DOOR VERONA, MANTUA EN MILAAN OVER DEN BERGWEG VAN DEN SIMPLON, NAAR ZWITSERLAND.

Ik had half en half geaarzeld, naar Verona te gaan, in de vrees dat het mij de beguicheling zou ontnemen ten aanzien van Romeo en Julia. Doch zoodra ik op de oude marktplaats was aangekomen, werd de vergissing uit den weg geruimd. Het is zulk eene grillige, aardige en schilderachtige plaats, gevormd door zulk een buitengewone en rijke verscheidenheid van phantastische gebouwen, dat er niets beters kon worden gevonden, zelfs in het hartje dier romantische stad, die het tooneel is van een der meest romantische en schoone geschiedenissen.

Het spreekt vanzelf, dat ik, van de markt, rechtstreeks naar het huis der Capulets ging, dat nu ontaard is in een hoogst ellendig herbergje. Luidruchtige voerlieden en bemodderde marktkarren betwistten elkander het bezit van den hof, waar men tot over de enkels in de vuilnis trad, en waar zich een troep beslijkte en bespatte ganzen bevond; verder was er een hond met een grimmigen kop, op kwaadaardige wijze hijgende bij den ingang eener deur, en die Romeo zeker bij het been zou hebben gepakt, zoodra hij het over den muur stak, indien hij namelijk toen bestaan en losgeloopen had. De boomgaard is in andere handen gevallen, en is er, eenige jaren geleden, van afgescheiden geworden, maar er was er een die bij het huis behoorde, of in allen gevalle is het mogelijk, dat er een geweest zij—en de hoed1, het oude wapenteeken der familie, kan er nog, boven de deur van den hof in steen gehouwen, worden gezien. De ganzen, de marktkarren, de voerlieden van deze en de hond bedierven, het moet erkend worden, de geschiedenis eenigermate, en het zou veel aardiger zijn geweest het huis ledig te vinden, en door de onbewoonde vertrekken te kunnen wandelen; maar het zien van den hoed was mij onuitsprekelijk aangenaam, en de plaats waar vroeger de tuin was, schier niet minder. Buitendien ziet er het huis zoo wantrouwend en nijdig uit als men er een kan wenschen te zien, ofschoon het van zeer middelmatige hoogte is. Ik had er daarom vrede mede, als het wezenlijke huis van den ouden Capulet, en was dienovereenkomstig erkentelijk ten aanzien van eene uiterst on-sentimenteele vrouw van middelbaren ouderdom, de waardin uit het huis, die werkeloos op den drempel stond en naar de ganzen keek, en die ten minste in het eenige bijzondere opzicht naar de Capulets geleek, dat zij—in den dagelijkschen zin van het woord—zwaar was.

Van Julia’s huis naar Julia’s graf is de overgang, voor den bezoeker, zoo natuurlijk als naar Julia zelve of naar de meest trotsche Julia om wie ter eeniger tijd de heldere toortsen zijn ontstoken.—Ik ging alzoo met een gids naar een ouden, zeer ouden tuin, die eens, naar ik geloof, behoort had tot een oud, zeer oud klooster, en nadat ons eene vrouw met schitterende oogen, die bezig was met het wasschen van kleeren, door een verbrijzelde poort had binnengelaten, ging ik naar eenige wandeldreven, waar versche planten en jonge bloemen lustig opschoten tusschen brokstukken van oude muren en borstweringen, welke met klimop waren begroeid. Daar werd mij een kleinen vijver of watertrog getoond, welke door de vrouw met glinsterende oogen—terwijl zij de armen met haar doek afdroogde—„La tomba di Giulietta la sfortuata” (Het graf der ongelukkige Julia) werd genoemd. Met de sterkste geneigdheid om te gelooven, kon ik het niet verder brengen dan te gelooven, dat de vrouw met de schitterende oogen zelve het geloofde, zoodat ik haar dat groote vertrouwen en bovendien hare gewone fooi in klinkende munt schonk. Dat Julia’s rustplaats vergeten was, baarde veeleer genoegen dan teleurstelling. Hoe troostrijk het ook voor Yorick’s geest moge geweest zijn, op de steenen boven zijn hoofd voetstappen, en twintigmalen op een dag zijn naam te hooren herhalen, is het echter voor Julia beter buiten de treklijn der toeristen te liggen, en geene andere bezoekers te krijgen dan die in voorjaarsregen, zachte lucht en zonneschijn op de graven komen.

Verona is streelend! Met zijne schoone oude paleizen en bekoorlijk landschap in het verschiet, dat zich uit de terraswandelingen, en uit de statelijke, van hekken voorziene galerijen opdoet. Met zijne Romeinsche poorten, die nog de fraaie straten bespannen, en in het zonnelicht van heden de schaduw werpen van tweehonderd jaren vroeger. Met zijne in marmer gekleede kerken, hemelhooge torens, rijke bouwversierselen en aardige, stille, oude stegen, waar het geschreeuw der Montagu’s en Capulets eens weergalmde:

En deed Verona’s oude burgerschaar,

Hun graf onlvloôn, een passend siersel zijn

Voor ’t voeren van een hellebaard.

Met zijne snelvlietende rivier, schilderachtige, oude brug, groot kasteel, lispelende cipressen, verrukkelijk en vroolijk verschiet! Streelend Verona!

