooveel de flesch, zonder te vragen wat het is, of zonder de moeite te nemen zich dat te herinneren, als iemand hun dat zegt, en verdeelen dien gewoonlijk in twee hoopen, van welke zij den eenen merken met „Champagne” en den anderen met „Madeira.” De verscheidenheid der tegenstrijdige geuren, qualiteiten, landen, ouderdom en gewassen, welke onder die twee algemeene namen zijn begrepen, is zeer buitengemeen. De meest beperkte reeks gaat waarschijnlijk van den koelen Gruel tot den ouden Marsala, en daalt weer af tot appelwijn.
De straten zijn verreweg het grootste gedeelte zóó nauw als eenige doorloop of steeg slecht kan wezen, waarin men aanneemt, dat het volk (en zelfs het Italiaansche volk) leeft en wandelt; daar het slechts gangen zijn, met hier en daar een put en een plekje om lucht te scheppen. De huizen zijn bovenmatig hoog, in allerhande kleuren geschilderd, en zijn in elken rang en graad van beschadiging, morsigheid en behoefte aan herstelling. Gewoonlijk worden zij verdiepingsgewijze verhuurd, als de huizen in de oude stad Edinburgh, of vele huizen te Parijs. Er zijn weinig straatdeuren; de voorhallen of voorportalen worden grootendeels aangezien als openbaar eigendom; en een tamelijk ondernemend vuilnisman zou een aardig fortuintje bijeenbrengen met ze schoon te maken. Koetsen kunnen onmogelijk in deze straten doordringen; er zijn daarom draagstoelen, vergulde en andere, op verschillende plaatsen te huur. Onder den adel en den deftigen burger worden ook eene menigte eigen draagstoelen gehouden; en des avonds worden deze in alle richtingen af- en aangedragen, voorafgegaan door personen die groote lantarens dragen, vervaardigd van linnen, dat op een raam is gespannen. De draagstoelen en lantarens zijn de wettige opvolgers van de lange rijen geduldige en zeer mishandelde muilezels, welke, onder het rinkelen hunner belletjes, den geheelen dag door deze nauwe straten gaan. Zij volgen deze zoo geregeld, als de sterren op de zon.
Ik vergeet niet licht de straten vol paleizen: de Strada Nuova en de Strada Balbi, en ook niet hoe de eerste er uitzag op een zomerdag, toen ik haar voor het eerst zag onder het schitterendste en donkerst blauwe gewelf van eene zomerlucht: met haar eng verschiet van uitgestrekte gebouwen zich voordoende als eene flikkerende en allerkostelijkst glansrijke streep, die afstak bij de donkere schaduw van het lagereinde. Eene helderheid, die zelfs in Juli en Augustus niet zoo gewoon is, dat men ze middelmatig zou kunnen noemen; want, moet ik met de waarheid voor den dag komen, dan waren er geene acht blauwe luchten in evenvele weken van den middenzomer; uitgenomen soms in den vroegen ochtend; op welk tijdstip, als men zijne oogen naar zee richtte, het water en het uitspansel één geheel van donker en schitterend blauw vertoonden. Op andere tijdstippen waren er wolken en nevel genoeg, om een Engelschman in zijn eigen klimaat te doen morren.
De eindelooze details van deze rijke paleizen, welke muren—althans van eenige—aan de binnenzijde bezield zijn door meesterstukken van Van Dijk! De groote, zware, steenen balkons, welke boven elkander al nauwer en nauwer zijn gebouwd, en hier en daar een dat breeder is dan de overige, overdekt met een hoog opgaand torenvormig marmeren verhemelte. De voorhallen, die zonder deuren zijn, met de onderste ramen van dikke staven voorzien, overmatig groote trappen, ten algemeenen nutte; dikke marmeren zuilen, en sterke bogen, naar kerkerholen gelijkende; treurige, droomerige, weergalmende, gewelfde kamers, waarlangs het oog onophoudelijk gaat, daar elk paleis door een ander wordt opgevolgd—de terrasvormige tuinen, tusschen het eene huis en het andere, met groene bogen van wijngaardranken, en groepen van oranjeboomen en blozende oleanders in vollen bloei, twintig, dertig, veertig voet boven de straat—de geschilderde zalen, vervallende, verschietende en vergaande in de vochtige hoeken, en nog uitblinkende door schoone kleur en wellustige tafereelen, waar de muren droog zijn—de verbleekte beelden aan de buitenzijde der huizen, kransen en kronen houdende; die op- en nederwaarts vliegen, en in nissen staan, en hier en daar machteloozer en zwakker uitzien dan elders, door het afsteken bij eenige frissche Cupidootjes, die van een gedeelte van den voorgevel, welks versiersels van later tijd zijn, iets uitsteken, dat het voorkomen heeft van eene deken, doch inderdaad een zonnewijzer is,—de steil oploopende straten van kleine paleizen (dat desniettemin zeer groote paleizen zijn), met marmeren terrassen, die het uitzicht hebben op nabijgelegen dwarsstegen—de prachtige en tallooze kerken; en de snelle overgang van eene straat vol statelijke gebouwen naar een doolhof van de ergste morsigheid, dat den ongezondsten stank verspreidt, en krioelt van halfnaakte kinderen en eene geheele wereld van smerig volk—dit alles te zamen vormt zulk een verwonderlijk tafereel: zoo levendig en toch zoo doodsch: zoo luidruchtig en toch zoo stil: zoo opdringend en toch zoo bedeesd en nederig: zoo klaar wakker en toch in zoo diepen slaap: dat het voor den vreemdeling eene soort van dronkenschap is, voort en voort te wandelen en rond te zien. Eene bedwelmende geestverschijning, met al het ongerijmde van een droom, en al het lijden en verblijden van eene buitensporige wezenlijkheid.
Het onderscheiden gebruik, waartoe eenige dier paleizen tegelijk dienen, is karakteristiek. Bij voorbeeld: de Engelsche bankier (mijn uitmuntende en gastvrije vriend) heeft zijn kantoor in een welgelegen Palazzo in de Strada Nuova. In het voorhof (van hetwelk iedere plek met zorg is beschilderd, maar dat zoo morsig is als een wachthuisje der politie te Londen) verkoopt een arabierenkop met een adelaarsneus en eene verbazende hoeveelheid zwart haar, (waaraan een man vast zit), wandelstokken. Aan de andere zijde van den ingang verkoopt eene dame (ik meen dat het de vrouw van den Arabier is), met een prachtigen zakdoek tot hoofdsieraad, voorwerpen die zij zelve heeft gebreid, en somtijds ook bloemen. Een weinigje verder bedelen, nu en dan, twee of drie blinde lieden. Soms worden zij bezocht door een man zonder beenen, op een klein loopwagentje, maar die een aangezicht heeft, dat zoo blozend en levendig van kleur is, en een zoo eerbiedwekkend en weldoorvoed lichaam, dat hij er uitziet als ware hij tot aan de middel in den grond gezakt, of als ware hij maar ter halver lijve eene keldertrap opgekomen, om met iemand te spreken. Een weinig verder naar binnen liggen wellicht eenige menschen op het midden van den dag te slapen; of misschien zijn het de zeteldragers, die daar wachten op hunne afwezige vracht. Is dit het geval, dan hebben zij hunne draagstoelen met zich gebracht, en dan staan die er ook. Ter linkerzijde van het voorhof is een klein vertrek: een hoedenmakerswinkel. Op de eerste verdieping is het Engelsche bankierskantoor. Op dezelfde eerste verdieping is tevens een geheel huis en een goede, ruime woning ook. De hemel weet wat daar boven is; maar zijt gij er, dan hebt gij pas begonnen met trappen klimmen. En komt gij dan weder de trap af, terwijl gij daarover nadenkt, en gaat gij eene groote vermolmde deur uit, aan de achterzijde van het voorportaal, in plaats van den anderen weg op te gaan om weder op straat te komen, dan slaat die achter u toe, onder het voortbrengen van de akeligste echo, en gij staat op eene plaats (de plaats van hetzelfde huis), die het voorkomen heeft van sedert eene eeuw door geen menschelijken voet te zijn betreden. Geen geluid stoort daar de stilte. Geen hoofd, uit een van de grommige, donkere, nijdige ramen gestoken, die in het gezicht zijn, doet het onkruid tusschen de gebroken vloersteenen flauwhartig worden, door het de mogelijkheid voor te spiegelen, dat er handen bestaan, die het konden uitwieden. Tegenover is een in steen gehouwen reusachtig beeld, dat met een arm achteroverleunt op een kunstmatig en rijzig grotwerk. Uit de urn slingert het overgeschoten stuk van een looden pijp, welke eens een klein beekje langs de rots uitgoot; maar de oogholten van den reus zijn niet droger dan die stroom thans is. Hij schijnt zijne urn, welke bijna recht op en neer staat, een laatsten stoot te hebben gegeven, en na als een kinderbeeldje op een grafsteen te hebben aangeduid: „Alles is voorbij!” in een steenen stilzwijgen te zijn vervallen.
