Ik had eenige dagen lang gereisd, des nachts weinig uitrustende en nooit op den dag. De snelle en onafgebroken opvolging van nieuwigheden, die mij voorbijgetrokken waren, kwamen als halfgevormde droomen voor mijn geest, en eene menigte onderwerpen waarden, onder het voorttrekken langs een eenzamen weg, in de grootste verwarring door mijn brein. Bij tusschenpoozen stond er een, bij het rusteloos heen en weder zweven, als het ware, stil, en stelde mij in staat er oplettend naar te zien, en het duidelijk te onderscheiden en te beschouwen.
Na eenige oogenblikken verflauwt het, evenals de voorwerpen van eene tooverlantaren; en terwijl ik een gedeelte er van duidelijk voor mij zag, en een ander gedeelte flauwer, en weder een in het geheel niet, vertoonde het mij een ander beeld van de vele plaatsen, welke ik onlangs had gezien, achteraan zwevende en er doorheen schijnende. Zoodra dit zichtbaar was versmolt het, op zijne beurt, in iets anders.
Het eene oogenblik stond ik weder voor den ouden bruinen hechten kerker van Modena. Terwijl ik de zonderlinge pilaren herkende met hunne voetstukken vol grijnzende monsters, scheen ik ze op zich zelve staande te zien, op het stille plein te Padua, waar de oude, stemmige Hoogeschool was, en de beelden, zedig gekleed, hier en daar in de open ruimte er om verspreid. Dan weder zwierf ik rond in de voorsteden der bevallige stad, en bewonderde de buitengewone netheid der huizen, tuinen en wijngaarden, als had ik ze slechts een paar uren te voren gezien. In hare plaats verrezen onmiddellijk de twee torens van Bologna; en de hardnekkigsten van al deze onderwerpen zonken weg, bij het monsterachtig, omwalde kasteel van Ferrara, dat, als eene opluistering eener grillige ballade, door den rooden gloed der zon beschenen, zich opnieuw aan mijne oogen voordeed, zegepralende over de eenzame, met gras begroeide, vervallen stad.
In het kort, ik gevoelde deze onsamenhangende schudding der hersenen, waaraan reizigers licht onderhevig zijn en zorgeloos bevorderen. Iedere schok van het rijtuig waarin ik zat, half dommelend in het duister, scheen eene nieuwe herinnering uit, of eene andere nieuwe in hare plaats te brengen, en in dezen staat viel ik in slaap.
Na eenigen tijd ontwaakte ik (zooals ik dacht) door het ophouden van het rijtuig. Het was nu geheel donker, en wij waren aan den kant van het water. Daar lag eene zwarte boot met een klein huisje of kajuitje er in van dezelfde donkere kleur. Toen ik daarin neergezeten was, werd de boot door twee mannen voortgeroeid, naar een groot licht, in de verte op het water liggende.
Nu en dan deed zich een akelige zucht van den wind hooren. Hij bracht het water in beweging, en schudde de boot en dreef de wolken weg die de sterren bedekten. Ik kon mij niet weerhouden te denken, hoe vreemd het was, op dit uur weg te varen, het land achter zich te laten, en voort te gaan naar dit licht op het water. Het begon spoedig meer schitterend te worden, en veranderde van één licht in een hoop waskaarsen, flonkerende en op het water schijnende, hoe meer de boot naderde, langs een droomerig soort van spoor, kenbaar op het water aan palen en stijlen.
Wij hadden vijf mijlen of daaromtrent voortgevaren over het donkergroene water, toen ik het, in mijn droom, hoorde kabbelen tegen eenige hinderpalen in de nabijheid. Aandachtig uitkijkende, zag ik door den nevel iets zwarts en lomps—evenals de kust, maar vlak en dicht op het water liggende, gelijk een vlot—waarlangs wij voorbijgleden. Het opperhoofd der beide roeiers zeide, dat het eene begraafplaats was.
