Ik trok op den 6den November van Genua weg, met het voornemen een goed aantal plaatsen (en daaronder ook Engeland) te bezoeken; het allereerst zou ik echter naar Piacenza gaan; naar welke stad ik in de Coupé van eene machine, eenigermate gelijk aan eene reizende karavaan, heentrok, in gezelschap van den braven koerier en eene dame met een grooten hond, die alle nachten, bij tusschenpoozen, op eene nare wijze huilde. Het was zeer vochtig en zeer koud; zeer donker en zeer akelig; wij reisden met een snelheid van slechts vier mijlen per uur en hielden nergens stil om ververschingen te gebruiken. Den volgenden ochtend ten tien uur wisselden wij te Alessandrië van rijtuig, waar wij in eene andere koets werden gepakt (welker lichaam, door den magerste, smal had kunnen genoemd worden), in gezelschap van een oud priester en een jong Jezuïet, die hem verzelde,—zijne getijde- en andere boeken droeg—en die, door zijne pogingen om binnen de koets te komen, eene gaping van een pink breedte had daargesteld tusschen zijne zwarte kous en zijne zwarte kniebroek, hetwelk herinnerde aan een van Hamlet in Ophelia’s vertrek—behalve dat die aan beiden beenen zichtbaar was,—een advocaat uit eene provinciestad en een heer met een rooden neus, die een buitengewonen glans bezat, welken ik nimmer te voren bij een menschelijk wezen had opgemerkt. Op deze wijze reisden wij voort, tot des namiddags vier uur—daar de wegen nog altijd slecht waren te berijden en de koets zeer langzaam voortging. Om er de kroon op te zetten, werd de oude priester geplaagd met kramp in zijne beenen, zoodat hij genoodzaakt was, bijna elke tien minuten een verschrikkelijken gil te geven en door de vereenigde pogingen van het gezelschap er uit geheschen moest worden, terwijl de koets gedurig met groote deftigheid ten zijnen behoeve ophield. Deze ongesteldheid en de wegen waren voor het grootste gedeelte de onderwerpen van het gesprek. Daar ik in den namiddag bemerkte, dat de Coupé twee menschen had uitgezet en slechts één passagier binnenin had—een gedrochtelijk leelijke Toskanees, met een grooten purperen knevel, waarvan niemand de einden kon zien, als hij den hoed ophad—maakte ik gebruik van die betere gelegenheid en reisde voort met dezen heer (welke zeer onderhoudend en opgeruimd was), tot omtrent elf uur ’s avonds, toen de voerman berichtte, dat er aan geen verder trekken kon worden gedacht, en wij dienvolgens stilhielden bij eene plaats, Stradella genaamd.
Het logement bestond uit eene reeks van vreemdsoortige galerijen, die eene binnenplaats omgaven, waar onze koets, en een paar wagens, en eene partij gevogelte en brandhout, holder de bolder opgehoopt waren, zoodat ge niet hadt kunnen weten of er op zweren, wat een vogel en wat eene kar was. Wij volgden er een slaperigen man met eene brandende fakkel in een groote koude kamer, waar zich twee schrikkelijk breede bedden bevonden, die gespreid waren op iets, dat het voorkomen had van twee verbazend breede planken eettafels te zijn; eene andere planken tafel van gelijke afmetingen in het midden van den naakten vloer; vier ramen en twee stoelen. Men zeide mij, dat het mijne kamer was; en ik wandelde er omtrent een half uur op en neer, terwijl ik staarde naar den Toskanees, den ouden priester, den jongen priester en den advocaat (de roodneus woonde in de stad en was naar huis gegaan), die op de bedden zaten en wederkeerig naar mij staarden.
Het uitgemaakt droevig-gekke van dien stand van zaken wordt afgebroken door het bericht van den braven koerier (die middelerwijl kok is geweest), dat het avondmaal gereed is; en wij gaan allen naar de kamer van den priester (die naast aan gelegen en een tegenhanger is van de mijne). Het eerste gerecht is eene kool met een groote hoeveelheid rijst in eene terrine vol water gekookt, en met kaas gekruid. Dit is zóó heet en wij zijn zóó koud, dat het zeer aangenaam smaakt. Het tweede gerecht bestaat uit eenige stukjes varkensvleesch met nieren van speenvarkens gebraden. Het derde bestaat uit twee roode vogels. Het vierde uit twee kleine, roode kalkoenen. Het vijfde is een sterk gerecht van knoflook en truffels, en ik weet niet wat al nog; en dit besloot den maaltijd.