In de straten waar zich de winkels bevonden, zijn de huizen veel kleiner, maar desniettemin altijd nog groot en bovenmate hoog. Zij zijn zeer morsig en, mag ik eenigermate mijn neus gelooven, nooit schoongemaakt, en geven een eigenaardige lucht van zich, gelijk aan dien van uiterst slechte kaas, welke in zeer ware dekens wordt bewaard. In weerwil van de hoogte der huizen, schijnt het alsof er gebrek aan ruimte in de stad ware; want overal worden nieuwe huizen tusschen gedrongen. Overal waar er mogelijkheid bestond, een verhuurbaar krot tusschen eene gleuf of in een hoek te stoppen, daar is het ook geschied. Is er ergens in een kerkmuur een hoekje of een holletje, of eene scheur in eenigen anderen blinden muur, daar zijt ge ook zeker, eene soort van woning te vinden, die er uitziet als ware zij er opgeschoten gelijk een paddestoel. Tegen het gouvernementshuis, tegen het oude senaatsgebouw, rondom elk groot gebouw, zijn kleine winkels gedrongen, gelijk ongedierte op het groote geraamte. Daarom, blik waarheen ge wilt, naar boven, naar beneden, overal zijn onregelmatige huizen, achteruitdeinzende, vooruitspringende, in puin vallende, leunende tegen die er naast staan, zich zelven of hunne makkers, op eene of andere wijze, verminkende, tot er een, nog onregelmatiger dan de anderen, den weg verspert en ge niet verder voor u uit kunt zien.
Een van de morsigste gedeelten der stad is, naar mij voorkomt, dat, hetwelk beneden bij de landingsplaats ligt. Mogelijk is het nochtans, dat dit een dieper indruk op mijn geest hebbe gemaakt, doordat het er op den avond onzer aankomst zeer morsig uitzag. Ook dáár zijn de huizen zeer hoog en vertoonen eene eindelooze verscheidenheid van wanstaltige vormen, en hangt er (evenals in de meeste huizen) iets uit de zeer talrijke ramen, welks vunze reuk door het koeltje wordt voortgedragen. Soms is het eene gordijn; soms een vloerkleed; soms een bed; soms eene geheele reeks van kleeren; maar bijna overal is er iets. Voor den voet dier huizen loopt er een booggang over het voetpad, welke zeer lomp, donker en laag is, als een oude crypta1. De steen of de kalk, waarvan die is opgemetseld, is geheel zwart geworden; en allerlei soort van vuilnis en afval van dieren schijnt vanzelve aan te groeien tegen elke van die zwarte zuilen. De verkoopers van macaroni en polenta slaan hunne kraampjes, die er geenszins aanlokkelijk uitzien, onder sommige der bogen op. De afval eener vischmarkt, die er dicht bij is, dat wil zeggen van een achtersteegje, waar menschen op den grond en op onderscheidene oude schotten en afdakjes zitten en visch verkoopen, als zij er eenigen in hunne macht hebben—en van eene groenmarkt, op denzelfden voet ingericht, dragen bij tot de verfraaiing van die wijk; en daar alle handel hier gesloten wordt en het er den geheelen dag stikvol is, heerscht er een zeer sterke reuk.
De Porto Franco of vrijhaven (waar goederen, die van buitenslands worden ingevoerd, geene rechten betalen voor zij verkocht en er uitgehaald worden, evenals in een Engelsch entrepot) is hier beneden ook. Onheilspellende ambtenaren, met driekanten hoeden op het hoofd, staan aan de poort, om u, verkiezen zij het, te doorzoeken en er monniken en vrouwen af te wijzen. Immers men heeft ondervonden, dat heiligheid zoowel als schoonheid geen weerstand kan bieden aan de verzoeking tot smokkelen, en dat ze het beiden op dezelfde wijze volbrengen; namelijk: door het gesmokkelde onder de ruime kleederen te verbergen. Uit dien hoofde mogen er heiligheid en schoonheid volstrekt niet komen.
De Genueesche straten zouden er niet te minder om zijn, als men er eenige priesters van een innemend voorkomen invoerde. Om den vierden of vijfden man ontmoet men een priester of een monnik, en men is er bijna zeker van, ten minste één reizend geestelijke te zien in of op elken postwagen op de naburige wegen. Ik ken elders geene meer terugstootende gedaanten dan men onder die heeren vindt. Zoo het handschrift der natuur maar eenigermate leesbaar is, dan kan men kwalijk onder eenige menschenklasse ter wereld eene grootere verscheidenheid van traagheid, bedrog en verstandelijke verdooving opmerken.
De heer Pepys hoorde eens een geestelijke, als een toelichting van zijn eerbied voor de priesterlijke waardigheid, in zijne preek aanvoeren, dat, indien hij een priester en een engel tegelijk ontmoeten mocht, hij den priester het eerst zou groeten. Ik ben veeleer van hetzelfde gevoelen als Petrarcha, die, toen zijn leerling Boccaccio hem uiterst verdrietig schreef, dat hij om zijne geschriften was bezocht en vermaand geworden door een Karthuizer monnik, die verklaard had dat hij een bode was, te dien einde onmiddellijk door den hemel gezonden, er op antwoordde: dat hij, wat hem betrof, de vrijheid zou nemen de wezenlijkheid van de zending te toetsen door persoonlijke waarneming van des zendelings gelaat, oogen, voorhoofd, gedrag en gezegden.
Ten gevolge eener gelijksoortige waarneming moet ik, voor mij aannemen, dat men menig hemelsch zendeling zonder lastbrief kan zien sluipen in de straten van Genua, of zijn leven in andere Italiaansche steden in werkeloosheid doorbrengen.
DE KERK EN DE WERELD.
Ofschoon de Kapucijnen geene geleerde vereeniging vormen, zijn zij, als orde, wellicht de beste vrienden des volks. Zij schijnen er zich, als raadslieden en troosters, meer onmiddellijk onder te mengen, en de zieken vaker te bezoeken, en minder dan sommige andere ordes de familiegeheimen te besnuffelen, ten einde een rampzalig overwicht te verkrijgen op de zwakkere leden er van, en door een minder brandende begeerte bezield te worden tot het maken van proselieten, en, als die eens zijn gemaakt, ze dan naar lichaam en ziel in het verderf te laten zinken. Men kan ze in hunne grove kleeding in alle wijken der stad en op alle tijden, en, in den vroegen ochtend, bedelend op de marktplaatsen ontmoeten. Ook de Jezuïeten vertoonen zich veel op straat, en loopen sluipend en zonder gedruisch bij paren rond, als zwarte katten.
In sommige nauwe stegen zijn afzonderlijke bedrijven bijeen. Er is eene straat van juweliers, en er is eene straat van boekverkoopers; maar op plaatsen zelfs waar niemand in een rijtuig ooit kan of kon doordringen, staan zeer oude paleizen, ingesloten door de somberste en hoogste muren en volstrekt voor de zon afgesloten. Zeer weinig kooplieden hebben er eenig denkbeeld van, hoe zij hunne goederen aan den man moeten brengen of uitstallen. Moet ge, als vreemdeling iets koopen, dan ziet gij gewoonlijk den winkel rond tot gij het vindt; vat het dan, als het onder uw bereik is, en vraagt naar den prijs. Ieder ding wordt op de oneigenaardigste plaats verkocht. Moet men koffie hebben, dan gaat men gewoonlijk naar een banketbakkerswinkel; hebt ge vleesch noodig, dan zult ge het waarschijnlijk vinden achter eene oude geruite gordijn, een half dozijn treden af, in eenig afgezonderden hoek, die zoo moeielijk te ontdekken is, alsof dat levensmiddel vergif ware en de wetten van Genua hem, die het verkocht, met den dood straften.