Geheel bezield met belangstellende verwondering over eene begraafplaats, die daar lag, te midden der eenzame zee, wendde ik mij om, om haar te bezichtigen, daar zij uit ons spoor zou verdwijnen, toen ik haar plotseling uit mijne oogen verloor. Voor ik wist hoe of wat, zag ik, dat wij over eene straat gleden—eene spookstraat; de huizen, aan beide zijden, uit het water rijzende, en de zwarte boot voortglijdende onder hunne vensters. Uit eenige dezer ramen schenen lichten, die hunne weerkaatsende stralen tot op den bodem van den duisteren stroom schoten, maar alles was in diepe stilte verzonken.
Zoo trokken wij door deze geestenstad, voortgaande onzen koers te richten door nauwe straten en stegen, allen gevuld met, en overvloeiend van het water. Enkele hoeken, waar onze weg van richting veranderde, waren zoo scherp en nauw, dat het voor de lange, ranke boot onmogelijk scheen, er omheen te wenden; maar de roeiers een flauwen, welluidenden, waarschuwenden kreet slakende, gleden er langs zonder te rusten. Somtijds herhaalden de roeiers, van eene andere zwarte boot evenals de onze, den kreet, en hunne vaart vertragende (gelijk ik dacht dat het met de onze ’t geval was) kwamen zij ons voorbijvaren, evenals een duistere schaduw. Andere booten, van dezelfde sombere tint, lagen vastgemeerd, zooals ik dacht, aan geschilderde pilaren, naast donkere, geheimzinnige deuren, die onmiddellijk op het water uitkwamen.
Eenige van deze waren ledig; in andere lagen de roeiers te slapen, naar ééne zag ik eenige beelden uit een sombere gewelfde gang komen, van uit het inwendige van een paleis, en begeleid door toortsdragers. Ik zag ze maar ter vlucht; want eene brug, zoo laag en zoo dicht bij de boot, dat zij gereed scheen om neer te storten en ons te verpletteren, één van die menigte bruggen, die den droom in de war brengen, bracht ze oogenblikkelijk uit mijne oogen. Wij voeren verder, naar het midden dezer vreemde plaats—met water overal om ons heen waar nooit ergens anders water was—rijen huizen, kerken, groepen statige gebouwen, die er boven uitstaken—en, overal dezelfde buitengewone stilte. Onmiddellijk doorkliefden wij een breeden en open stroom, en voeren, zooals ik dacht, voorbij eene ruime, bestrate kaai, waar de flonkerende lampen, waarmede zij verlicht was, lange rijen bogen en pilaren deden zichtbaar worden, van eene lompe, sterke samenstelling en belangrijke hechtheid, maar even rank voor het oog als spinnewebben of St.-Maria’s-draden—en waarop ik voor het eerst volk zag wandelen—en kwamen bij trappen aan, die van het water naar een groot huis leidden, waar ik, na tallooze gangen en gaanderijen te zijn doorgegaan, mij ter ruste nedervleide; luisterende naar het geraas door de donkere booten teweeggebracht, welke door het kabbelende water tegen het venster op en neer werden bewogen, totdat ik in slaap viel.
De glans van den dag, die mij in dezen droom bescheen; zijne frischheid en beweging, het drijvende er van, het schijnen van de zon op het water, zijn helderblauwe hemel en het suizen der lucht, kunnen door geene woorden van wakenden verhaald worden.
Maar van uit mijn venster zag ik naar beneden op de booten en sloepen; op masten, zeilen, touwwerk, vlaggen; op groepen bezige zeelieden, werkende aan de ladingen dezer schepen; op ruime kaaien, met balen, kisten en koopmansgoederen van alle soort bedekt; en groote schepen, in de nabijheid liggende in statige luiheid; op eilanden, bezaaid met prachtige koepels en torens; en waar gouden kruisen in het licht schitterden, boven op wonderlijke kerken, die uit de zee ontsprongen. Naar beneden gaande, langs den kant der groene zee, wier baren voor de deur rolden en al de straten vulden, kwam ik op een plein van zulk eene alles overtreffende schoonheid en grootheid, dat al het overige nietig en flauw was, in vergelijking met de liefelijkheid er van, die alle aandacht tot zich trok.