Alvorens ik in mijne eigen kamer kan gaan zitten, en nagaan, dat zij onder de vochtigste behoort, gaat de deur open en de brave koerier komt binnenzeilen te midden van zulk eene hoeveelheid brandhout, dat hij er uitziet als een geheel bosch dat eene winterwandeling gaat doen. Hij ontsteekt dien hoop in een oogwenk en brengt eene groote kruik met heeten brandewijn en water; want zijne eigen flesch wisselt af met de jaargetijden en bevat thans niets dan den zuiversten brandewijn. Na deze verrichting begeeft hij zich ter ruste; en ik hoor hem nog een uur naderhand, en zelfs nog tot ik inslaap, hoe hij kwinkslagen maakt in een ander buitengebouw, waar hij (waarschijnlijk goed ingezeept) aan het sigaren rooken is met een aantal vertrouwde vrienden. Hij is nooit te voren hier in huis geweest; maar hij kent overal iedereen, zoodra hij ergens vijf minuten is geweest, en is er zeker van, in hetzelfde tijdsverloop, al de personen van het huis op het innigste aan zich verknocht te hebben.
Dit gebeurt te middernacht. Den volgenden ochtend te vier uur is hij reeds weder op, frisscher dan eene pas ontloken roos. Hij stookt vlammende vuren, zonder de minste vergunning van den waard, en levert ons kroezen kokende koffie, als niemand zich iets anders dan koud water kan verschaffen; en loopt de donkere straten rond, en schreeuwt om versche melk, of wellicht iemand, die eene koe bezit, uit zijn bed stapt, om hem er van te voorzien. Terwijl we op de paarden wachten, doe ik een uitstapje in de stad. Zij schijnt één enkel plein te vormen, en daarbij een koude vochtige wind die afwisselend in en uit de bogen waait; en, om zoo te zeggen, een soort van patroon vormt. Maar het is stikdonker en het stortregent, en ik zou haar morgen niet herkennen indien ik daar teruggevoerd werd om het te beproeven. Dat de hemel verhoede!
De paarden zijn er binnen omtrent een uur. In den tusschentijd vloekt de voerman, en slaat nu eens christelijke en dan weer heidensche vloeken uit. Is het somtijds een lange, samengestelde vloek, dan begint hij met het christendom en daalt tot in het heidendom neer. Er worden verschillende boden afgezonden; niet zoozeer om de paarden, als wel om elkander op te zoeken; want de eerst gezondene komt maar niet terug, en de rest doet als hij. Eindelijk komen de paarden aan, door al de boden omringd, die ze deels schoppen, deels voorttrekken, terwijl allen ze een vloed van scheldwoorden toevoegen. Daarop nemen de oude priester, de jonge priester, de advocaat, de Toskanees en wij allen onze plaatsen; en er wordt uit de deuren van schuurtjes op verschillende plaatsen van het binnenplein door slaperige stemmen uitgeroepen: „Addio corrière mio! Buon’ viaggio, corrière!” (Vaarwel, lieve koerier! Goede reis, koerier!) Er worden groeten gewisseld met den koerier, die ze, met een gelaat tot één monsterachtig, lachend gegrijns vertrokken, op dezelfde wijze beantwoordt, terwijl wij door het slijk weghotsen.
Te Piacenza, op vier of vijf uren afstand van de herberg te Stradella, ging ons klein gezelschap voor de deur van het logement uiteen, terwijl van alle zijden verschillende betuigingen van vriendschappelijke gevoelens werden gedaan. De oude priester kreeg alweer de kramp, voor hij ter helft van de straat was gekomen; en de jonge priester legde het pakje boeken op een deurdrempel, terwijl hij plichtmatig de beenen van den ouden heer wreef. De cliënt van den advocaat wachtte hem af aan de poort van den hof, en kuste hem op elken wang met zulk een klappenden smak, dat ik vrees, òf dat zijne zaak zeer slecht staat, òf dat hij eene slecht gespekte beurs heeft. De Toskanees ging slenterend heen, met eene sigaar in den mond en hield zijn hoed in de hand, om de einden zijner uit elkander geraakte knevels des te beter te kunnen opdraaien. En terwijl de brave koerier en ik heendwaalden om de plaats te bezien, begon hij dadelijk mij te onderhouden met de bijzondere geschiedenis en de huiselijke zaken van het geheele gezelschap.