De meeste apothekerswinkels zijn groote verzamelplaatsen van leegloopers. Hier zitten deftige menschen, met stokken, uren lang in de schaduw bij elkander, eene kleine Genueesche courant uit de eene hand in de andere doende overgaan, en slaperig en bij tusschenpoozen over het nieuws sprekende. Twee of drie van dezen zijn arme dokters, die gereed zijn, in dringende gevallen die er voorkomen, zich als zoodanig bekend te maken, en weg te ijlen met een of ander boodschapper die er mocht komen. Gij kunt ze kennen aan de wijze hoe zij den hals uitrekken om te luisteren als ge binnentreedt, en aan den zucht, met welken zij weer in hunne donkere hoeken terugzinken, als zij bemerken, dat ge slechts geneesmiddelen noodig hebt. Weinige leegloopers vindt men in de barbierswinkels, ofschoon die zeer talrijk zijn, daar bijna niemand zich zelven scheert. Maar de apotheek heeft haar troep ledigloopers, die tusschen de flesschen zitten, terwijl hunne hand over den knop van den rotting is geslagen. Daar zitten ze zoo stil en roerloos, dat gij ze in den donkeren winkel òf niet bemerkt, òf voor iets anders aanziet—zooals ik eens een spookachtig man in een flesch-groenen rok, en een hoed als eene prop—voor een paardendrank aanzag.
Evenals de oude Genueezen er van hielden, huizen neer te zetten, zoo zijn de tegenwoordige er liefhebbers van, zich in de zomeravonden te plaatsen op elke geschikte plek binnen en buiten de stad. In alle stegen en gangen, en op elke kleine verhevenheid, en op elk muurtje en op alle traptreden vindt men ze in zwermen als de bijen. Onderwijl (en vooral op feestdagen) luiden de kerkklokken aanhoudend; niet in de gewone of elke andere bekende soort van gelui, maar met een afschuwelijk, onregelmatig schokkend, dingle, dingle, dingle; met een plotseling stoppen, op elken vijftienden klepelslag of daaromtrent; waardoor men bijna dol wordt. Dit wordt gewoonlijk verricht door een knaap, in het klokkenhuis, die den klepel of een daaraan hangend touw, vasthoudt en harder poogt te luiden dan elk andere knaap die een dergelijk werk verricht. Men acht dit rumoer bijzonder schadelijk voor booze geesten; maar als men zijne oogen eens naar de klokkenhuizen opslaat, en die jonge christenen in dier voege bezig ziet en hoort, dan zou men ze op zeer natuurlijke wijze voor den booze houden.
In het begin van den herfst zijn er zeer talrijke feestdagen. Om die feesten waren al de winkels twee dagen in de week gesloten, en op zekeren avond waren al de huizen in de nabijheid eener bijzondere kerk geïllumineerd, terwijl de kerk zelve aan de buitenzijde verlicht was door fakkels, en ook eene groep vlammende toortsen op eene opene ruimte buiten eene der stadspoorten was geplaatst. Dit gedeelte der plechtigheid is veel fraaier en meer zonderling, als men een weinig verder buiten de stad komt, waar, langs den geheelen weg, de geïllumineerde hutten op de helling van een steilen heuvel zich voor uw oog teekenen, en waar gij geheele slingers van waskaarsen voorbijgaat, die bij het heldere stergeflonker wegbranden voor een of ander alleen staand huisje op den weg.
Op die dagen wordt de kerk van den Heilige, ter wiens eere het feest wordt gehouden, zeer vroolijk opgesierd. Festoenen van verschillende kleuren en met goud gestikt hangen van de bogen neder; de altaartooi is tentoongesteld; en soms zijn zelfs de hooge pijlers van boven tot beneden omzwachteld met juist sluitende draperieën. De hoofdkerk is toegewijd aan St. Laurentius. Op St.-Laurentiusdag bezochten wij deze, juist toen de zon onderging; ofschoon die versieringen gewoonlijk in een zeer eentonigen smaak zijn, was de uitwerking op dat oogenblik inderdaad zeer grootsch. Het geheele gebouw was rood behangen, en de ondergaande zon, die door eene groote roode gordijn aan het hoofdportaal naar binnen stroomde, deelde zijn gloed aan al die pracht mede. Toen de zon meer onderging en het er binnen geheel duister was, behalve dat er nog een paar flikkerende waskaarsen op het hoofdaltaar, en eenige heen en weer slingerende zilveren lampjes, wat licht verspreidden, werd het er recht geheimzinnig en was vol effect. Maar tegen den avond in een van de kerken te zitten, is gelijk aan eene kleine hoeveelheid opium.
Gewoonlijk wordt het versieren der kerk, het huren der muzikanten en het waslicht, betaald met het geld, hetwelk op een feestdag ingezameld wordt. Blijft er iets over (dat naar mij dunkt wel zelden zal gebeuren), dan trekken de zielen, die in het vagevuur zijn, de voordeelen daarvan. Evenals er voorondersteld wordt, dat zij de baten genieten van zekere kleine knaapjes die geldbusjes doen rammelen voor eenige geheimzinnige huisjes, gelijkende naar dorps-tolhekken, welke (gewoonlijk potdicht) geopend worden op dagen, die een rooden letter in den almanak hebben, en inwendig een beeld en eenige bloemen vertoonen.
Even buiten de stadspoort aan den weg naar Albaro is een huisje met een altaar er in, en eene vaste bus, evenzeer ten voordeele der zielen in het vagevuur. Om de liefdadigheid nog sterker op te wekken, is er aan elke zijde der getraliede deur een zeer groot tafereel op de kalk geschilderd, voorstellende eene uitgelezen partij brandende zielen. Een van deze heeft een grijzen knevelbaard en een met zorg bewerkt hoofd met grijs haar, als ware die uit een kapperswinkel weggenomen en in het fornuis geworpen. Daar vertoont hij zich nu als eene uiterst snaaksche en afzichtelijk komieke oude ziel, die voor immer blakert in de wezenlijke zon, en in het afgebeelde vuur verbrandt, tot voordeel en verbetering (en voor de bijdragen) der Genueezen van de geringste klasse.
Het is geen volk, dat uitgelaten vroolijk is; en men ziet ze op hunne feestdagen zelden dansen, terwijl de kerken en openbare wandelwegen de voornaamste plaatsen van uitspanning, voor de vrouwen zijn. Zij zijn van een zeer goed humeur, dienstvaardig en vol nijverheid. De nijverheid heeft hen niet zindelijk gemaakt, want hunne woningen zijn uiterst morsig, en hunne gewone bezigheid op een schoonen Zondagochtend is, voor hunne deuren te zitten, en elkanders hoofd als een jachtveld aan te zien. Maar hunne woningen zijn zóó bekrompen en dicht opeengepakt, dat, ingeval Massena, ten tijde der verschrikkelijke belegering, die gedeelten der stad had platgeschoten, hij dan, bij zooveel ellende, één algemeen voordeel had aangebracht.
De boerinnen, wier voeten en beenen naakt zijn, houden zich zóó aanhoudend bezig met het wasschen van kleedingstukken in de openbare waterbekkens en in alle stroomen en slooten, dat men, te midden van al die morsigheid, zich wel met verbazing de vraag moet doen, wie het goed dan toch wel draagt, als het schoon is. Men heeft de gewoonte, het natte linnen, dat schoongemaakt moet worden, op een gladden steen te leggen en er met een vlakken, houten hamer op te kloppen. En ze kloppen er met zooveel verwoedheid op toe, als wilden zij zich op de kleeren in het algemeen wreken, als in verband staande met ’s menschen zondenval.
Het is niet vreemd, tegelijkertijd op den rand der waterkom, of op een anderen vlakken steen, een ongelukkig zuigeling te zien liggen, die met armen en beenen in een verbazend groot aantal windsels of luiers stijf opgebakerd, en buiten staat is, een teen of vinger te verroeren. Deze gewoonte (vaak op oude schilderijen afgebeeld) is onder de mindere klasse algemeen. Een kind wordt ergens gelaten zonder dat er mogelijkheid bestaat, dat het kan wegkruipen; of het wordt bij toeval van eene plank afgeworpen, of buitelt het bed uit, of het wordt nu en dan aan een haak opgehangen, waar het dan blijft slingeren, als eene pop in een Engelschen voddenwinkel, zonder dat er iemand eenig nadeel door lijdt.