Tusschen dit alles op de Piazza di Bra—als een geest van de grijze aloudheid, te midden der gemeenzame werkelijkheid van het vluchtige thans—staat het groote Romeinsche Amphitheater, zóó wel bewaard en zorgvuldig onderhouden, dat iedere rij zitplaatsen nog ongeschonden is. Op enkele der bogen kunnen de Romeinsche cijfers nog gezien worden, en er zijn gangen en trappen, en onderaardsche wegen voor de beesten, en slingerpaden, boven en onder den grond, evenals toen de trotsche duizendtallen er uit- en in snelden, begeerig de bloedige vertooning van het strijdperk te aanschouwen. Thans nestelen in sommige der schaduwrijke en holle plaatsen van de muren smeden en hunne werkplaatsen, en eenige kramers in het klein, die het een en ander te koop hebben, en op de borstwering is groenend onkruid, en bladen, en gras. Maar anders is er weinig veranderd.

Toen ik alles met groote belangstelling had doorgeloopen en tot de bovenste zitplaatsgalerij was gegaan, en, mij afwendende van het schoone panorama, dat door de nabijgelegen Alpen omsloten werd, naar beneden zag in het gebouw, scheen het voor mij te liggen als het inwendige van een verschrikkelijk grooten hoed van gevlochten stroo, met een zeer breeden rand en een ondiepen bol: de vlechten worden voorgesteld door de vier en veertig rijen zitbanken. De vergelijking is huiselijk en phantastisch, ten minste bij herinnering en op papier, maar zij kwam, desniettemin, oogenblikkelijk onwederstaanbaar bij mij op.

Eenigen tijd te voren was hier een paardrijderstroep geweest—dezelfde troep, denk ik, die aan de oude dame in de kerk te Modena verscheen—en had eene plaats aan het eene einde van het strijdperk opgeruimd, waar zij hunne kunsten vertoonden en de sporen van de pooten hunner paarden nog aanwezig waren.

Onwillekeurig stelde ik mij een handvol toeschouwers voor, op een of twee van deze oude steenen zitbanken bijeen, en een met lovertjes voorzien ruiter, die beleefd was, of een grappige Polichinello, waar de barsche wallen op neerzagen. Bovenal dacht ik er aan, hoe vreemd die Romeinsche zwijgenden naar het geliefkoosde grappige tooneel van de reizende Engelschen zoude staren, waarin een Engelsch edelman (Lord John), met een zeer dikken buik, gekleed in een blauwen rok met panden tot aan de hielen, hooggele broek en een witten hoed, opkomt, op een steigerend paard zittende met eene Engelsche dame (Lady Betsey), uitgedost met een strooien hoed, een groenen sluier en een rood spencer, en die altijd eene reusachtige reticule en eene opgeslagen parasol met zich voert.

Ik wandelde het overige van den dag de stad door, en kon er, naar ik geloof, tot nu toe gewandeld hebben. Op eene plaats was er een zeer aardige nieuwerwetsche schouwburg, waar zij toen juist de opera Romeo en Julia (die in Verona altijd gaarne gezien wordt) opvoerden.

In een andere was er, onder een zuilengang, eene verzameling Grieksche, Romeinsche en Etrurische overblijfselen, waarbij een oud man zat, die zelf wel een Etrurische reliek geleek; want hij was niet sterk genoeg om het ijzeren hek open te duwen, toen hij het ontsloten had, en had geen stem genoeg om zich te doen hooren, toen hij de zeldzaamheden beschreef, noch gezicht genoeg om ze te zien; zoo heel oud was hij. Op eene andere plaats was er eene galerij van schilderstukken; zoo schrikkelijk slecht, dat het verrukkelijk was, die te zien wegrotten. Maar overal, in de kerken, in de paleizen, in de straten, op de brug, of beneden langs de rivier, was Verona altijd behaaglijk, en zal het in mijn geheugen altijd blijven.

Ik las dien avond Romeo en Julia in mijne eigen kamer in het logement—en natuurlijk had een Engelschman dat daar nooit te voren gelezen—en vertrok den volgenden dag met zonsondergang naar Mantua, waar ik (gezeten in de coupé van een omnibus en naast den conducteur, die de Mystères de Paris las, bij mij zelven de regels herhaalde:

Daar is geen wereld, buiten dezen muur,

Maar kwelling, vagevuur, de helle zelf;

Van hier verbannen is verjaagd van de aard,

En zulk een ban is dood—2;

waardoor mij werd te binnen gebracht, dat, wanneer men de zaak op de keper beschouwt, Romeo slechts uit een omtrek van vijf en twintig mijlen buiten de stad was gebannen, en dit nam wel wat weg van mijn vertrouwen op zijne geestkracht en fierheid.

Het zou mij bijster verwonderen, dat de weg naar Mantua in zijn tijd zoo schoon ware geweest! Slingerde hij toen door even groene weiden, schitterende door dezelfde glansrijke stroomen en geschakeerd door frissche groepen bevallige boomen! Die purperen bergen lagen er stellig toen reeds; en de kleeding van die boerendeernen, welke een groote zilveren pen droegen, die van een knopje voorzien en van achteren door de haren was gestoken, daarin zal wel kwalijk eenige verandering zijn gekomen. Het hoopgevend gevoel, door zulk een schoonen ochtend en zulk een overheerlijken zonsopgang verwekt, voor zoo iets kan geen hart, ook zelfs dat niet van een uitgebannen minnaar koel blijven, en Mantua zelf moet hem in het verschiet tegengeblonken hebben, met zijne torens, en muren, en water, bijna als eene bruiloftskoets vol gasten op een openbaar plein. Wellicht keerde en wendde hij zich op dezelfde scherpe wijze over twee rammelende ophaalbruggen en dezelfde lange bedekten houten brug, en naderde de roestige poort van het stilstaande Mantua, terwijl hij het drabberige water daarachter verliet.

