Voor mij bestaat er in Italië niets schooners dan de kustweg tusschen Genua en Spezzia. Aan de eene zijde ziet men, soms veraf, soms nabij en gelijk met den grond, en vaak omzoomd door gebroken rotsen van veelsoortigen vorm: dáár de blauwe zee met hier en daar eene schilderachtige feluca (een soort vaartuig), die zachtkens voortglijdt; op de andere zijde, hooge heuvels, bergkloven met witte stulpjes bestrooid, plekken van donkere olijfbosschen, dorpskerken met hare ranke, opengewerkte torens en vroolijk geschilderde landhuizen. Op alle heuveltjes en dijken langs den weg, de wilde cactus en de aloë in kwistigen overvloed bloeiende, en de tuinen der schoone dorpen langs den weg, des zomers gloeiende van groepen der Belladonna, terwijl zij in den herfst en den winter rieken van de oranje- en citroenboomen.
Eenige van de dorpen zijn bijna uitsluitend door visschers bewoond, en het is aardig, hunne groote booten op het strand gehaald te zien, en eene geringe oppervlakte beschaduwende waarin zij liggen te slapen, of waar de vrouwen en kinderen zitten te snateren en naar de zee te zien, terwijl zij hunne netten op den oever herstellen. Daar is eene stad, Camoglia, met hare kleine haven, honderden voeten lager dan de weg, aan de zee gelegen, waar huisgezinnen van zeevarenden wonen, die, zeer lang geleden, te dezer plaatse reeders van kustvaarders waren en op Spanje en op andere landen handel dreven. Van den weg gezien die er boven ligt, doet zij zich voor als eene schrale afspiegeling aan den kant der gerimpelde watervlakte, schitterende in het licht der zon. Daarheen afgedaald zijnde, langs de slingerende sporen der muilezels, is zij eene volmaakte afbeelding in het klein van eene oorspronkelijke zeeplaats: de zoutwaterigste, ruwste, roofziekste, kleine stad, die er ooit gezien is. Groote verroeste ijzeren ringen en meer-kettingen, kaapstanders en brokken van oude masten en sparren verstoppen den weg; kloeke booten, om in slecht weer uit te varen, en zeemansplunjes fladderen in de kleine haven of liggen op de zonnige steenen te drogen; op de borstwering van den ruwen steiger liggen eenige kerels te slapen, die er als waterrotten uitzien, met hunne voeten over den wal slingerende, alsof land en water hun hetzelfde was; en glipten zij er in, zij zouden wegdrijven, genoeglijk voortsluimerende te midden der visschen; de kerk schittert van de gedenkteekenen, uit zee medegebracht, en van de gelofte-offeranden, ter herinnering aan redding uit storm of schipbreuk. De woonhuizen, die niet onmiddellijk op de haven uitkomen, zijn toegankelijk door middel van donkere, lage gewelfde gangen en uitgesleten trappen, alsof ze, in duisternis en moeielijkheid om te genaken, gelijk moesten zijn aan het ruim van een schip, of aan ongemakkelijke kajuiten onder water; en overal riekt het naar visch, en zeewier en oud touw.
De kustweg, van waar men Camoglia reeds van verre in de laagte kan zien liggen, is in het warme jaargetijde, voornamelijk in eenige gedeelten der omstreken van Genua, beroemd door de St.-Jans-torren. Op een duisteren nacht daar langs wandelende, heb ik deze schoone insecten één schitterend uitspansel zien daarstellen; zoodat de verafzijnde sterren verbleekten bij den glans en het geflonker, welke op ieder olijfboschje en langs elke helling der heuvelen schitterden en de geheele lucht vervulden.
Het was evenwel niet in zulk een tijd van het jaar, dat wij langs dezen weg trokken om ons naar Rome te begeven. Het midden van Januari was juist voorbij, en het was zeer somber en donker weer, en zeer vochtig bovendien. Toen wij door den schoonen bergpas van Bracco trokken, overviel ons zulk eene mist- en regenbui, dat wij den geheelen weg als in eene wolk voorttrokken. Wij zagen daar zòò weinig van de Middellandsche Zee alsof er geene in de wereld was, behalve wanneer eene plotselinge windvlaag, den mist, die haar omgaf, voor een oogenblik opklarende, de onstuimige zee verre beneden ons vertoonde, hoe zij de verwijderde rotsen geeselde en haar schuim woedend opspatte. Het regende onophoudelijk; iedere beek en stroom was hevig gezwollen; en zulk een oorverdoovend klotsen, en bruisen, en hol gonzen des waters, heb ik in mijn leven niet meer gehoord.