Het was een groot Piazza, naar het mij voorkwam; geankerd, evenals de rest, op den diepen Oceaan. Op zijne breede vlakte stond een paleis, meer majestueus in zijn hoogen ouderdom dan al de gebouwen der aarde in den grootsten bloei en volheid van hunne jeugd. Kloosters en galerijen, zoo rank dat zij misschien het werk van toovernimfen waren; zoo sterk, dat eeuwen er tevergeefs op gebeukt hebben, wendden zich om dit paleis, en omgaven het benevens eene hoofdkerk, schitterend door de wilde, weelderige phantasieën van het Oosten. Niet ver van zijn ingang staat een hooge toren; afgescheiden en zijn trotsch hoofd eenzaam ten hemel verheffende, overziet hij de Adriatische zee. Nabij den kant des strooms stonden twee roode granieten, onheilspellende pilaren; de een heeft op zijn top een beeld, met zwaard en schild gewapend; de ander een gevleugelden leeuw. Weder niet ver van deze, een tweede toren, in al zijn versierselen de rijkste onder de rijken, zelfs hier, waar alles rijk was; omhoog houdende een grooten wereldkloot, die glinsterde van het goud en het donkerste blauw; de twaalf teekenen van den dierenriem waren er op geschilderd, en eene kunstmatig nagebootste zon wentelde er zich omheen; terwijl vlak er boven twee metalen reuzen de uren op eene klok sloegen. Een ovaal plein met hooge huizen van den allerwitsten steen, omringd door een ranken en fraaien booggang; en hier en daar verhieven zich van het plaveisel van den weeken grond sierlijke, spits toeloopende masten, om er de vlaggen aan te hijschen.
Mij dacht dat ik in de hoofdkerk trad, en in- en uitging onder hare menigte bogen, die door hare geheele lengte loopen. Een grootaardige en vakerige bouwstijl van onmetelijke evenredigheden; verguld met oude mozaïeken; overladen met welriekende geuren, beneveld door den wierook; kostbaar door schatten van edelgesteenten en metalen, flonkerend achter ijzeren tralies; geheiligd door de lichamen der martelaren; als de regenboog geschakeerd met vensters van gekleurd glas, duister door het uitgesneden hout en het gekleurde marmer; somber in hare uitgestrekte hoogten en verwijderde afstanden; glinsterende van zilveren lampen en flikkerende lichten, denkbeeldig, phantastisch, eerbiedwekkend, overal onbegrijpelijk. Mij dacht, ik betrad het oude paleis; mijne schreden richtende door oude galerijen en raadkamers, waar de vroegere bestuurders van de beheerscheresse der wateren, ernstig, in portret, van de muren voor zich zagen, en waar hare hooggeroemde galeien, op het doek nog altijd zegepralend, als vroeger streden en overwonnen. Mij dacht, ik zwierf door zijne staatsie- en zegehallen—nu naakt en ledig,—en terwijl ik staarde naar zijne vervlogen trotschheid en macht (want dat alles was voorbij; alles) hoorde ik eene stem uitroepen: „Eenige teekens van zijne oude heerschappij, en enkele troostredenen voor zijn val, kunnen hier thans vrij opgespoord worden!” Ik droomde, dat men mij toen voortleidde in eenige kamers, waar ik nog niet was geweest, en die verbonden waren met eene gevangenis, nabij het paleis; die daarvan gescheiden was door eene hooge brug, welke over eene nauwe straat liep; en, zooals ik droomde, de Brug der Zuchten genoemd werd.