Zoo er ooit een mensch heeft bestaan, die goed paste voor een dergelijke woonplaats, en eene woonplaats, die geschikt ware voor hem, dan pasten de magere apotheker en Mantua volmaakt goed bij elkander. Wellicht dat het toen woeliger geweest zij. Is dit het geval, dan was de apotheker een man, die zijn tijd vooruit was, en voorzag wat Mantua in achttienhonderd vier en veertig zou wezen. Hij vastte veel en dit hielp hem in zijne voorwetenschap.

Ik stapte af aan het logement de Gouden Leeuw, en was in mijne kamer met den koerier bezig plannen te maken, toen er een bescheiden tikje aan de deur werd gedaan, welke op eene buitengalerij uitkwam die om eene binnenplaats liep. Een zeer haveloos mannetje komt naar binnen, om te vragen of mijnheer ook een cicerone begeerde om hem de stad te toonen; zijn gelaat zag er zoo ernstig en ijverig uit, toen hij daar zoo in de geopende deur stond, en er sprak zooveel armoede uit zijn kale kleeding en gedeukten hoed, en uit zijne afgesleten handschoenen, waarmede hij dien vasthield—en dat er niet te minder in uitgedrukt lag, ofschoon het blijkbaar zijne haastig aangetrokken Zondagsche kleeren waren—dat ik even gaarne hem zou vertreden als afgewezen hebben. Ik nam hem op staanden voet aan, en hij kwam dadelijk binnen.

Terwijl ik de redekaveling eindigde met welke ik juist bezig was, stond hij stralende van vreugd in een hoek en maakte een looze vertooning alsof hij mijn hoed met zijn arm opwreef. Had zijn loon zooveel Napoleons bedragen als het nu franken bedroeg, dan had er over de schemering zijner haveloosheid niet zulk een zonnestraal kunnen schitteren als er thans op den man glom nu hij aangenomen was.

„Wel,” zeide ik, toen ik gereed was, „willen wij nu uitgaan?”

„Als ’t mijnheer belieft. ’t Is een schoone dag. Wel wat koeltjes, maar toch aangenaam, recht lief. Gelieft mijnheer, dat ik de deur open? Dit is de plaats van het logement. De hof van den Gouden Leeuw. Mijnheer moet oppassen, dat hij op de trap niet uitglijdt.”

Wij stonden nu op straat.

„Dit is de straat van den Gouden Leeuw. Dit is de buitenzijde van den Gouden Leeuw. Het belangwekkende raam, daar boven op de eerste verdieping, waar die ruit gebroken is, is het raam van mijnheers kamer!”

Nadat ik al die opmerkelijke voorwerpen had bekeken, vraagde ik, of er te Mantua veel te zien was.

„Wel, mijnheer! Inderdaad niet. Niet veel! zoo zoo,” zeide hij, zijne schouders, bij wijze van verantwoording, ophalende.

„Veel kerken?”

„Neen. Bijna allen zijn door de Franschen afgeschaft.”

„Kloosters?”

„Neen. Alweer door de Franschen! Bijna allen zijn door Napoleon afgeschaft.”

„Is er veel handel?”

„Zeer weinig handel.”

„Veel vreemdelingen?”

„Och hemel!”

Ik dacht dat hij in flauwte zou vallen.

„Wat zullen wij,” zeide ik, „dan doen als we ginds de twee groote kerken hebben bezichtigd?”

Hij keek de straat op en af, en wreef op bedeesde wijze zijne kin, en zeide toen, terwijl hij mij in het aangezicht keek, alsof er een lichtstraal in zijn geest was gevallen, en tevens met een nederig, volslagen en onweerstaanbaar beroep op mijne toegeeflijkheid!

Signore! wij kunnen eene kleine wandeling in de omstreken der stad doen (Si può far’ un piccolo giro delle città).”

Die voorslag kon mij slechts aangenaam wezen en wij gingen te zamen zeer opgeruimd uit. In zijne vergenoegdheid opende hij zijn hart, en pakte zooveel van Mantua uit als een cicerone kan doen.

„Men moet eten,” zeide hij, „maar Pah! het is ongetwijfeld eene akelige plaats.”

Hij maakte zooveel hij maar kon van de hoofdkerk van St. Andreas—eene statige kerk—en van een afgesloten gedeelte van het plaveisel, om hetwelk waskaarsen brandden en eenigen knielden; en onder welke, naar men zegt, de Sangreal der oude romancen is bewaard. Toen wij deze kerk en nog eene andere (de hoofdkerk van San Pietro) hadden bezichtigd, gingen wij naar het Museum, dat gesloten was. „Dat beteekende niet veel,” zeide hij. „Bah! Er binnen is niet veel te zien!” Toen gingen wij het Piazza del Diavolo (het Duivelsplein) zien, dat door den duivel (met geen bijzonder doel) in een enkelen nacht was gebouwd; vervolgens het Piazza Virgiliana, daarna het standbeeld van Virgilius—onze dichter, zooals mijn kleine vriend zei, een oogenblik zijn geest eene vaart doende nemen, en zijn hoed een weinigje schuin opzettende. Toen gingen wij naar eene akelige soort van werf eener hoeve, langs welke men toegang verkreeg tot eene schilderij-verzameling. Op het oogenblik dat de poort van dit verblijf werd geopend, kwamen er eene groote vijfhonderd ganzen om ons heen waggelen, en strekten hare halzen uit, en kwaakten op de akeligste wijze, alsof ze riepen: „O! daar is volk om de schilderijen te kijken! Ga niet naar boven! Ga niet naar boven!” Terwijl wij opklommen, wachtten zij, tot een hoop samengeschoold, heel stil bij de deur, en kakelden daar, eens te hooi en te gras, op halfluiden toon; maar op het oogenblik dat we ons weer vertoonden, kwamen hunne halzen weer vooruitsteken als kleine verrekijkers, en begonnen ze een groot rumoer te maken, dat ongetwijfeld moet beteekenen: „Hoe! wilt ge alweer heengaan? Wat zegt ge er van! Hoe vindt ge ’t!” Zij wachtten ons af aan het buitenhek en vervolgden ons spottend tot aan Mantua.