Piacenza is eene vervallen oude stad en ziet er somber uit. De plaats is verlaten, eenzaam en met gras begroeid, en hare wallen liggen in puinhoopen, met half gevulde loopgraven, die eene smerige weide opleveren voor de magere koeien welke daar rondloopen, en straten met sombere, onvriendelijke huizen die pruilen tegen de andere huizen aan de overzijde. De slaperigste en meest havelooze soldaten wandelen er rond, onder de dubbele bezoeking van luiheid en armoede, op onhebbelijke wijze hunne slecht gemaakte uniformen kreukelende: de morsigste kinderen spelen met hun impromptu speelgoed (speenvarkens en slijk) in de smalste goten; de magerste van alle honden loopen de naaste deuren in en uit, en zoeken er eeuwig eenig voedsel, dat zij er volstrekt niet schijnen te vinden. Een geheimzinnig en statig paleis dat bewaakt wordt door twee kolossale standbeelden (tweelings-geniën der stad), staat met deftigheid in het midden der doodsche stad; en de koning met de marmeren beenen, die ten tijde der Duizend-en-één-nacht bloeide, had daarbinnen vergenoegd kunnen leven, en in zijne bovenhelft van vleesch en bloed nooit de zielskracht hebben, om behoefte te gevoelen er buiten te komen.
Welk eene vreemde, treurig verrukkelijke druilpartij is het niet, rond te dwalen in die plaatsen, welke gaan slapen en zich in de zon koesteren! Elke van deze schijnt op hare beurt de voornaamste te zijn onder al de beschimmelde, nare steden in de wijde wereld. Op dit heuveltje gezeten, waar vroeger een bastion bestond, en ten tijde toen de oude Romeinen zich hier hadden nedergezet eene luidruchtige vesting was, begon ik te vermoeden, dat ik tot nu toe nooit had geweten, wat het wilde zeggen, vadsig te zijn. In juist zulk een staat moet voorzeker het mormeldier verkeeren, vóór het zich terugtrekt in zijne woning; of de schildpad voor ze zich begraaft. Ik gevoel dat ik roestig word; dat elke poging tot denken verzeld zou zijn van een knarsend geluid; dat er nergens iets is te doen, of iets gedaan behoeft te worden; dat daar, in geen opzicht, menschelijke vooruitgang, beweging, streven of bevordering meer is, dat het geheele ontwerp hier, eeuwen geleden, is blijven steken, en ter ruste gelegd tot den dag des oordeels.
Neen! dat niet, zoolang de brave koerier zal leven. Zie hem eens, hoe hij al rinkelend Piacenza verlaat, en langs den weg waggelt in de hoogste postsjees welke men ooit heeft gezien, zoodat hij uit het voorste raam ziet, als keek hij over een tuinmuur, terwijl de postiljon, waarin al de haveloosheid van geheel Italië schijnt samengeperst, een oogenblik met zijn levendig gesprek ophoudt, om zijn hoed aan te raken voor een stompneuzig beeldje der H. Maagd, schier niet min haveloos er uitziende dan hij, hetwelk, in eene poppenkastachtige nis van pleister, buiten de stad staat.
In Genua en de omstreken wordt het wijngaardloof geleid langs latwerk, dat door lompe, vierkante palen wordt gedragen, hetwelk op zich zelf alles behalve schilderachtig is. Maar hier slingeren zij het om boomen en laten het langs de heggen voortspruiten. De wijngaarden zijn vol boomen, welke met dat doel regelmatig zijn geplant en ieder een eigen wijngaardstok hebben, die er omheen slingert en er zich om ophoopt. Hunne bladeren vertoonen nu het schitterendste goud, en het gloeiendste rood, en nooit was er iets zoo betooverend, bevallig en zoo vol schoonheid. Mijlen ver slingert de weg door die verrukkelijke vormen en kleuren. De wilde festoenen; de smaakvolle kransen en kronen en guirlandes van allen vorm; de tooverachtige netten over groote boomen geslagen, en die ze (als uit kortswijl) tot gevangenen maken; de hoopjes en verhevenheden van afgevallen bladen, die in alle vormen op den grond liggen; hoe rijk en schoon is dit alles niet! En elk oogenblik ontmoet men eene lange, lange rij boomen, welke alle door slingers met elkander verbonden zijn, als hielden zij elkander vast en kwamen dansend het veld op!