Toen wij van daar te Spezzia kwamen, vonden wij dat de Magra, eene rivier zonder brug op den grooten weg naar Pisa, te gezwollen was, om ons zonder gevaar in de pont te doen overzetten; en wij waren genoodzaakt te wachten, tot op den achtermiddag van den volgenden dag, toen zij gedeeltelijk gevallen was. Spezzia evenwel is eene goede plaats om er te wachten; ten eerste, wegens hare schoone baai; ten tweede, wegens haar spookachtig logement; ten derde, wegens het hoofddeksel der vrouwen, die, aan de eene zijde van haar hoofd, een kleinen poppenstroohoed dragen in het haar vastgestoken; zekerlijk het zonderlingste en zotste hoofddeksel, dat ooit is bedacht.
Nadat wij de Magra zonder gevaar in de pont waren overgestoken—de overtocht is geenszins aangenaam, wanneer de stroom sterk en gezwollen is—kwamen wij binnen eenige uren te Carrara aan. Den volgenden morgen kregen wij vroegtijdig eenige hitjes, en reden uit om de marmergroeven te zien.
Er zijn vier of vijf groote bergkloven, oploopende tusschen eene rij hooge heuvelen, totdat zij niet hooger kunnen en plotseling door de natuur worden ineengewrongen. De groeven of „kelders”, zooals zij ze hier noemen, zijn zoovele openingen, boven aan de heuvels, op beide zijden dezer engten, waarin men groeven en uithollingen maakt om marmer te zoeken, dat goed of slecht kan uitvallen, en zeer snel iemands fortuin kan maken, of hem arm doen worden, door de hooge arbeidsloonen voor iets, dat niets waard is. Eenige dezer groeven zijn door de oude Romeinen geopend, en zijn thans nog in denzelfden staat waarin zij ze gelaten hebben.
Velen anderen zullen nog heden, andere weder morgen, de volgende week, de volgende maand ontgonnen worden, andere groeven blijven onverkocht, en er wordt zelfs niet eens aan gedacht. Er ligt overal nog meer marmer verborgen dan er noodig is voor een aantal eeuwen, gelijk aan die er zijn vervlogen sedert men voor het eerst tot deze plaats zijne toevlucht nam; en dat geduldig den tijd afwacht, waarin het ontdekt zal worden.
Als gij langs een dezer steile bergengten klimt en klautert (nadat gij den buikriem van uw hitje, een mijl of twee lager, in het water bevochtigd hebt), hoort gij elk oogenblik de waarschuwende en droefgeestige tonen van de hoorn, stiller dan de vorige stilte, tusschen de heuvelen weergalmen,—een sein voor de mijngravers om weg te spoeden. Dan hoort men een donderenden slag, die van den eenen heuvel tot den anderen teruggekaatst wordt, en groote stukken der rots worden dan soms in de lucht geworpen; en gij klimt hooger, totdat een nieuw hoorngeschal, van eene andere zijde komende, u onmiddellijk doet ophouden, om niet in de nabijheid eener nieuwe ontploffing te komen.
Boven op die heuvelen—aan de zijde—was een aantal mannen bezig, de brokken steen en aarde uit den weg te ruimen en naar beneden te werpen, om plaats te maken voor de marmerblokken, die opgegraven waren. Deze stukken, door onzichtbare personen geworpen, kwamen naar beneden rollen in de nauwe vallei, en onwillekeurig dacht ik aan de steile bergengte (juist eene als deze), waarin de vogel Roc, Sinbad den zeeman achterliet, en waar de kooplieden groote stukken vleesch van boven afwierpen opdat er de diamanten zouden aankleven. Hier waren geene arenden, om in hunne vlucht de stralen der zon te onderscheppen en op het vleesch neer te schieten, maar het was er even wild en woest alsof er honderden tegenwoordig waren.
Maar welk een weg is het, waarlangs het marmer komt, hoe groot ook de blokken zijn! Moge de genius van het land en de beschermgeest van zijne instellingen dien weg bestraten; dien herstellen; er over waken; dien in stand houden! Verbeeld u een stroom die over een rotsachtig bed loopt, dat met steenen van alle grootte en vorm bezaaid is, en door het midden der vallei slingert; en dit is de weg—omdat het voor vijfhonderd jaren de weg was.