De ganzen, die het Kapitool hebben gered, waren, in vergelijking met deze, niet meer dan zwijnenvleesch in verhouding tot een geleerd speenvarken. Welk eene galerij! Ten aanzien van een onderwerp van kunst, zou ik hunne meening zelfs hooger stellen dan de redevoeringen van Sir Joshua Reynolds.

Nu we weer op straat stonden, nadat we op schandvolle wijze daarheen waren geëscorteerd was mijn kleine vriend volstrekt bepaald bij de „Piccolo giro” of kleine wandeling door de stad, welke hij vroeger had voorgeslagen. Maar mijn inval het Palazzo Tè te bezoeken (waarvan ik veel had gehoord als van een vreemd en wild gebouw), schonk hem nieuw leven, en we gingen heen.

Het geheim van de lengte der ooren van Midas zou nog meer algemeen zijn bekend geworden, ingeval zijn bediende, die het tusschen het riet uitfluisterde, in Mantua had gewoond, waar riet en biezen genoeg zijn om het aan geheel de wereld te verkondigen.

Het Palazzo Tè staat op een veenachtigen grond, te midden van dergelijke plantgewassen, en is voorzeker een van de zonderlingste plaatsen, welke ik ooit heb gezien.

Niet om zijn treurigheid, ofschoon het droevig genoeg is. Noch om zijne vochtigheid, ofschoon het zeer vochtig is. Noch om zijn berooiden toestand, ofschoon die zoo berooid en veronachtzaamd is als een huis het kan wezen. Maar hoofdzakelijk om de ontelbare nachtmerriën, waarmede het inwendige (onder andere voorwerpen van eene meer malsche behandeling) is versierd door Giulio Romano. Daar is een glurende reus boven zekeren schoorsteenmantel, en er zijn reuzen bij dozijnen (Titans, die tegen Jupiter strijden); op de muren van een ander vertrek, die zoo onbegrijpelijk leelijk en grotesk zijn, dat men er over verwonderd staat, hoe eenig mensch zich zulke schepsels kan hebben voorgesteld. In de kamer, waarin men er een overvloed van vindt, zijn die gedrochten met opgezwollen aangezichten en bolle wangen, en alle soort van verdraaide blikken en ledematen, afgemaald, als wankelende onder de zwaarte van neerstortende gebouwen, en onder de puinhoopen bedolven, en rotsmassa’s oplichtende, en zich er onder begravende; terwijl zij tevergeefs pogen de zuilen in stand te houden van zware zolderdaken, die op hunne hoofden neervallen; en in één woord, hoe zij alle soort van uitzinnige en duivelachtige vernieling ondergaan en uitvoeren.

De beelden zijn van eene verbazende grootte, en overdreven tot den hoogsten graad van onhebbelijkheid; het koloriet is hard en onaangenaam; en het effect van het geheel doet, naar ik meen, veel meer dan eenig werkelijk tafereel door de hand eens kunstenaars voor oogen gesteld, het bloed op geweldige wijze naar het hoofd der aanschouwers opstijgen. Deze tafereelen, waarvan men kippevel krijgt, werden vertoond door een ziekelijk schijnende vrouw, wier voorkomen, naar ik het waag te zeggen, het gevolg is van de schadelijke uitwasemingen der moerassen. Het was echter moeielijk zich vrij te houden van de gedachte, of zij niet al te zeer werd op- en nagejaagd door de reuzen, die haar door verschrikking den dood op het lijf joegen; haar, die geheel alleen was in dat paleis, dat als een uitgedroogde regenbak stond tusschen riet en biezen, met al den nevel, die er buiten omheen hing en er zich aanhoudend omheen bewoog.

Onze wandeling door Mantua vertoonde ons, in bijna elke straat, eenige buiten dienst gestelde kerk; nu eens voor een magazijn van koopwaren, dan eens voor niemendal gebruikt; alle op den hoogst mogelijken graad gebrekkig en verwaarloosd, en op het punt van in te vallen. De moerassige stad was zoo dof en eentonig, dat de morsigheid, die er op zat, daar niet scheen gekomen te zijn op de gewone wijze, maar op hare oppervlakte te zijn bezonken, en aangeslibd als in stilstaand water. En echter ging er nogal wat handel om, en werd er nog wat voordeel verkregen; want er waren bogen, waaronder vele Israëlieten aan de buitenzijde hunner winkels zaten, en hunne stapels stoffen en wollen goederen en schitterende zakdoeken en snuisterijen ten toon spreidden, en er in alle opzichten zoo spraakzaam en druk bezig uitzagen als hunne geloofsbroeders in Houndsditch te Londen.

Toen ik een Vetturino had gekozen uit de nabijzijnde christenen, die aannam ons in derdehalven dag naar Milaan te brengen, en den volgenden ochtend met het openen der poorten te vertrekken, keerde ik naar den Gouden Leeuw terug en gebruikte een lekker middagmaal op mijn kamer, in een engen doorgang tusschen twee bedsteden, waarover een rookend vuur en aan de andere zijde eene latafel was. Op den volgenden ochtend ten zes uur rinkelden wij, in het donker, door den natte, kouden mist, die de stad bedekte: en vóór het middaguur begon de voerman (een inboorling van Mantua en omstreeks zestig jaren oud), den weg naar Milaan te vragen.