Op een Zondag, kort na mijne aankomst, zat ik eens in de kleine dorpskerk van San Martino, een paar (Eng.) mijlen van de stad, terwijl er werd gedoopt. Ik zag den priester en een bedienaar met eene groote kaars, benevens een man, eene vrouw en eenige anderen; maar vóór de plechtigheid geheel afgeloopen was, kwam het even weinig in mij op, dat het eene doopplechtigheid was, of dat het zonderlinge, kleine, stijve voorwerp—het zag er uit als een kort pookijzer—hetwelk onder de plechtigheid door den een aan den ander werd overgegeven, een kind was, als ik aan mijn eigen doop dacht. Ik nam het kind naderhand een paar minuten in handen (het lag toen dwars op de doopvont) en bemerkte, dat het zeer rood in het aangezicht, maar heel stil was, en met geene mogelijkheid gebogen kon worden. Van dat oogenblik af verwonderde ik mij niet meer over het aantal kreupelen op straat.
Er zijn natuurlijk eene menigte reliekenkastjes van Heiligen en Moedermaagden, die over het algemeen aan de hoeken der straat zijn geplaatst. Het gedenkstuk, dat het meest geliefd wordt door de geloovigen in den omtrek van Genua, is een schilderstuk, dat een knielenden boer voorstelt, met eene spade en eenige andere landbouwgereedschappen naast zich, aan wien de Madonna, met het Heilige Kind op den arm, in eene wolk verschijnt. Dit is de legende der Madonna della Guardia, eene kapel op een berg, een paar mijlen ver, welke zeer beroemd is. Het schijnt dat die boer geheel alleen woonde en eenige aarde op den top des bergs bracht, waar hij, die een godsdienstig man was, dagelijks, in de open lucht, zijn gebed tot de Heilige Maagd richtte; want zijne hut was zeer armoedig. Op zekeren dag verscheen hem de Maagd, zooals op de schilderij, en zeide: „Waarom bidt gij in de open lucht en zonder priester?”
De boer antwoordde, dat dit geschiedde om dat er noch priester noch kerk in het bereik was—inderdaad eene zeer ongewone klacht in Italië.
„Ik zou dan wel wenschen,” zeide de hemelsche verschijning, „dat er hier eene kapel werd gebouwd, in welke de gebeden der geloovigen konden worden opgezonden.” „Maar Santissima Madonna (allerheiligste Maagd),” zeide de boer, „ik ben een arm man; en om kapellen te kunnen bouwen is er geld noodig. En deze, Santissima, moet ook worden onderhouden; want eene kapel te hebben en die niet onbekrompen te onderhouden, is snoodheid—doodzonde.”
Deze gevoelens voldeden der bezoekster uitermate. „Ga!” zeide zij. „Er is zoo en zoo een dorp in het dal ter linker- en zoo en zoo een dorp in het dal ter rechterzijde, en zoo en zoo nog een ander dorp elders, die gaarne zullen bijdragen tot het bouwen der kapel. Ga er heen! verhaal wat gij hebt gezien; en houd u overtuigd, dat er geld genoeg zal komen om mijne kapel op te richten, en dat ze naderhand goed zal worden onderhouden.” Al hetwelk (op wonderdadige wijze) geheel en al verwezenlijkt werd. En tot bewijs van deze voorzegging en openbaring, bestaat de kapel der Madonna della Guardia tot den huidigen dag in rijkdom en bloei.
Men kan schier niet te veel zeggen van de pracht en verscheidenheid der Genueesche kerken. Vooral de kerk der Annunciata—evenals vele andere, gebouwd ten koste van een enkel edel geslacht en aan welker herstel men nu traag werkt—is, te beginnen van de buitenste deur tot aan het hoogste punt van den verheven koepel, met zooveel zorg geschilderd en verguld, dat zij (gelijk het wordt beschreven door Simond in zijn bekoorlijk boek over Italië) er uitziet als eene groote geëmailleerde snuifdoos. De meeste der kerken, die rijker dan de gewone zijn, bevatten eenige schoone schilderstukken, of andere versierselen van groote waarde, bijna alle zij aan zij geplaatst naast misteekende afbeeldsels van leelijke monniken, en het grootste prulwerk en klatergoud, dat men ooit heeft gezien.
Er bestaat hier—en dit mag wel het gevolg zijn, dat men des volks geest en zak zoo vaak aanspreekt ten behoeve van de zielen in het vagevuur—er bestaat hier zeer weinig gevoel voor de lichamen der dooden. Voor de zeer armen zijn er, onmiddellijk aan de buitenzijde van een hoek der wallen en achter een vooruitspringend punt der vestingwerken, nabij de zee, zekere gemeene putten—een voor elken dag van het jaar—welke alle gesloten blijven tot de beurt van elken put komt om de lijken van den dag op te nemen. Onder de soldaten in de stad zijn gewoonlijk eenige Zwitsers. Als er van deze sterven, dan worden zij begraven uit een fonds, hetwelk onderhouden wordt door hunne te Genua woonachtige landgenooten. Dat er gezorgd wordt voor doodkisten ten behoeve dier lijken, baart de bestuursmachten grootelijks verwondering.
Inderdaad, dit gemengd en schaamtelooze afwerpen van gestorven menschen in zoovele putten, brengt een slecht uitwerksel voort. Het omringt den dood met eene aaneenschakeling van terugstootende gedachten, welke van lieverlede met hen in verband gebracht worden, wier sterfuur nadert. Het natuurlijke gevolg er van is, dat men onverschillig voor hen wordt en ze vermijdt; en dat al de verzachtende invloed der groote smart op ruwe wijze vernield wordt.
Als er een oud heer of iemand van dien aard sterft, dan heeft er de plechtigheid plaats, dat er in de hoofdkerk banken op elkander worden gestapeld, welke zijn lijkbaar voorstellen; deze worden met een zwart fluweelen doodkleed overdekt; men plaatst zijn hoed en degen bovenop; omringt het geheel door zitplaatsen, in een vierkant geschikt; en zendt, in behoorlijken vorm, uitnoodigingen aan zijne vrienden en bekenden, om hier te komen plaats nemen en de mis te hooren, welke wordt gelezen op het hoofdaltaar, dat bij die gelegenheid met tallooze waskaarsen is versierd.
Indien er iemand van de meer gegoede klasse sterft of op sterven ligt, dan vertrekken de naaste verwanten over het algemeen, en zonderen zich op het land af, om eene kleine afwisseling te hebben, en laten ten aanzien van het lijk alles schikken, zonder eenig toezicht van hunne zijde. Gemeenlijk wordt de lijkstoet gevormd, de kist gedragen en de lijkstaatsie bestuurd door eene vereeniging van personen, confraternita genoemd, welke het begraven der dooden, bij geregelde toerbeurten, als eene soort van vrijwillige boete op zich hebben genomen; maar die, eenige hoovaardij onder hunne nederigheid, mengende, gekleed zijn met een wijd gewaad, dat hen geheel bedekt, en een hoofddeksel dragen, dat het hoofd vermomt en alleen gaten heeft om er door te ademen en tot openingen voor de oogen.
Deze kleeding doet zich zeer akelig voor, vooral die van zekere blauwe confraternita, te Genua thuis behoorende, die, om er niet te veel van te zeggen, al heel leelijke klanten zijn, en welke—als men ze op straat plotseling in hunne vrome plichtvervulling tegenkomt—er uitzien als waren zij vampyren of helsche geesten, die het lichaam voor zich zelven weghalen.
Ofschoon nu ook zulk een gebruik behept moge zijn met het misbruik aan veel Italiaansche gewoonten eigen, namelijk aangezien te worden als een middel om rekening-courant met den Hemel te kunnen houden, op welke men, al te gemakkelijk, voor toekomstige slechte daden kan trekken, of als eene boetedoening voor begane misdaden, moet men echter toegeven, dat dit gebruik goed en practisch is, en onwedersprekelijk goede eigenschappen bevat. Een vrijwillige dienst als deze, is voorzeker beter dan de opgelegde boete (in het geheel niets zeldzaams), dezen of genen steen van het plaveisel der hoofdkerk zoo- en zooveel malen te likken; of, dan eene gelofte aan de Madonna gedaan, gedurende een of twee jaren geen andere dan blauwe kleuren te dragen. Dit wordt verondersteld daar boven een groot genoegen te geven; uit hoofde het blauw—zooals men weet—de geliefkoosde kleur der Madonna is. Men ziet zeer dikwijls vrouwen op straat wandelen, welke deze daad van vroom geloof hebben op zich genomen.