Verbeeld u de lompe karren van voor vijfhonderd jaren, die tot heden toe, evenals vroeger, nog gebruikt en voortgetrokken worden door ossen, waarvan de voorouders, voor vijfhonderd jaren zich doodgewerkt hebben, evenals hunne ongelukkige nakomelingen thans in twaalf maanden sterven, door het lijden en den doodsangst bij dit wreede werk. Twee paren, vier paren, twintig paren voor een blok, naarmate van de grootte; langs dezen weg moet het naar beneden. Zoo tobben zij van steen tot steen, terwijl zij verschrikkelijk zware lasten achter zich slepen, totdat zij meermalen op de plaats zelve den laatsten snik geven; en zij niet alleen; want hunne hartstochtelijke drijvers, die somtijds in hunne drift nedervallen, worden dan onder de wielen verpletterd. Maar het was goed vijfhonderd jaren geleden, en het moet ook nu goed zijn; en een spoorweg langs eene dezer steilten aan te leggen (het gemakkelijkste ding ter wereld) zou godslasterend zijn.
Toen wij er bij stonden, om eene dezer karren, slechts door een paar ossen voortgetrokken, naar beneden te zien komen (want er lag maar een klein blok marmer op), begroette ik in mij zelven den man, die op het zware juk zat, om het de arme beesten op den nek te houden—en nog wel ruggelings—als den duivel van het zuivere despotisme. Hij had een grooten stok, met eene ijzeren punt, in de hand, en als zij niet meer konden voortzwoegen of hun weg vervolgen, door het losse bed van den stroom, en een oogenblik ophielden, stak hij ze hun in het lijf, sloeg hen op het hoofd, draaide haar in hunne neusgaten heen en weder, en kreeg ze, door de hevigheid hunner woedende pijnen, eenige ellen verder voort; herhaalde, brandende van verlangen zijn doel te bereiken, wanneer zij weer ophielden, al zijne overtuigingsmiddelen in dubbele mate, en kreeg ze nog eens voort, dwong en dreef ze tot aan een meer afloopend gedeelte der helling: en wanneer de hevige pijnen en de zwaarte achter hen ze aanzetten om, onder eene wolk van opspattend water, door den afgrond te gaan, dan zwaaide hij den stok boven zijn hoofd en slaakte een vreugdekreet, alsof hij iets van belang verricht had; maar scheen er niet aan te denken, dat de beesten hem konden afwerpen, en blindelings zijne hersenen op den weg vertrappen, te midden zijner zegepraal.
Dezen achtermiddag in een van de menigvuldige werkplaatsen van Carrara staande—want het is een groot atelier, vol van de schoonste, afgewerkte kopieën in marmer, van bijna ieder beeld, elke groep en buste die ons bekend zijn—kwam het mij in het eerst zoo vreemd voor, dat die keurige vormen, vol bevalligheid, geest en heerlijke standen, uit al dit werk en zweet en uit al deze martelingen ontstaan zouden.
Maar ik vond spoedig eene parallel en eene uitlegging er voor in iedere deugd die op een ellendigen grond ontspringt, en elke zaak die ontstaat te midden van kommer en ellende; en van uit het groote raam van het atelier des beschouwers naar de bergen ziende, waar de marmergroeven zijn, die rood en gloeiend waren bij het vallen van den avond, dacht ik: hoevele groeven van menschelijke harten en zielen, die veel fraaier uitkomsten konden opleveren, zijn niet ontgonnen en liggen weg te rotten; terwijl reizigers, die het leven slechts vermaakshalve schijnen door te trekken, hunne aangezichten onder het voorbijgaan afwenden, en sidderen voor de somberheid en ruwheid die ze bedekt.