Parma heeft, voor eene Italiaansche stad, vroolijke, woelige straten, en is bijgevolg niet zoo karakteristiek als vele andere, min aanmerkelijke plaatsen. Hiervan moeten in alle gevallen worden uitgezonderd de Piazza (het plein) waar de hoofdkerk, het doophuis en de Campanile (de klokketoren)—oude gebouwen, van eene somber bruine kleur, versierd met ontelbare groteske gedrochten en droomerig ziende schepsels, in marmer en rooden steen gehouwen—in edele en luisterrijke rust opeengehoopt zijn. Hunne zwijgende aanwezigheid werd mij eerst aangeduid, toen ik ze bemerkte door het klapwieken eener groote menigte vogels, die de scheuren in de steenen en kleine holen in de bouwversiersels, waar zij hun nest hadden, in- en uitvlogen. Zij waren bezig met uit de koude schaduw van tempels, door menschenhanden gemaakt, op te stijgen naar den zonnigen hemel. Zoo deden niet zij, die daar binnen baden en naar denzelfden vakerigen zang luisterden, of voor dezelfde soort van beelden en waskaarsen knielden, of met neergebogen hoofd, in de eigen donkere biechtstoelen fluisterden, welke ik in Genua en overal elders had ontmoet.
De vervallen en verminkte schilderstukken, waarmede deze kerk bedekt is, oefenen, naar mij dunkt, een merkbaar treurigen en onderdrukkenden invloed uit. Het is een ellendig schouwspel, wanneer men verheven kunstwerken—eenigermate de ziel der schilders—ziet verwelken en vergaan als menschelijke gedaanten. Deze hoofdkerk riekt naar de rottende fresco’s, in den koepel door Correggio geschilderd. De hemel weet hoe schoon zij eens mogen geweest zijn. Kenners worden er nog door verrukt; maar zulk een doolhof van armen en beenen, zulke hoopen van geknotte ledematen, in elkander verward, gedraaid en gestrengeld, zou geen krankzinnig geworden chirurgijn zich in zijne wildste ijlhoofdigheid kunnen verbeelden.
Er bestaat hier eene zeer belangwekkende onderaardsche kerk, welker dak gedragen wordt door marmeren zuilen, achter ieder van welke ten minste één bedelaar in hinderlaag schijnt te liggen; ik zwijg er van, wat de graftombes en afgezonderde altaren verbergen. Uit elke van deze schuilhoeken kwam zulk eene groote menigte spookachtige mannen en vrouwen—die tot geleiders verstrekten van andere mannen en vrouwen met verdraaide ledematen, klapperende kaken, of gebaren van een verlamde, of koppen van simpelen, of eenig ander treurig gebrek—naar voren strompelen om te bedelen, dat, indien de vernielde fresco’s daar boven in de hoofdkerk plotseling bezield geworden en naar beneden in de kerk getrokken waren, er geen grootere verwarring veroorzaakt, of geen akeliger vertooning van armen en beenen gemaakt had kunnen worden.
Daar is ook het gedenkteeken van Petrarcha en het doophuis met zijne schoone bogen en reusachtige doopvont, en eene galerij die eenige zeer opmerkenswaardige schilderijen bevat, van welke er eenige weinige werden gekopieerd door kunstenaars met behaarde aangezichten, en fluweelen mutsen, die meer van, dan op het hoofd zaten. Men heeft er ook het paleis van Farnese en daarin een van de akeligste tafereelen van verval, dat ooit gezien is,—een groote, oude, sombere schouwburg, die in puinhoopen valt.
Het is een groot houten gebouw van hoefijzer-vorm. De onderste zitplaatsen zijn gerangschikt naar de Romeinsche wijze, maar boven deze heeft men groote, lompe vertrekken—daarvan hebben zij meer dan van loges—waar de edellieden in hun trotsche staatsie, afgezonderd zaten. Met zulk eene verwoesting als dit tooneel heeft ondergaan, en welke in den geest des bezoekers verhoogd wordt door de vroolijke strekking en het doel er van, kunnen zich slechts wormen gemeenzaam maken. Er zijn nu honderd tien jaren verloopen sedert daar eenig stuk is vertoond. De hemel schijnt door de scheuren der zoldering; de loges, die neervallen en waaraan het verderf knaagt, worden slechts door ratten bewoond; vochtigheid en schimmel besmetten de verwelkte kleuren, en vormen spookachtige landkaarten op de paneelen; smerige lappen hangen slingerend af van plaatsen, waar vroeger vroolijke festoenen aan het Proscenium (voorste gedeelte van het tooneel) waren. Het tooneel is zóó verrot, dat er eene smalle houten galerij dwars overheen is gelegd, daar anders de vloer onder den voet zou wegzinken en den bezoeker in de donkere diepte er onder zou begraven. Verwoesting en verval maken hier op al de zinnen indruk.