In de stad zijn drie schouwburgen, en ook nog een oude, die thans zeldzaam wordt geopend. De belangrijkste—de Carlo Felice: de Genueesche opera—is een zeer luisterrijke, ruime en schoone schouwburg. Bij onze aankomst werd er door een troep tooneelisten gespeeld: na hun vertrek kwam er een opera-gezelschap van den tweeden rang. Het voorname speelseizoen is niet vóór carnavaltijd—in de lente. Niets maakte gedurende mijne bezoeken aldaar, (die nogal talrijk waren), zulk een indruk op mij als het buitengewoon hard en wreed karakter van het publiek, dat het minste gebrek kwalijk neemt, niets goed opvat, altijd schijnt te loeren op eene gelegenheid tot sissen en de tooneelspeelsters even weinig als de acteurs spaart. Maar vermits er niets anders van eenigen openbaren aard is, waaromtrent zij de minste afkeuring aan den dag mogen leggen, is het misschien een genomen besluit, het volste gebruik van deze gelegenheid te maken.
Er zijn ook een groot aantal Piemonteesche officieren, wien het voorrecht is toegestaan, hunnen voeten om niet in den bak te zetten; daar de gouverneur er op staat, dat die heeren in alle openbare of half openbare vermakelijkheden kosteloos of tot lagen prijs toegang worde gegeven. Dienvolgens zijn zij hooghartige berispers, en spannen hunne vorderingen oneindig hooger dan wanneer zij des directeurs fortuin maakten.
Het Theatro Diurno, of de dagschouwburg, is een overdekt theater in de open lucht, waar de voorstellingen bij daglicht, in de namiddagkoelte, worden gegeven; beginnende ten vier of vijf uur, en omtrent drie uren durende. Het is aardig als men daar onder de menschen zit, tevens een schoon uitzicht te hebben op de naburige heuvels en huizen, en de buren uit hunne vensters te zien toekijken, en de klokken der kerken en kloosters te hooren luiden, op oogenblikken, die geheel in strijd zijn met wat er op het tooneel voorvalt. Behalve dit en de nieuwheid van het genoegen, eene tooneelvoorstelling te zien in de frissche en streelende lucht, met het vallen van den avond er bij, is er in de voorstellingen niets zeer opwekkends of karakteristieks. De acteurs zijn middelmatig; en ofschoon zij somtijds een van Goldoni’s blijspelen vertoonen, is het grootste gedeelte der tooneelstukken van Franschen oorsprong. Al wat maar eenigszins naar volksgeest gelijkt, is gevaarlijk voor de despotische regeeringen, en vorsten welke door Jezuïeten zijn belegerd.
Het poppentheater of Marionetti—een beroemd gezelschap uit Milaan—is, zonder eenige uitzondering, de kluchtigste vertooning welke ik ooit heb gezien. Nooit heb ik iets gezien, dat zoo bij uitnemendheid lachverwekkend was. Zij schijnen eene lengte te hebben van vier of vijf voet, maar zijn inderdaad veel kleiner; want zet een muzikant in het orkest, bij toeval, zijn hoed op het tooneel neer, dan wordt die zoo reusachtig, dat men er bang van wordt, en verbergt een acteur. Gewoonlijk spelen zij een blijspel en een ballet. De komiek in het blijspel, dat ik op een zomeravond zag, is knecht in een logement. Sedert de schepping der wereld heeft er nooit zulk een beweeglijk acteur bestaan. Men heeft ten zijnen aanzien veel moeite genomen. Hij heeft buitengewone geledingen in zijn beenen, en een beweegbaar oog waarmede hij in den bak wenkt, op eene wijze, die voor een vreemdeling volstrekt onverdraaglijk is, maar hetwelk door het ingewijde publiek, grootendeels samengesteld uit gemeen volk, geheel wordt opgenomen, (gelijk al het andere,) als eene natuurlijke zaak en als ware het een mensch. Zijn geest is verbazend. Aanhoudend schudt hij met zijne beenen en pinkt met zijn oog. Dan is er een dikke vader met grijs haar, die op de geregelde gewone tooneelbank zit, en zijne dochter op de gewone conventioneele manier zegent, die overdreven is. Niemand zou de mogelijkheid vooronderstellen, dat eenigerhande levend mensch zóó vervelend kon zijn. Het is de triomf der kunst.
In het ballet loopt een toovenaar met de bruid weg, juist op het uur dat zij zal trouwen. Hij voert haar naar zijn hol en poogt haar tot bedaren te brengen. Zij zetten zich neder op eene sofa (eene behoorlijke sofa, behoorlijk geplaatst aan het tweede scherm!) en een optocht van muzikanten komt binnen; waarbij een beeldje op de trom slaande, en bij elken slag zwikkende. Daar deze haar geen vermaak geven, komen er dansers op. Eerst vier; daarop twee, en die twee zijn vleeschkleurig. De manier waarop zij dansen, de hoogte hunner sprongen, de onmogelijke en onmenschelijke wijdte hunner pirouettes; het ten toon spreiden hunner averechtsche beenen, het neerkomen, na een rust, op de punt der teenen, als de muziek dat vordert; het achteruitgaan van den danser als het de beurt der danseres is; en het terugtrekken der dame als het de toer des dansers is, en ten slotte de hartstochtelijke pas de deux; en het vertrekken met een sprong!—Neen! ik zal nooit weer een wezenlijk ballet met een bedaard gezicht aanzien.
Op een anderen avond ging ik deze poppen een tooneelstuk zien spelen, getiteld „St. Helena of de dood van Napoleon.” Het begon met de voorstelling van Napoleon, met een overmatig groot hoofd, gezeten op eene sofa in zijne kamer te St. Helena, terwijl de knecht binnenkomt met de onduidelijke aankondiging: „Sir Yoe ud se on Lou!”
Sir Hudson Lowo (hadt gij maar zijne uniform gezien) was, bij Napoleon vergeleken, een mammouth van een man; afschuwelijk leelijk, met een monsterachtig ongeëvenredigd gelaat en eene groote onderkaak als een blok, om zijn tirannieken en verstokten aard aan te duiden. Hij begon zijn vervolgingsstelsel, door zijn gevangene, „Generaal Buonaparte” te noemen, waarop de ander in den verhevensten treurspeltoon hernam: „Sir Yoe ud se on Lou, noem mij niet aldus; verlaat mij veeleer dan die uitdrukking te herhalen. Ik ben Napoleon, keizer van Frankrijk!” Sir Yoe ud se on Lou, die niets vreesde, ging voort met hem te onderhouden over een bevel der Britsche regeering, dat den staat regelde, welken hij nu zou voeren, en de meubelen zijner vertrekken; en zijn gevolg op vier of vijf personen bepaalde. „Vier of vijf voor mij!” zeide Napoleon. „Mij! Kort geleden stonden honderd duizenden onder het bevel van mij alleen; en die Engelsche officier komt mij hier van vier of vijf voor mij spreken!”
Door het geheele stuk heen was Napoleon (die sprak op eene wijze, welke tamelijk gelijk was aan die van den waren Napoleon, en altijd kleine alleenspraken hield) zeer bitter ten opzichte van „die Engelsche officieren,” en „die Engelsche soldaten,” tot groot genoegen van het publiek, dat er geheel door verrukt was Lou te hooren afsnauwen; en dat, telkens als Lou zeide „Generaal Buonaparte” (hetwelk hij gedurig deed; gedurig dezelfde berisping ontvangende), hem geheel verfoeide. Het zou moeielijk vallen te zeggen waarom, daar de Italianen weinig reden hebben met Napoleon te sympathiseeren. Dit weet de Hemel.