Maar eerst ging ik voorbij twee spleten, in den steenen muur uitgehouwen: de Leeuwenmuilen—nu tandeloos—waarin, het kwam mij ten minste in de ontroerende akeligheid van mijn slaap zóó voor, aanklachten tegen onschuldigen, bij den ouden, slechten Raad ingeleverd, meer dan eens in een donkeren nacht, werden geworpen.
Toen ik nu de raadkamer zag, waar dergelijke gevangenen ondervraagd werden, en de deur, waar zij doorgingen, als zij veroordeeld waren—eene deur, die nimmer dichtviel achter een man, die nog hoop had te leven—scheen mijn hart in mijn boezem te willen barsten.
Het werd nog meer aangedaan toen ik, met eene fakkel in de hand, van uit het vroolijke daglicht nederdaalde in twee rijen afgrijselijke, akelige, verschrikkelijke, steenen cellen, de eene rij onder de andere; zij waren geheel donker. In elke was een gat in den hechten muur, waar, in vroeger tijd, iederen dag eene fakkel geplaatst werd—zoo droomde ik—om den gevangene, die daarin was, voor een half uur licht te verschaffen. De gevangenen hadden bij den glans dezer kortstondige stralen, in de donkere gewelven, opschriften gekrast en uitgehouwen. Ik zag deze. Want hun werk, door de punt van een roestigen spijker voortgebracht, heeft hunne doodsangsten en hen zelven, langer dan vele geslachten, overleefd.
Ik zag eene cel, waarin niemand langer dan vier en twintig uren verbleef—daar hij ter dood veroordeeld was, voor hij haar betrad; vlak er bij, eene andere, nog akeliger cel, waar de biechtvader te middernacht kwam—een in het bruin gehulde monnik—die er overdag en in de vrije, heldere lucht spookachtig uitzag, maar in de schemering dezer duistere gevangenis alle hoop deed verdwijnen, en den heraut van den moord geleek.
Ik stond met mijn voet op de plaats, waar, op hetzelfde gevreesde uur, de gevangene, na gebiecht te hebben, geworgd werd, en raakte met mijne hand de bewuste deur aan—die laag en als verborgen was,—door welke de zware zak naar eene boot werd gedragen, en weggeroeid, en in het water geworpen, dáár, waar men op doodstraf geen net mocht uitwerpen.
Om dezen hechten kerker en boven eenige gedeelten er van: tegen de ruwe buitenwallen aanspoelende en ze van binnen door vochtigheid en drab doende uitslaan: de spleten en scheuren vullende met vochtig wier en met al hetgeen de zee uitwerpt, alsof zelfs de steenen en tralies monden hadden, die gestopt moesten worden: een gemakkelijken weg opleverende voor het wegvoeren van de lichamen der geheime slachtoffers van den Staat—een zoo bereidwilligen weg, dat hij met hen meeging en voor hen uitliep, evenals een wreede scherprechter—stroomde hetzelfde water dat ik in mijn droom gezien had, en deed het zelfs toen naar een droom gelijken.
Uit het paleis naar beneden gaande, langs eene trap, die, zooals ik dacht, de Reuzentrap genoemd werd—ik meende mij te herinneren, dat een oud man afstand deed, en langzamer en zwakker de trappen afklom, toen hij de klok hoorde luiden, die zijn opvolger verkondigde—vertrok ik met eene dier donkere booten, tot wij aan een oud tuighuis kwamen, dat door vier marmeren leeuwen bewaakt werd. Om mijn droom nog monsterachtiger en onwaarschijnlijker te maken, had één van dezen woorden en zinspreuken op zijn lichaam, daar gegrift op een ongekenden tijd en in eene ongekende taal; zoodat hun doel voor iedereen geheim was.
Daar was een licht gehamer in deze plaats hoorbaar, daar men er schepen bouwde en kleine werkzaamheden verrichtte; want de grootheid der stad bestond niet meer, zooals ik gezegd heb. Het scheen inderdaad een wrak te zijn, dat drijvende op het water was gevonden, met eene vreemde vlag ten top geheschen en vreemdelingen aan zijn roer.