De lucht heeft een rottenden reuk en een aardachtigen smaak, en eenigerhande los geluid, dat er met een of ander verloren zonnestraal binnensluipt, is onduidelijk en dof; en de wormen, de maden en de ratten hebben de oppervlakte van het hout geheel en al veranderd, evenals een zachte hand door den tijd gerimpeld en ruw wordt. Als er ooit geesten comedie spelen, dan zullen zij het op dit spookachtig tooneel doen.
Onder het overheerlijkste weder kwamen wij te Modena, waar de duisternis der sombere zuilengangen boven de voetpaden, die de hoofdstraat aan beide zijden bezoomen, verfrisschend en aangenaam werd gemaakt door den schitterenden hemel, die heerlijk blauw was. Ik ging, uit al het schitterende van den dag, in eene duistere hoofdkerk, waar de hoogmis werd gelezen, dunne waskaarsen brandden, en menschen geknield lagen voor alle soorten van heiligen-kastjes, en dienstdoende priesters den gewonen zang op den gewonen, diepen, zwaarmoedigen, gerekten toon afdreunden.
Terwijl ik zoo bij mij zelven er over nadacht, hoe vreemd het was, in elke onbeweeglijk stilstaande stad mijn eigen hart te voelen kloppen met denzelfden eentonigen polsslag, als het middelpunt van hetzelfde verdoofde en lustelooze stelsel, trad ik eene andere deur uit, waar mij plotseling een doodschrik op het lijf werd gejaagd, door het steken van de schetterendste trompet, welke er ooit heeft geklonken. Dadelijk daarop kwam er met groot gedruisch een troep Parijsche paardrijders aandraven, die zich in orde stelden langs de muren van de kerk, en met de hoeven hunner paarden de griffioenen, leeuwen, tijgers en andere steenen en marmeren monsters beschimpten, welke het uitwendige van het gebouw versieren. Het eerst kwam er een statig edelman, met een goede portie haar en zonder hoed, eene reusachtige banier dragende, waarop te lezen was: „Hedenavond! Mazeppa!” Toen kwam er een Mexikaansch hoofdman, die, als een Hercules, eene groote peervormige knots op den schouder droeg. Toen volgden er zes of acht Romeinsche karren, elke met een schoone dame, in een uiterst kort rokje en met onnatuurlijk stijve, roode beenen. Deze dames wierpen stralende blikken op de menigte, in welke echter eene heimelijke uitdrukking was van ongerustheid en angst, waarvan ik me geene reden kon geven, tot ik in de opene achterzijde van de karren kon zien, en bemerkte, met welk eene verbazende moeite de roode beenen den loodrechten stand bewaarden op het oneffen plaveisel der stad: waardoor ik een geheel nieuw denkbeeld kreeg van de oude Romeinen en Britten. De optocht werd besloten door zoo wat een dozijn ontembare krijgslieden van verschillende natiën, die twee aan twee reden, en vol trotschheid neerzagen op de tamme bevolking van Modena; terwijl zij zich van tijd tot tijd verwaardigden het volk te begiftigen met eenige programma’s. Nadat zij tusschen de leeuwen en tijgers rondgesprongen en de vertooning van dien avond onder het schetteren der trompetten verkondigd hadden, trok de stoet af langs het andere einde van het plein en liet eene nieuwe en zeer toegenomen doodschheid achter.