Er was volstrekt geene intrige in, behalve dat een Fransch officier, als een Engelschman vermomd, een plan ter ontvluchting kwam voorslaan, en, toen het ontdekt was (doch niet dan nadat Napoleon op grootmoedige wijze geweigerd had zijn vrijheid te stelen), op bevel van Lou dadelijk weggevoerd werd om opgeknoopt te worden. Er werden twee lange aanspraken gedaan welke Lou gedenkwaardig maakte door ze op te sieren met „Yas!”—om te toonen dat hij een Engelschman was—die eene donderende toejuiching teweegbrachten. Door dit voorval was Napoleon zoo aangedaan, dat hij op de plaats flauw viel en door twee andere poppen werd weggedragen. Uit hetgeen later gebeurde zou het schijnen, dat hij zich nooit van dien schok herstelde; want in het volgende bedrijf lag hij in een helder hemd in een bed (met karmozijnroode en witte gordijnen), waar eene dame, voorbarig in rouwgewaad gedost, twee kleine kinderen bracht, welke naast het bed nederknielden, terwijl hij op eene fatsoenlijke manier stierf. „Vatterlo” was het laatste woord dat over zijne lippen kwam.
Het was onuitsprekelijk lachverwekkend. Buonaparte’s laarzen waren boven alle denkbeeld verwonderlijk, en verrichten uit zich zelve hoogst verbazende dingen: zij vouwden zich vanzelve op, geraakten onder de tafel, slingerden in de lucht en gleden, zonder dat het iemand wist, met hem weg, als hij midden in het spreken was—welke ongelukjes niet minder ongerijmd werden door de onveranderlijke droefgeestigheid, welke op zijn gezicht was afgeteekend. Om een einde te maken aan een onderhoud met Lou, moest hij naar eene tafel treden, en een boek lezen; ’t was het schoonste tooneel, dat mij ooit onder de oogen is gekomen, zijn lijf over het boek gebogen te zien als een laarzentrekker, en zijne sentimenteele oogen onverzettelijk in den bak te zien staren. In het bed maakte hij, met een schrikkelijk grooten boord aan zijn hemd en zijne handjes op de deken, eene verbazend goede vertooning. Zoo was Dr. Antomarchi voorgesteld door eene pop met lange sluike haren, als wormen, en die, ten gevolge van eenige verwarring in de ijzerdraden, als een gier over het bed zweefde en zijne meening als arts in de lucht hangende, uitbracht. Hij was—zoowel als Lou—een uitgemaakte Lomperd en gemeene kerel, zonder eenige mogelijkheid dat men zich daarin kon bedriegen, ofschoon de laatste iets verhevens had. Lou was overheerlijk op het einde, toen hij, den dokter en den bediende hoorende zeggen: „De Keizer is dood!” zijn horloge uithaalde en het stuk (niet het horloge) opwond, door met karakteristieke ruwheid uit te roepen. „Ha! ha! Elf minuten voor zessen. De Generaal dood! en de spion gehangen!” En daarmede viel de gordijn op zegepralende wijze.
Er is, naar men zegt (en ik geloof het), geen bekoorlijker verblijfplaats in Italië dan het Pallozzo Peschiere (of het paleis der vischvijvers), waarheen wij ons begaven zoodra ons vierendeeljaars huur der roode gevangenis te Albaro opgezegd en afgeloopen was.
Het staat op een hoogte binnen de muren van Genua, maar afgescheiden van de stad, omringd door schoone tuinen, die er bij behooren, en versierd zijn met standbeelden, vazen, fonteinen, marmeren waterkommen, terrassen, wandelplaatsen met oranje- en citroenboomen en groepen van rozen en camelia’s. Al de vertrekken er van zijn schoon geëvenredigd en versierd; maar de groote zaal, omtrent vijftig voet hoog, met drie ramen aan het einde, die het uitzicht hebben op de geheele stad Genua, de haven en de naburige zee, levert een van de betooverendste en bekoorlijkste gezichten ter wereld. Men kan zich bezwaarlijk iets vroolijkers verbeelden dan het inwendige der groote kamers, maar zeker niets bekoorlijkers dan het uitzicht bij zonneschijn of maanlicht. Het heeft veel meer van een betooverd paleis in een oostersch verhaal, dan van eene deftige en statige woning.
Hoe gij van kamer tot kamer ronddolen kunt, en nimmer moe wordt de wild phantastische beelden der muren en zolderingen te beschouwen, even schitterend en frisch van kleur als waren zij gisteren geschilderd geworden; of hoe eene verdieping, of zelfs de groote zaal, waarin acht andere kamers uitkomen, eene ruime wandeling daarstelt; of hoe er gangen en slaapkamers boven zijn, die wij nooit gebruiken en zelden bezoeken, en waar wij schier geen weg weten; of hoe het uitzicht aan elk der vier zijden van het gebouw geheel verschillend is; dit alles doet weinig af. Maar het uitzicht van de zaal is evenals een droom voor mij. Honderdmalen op een dag keer ik er, in mijne verbeelding, evenals ik in kalme wezenlijkheid heb gedaan, terug, en sta daar te staren, terwijl de liefelijke geuren van den tuin naar mij opstijgen en ik droom van volkomen geluk.
Daar ligt geheel Genua, in schoone wanorde, met vele kerken, abdijen en kloosters, waarvan de spitse torens naar den zonnigen hemel reiken; en onder mij, juist waar de daken een aanvang nemen, de borstwering van een eenzaam klooster, gevormd als een galerij, met een ijzeren kruis aan het einde, in welke ik somtijds, vroeg in den morgen, een kleine groep dicht gesluierde droefgeestige nonnen heen en weder heb zien gaan, en nu en dan stilstaande om den blik te werpen op de ontwakende wereld, waaraan zij geen deel hebben. De oude Monte Faccio, de schitterendste der bergen in goed weder, maar de korzeligste van allen, wanneer stormen naken, ligt hier aan uwe linkerzijde. Het fort binnen de muren (de goede koning bouwde het om de stad in bedwang te houden, en de huizen der Genueezen over hunne hoofden te doen instorten, indien zij ontevreden mochten worden) bestrijkt de hoogte aan de rechterzijde.
De ruime zee ligt er recht tegenover, en die kustlinie daar, bij den vuurtoren beginnende en als eene enkele vlek in het rozenkleurige verschiet wegdommelende, is de schoone kunstweg die naar Nizza leidt. De tuin is hier onmiddellijk bij, tusschen de daken en huizen; hij is rood van de rozen en wordt verfrischt door kleine fonteinen. De Aqua Sola, eene openbare wandelplaats, waar de muziek der troepen op vroolijke wijze speelt, en de witte sluiers bij hoopen worden gezien, en de Genueesche adel rond- en weder rondrijdt, in staatsie-kleederen en rijtuigen, maar niet met volstrekte behoedzaamheid. Binnen eene steenworps lengte is, naar het blijkt, de plaats van het Dag-tooneel, zijnde het publiek met de aangezichten naar ons toe gezeten. Maar vermits men het tooneel niet kan zien, levert het, zonder te weten wat het is, een gek gezicht op, het gelaat der lieden zoo plotseling van ernst tot lachen te zien overgaan, en nog veel gekker is ’t, aanhoudend in de avondschemering de uitbarstingen der toejuiching te hooren, onder welke de gordijn valt. En aangezien het Zondagavond is, spelen zij hun beste en aanlokkendste stuk. En nu gaat de zon onder, in zulk een prachtigen tooi van rood en groen en gouden licht als door groepen noch penseel kan worden afgemaald; en onder het luiden der vesperklokken, valt het duister plotselijk en zonder schemerlicht in. Dan beginnen er lichten in Genua en op den weg er buiten te flikkeren; en de terugkaatsende lantaren daar buiten aan de zee, voor een oogenblik den gevel en het portiek van dit paleis bestralende, verlicht het, als kwam plotseling de heldere maan van achter eene wolk te voorschijn; en dompelt het dan in diepe duisternis. En dit is, zoover mij bekend, de eenige reden waarom de Genueezen dit paleis na het invallen der duisternis ontwijken en denken dat het er spookt.
Mijn geest zal er in spoken, nog menigen aanstaanden nacht; maar niets erger, dat wil ik verzekeren. Dezelfde geest zal nu en dan wegdrijven, evenals ik op een bevalligen herfstavond in het schitterend verschiet deed, en de ochtendlucht te Marseille inademde.
De dikke kapper zat er nog in zijne muilen, buiten de deur van den winkel, maar de draaiende dames voor het venster hadden, met de eigenaardige onstandvastigheid van haar geslacht, opgehouden te draaien en kwijnden, stokstijf, met hare schoone aangezichten naar de donkere hoeken van den winkel gekeerd, waar het voor de blikken harer bewonderaars onmogelijk was, door te dringen.