Deze leidde door Bozzolo: voorheen eene kleine republiek, en thans een van de meest verlaten en met armoede bezochte steden; waar de kastelein uit het ellendige logement—’t was zijne wekelijksche gewoonte (God zegene hem daarvoor!)—zeer kleine muntstukjes uitdeelde onder een luidruchtigen troep vrouwen en kinderen, wier lompen fladderden in den wind en den regen buiten de deur, waar zij te hoop geloopen waren om zijne aalmoes te ontvangen.

De weg leidde dien dag en den geheelen volgenden door mist, en slijk, en regen, en wijnstokken, die laag bij den grond waren. De eerste rustplaats was Cremona, gedenkwaardig om hare sombere kerken, van tichelsteenen gebouwd, en hare verbazend hooge torens: de Torazzo—om van hare violen te zwijgen—van welke zij in deze ontaarde tijden geen enkele voortbrengt; en de tweede Lodi. Toen gingen wij voort, door nog meer slijk, mist en regen en moerassige gronden, en door zulk een dikken nevel, dat de Engelschen, die sterk zijn in het geloof aan hunne eigene grieven, geneigd zijn te gelooven, dat zij een dergelijken in hun eigen land alléén aantreffen; dit duurde tot wij de geplaveide straten van Milaan binnenreden.

De nevel was daar zóó dik, dat men evenveel van de torenspits der wijd vermaarde hoofdkerk kon zien, als stond zij te Bombay. Maar daar wij er eenige dagen bleven om ons te ververschen, en tegen den volgenden zomer er weder terugkeerden, had ik ruime gelegenheid den heerlijken bouwstijl er van in al zijne majesteit en schoonheid te aanschouwen.

Elk christen behoort hulde te doen aan den Heilige die er in rust. Er mogen vele goede en echte heiligen in den almanak staan, maar San Carlo Borromeo bezit—als ik bij zulk een onderwerp juffrouw Primrose3 mag aanhalen—„mijn warm hart.” Hij was een liefderijk geneesheer voor de zieken, en weldadig vriend voor de armen, en dit alles niet door een geest van blind bijgeloof, maar als de fiere tegenstander van geweldige gebruiken in de kerk van Rome: zijne nagedachtenis vereer ik. Ik vereer ze er niet te minder om, dewijl hij bijna werd omgebracht door een priester, door priesters omgekocht om hem voor het altaar te vermoorden, ter vergelding zijner pogingen, ter hervorming van eene valsche en huichelachtige broederschap van monniken. De hemel bescherme alle navolgers van San Carlo Borromeo, zooals Hij hem beschutte! Een hervormingsgezinde paus zou zelfs nu wel een weinigje bescherming noodig hebben.

De onderaardsche kapel, in welke het lichaam van San Carlo Borromeo wordt bewaard4, vertoont een contrast zoo treffend en akelig, als er in eenige plaats kan worden gezien. De waskaarsen, welke daar beneden branden, blikkeren en glimmen tegen haut-reliefs (verheven beeldwerk) in goud en zilver, op kunstige wijze bewerkt door bekwame handen, en de voornaamste gebeurtenissen voorstellende uit het leven van den Heilige. Edelgesteenten en edele metalen blinken en glinsteren aan alle zijden. Door een windas wordt de voorzijde des altaars langzaam op zijde geschoven, en daarbinnen, in eene prachtige kist van goud en zilver, ziet men, door albast heen, de gerimpelde mummie van een man; de priesterlijke gewaden die het versieren, schitterend als zij zijn van diamanten, smaragden, robijnen en alle soorten van kostbare en prachtige steenen. De ineengeschrompelde hoop ellendige aarde, te midden dier groote schittering, wekt meer medelijden dan indien het op een mesthoop lag. Er is geen straal van weergekaatst licht in al de schittering en het vuur der juweelen, of hij schijnt te spotten met de donkere holten, die eens oogen hebben bevat. Elke draad zijde in de rijke kleederen schijnt slechts voorraad van wormen, die spinnen ten gerieve van wormen, die in graven voorttelen.

In de oude eetzaal van het vervallen klooster van Santa Maria delle Grazia is het kunstwerk wellicht meer dan eenig ander ter wereld bekend: Het Avondmaal door Leonard Da Vinci—waarin de snuggere Dominicaner monniken eene deur hebben gemaakt, om de bezigheden van den maaltijd met meer gemak te kunnen volbrengen.

Met het practische gedeelte der schilderkunst ben ik niet bekend, en heb geene andere middelen om over eene schilderij te oordeelen, dan wanneer zij de natuur gelijkt en verfraait en bevallige samenstellingen van vormen en kleuren aanbiedt. Daarom behoeft men mij niet te gelooven, wat de „behandeling” van dezen of genen meester betreft; hoewel ik zeer wel weet, (zooals iedereen weten kan, die over de zaak nadenkt) dat zeer weinig voorname meesters, met eenige mogelijkheid, in hun leeftijd de helft van de schilderijen kunnen vervaardigd hebben, die hun naam dragen en die door vele menschen, aanspraak makende op een goeden smaak, als ontwijfelbaar oorspronkelijke werken erkend worden. Maar dit tusschen twee haakjes.

Over het Laatste Avondmaal, te Milaan, zal ik alleen opmerken, dat zij, wat compositie en ordonnantie aangaat, eene wonderschoone schilderij is, maar dat zij het niet is om hare oorspronkelijke kleur of hare eigenaardige uitdrukking van eenig gezicht of van gelaatstrekken. Behalve de schade, welke zij door de vochtigheid, het verval en verzuim geleden heeft, is het (zooals Bary5 aantoont) zoo bij- en overgeschilderd, en nog wel zóó ellendig, dat verscheidene der koppen volstrekt mismaakt zijn met strepen verf en kalk, smetten, die er aanhangen evenals wennen en de uitdrukking geheel verwringen. Dáár, waar de oorspronkelijke kunstenaar de indruksels van zijn genie aan een gelaat mededeelde, dat hem door eene enkele lijn of toets van mindere schilders onderscheidde, en hem maakte wat hij was, volgden broddelaars hem op, scheuren en spleten opvullende en beschilderende, en die buiten staat waren zijne manier na te bootsen; en zij hebben er strepen, en wenkbrauwfronsingen en rimpels van hun eigen maaksel bijgevoegd en het meesterstuk beklad en bedorven.