De toen regeerende hertog van Modena, wien dit grondgebied gedeeltelijk toebehoorde, maakte op de hooge onderscheiding aanspraak, de eenige vorst in Europa te zijn, die Lodewijk Philips niet heeft erkend als koning van Frankrijk! Hij boertte niet, maar meende het ernstig. Ook hij was een tegenstander van spoorwegen, en zou, als sommige lijnen tot stand kwamen, die in overweging genomen waren door de andere vorsten, waartusschen zijn gebied gelegen is, waarschijnlijk het genoegen smaken een omnibus te bezitten, die over zijne niet uitgestrekte bezittingen reed, om reizigers van de eene wachtplaats naar de andere te brengen,
Carrara, door hooge heuvelen omringd, ziet er zeer schilderachtig en fier uit. Slechts toeristen verwijlen hier; en de bewoners staan allen op de eene of andere wijze in betrekking met het bewerken van het marmer. Bij de groeven zijn ook dorpen, waar het werkvolk woont. De stad bezit een fraaien kleinen schouwburg, onlangs gebouwd: en het is hier eene zeer belangwekkende gewoonte, de koren saam te stellen uit lieden die in de marmergroeven arbeiden, en welke zich zelven onderrichten en alleen op het gehoor zingen. Ik heb een komiek zangspel en een bedrijf van Norma van hen gehoord, en ze voerden het vrij goed uit; niet gelijk de geringe klasse in Italië gewoonlijk doet, welke (behalve eenige uitzonderingen onder de Napolitanen) erg valsch zingt en eene zeer onaangename stem heeft.
Van den top van een heuvel aan gene zijde van Carrara, is het eerste uitzicht over de vruchtbare vlakte, waarin de stad Pisa ligt—benevens Livorno, als eene purperen vlek in het verwijderd verschiet—verrukkend. Ook is het niet het verschiet alléén, dat het uitzicht betooverend maakt; want de vruchtrijke streek en de boschjes van olijfboomen, door welke de weg zich heenslingert, maken het verrukkend.
De maan scheen toen wij Pisa bereikten, en nog lang zagen wij achter den muur den overhellenden toren in het weifelende licht; het schaduwachtig oorspronkelijke van de oude prent-afbeeldingen in schoolboeken, die „de wonderen der wereld” beschrijven.
Evenals de meeste zaken, die in verband staan met schoolboeken en schooljaren, was hij te klein. Ik gevoelde het innig. Hij stak in het geheel niet zoo hoog boven den muur uit als ik gehoopt had. Het was weder eene van die menigte bedriegerijen, uitgeoefend door mijnheer Harris, aan den hoek van St.-Paul’s-kerkhof te Londen. Zijn toren was eene hersenschim, maar dit was wezenlijkheid. Evenwel zag hij er toch vrij goed uit, en was wel zooveel buiten de loodlijn als men hem had voorgesteld. Ook het stille voorkomen van Pisa; het groote wachthuis aan de poort met slechts twee kleine soldaten er in; de straten, waarin men ternauwernood eenig volk bemerkte; en de Arno, die bevallig door het midden der stad stroomde, waren uitmuntend goed. Aldus koesterde ik geen wrok meer tegen mijnheer Harris (daar ik mij zijn goeden wil herinnerde), maar vergaf ’t hem, alvorens te gaan dineeren, en ging uit in het vertrouwen den volgenden morgen den toren te zien.
Ik zou het beter hebben kunnen weten; maar ik verwachtte hem op de eene of andere wijze te zien, hoe hij zijne lange schaduw in eene straat liet vallen, waar den geheelen dag volk uit- en inging. Het baarde mij verwondering, hem te vinden op eene ernstige, stille plaats van het algemeen gewoel verwijderd, en met zachte, groene zoden bedekt. Maar de hoop gebouwen, op en rond dit groenend vloertapijt geschaard: bestaande uit den toren, het doophuis, de hoofdkerk en de kerk van het Campo Santo, is misschien de opmerkenswaardigste en schoonste van de geheele wereld; en dewijl ze aldaar te zamen opgehoopt zijn, verwijderd van de gewone bezigheden en neringen der stad, zoo bezitten ze een zeldzaam, eerwaardig en indrukwekkend voorkomen. Ze zijn de uitgelezen bouwwerken eener oude, rijke stad, welke van al de gewone gebouwen is ontdaan en gezuiverd.
Sismondi vergelijkt den toren met de gewone afbeeldingen in kinderboekjes van den Toren van Babel. Het beeld is gelukkig gekozen, en geeft een beter denkbeeld van het gebouw, dan geheele hoofdstukken eener uitvoerige beschrijving. Niets kan de bevalligheid en lichtheid der bouworde te boven gaan; niets kan opmerkenswaardiger zijn, dan zijn geheel voorkomen. Wanneer men naar den top klimt (door middel van eene gemakkelijke trap), is de overhelling niet zeer merkbaar, maar wordt dit aan den top, en doet eene gewaarwording ontstaan, als ware men op een schip dat door de eb overhelt. De uitwerking aan den lagen kant om het zoo te noemen—als men van de galerij naar beneden kijkt, en den koker naar zijne basis ziet terugwijken—is om er van te schrikken; en ik zag een zenuwachtig reiziger, die naar beneden had gezien, onwillekeurig den toren vasthouden, als dacht hij hem te stutten.