De stoomboot was van Genua gekomen met eene kostelijke vaart van achttien uur, en wij zouden van Nizza teruggaan langs den Cornice-weg, niet tevreden zijnde met de fraaie steden alleen van buiten gezien te hebben, die in schilderachtig witte groepen oprijzen tusschen de olijfboschjes, en rotsen en heuvels, aan den oever der zee. De boot, die dezen avond ten acht uur, naar Nizza zou vertrekken, was zeer klein en zoodanig met goederen beladen, dat er bijna geene ruimte was om er zich te bewegen; ook was er niets te eten aan boord, behalve brood; noch te drinken, behalve koffie. Maar daar wij om acht uur in den ochtend, of daaromtrent, te Nizza moesten zijn, was dit van geen aanbelang. Toen wij nu begonnen flonkerende starren toe te knikken, als eene onwillekeurige vergelding, dat zij ons toeknikten, begaven wij ons naar onze kooien, in eene opgepropte, kleine, koele kajuit, en sliepen gerust door tot den morgen.
De boot eene zoo ellendige en sombere boot zijnde als ooit gebouwd is geworden, was het omstreeks één uur in den namiddag, toen wij de haven van Nizza binnenstoomden, waar wij weinig anders verwachtten dan een ontbijt.
Maar we hadden wol geladen, en wol mag in het entrepot van Marseille niet langer dan twaalf maanden achter elkander blijven liggen, zonder rechten te betalen. Het is de gewoonte, looze uitvoeren van onverkochte wol te doen, ten einde die wet te ontduiken; als de twaalf maanden bijna zijn afgeloopen, voert men ze ergens heen, brengt ze rechtstreeks terug, en slaat ze voor bijna een jaar als nieuwe lading op. De wol welke wij medevoerden was oorspronkelijk van eene plaats in het Oosten. Op het oogenblik dat wij de haven binnenkwamen, werd ze herkend als een oostersch product. Uit dien hoofde werden de vroolijke bootjes, vol feestdagvierende menschen, die van wal waren gestoken om ons te begroeten, door de autoriteiten gewaarschuwd weder terug te keeren; wij werden onder quarantaine gelegd, en er werd plechtig een groote vlag geheschen aan den mastpaal op de werf, ten einde het aan de geheele stad bekend te maken.
Het was een zeer heete dag. Wij waren niet geschoren, niet gewasschen, ongekleed, hadden niets gegeten, en konden het schier niet dulden, dat wij zouden liggen te blakeren, in eene doodsche haven, met de stad op een eerbiedigen afstand in het gezicht, en allerlei mannen met knevels en driekanten hoeden over ons lot te zien redetwisten bij een verwijderd wachthuis, met gebaren (wij keken door telescopen nauwkeurig naar hen), die ons ten minste eene achtdaagsche opsluiting verkondigden; en dit, in weerwil van al hetgeen er in dien tusschentijd mocht gebeuren. Maar zelfs in die crisis behaalde de brave koerier eene zegepraal. Hij seinde iemand (ik zag niemand) die, hetzij op eene natuurlijke wijze in verband stond met het logement, of voor die gelegenheid alleen met het etablissement in betrekking was gesteld. Die telegrafische seinen werden beantwoord, en binnen minder dan een half uur werd er een luiden kreet van uit het wachthuis gegeven.
Men had den kapitein noodig. Iedereen hielp den kapitein in zijne boot. Iedereen kreeg zijne goederen en zeide dat wij vertrekken zouden. De kapitein roeide weg en verdween achter een kleinen vooruitstekenden hoek van de gevangenis der galeislaven, en kwam zeer knorrig met iets terug. De brave koerier hielp hem op dek en ontving het iets, als de rechtmatige eigenaar er van. Het was eene teenen mand, in een linnen laken gewikkeld; daarin waren twee groote flesschen wijn, een gebraden vogel, wat zoutevisch met fijngehakt knoflook, een groot lang brood, een dozijntje perziken, en eenige andere kleinigheden. Toen wij ons eigen ontbijt uitgekozen hadden, verzocht de brave koerier eenige uitverkorenen om deze ververschingen met hem te deelen, en verzekerde hun dat zij zich niet kieschheidshalve behoefden te onthouden, daar hij eene tweede mand zou bestellen voor hunne rekening. Hetgeen hij ook deed—niemand wist hoe—en toen naderhand de kapitein weder geroepen werd, keerde hij weer gemelijk terug met een ander iets, waarover mijn populaire bediende het bestuur nam, en voorsneed met een knipmes, zijn eigen lijfelijk eigendom, iets kleiner dan een Romeinsch zwaard.
Allen aan boord werden vroolijk door dezen onverwachten toevoer: maar niemand méér dan een klein spraakzaam Franschman, die binnen vijf minuten dronken werd, en eene forsche Kapucijnermonnik, die iedereen bijzonder beviel, en, zooals ik inderdaad geloof, één der beste monniken van de wereld was.
Hij had een vrij en open gelaat, en een kastanjebruinen, krullenden baard en was een bijzonder schoon man, omstreeks vijftig jaren oud.
Vroeg in den ochtend was hij bij ons gekomen, en vraagde, of wij er zeker van waren, tegen elf uur te Nizza te wezen; zeggende, dat het hem van bijzonder belang was, dit te weten; want, bereikten wij die plaats tegen dien tijd, dan moest hij de mis lezen en vasten, tot hij den gewijden ouwel had gebruikt: waarom hij, als er geene kans was tegen dien tijd daar te zijn, onmiddellijk wilde gaan ontbijten. Hij deelde dit mede, in de meening, dat de brave koerier de kapitein was; en inderdaad had deze meer het voorkomen er van dan iemand anders aan boord. Toen hij de zekerheid had gekregen, dat wij op een behoorlijken tijd zouden aankomen, vastte hij en sprak al vastende met iedereen, en in de bekoorlijkste goede luim; en de kwinkslagen ten koste van monniken beantwoordende met andere kwinkslagen, ten koste van leeken, en zeggende, dat hij, ofschoon een monnik, aannam, de twee sterkste personen aan boord, een na den ander, met zijne tanden op te nemen en ze het dek rond te dragen. Niemand stelde hem echter in de gelegenheid er toe, maar ik durf zeggen, dat hij het had kunnen doen; want het was een man van eene wakkere en edele gedaante, zelfs in de kleederdracht der Kapucijnen, die de slechtste en lompste is, welke men zou kunnen bedenken.
Dit alles deed een machtig genoegen aan den spraakzamen Franschman, die den monnik gaandeweg meer gunst toedroeg, en mededoogen met hem scheen te hebben, als met iemand die door geboorte Franschman had kunnen wezen, indien een ongelukkig lot dit niet anders had gewild. Ofschoon deze begunstiging van een aard was als die, welke eene muis aan een leeuw zou kunnen bewijzen, had hij nochtans een hoogen dunk er van, dat hij vrijwillig tot hem afdaalde, en in den ijver van dat gevoel ging hij nu en dan op de teenen staan om den monnik op den rug te kloppen.
Toen de manden aankwamen, en het voor de mis te laat was geworden, ging de monnik dapper aan den slag; hij at verbazend veel van het brood en koud vleesch, en dronk volle teugen wijn; rookte sigaren, snoof, hield aan alle zijden een onafgebroken gesprek gaande, en liep nu en dan naar het boord der boot, praaide iemand op den wal, en riep er het bericht heen, dat wij op eene of andere wijze van de quarantaine ontslagen moesten worden, aangezien hij in den namiddag deel moest nemen aan eene groote godsdienstige processie. Daarna kwam hij dan terug, hartelijk lachende en vol vroolijke luim; terwijl de Franschman zijn klein aangezicht in duizend plooien trok, en er van sprak, hoe kluchtig hij het vond, en wat een knappen vent die monnik was. Eindelijk werd de Franschman, door de hitte der zon buiten en die van den wijn in hem, vakerig, zoodat hij, in den bloeitijd van zijn beschermheerschap over den reusachtige monnik, tusschen de wol ging liggen en begon te snorken.