Dit is eene zoo geschiedkundige daadzaak, dat ik haar niet zou herhalen, en daardoor de kans loopen van vervelend te worden, had ik niet een Engelsch heer voor de schilderij opgemerkt, die zich groote moeite gaf, in zachte stuiptrekkingen (zoo zou ik ze ten minste beschrijven), te vallen, op het zien van eenige fijne bijzonderheden van uitdrukking, die er niet meer in aanwezig zijn. Waarom het, voor reizigers zoowel als voor beoordeelaars, aangenaam en niet meer dan billijk zou zijn, om eindelijk te begrijpen, dat het volstrekt ééns een werk van groote verdiensten moet geweest zijn, wanneer, bij zoo weinig van hare overgebleven oorspronkelijke schoonheden, het grootsche van de oorspronkelijke teekening thans nog voldoende is om haar naam op te houden als eene schilderij vol belangstelling en waardigheid.

Wij beschouwden, natuurlijk, ook al het andere bezienswaardige in Milaan; en het is een fraaie stad, hoewel niet zoo onbedrieglijk Italiaansch, dat men dit op het eerste gezicht zien zou; evenmin bezit zij de eigenaardige hoedanigheden van vele steden, die op zich zelve minder belangrijk zijn. Het Corso, waar de Milaneesche rijken in hunne koetsen op en neer rijden (en liever dan dit niet te doen, binnenshuis half van honger zouden willen sterven), is een allerstatigste publieke wandelweg, door lange lanen van boomen overschaduwd. In den prachtigen schouwburg, van La Scala werd, na de opera, een heldenballet opgevoerd, Prometheus genaamd; waar, bij den aanvang er van, een paar honderd mannen en vrouwen ons sterfelijk ras voorstelden, zooals het was voordat de verfijningen der kunsten en wetenschappen, der liefde en der bevalligheden op aarde kwamen om het te beschaven. Ik heb nooit iets gezien, dat meer effect maakte. In het algemeen is de gebaren-taal der Italianen opmerkelijker wegens haar plotselingen en onstuimigen aard dan wegens hare keurige uitdrukking; maar in dat geval werden de kwijnende eentonigheid; het matte, ellendige, lustelooze, vadsige leven; de schraapzuchtige hartstochten en begeerten van menschelijke schepsels, beroofd van dien geestverheffenden invloed, waaraan wij zooveel verschuldigd zijn, en aan welker voorstanders wij zoo weinig er voor in de plaats geven, op eene inderdaad krachtige en aandoenlijke wijze uitgedrukt. Ik zou het bijna onmogelijk geacht hebben, een zoodanig denkbeeld zoo krachtig op het tooneel voor te stellen zonder behulp der spraak.

Ten vijf uur des ochtends hadden wij Milaan reeds verlaten, en vóórdat het vergulde beeld op den top van de spits der hoofdkerk met den blauwen hemel ineensmelt, vertoonden zich de Alpen voor onze oogen, als een verwarde hoop van bergtoppen en kruinen, door wolken en sneeuw omgeven.

Evenwel vervolgden wij onzen koers daarheen, tot het donker werd; en den geheelen dag namen de bergtoppen, wanneer de weg ze ons van verschillende kanten deed beschouwen, vreemdsoortige, veranderlijke vormen aan. De schoone dag spoedde juist ten einde, toen wij het Lago Maggiore (groote meer) met zijne bekoorlijke eilanden bereikten. Want hoe grillig en phantastisch het Isola Bella (schoone eiland) ook zijn moge, het is nochtans schoon. Alles wat uit dit blauwe water opduikt, omringd door zulk een landschap, moet schoon zijn.

Ten tien uur des avonds kwamen wij te Domo d’Ossola, aan den voet der bergengte van den Simplon. Maar daar de maan helder scheen en er geen wolkje in de met sterren bezaaide lucht zweefde, was het geen tijd om naar bed te gaan, of iets anders te doen dan voort te reizen. Na dus een weinig uitgerust te hebben, kregen wij een klein rijtuigje, en begonnen wij naar boven te rijden.

Het was op het einde van November en de sneeuw lag vier of vijf voet hoog op den gebaanden weg op den bergtop; op andere gedeelten was de nieuwe laag alreeds dik; de lucht was doordringend koud. Maar de helderheid van den nacht, en het grootsche uitzicht op den weg, met zijne ondoordringbare schaduwen en dikke duisternis, en zijne plotselinge wendingen bij het maanlicht, en het onophoudelijk geraas van het neerstortend water, maakten de reis bij iedere schrede meer en meer verheven.

De weg begon, na van de kalme Italiaansche dorpen, die onder ons in het maanlicht sluimerden, te zijn afgeweken, tusschen de sombere boomen te loopen, en kwam na eenigen tijd in eene barre, steile en moeielijk te genaken streek, waar het maanlicht helder en schitterend scheen. Trapsgewijze werd het geraas van het vallend water luider; en het wonderbare spoor, na den stroom op eene brug te zijn overgestoken, schoot tusschen twee hechte, steile rotsmuren, die het schijnsel der maan geheel uitsloten en alleen eenige weinige sterren lieten schijnen in de nauwe streep van den hemel er boven. Maar ook dit ging teloor in de diepe duisternis van een hol in de rots, waardoor de weg gegraven was; daar de verschrikkelijke waterval er vlak onder klaterde en donderde, met zijn schuim en zijne wateren, die als een nevel voor den ingang hangen. Uit dit hol opnieuw in het maanlicht komende, en over eene vreemdsoortige brug gaande, kruipt en wendt de weg zich opwaarts, door de bergengte van Gondo, woest en grootsch, boven eenige beschrijving verheven, met bevallige uitziende afgronden, die aan beide zijden in de hoogte rezen en elkander bijna boven onze hoofden ontmoetten.