Het gezicht aan de binnenzijde van den grond af—naar boven ziende, als door eene schuine buis—is zeer zonderling. Hij helt zekerlijk zooveel over als de bloedrijkste toerist verlangen kan. De natuurlijke aandrift van negen en negentig menschen van de honderd, die op het punt stonden zich op het gras er onder neer te leggen en de naburige gebouwen te beschouwen, zou waarschijnlijk zijn: niet onder de overhellende zijde te gaan liggen;—zoo schuin is hij.
De veelvuldige schoonheden van de hoofdkerk en het doophuis behoeven niet door mij herhaald te worden; maar wanneer ik ze mij herinner, dan vind ik ’t in dit geval en in honderd andere moeielijk, mijn eigen vermaak af te scheiden van uwe verveling, als ik ze zou uitmeten. In de eerste is de beeltenis van Sinte Agnes, door Andreas del Sarto, en in het laatste zijn eene menigte rijk versierde kolommen, die mij sterk in verzoeking brengen.
Ik breek, zoo ik hoop, geenszins mijn besluit om in geene uitvoerige beschrijvingen te vervallen, wanneer ik mij het Campo Santo herinner; waar graven, met gras begroeid, zijn gemaakt in aarde, meer dan zeshonderd jaren geleden uit het Heilige Land aangevoerd; en hetwelk omringd wordt door zulke kloosters, met zoodanig beweegbaar licht en schaduwen, door hun keurig beitelwerk op het steenen plaveisel vallende, dat zeker het verstomptste geheugen het nimmer zou vergeten. De muren van deze statige en bekoorlijke plaats zijn versierd met oude fresco’s, zeer beschadigd en vervallen, maar zeer bezienswaardig. Zooals gewoonlijk het geval is in iedere verzameling van schilderstukken in Italië, van welken aard ook, waar vele koppen zijn afgebeeld, is er, in een van dezen, eene toevallige treffende gelijkenis met Napoleon. Er was een tijd dat ik er behagen in vond, mij zelven af te vragen, of deze oude schilders, al werkende, een voorgevoel hadden van den man, die eens zou opstaan om zulk eene vernieling in de kunst aan te richten, wiens soldaten mikschijven van groote schilderijen zouden maken en te midden van de pronkstukken der bouwkunde hunne paarden zouden stallen. Maar hetzelfde Korsikaansche gelaat wordt, op den huidigen dag, in sommige streken van Italië zóó overvloedig gevonden, dat eene meer alledaagsche oplossing der toevalligheid onvermijdelijk is.
Indien Pisa, krachtens zijn toren, het zevende wonder der wereld is, mag het vorderen, ten minste het tweede of derde te zijn uit hoofde van zijne bedelaars.
Deze pogen telkens den ongelukkigen bezoeker te belagen, vergezellen hem tot aan iedere deur waar hij binnentreedt, en liggen, aanzienlijk versterkt, voor elke deur op hem te wachten, waaruit zij weten dat hij moet komen. Het gekras van de deur op hare scharnieren is het teeken voor een algemeenen kreet, en op het oogenblik dat hij verschijnt, wordt hij omringd en aangevallen door hoopen van lompen en grijnzende lieden. De bedelaars schijnen zich van al den handels- en ondernemingsgeest van Pisa meester te maken. Niets verroert zich in de straten, dan de warme lucht. Wanneer men de straten doorgaat, zien de voorgevels der slaperige huizen er als achterhuizen uit. Zij zijn allen zoo stil en rustig, en gelijken zóó weinig naar huizen waarin menschen wonen, dat het grootste gedeelte der stad er uitziet evenals eene stad in den vroegen morgen, of als hield de gansche bevolking de siesta (het middagslaapje). Of het gelijkt nog meer naar de achtergevels op gewone prentverbeeldingen, of oude platen, waar de vensters en deuren ternauwernood zijn aangetoond, en men een beeld (natuurlijk een bedelaar) eenzaam op en neder ziet wandelen in een grenzenloos perspectief.