Het was vier uur vóór wij ontslagen werden; en de morsige, wollige en met snuif bemorste Franschman sliep nog toen de monnik aan land ging. Zoodra wij in vrijheid waren gesteld, liepen wij allen heen om ons te wasschen en te kleeden, opdat wij bij de processie fatsoenlijk voor den dag konden komen. Ik zag of hoorde niets meer van den Franschman, tot wij ons eene plaats hadden gekozen in de hoofdstraat, om die processie te zien voorbijtrekken,—toen hij zich op een voorplein drong, dat met zorg vernieuwd was, zijn rokje terugsloeg, om een fluweelen vest met breede strepen en vol bezet met sterren, te laten zien, en zich en zijn rotting in dier voege schikte, dat hij den monnik, als die voorbijkwam, volstrekt in de oogen moest vallen en van stuk brengen.
De processie duurde zeer lang, en bevatte eene ontelbare menigte volks, in kleine groepen verdeeld, waarvan elke door den neus en voor zich zelve, zonder eenig verband met eenige andere zong en een zeer akelig accoord vormde. Er waren engelen, kruisen, H. Maagden, welke gedragen werden op vlakke planken, omringd door Cupido’s, kronen, heiligen, misboeken, infanterie, waskaarsen, monniken, nonnen, relieken, kerkelijke dignitarissen met groene hoeden, onder karmozijnkleurige zonneschermen, en hier en daar een soort van gewijde straatlamp, aan een paal opgeheschen. Wij zagen reikhalzend uit naar de Kapucijnen, en nu zag men hunne bruine kleeding en touwen gordels bij elkander aankomen.
Ik sloeg het Franschmannetje gade, hoe hij schaterde van het lachen door het denkbeeld, dat de monnik, als die hem met zijn vest met breede strepen zag, bij zich zelven zou uitroepen: „Is dat mijn beschermer. Die aanzienlijke man!” en dan geheel van zijn stuk zou geraken. O! nooit was de Franschman zoo teleurgesteld geworden. Toen onze vriend de Kapucijn aankwam, met kruiselings over elkander gelegde armen, zag hij het Franschmannetje strak in het aangezicht, met eene goedaardige, heldere en ernstige afgetrokkenheid, die niet beschreven kan worden. Er was niet het minste spoor van herkenning of vroolijkheid op zijn gelaat zichtbaar; niet de minste herinnering van brood en vleesch, wijn, snuif of sigaren. „C’est lui-même” (dat is hij zelf) hoorde ik het Franschmannetje met eenigen twijfel zeggen. O ja, hij zelf was het. Het was niet zijn broeder of neef die op hem geleek, hij zelf was het. Hij trad voort met groote staatsie, daar hij een van de opperhoofden der orde was, en trok een deel der bewondering tot zich. Er was nooit iets volmaakters in zijne soort, dan de bespiegelende wijze, waarmede hij zijn zachtaardig starenden blik op ons, zijne vroegere reisgenooten, deed rusten; als had hij ons nooit in zijn leven gezien en als zag hij ons ook toen niet. De Franschman, die zich geheel vernederd gevoelde, nam eindelijk den hoed af, maar toch ging de monnik voorbij, met dezelfde onverstoorbare bedaardheid; en het vest met breede strepen, dat in de menigte wegzonk, werd niet meer gezien.
De processie trok op onder het afvuren van handgeweer, dat al de ramen der stad deed schudden. Den volgenden namiddag vertrokken wij naar Genua, langs den beroemden Cornice weg.
De half-Fransch en half-Italiaansche Vetturino, die aangenomen had, ons met zijn ratelend rijtuig met twee paarden in drie dagen daarheen te brengen, was een zorgelooze knaap van een goed voorkomen, wiens luchthartigheid en zanglust geene grenzen kenden, zoolang wij zachtkens voortgingen. Zoolang dit het geval was, had hij een woord en een glimlach, en een klap met zijne zweep, voor al de boerenmeiden, en stukken en brokken van de Somnambula2 voor de echo over. Zoolang dit het geval was, trok hij rinkelend door elk dorpje, met bellen aan zijne paarden en ringen in zijne ooren: als een waar toonbeeld van galanterie en vroolijkheid. Maar het was iets zeer karakteristieks, hem te zien bij den minsten tegenspoed, toen wij op onzen tocht aan eene nauwe plaats kwamen, waar een wagen gebroken was en den weg versperde. Hij wroette dadelijk met de handen in zijne haren, als waren al de schrikkelijke rampspoeden des levens plotseling op zijn ongelukkig hoofd neergekomen. Hij vloekte in het Fransch, bad in het Italiaansch, liep op en neer en stampvoette in eene vlaag van wanhoop. Rondom den gebroken wagen stonden onderscheiden karrelieden en muilezeldrijvers; en eindelijk deed een man, van een zonderlingen aard, den voorslag, eene algemeene en gezamenlijke poging te doen om de zaken weer in orde te brengen en ruim baan te maken—een denkbeeld dat, naar mijn gevoelen nooit zou zijn opgekomen bij onzen vriend, al waren wij er tot op dit oogenblik gebleven. Het werd met weinig arbeid bewerkstelligd; maar bij elke rust in de karwei draaiden zijne handen zich in het haar, als ware er geen straal van hoop om zijne ellende te verlichten. Zoodra zat hij nochtans niet weer op den bok, en reed klappend en vroolijk den heuvel af, of hij keerde terug tot de Somnambula en de boerendeernen, als stond het niet in de macht des tegenspoeds hem neer te drukken.
Veel van het romantische der schoone steden en dorpen op dezen heerlijken weg gaat verloren wanneer men ze binnentrekt; want velen zijn zeer ellendig. De straten zijn nauw, donker en morsig, de bewoners mager en smerig, en de tanige oude vrouwen met hare grijze haren, op de kruin in een wrong gedraaid, als een kussen om er lasten op te dragen, zijn zoo innig leelijk, zoowel langs de rivier in Genua, dat ze, als ze daar zoo in de donkere deuren rondzwerven met hunne spinnewielen, of aan de hoeken kakelen, gelijken naar eene bevolking van tooverheksen—behalve dat men er zich geenszins bezems of eenig ander werktuig voor zindelijkheid bij moet verbeelden. Ook dienen de jonge varkenshuiden, welke algemeen gebruikt worden om er wijn in te bewaren, en in alle richtingen in de zon hangen te drogen, geenszins tot sieraad; aangezien zij altoos den vorm van opgeblazen varkens behouden van welke men den kop en de pooten heeft afgesneden, en die aan den staart hangen en heen en weer slingeren.
Die steden echter, zooals zij zich bij het naderen vertoonen, met hare talrijke daken en torens, tusschen boomen genesteld, tegen steile berghellingen, of gebouwd aan den zoom van trotsche baaien, zijn bekoorlijk. De plantengroei is overal weelderig en schoon, en palmboomen schenken het nieuwe tafereel een nieuw aanzien. In eene stad, San Remo—eene zeer ongewone plaats, gebouwd op sombere, wijde bogen, zoodat men de geheele stad onderdoor zou kunnen zwerven—zijn lieve tuinen, op terrassen; in andere steden hoort men het dreunen van scheepstimmermanshamers, bij het bouwen van kleine schepen aan het strand. In sommige der ruime baaien zouden de vloten van geheel Europa voor anker kunnen gaan. In elk geval vertoont iedere groep van huizen, op een afstand gezien, eene betooverende mengeling van schilderachtige en grillige vormen.
De weg zelf, thans verre gelegen boven de glinsterende zee, die tegen den voet van den afgrond klotst, buigt nu eens inwaarts, om den zoom eener baai te volgen, en steekt dan eens de steenachtige bedding van een bergstroom over. Hij daalt nu eens af naar de baai, of klimt dan weer op tusschen gespleten rotsen van velerlei vorm en kleur: nu eens geschakeerd door een eenzamen, vervallen toren, een van de linie van torens, in ouden tijd gebouwd om de kust te beschermen tegen de invallen van Barbarijsche zeeroovers, en levert elk oogenblik nieuwe schoonheden op. Als men de treffende natuurtooneelen er van voorbij is en hij zich uitstrekt over eene lange lijn der voorstad, op het vlakke strand gelegen, tot aan Genua, dan vormen de flikkeringen dier edele stad en hare haven een nieuwe bron van belangstelling, die vernieuwd wordt door elk hoog opstijgend, zwaar gebouwd, half bewoond, oud huis, buiten de stadsmuren, en de grootste hoogte bereikt als men aan de stadspoort is gekomen, en geheel Genua, met zijne schoone haven en naburige heuvels, zich plotseling en trotsch voor oogen stelt.