Zoo trokken wij den geheelen nacht, langs den ruwen weg, al hooger en hooger, zonder ons een oogenblik vermoeid te gevoelen, verloren als wij waren in de beschouwing der donkere rotsen, der verschrikkelijke hoogten en diepten, der zachte sneeuwvelden, die thans tusschen spleten en holen lagen, en de trotsche stroomen, die eensklaps in den diepen afgrond nederstortten.

Met het aanbreken van den dag bereikten wij de sneeuwvelden, waar een scherpe wind vinnig woei. Na met eenige moeite de bewoners opgeklopt te hebben van een houten huis, dat in deze eenzame plaats stond, en waar de wind akelig omheen huilde, en de sneeuw wegblies en deed rondwarrelen, kregen wij een soort van ontbijt in eene kamer vervaardigd van ongeschaafde planken, maar goed verwarmd door middel van eene kachel en goed ingericht (zooals het ook noodig was) om de zware stormen er buiten te houden. Nadat er eene slede gereed was en vier paarden er voor gespannen waren, trokken wij verder, de sneeuw doorploegende. Steeds opwaarts; maar nu in de koude morgenlucht, die door de groote witte woestijn, waar wij doorreisden, duidelijk en helder werd.

Wij waren op den top van den berg: vóór ons was het ruwe houten kruis, dat zijne grootste hoogte boven de oppervlakte der zee aanduidt—toen de stralen der opkomende zon plotseling op de smeltende sneeuw vielen en haar een donkerroode kleur deden aannemen. Het grootsche van dit eenzame tooneel vertoonde zich toen ten top zijner verhevenheid.

Toen wij zoo voortgleden, kwam er uit het godshuis, door Napoleon gesticht, een troep reizende landlieden, met stokken en knapzakken, die er hadden overnacht. Zij werden verzeld door een paar monniken, hunne gastvrije verzorgers, die langzaam met hen voortstapten om hun gezelschap te houden. Het was prettig hun een goeden morgen te wenschen, en aardig ze een goed eind wegs na te staren, ten einde te zien hoe ze naar ons omkeken, en, als een van onze paarden struikelde of viel, dadelijk weifelden of zij al of niet zouden terugkeeren, om ons te helpen. Maar het was dan weder spoedig op de been, door de hulp van een ruwen voerman, wiens span hier ook was blijven vastzitten, en toen we hem tot vergelding uit dien tegenspoed hadden geholpen, verlieten wij hem, daar hij langzaam naar hen heen zwoegde, en gingen gemakkelijk en snel voort, langs den zoom van een steilen afgrond, tusschen de pijnboomen die op den berg groeiden.

Toen wij kort daarop weder in het rijtuig waren, begonnen wij snel den berg af te rijden, onder eeuwige ijsbergen komende, die den vorm hadden van boogvormige galerijen, van welke eene menigte ijskegels neerhingen; boven en onder schuimende watervallen; in de nabijheid van schuilplaatsen, en galerijen om er opkomende gevaren te ontgaan, door holen, over welker boogvormige zolderingen de sneeuwvallen in de lente heenglijden, en zich in de niet doorzochte kloof daar beneden begraven; naar beneden, over hooge bruggen en door schrikbarende ravijnen: eene kleine afgescheiden plek in de uitgestrekte en woeste tooneelen van ijs en sneeuw en monsterachtige granietrotsen. Naar omlaag door den diepen bergpas van Saltine, waar men verdoofd wordt door den stroom, die tusschen de naakte rotsblokken, in het vlakke land, daar ver omlaag, woedend naar beneden valt. Naar omlaag langs heen en weer slingerende wegen, en liggende tusschen een hooger en een lager gelegen afgrond, naar warmer weder, kalmer lucht, en liefelijker landschap, tot wij de kerken en kerktorens van eene Zwitsersche stad, met metaal gedekt, met roode, groene en gele kleuren als goud en zilver vóór ons in den dauw en den zonneschijn zagen glinsteren.

Daar de onderwerpelijke herinneringen alleen Italië betreffen, en het dus mijne zaak is, zoo snel als mogelijk is daarheen terug te hollen, wil ik (hoewel ik degelijk de verzoeking er toe gevoel) niet vermelden, hoe de Zwitsersche dorpen, groepsgewijze liggende aan den voet van reusachtige bergen, er uitzien als speelgoed; en hoe verward de huizen opeengehoopt en opgestapeld zijn; of hoe de straten er nauw zijn, om den huilenden wind des winters geen te grooten toegang te verschaffen; en hoe de gebroken bruggen door de woedende stroomen, in de lente plotseling van banden ontslagen waren medegesleurd. Of hoe daar boerinnen waren met groote, ronde, bonte kappen, die als zij het venster uitkeken en alleen het hoofd deden zien, het voorkomen hadden eener bevolking van zwaarddragers van den Lord Mayor te Londen; of hoe schoon de stad Vevay zich voordeed, aan het bekoorlijke meer van Genève gelegen; of hoe het standbeeld van St. Pieter, in de straat van Freyburg, den grootsten sleutel in de vuist klemt, die er ooit is gezien; of dat Freyburg beroemd is om de twee hangbruggen en het groote orgel der hoofdkerk.