Een prachtig versierd vaartuig, waarmede zijn vroeger opperhoofd op zekere tijden van het jaar wegvoer, om den Oceaan te huwen, lag, meen ik, niet meer hier; maar, in zijne plaats, lag er een klein model, vervaardigd uit het geheugen, evenals de grootheid der stad vroeger: en het sprak tot mij van hetgeen geweest was (zoo worden de sterken en de zwakken in het stof gelijk), bijna even welsprekend als de hechte pilaren, bogen en zolderingen, opgericht om de fraaie schepen te overschaduwen, die nu geen andere schaduw hadden, op het water of op de aarde.
Nòg was er eene wapenkamer. Geplunderd en vernield, maar toch eene wapenkamer, met een trotschen standaard, op de Turken veroverd, die kwijnde in de sombere lucht van zijne kooi. Rijk versierde malierustingen, door voorname krijgslieden gedragen, waren daar bijeenverzameld; kruisbogen en werpspietsen; kokers vol pijlen, speren, zwaarden, dolken, knotsen, schilden en zware strijdbijlen. Platen van bewerkt staal en ijzer, om van het edele ros eene monster te maken, geheel in metaal gesloten; en een werktuig (dat gemakkelijk op de borst kon gedragen worden), geschikt om zonder gedruisch dienst te doen: namelijk om de lieden met vergiftigde pijlen te doorschieten.
Eene kast of een gat zag ik, vol met gevloekte marteltuigen, op afgrijselijke wijze daargesteld om de beenderen der menschen saam te drukken, en in elkander te knijpen en te vermalen, en te verpletteren, en ze vaneen te rijten en te verdraaien onder eene pijn, als stierf men duizend dooden. Twee ijzeren helmen en borststukken lagen er voor, om de hoofden der nog levende martelaars te drukken en te omsluiten; en boven op elken was eene kleine verhevenheid, evenals eene aambeeld, waarop de duivel, die de marteling bestuurde, zijn elleboog kon doen rusten en zich vooroverbuigen om naar de klaagtonen en bekentenissen van de ongelukkigen te hooren. De ijzeren helmen hadden nog een flauwe gelijkenis met het menschelijk gelaat—zij waren vormen van aangezichten, waarvan het zweet afliep en die door pijn verwrongen waren—zoodat het moeielijk viel te denken, dat ze ledig waren; en vreeselijke kramptrekkingen, die er nog in zweefden, schenen mij te volgen, toen ik mij weder naar mijne boot begaf en naar eene soort van publieke wandeling op zee roeide, waar gras en boomen waren. Maar ik vergat die folteringen toen ik aan het uiterste einde er van stond—ik stond daar in mijn droom—en langs de kust zag, naar de ondergaande zon: vóór mij, in de lucht en op de diepte een karmozijnrooden gloed, en achter mij, de geheele stad, die zich oploste in strepen van rood en purper op het water.
In de bovenmatige verwondering over een zoo zeldzamen droom, lette ik niet op den tijd en begreep weinig van zijne vlucht. Maar er waren dagen en nachten in, en als de zon hoog aan den hemel stond en als de stralen der lampen weerkaatst werden door het snelvlietende water dreef ik nog steeds, (zooals ik dacht) met het opkomen van het getij, dat mijn donkere boot, door de straten deed varen, tegen de slibberige muren en huizen plassende.
Somtijds klom ik af aan de deuren van kerken en groote paleizen, en wandelde van kamer tot kamer, van zijvleugel tot zijvleugel, door doolhoven van rijke altaren, oude gedenkteekenen en vervallen vertrekken, waar de meubelen, half vreeselijk, half belachelijk wegrotten. Er waren schilderijen, waaruit zulke eene oneindige schoonheid en uitdrukking, zulk een hartstocht, waarheid en macht straalde, dat zij even zoovele jonge en versche wezenlijkheden schenen, te midden van een leger geesten. Ik verbond ze, in mijne verbeelding, met de oude dagen der stad; met hare schoonheden, aanvoerders, burgers, kooplieden, makelaars, priesters; ja, zelfs met hare steenen en pleinen; allen omringden mij weder, met een nieuw leven bezield. Vervolgens eenige marmeren trappen afklimmende, waar het water tegen sloeg en af zijpelde, stapte ik in mijne boot, en voer, al droomende, verder.