Toen de optocht zoo volkomen voorbij was, dat de schelle trompet door den afstand zacht klonk en de staart van het allerlaatste paard voorgoed om den hoek was, keerde het volk, dat de kerk had verlaten om den stoet aan te staren, er weder binnen. Maar eene oude dame, die op de vloersteenen der kerk, dicht bij de deur geknield lag, had alles gezien, en gevoelde, zonder op te staan, hare belangstelling verbazend opgewekt, en het mocht mij gelukken den blik dier dame bij die ontmoeting op te vangen, en dit wel tot onze wederzijdsche verwarring. Zij maakte echter spoedig een einde aan onze verlegenheid, door zich op vrome wijze te kruisen en zich, met haar aangezicht op den grond, geheel ter aarde te werpen, voor een beeld in een zonderling kleed en met eene vergulde kroon, hetwelk zoozeer geleek op een der personages van den optocht, dat zij misschien tot op dit oogenblik mag denken, dat de geheele verschijning een hemelsch visioen was. Hoe het ook zij, ik zou haar, al ware ik haar biechtvader geweest, hare belangstelling in het paardrijdersspel hebben vergeven.
Er was in de hoofdkerk een mannetje met vurige oogen en een hoogen schouder, die het zeer euvel nam, dat ik geene poging deed om den putemmer te zien (in een ouden toren bewaard wordende), welken het volk van Modena, in de veertiende eeuw, aan dat van Bologna ontnam en om welken een oorlog werd gevoerd, terwijl er door Tasso een comisch heldendicht op werd gemaakt. Naardien ik zeer wel tevreden was, de buitenzijde van den toren te beschouwen en mij op den emmer er binnen in verbeelding te vergasten, en bij voorkeur ronddrentelde in de schaduw van den hoogen Campanile, en in den omtrek der hoofdkerk, heb ik, tot op den dag van heden, geene persoonlijke kennis met den emmer gemaakt.
Inderdaad waren wij ook te Bologna, alvorens de oude man (of het Reisboek) had kunnen denken, dat wij de wonderen van Modena maar voor de helft gerechtigheid hadden laten wedervaren. Maar het heeft voor mij iets zoo bekoorlijks, nieuwe tooneelen achter mij te laten, en toch voort te trekken, en nog nieuwere tooneelen te ontmoeten—en bovendien heb ik zulk eene ongelukkige natuur met betrekking tot gezichten die gegraveerd, gedroogd en voorgepreekt worden—dat ik vrees, op elke door mij bezochte plaats, tegen gelijksoortig gezag te zondigen.
Maar hoe ’t hiermede zij, men kon mij den volgenden ochtend zien wandelen op het bevallige kerkhof te Bologna, tusschen de statige marmeren grafteekens en zuilengangen, in gezelschap van een grooten troep boeren en verzeld door een kleinen gids uit die stad, welke buitengemeen ijverde voor hare eer, en er zich aan gelegen liet liggen mijne aandacht af te trekken van de slechte monumenten, terwijl hij niet ophield de goede te verheffen. Daar ik zag, dat dit mannetje (van opgeruimden aard, en die niets dan blinkende tanden en oogen in zijn gezicht scheen te hebben) strak naar zeker plekje gras keek, vraagde ik hem wie daar begraven was. „De armen, Signore!” zeide hij met een zucht en een glimlach, en stond stil, ten einde naar mij om te zien—want hij ging steeds een weinig vooruit,—en nam zijn hoed af om elk nieuw grafteeken te groeten, „slechts de armen, Signore! het is zeer vroolijk, ’t is recht lief. Hoe groen is het er en koel, ’t lijkt wel een weiland! Er zijn vijf—en tevens stak hij al de vingers zijner rechterhand op om het getal uit te drukken, wat de Italiaansche landlieden steeds doen als het onder ’t bereik van hunne tien vingers valt,—er zijn vijf van mijne kindertjes begraven, Signore; juist daar een weinigje naar de rechterzijde! Welnu! God zij gedankt! ’t Is er zeer vroolijk. Hoe groen en koel is het er! Het is een volmaakt weiland!”
Hij zag mij strak in het aangezicht, en bemerkende dat ik hartzeer om hem gevoelde, nam hij een snuifje (ieder Cicerone snuift) en maakte eene kleine buiging; deels om zich te verontschuldigen dat hij zulk een onderwerp het aangeroerd en gedeeltelijk ter nagedachtenis der kinderen en ter eere van zijn schutsheilige.
Het was eene zoo ongemaakte en geheel natuurlijke buiging als er ooit iemand heeft gemaakt. Onmiddellijk daarop nam hij zijn hoed geheel en al af, en verzocht mij hem naar het naaste gedenkteeken te volgen; en zijne oogen en tanden schenen glinsterender dan te voren.