Of hoe tusschen die stad en Bazel de weg als een doolhof loopt, tusschen welvarende dorpen van houten hutten, met overhangende rieten daken en lage, vooruitstekende vensters, beglaasd met kleine, ronde vensterruiten als drieguldenstukken; of hoe er in elk klein Zwitsersch erf, met de kar of wagen, zorgvuldig naast het huis onder dak geplaatst, en het tuintje, pluimgedierte en de groepen van kinderen met blozende wangen, een voorkomen van welvaart heerschte, dat, na Italië te hebben gezien, zeer nieuw en zeer streelend was; hoe de kleeding der vrouwen weder veranderde, en er geen zwaarddragers meer waren te zien, maar in plaats daarvan, zich helderwitte borstlappen, en groote, zwarte, waaiervormige gaasachtige kappen in menigte vertoonden.

Of hoe bekoorlijk de streek was in de nabijheid van het Jura-gebergte, met sneeuw besprenkeld, door de maan verlicht en met de muziek van het neerstortende water; of hoe, onder de vensters van het groote hotel de Drie Koningen te Bazel, de gezwollen Rijn met snellen loop en groene kleur voortstroomde; of hoe hij te Straatsburg, even snel maar minder groen, en, naar men zegt, lageraf mistig was: en dat hij, zóó laat in het jaar, eene veel minder zekere reisbaan opleverde dan de groote weg naar Parijs.

Of hoe Straatsburg zelf met zijne prachtige, oude, Gothische hoofdkerk en ouderwetsche huizen, met hunne spitse daken en gevels, eene kleine galerij van vreemde en belangwekkende gezichten opleverde; of hoe er binnen in de hoofdkerk, tegen den middag, eene menigte menschen verzameld waren, om het beroemde uurwerk in beweging te zien, bij het slaan van het middaguur. Hoe bij het slaan daarvan een geheel leger van poppen eene menigte vernuftig bedachte bewegingen verrichtten; en hoe, onder deze, een groote kunstmatige haan, die op den top stond, twaalf maal luid en helder kraaide. Of welk een wonderlijk gezicht het opleverde, hoe die haan groote moeite deed om te klapwieken en zijn hals uit te rekken, maar blijkbaar geen verband had met zijne eigen stem, die een groot eind lager uit de klok voortkwam.

Of hoe de weg naar Parijs, een enkele zee van slijk was; en vandaar naar de kust, door eene ingevallen harde vorst, een weinig beter werd. Of hoe Dover’s duinen een behaaglijk gezicht opleverden, en Engeland zoo verwonderlijk lief er uitzag—ofschoon het, dit dient erkend, op een winterdag donker en kleurloos is.

Of hoe het, een paar dagen naderhand, koud was bij het weder oversteken van het Kanaal, met ijs op het dek en tamelijk veel sneeuw in Frankrijk; of hoe de postkoets door de sneeuw krabbelde, in de heuvelachtige streken door een aantal moedige paarden op een klein galopje voortgetrokken; of hoe er, vóór ’t dag was, buiten het plein van het postkantoor te Parijs, zonderlinge avonturiers in hoopen lompen, met kleine harken, in de besneeuwde straten rakelden, om naar prullen en vodden te zoeken.

Of hoe tusschen Parijs en Marseille terwijl de sneeuw er zeer hoog lag, dooi inviel, en dat de mail, de volgende driehonderd mijlen of daaromtrent, meer waadde dan reed; hoe er, des Zondagsavonds, de veeren van braken, en zij hare twee passagiers uitzette, opdat deze zich, middelerwijl zij hersteld werd, konden verwarmen en ververschen in ellendige biljartkamers, waar een harig gezelschap om de kachel vergaârd zat en kaart speelde; welke kaarten zeer veel naar hen zelven geleken, daar ze uiterst slap en morsig waren.

Of hoe wij te Marseille werden opgehouden door stormweer, en stoombooten aankondigden dat ze zouden vertrekken, en het toch niet deden; of hoe de goede stoompakket Charlemagne (Karel de Groote) eindelijk uitvoer en zulk weer trof, dat ze nu eens dreigde binnen te loopen in Toulon, en dan eens in Nizza, doch, doordat de wind ging liggen, geen van beide deed, maar in plaats er van, de haven van Genua binnenliep, waar mij de bekenden klokken zoet in de ooren klonken. Of hoe er een reisgezelschap aan boord was, waarvan een lid zeer ziek lag in het vertrekje dat naast het mijne was, en, door zijne ziekte korzelig geworden, weigerde het woordenboek te geven, dat hij onder zijne peluw bewaarde, en daardoor zijn reisgezelschap noodzaakte elk oogenblik bij hem naar beneden te komen, om te vragen, hoe men een klontje suiker, een glas brandewijn en water—hoe laat is het, enz. in het Italiaansch zeide; hetwelk hij altijd met zijne eigene, zieke oogen wilde opzoeken daar hij weigerde het boek aan eenige levende ziel toe te vertrouwen.

Evenals Grumio, had ik u dit en nog iets meer kunnen vertellen—maar het zou weinig hebben gebaat ware ik er niet in belet door de herinnering, dat ik mij met Italië moet bezighouden. Dus zal het, zooals Grumio’s geschiedenis, „in de vergetelheid sterven.”


1 In het Italiaansch is cappello een hoed, vandaar Capuletto

2 M. L. Ph. C. van den Bergh, Bloemlezing uit Shakespeare.

Vert. 

3 De vrouw van den Predikant van Wakefield. Zie Aanm. bladz. 149. 

4 Zie Aanm. bladz. 160. 

5 Een Engelsch kunstenaar van grooten naam.