Ik ging door nauwe straten, waar timmerlieden, in hunne winkels met zaag en beitel aan het werk, lichte krullen in het water slingerden, waar ze evenals wier lagen, of, door den vloed, als een saamgepakte hoop langs mij heen werden gevoerd. Ik trok langs openstaande deuren, vervallen en verrot, omdat ze lang in het nat stonden, door welke een kleine reep van een wijngaard groen en helder schitterde, en met zijne lispelende bladen ongewone schaduwen op de straat wierp. Ik trok langs kaaien en terrassen, waar vrouwen, bevallig gesluierd, heen en weder gingen, en waar luiaards in den zonneschijn op de steenen of op de trappen lagen. Ik trok langs bruggen, waar ook menschen waren, die heen en weder slenterden en nu en dan over de leuning keken. Daaronder waren steenen balkons, zóó gebouwd, voor de hoogste vensters van de hoogste huizen, dat ze hem duizelig maakten, die er naar keek;—trok voorbij tuinen, schouwburgen, reliekenkastjes, wonderbare groepeering van bouwwerken—Gothische—Saraceensche—grillig met beelden van alle tijden en landen versierd; trok langs gebouwen, die hoog en laag, en zwart, en wit, en recht, en krom, gemeen en grootsch, vervallen en sterk waren;—verwarrende te midden van een dichten hoop booten, en ten laatste terecht komende in eene groote gracht! Daar verbeeldde ik mij, in mijn droom, den ouden Shylock heen en weder over de brug te zien gaan, die geheel met winkels bebouwd was en van waar een gegons van menschenstemmen oprees. Een vorm, die mij toescheen Desdemona te zijn, boog voorover, onder een zonneblind door, om een bloem te plukken. En in den droom dacht ik, dat de geest van Shakespeare ergens over het water zweefde, en door de stad waarde.
Des avonds, toen er twee lampen brandden voor een beeld van de H. Maagd, in eene galerij aan de buitenzijde der hoofdkerk, bij het dak, verbeeldde ik mij, dat het groote Piazza van den Gevleugelden Leeuw helder verlicht was, en dat zijne geheele rij van bogen vol volk was, terwijl hoopen menschen zich vermaakten in prachtige koffiehuizen, die er op uitkwamen—en die, naar mij dacht, nooit gesloten waren, maar den ganschen nacht open bleven. Toen de bronzen reuzen het middernachtsuur op de klok sloegen, dacht ik, dat al het leven en de geestdrift dezer stad hier bijeenverzameld was; en toen ik wegroeide, langs de stille kaaien, zag ik de lieden nog alleen als kleine stipjes hier en daar, met slapende roeiers, die in hunne mantels gewikkeld, zoo lang ze waren, op de steenen lagen.
Maar, dicht bij de kaaien en kerken, paleizen en gevangenissen; schurende tegen de muren en opwellende in de geheimste plaatsen der stad, kletst het water altijd. Zonder gedruisch en waakzaam, en in vele plooien er omheen geslingerd, evenals eene oude slang, den tijd afwachtende—zoo kwam het mij voor—dat men in zijne diepten zou kijken, om een steen der oude stad te vinden die zich zijne beheerscheresse noemde.
En zoo spoelde het mij weg, totdat ik ontwaakte op de oude marktplaats te Verona. Ik heb meermalen naderhand aan dezen vreemden droom op het water gedacht, mij half bevreemd vragende of die stad er nog liggen zou, en of haar naam Venetië is.