Dit is niet het geval met Livorno, (bekend doordien Smolet er begraven ligt, waar lediggang verdreven wordt door den handel. De wetten op den handel en voor de kooplieden zijn hier zeer vrijzinnig; en de stad heeft er, natuurlijk, veel voordeel van. Livorno heeft een slechten naam, wat moordenaars aangaat, en men moet het bekennen, met eenig recht. Weinige jaren geleden was daar eene moordenaars-club, waarvan de leden niemand in het bijzonder eenigen haat toedroegen, maar des nachts op straat iemand (die hun geheel onbekend was) vermoordden, alleen ter aanprikkeling en vermaakshalve. Ik geloof, dat de voorzitter van dat lieve gezelschap een schoenmaker was. Hij werd echter gevat en de club ging uiteen. Waarschijnlijk zou die in den natuurlijken loop der gebeurtenissen verdwenen zijn, vóór de spoorweg tusschen Livorno en Pisa geopend ware; die vrij goed is, en reeds Italië verwonderd heeft, door een voorbeeld te geven van nauwkeurigheid, orde, eerlijke handelwijze en verbetering—de gevaarlijkste en meest naar ketterij riekende reden, die verwondering baart over alles. Er moet zekerlijk eene kleine onaangename gewaarwording, evenals die bij eene aardbeving, op het Vatikaan gevoeld zijn geworden, toen de eerste Italiaansche spoorweg geopend werd.
Wij keerden naar Pisa terug en huurden een goed geluimd Vetturino en zijne vier paarden, om ons naar Rome te brengen. Wij trokken door bevallige Toskaansche dorpen en hadden den geheelen dag een vroolijk uitzicht. De kruisen aan den weg zijn in dit gedeelte van Italië talrijk en zonderling. Zelden is er een beeld aan het kruis, doch soms een aangezicht; maar zij zijn opmerkelijk wegens de kleine houten modellen waarmede zij versierd zijn, van ieder mogelijk voorwerp dat betrekking heeft op den dood van den Zaligmaker. De haan, die kraaide toen Petrus zijn Meester driemaal verloochend had, is gewoonlijk bovenop geplaatst, en een wonder onder de vogelen. Beneden dezen is het opschrift (I. N. R. I.). Dan hangen aan het dwarshout: de speer, het riet, met de spons vol azijn en water aan het einde vastgehecht, de rok zonder naad waarom de krijgslieden dobbelden, de beker waarmee zij de dobbelsteenen wierpen, de hamer die de ijzeren nagels indreef, de nijptang die ze er uithaalde, de ladder welke tegen het kruis was gezet, de doornenkroon, de geeselroeden, de lantaren, waarmede Maria naar den grafkelder ging (ten minste zoo denk ik), en het zwaard, waarmede Petrus den dienaar van den hoogepriester versloeg—een volmaakte poppenwinkel van kleine voorwerpen, welke iedere vier of vijf mijlen langs den geheelen straatweg herhaald wordt.
Op den avond van den tweeden dag nadat wij Pisa verlaten hadden, bereikten wij de fraaie, oude stad Siëna. Er was, wat zij een Carnavalsvreugd noemen, aan den gang; maar daar het geheim bij een paar hoopjes volk berustte, die er zeer droefgeestig uitzagen, de voornaamste straten, met grof beschilderde momaangezichten, op en neder liepen en, indien het mogelijk ware, nog treuriger zagen dan hetzelfde slag van volk in Engeland, zoo zal ik er niets meer van zeggen. Wij gingen den volgenden morgen vroegtijdig de hoofdkerk bezichtigen, die, zoowel van binnen als van buiten, er hoogst schilderachtig uitziet, voornamelijk aan de buitenzijde—benevens het marktplein of de groote Piazza, dat vrij ruim is, en waarop eene groote fontein staat met eene gebroken voorzijde, eenige vreemdsoortige, gothische huizen, en een hoogen vierkanten, tichelsteenen toren, aan welks buitenzijde—een vreemd verschijnsel bij dergelijke gezichten in Italië, eene vervaarlijk groote klok hangt. De stad gelijkt wel iets naar Venetië, zonder het water.
Er zijn eenige bezienswaardige, oude paleizen in de stad, die zeer oud is, en die, zonder mij de belangstelling van Verona en Genua in te boezemen, zeer droomerig en phantastisch en allerbelangwekkendst is.
Zoodra wij deze zaken gezien hadden, reden wij verder, door eene vrij schrale landstreek (daar waren tot nu toe niets dan wijngaarden, die om dezen tijd van het jaar veel naar wandelstokken geleken) en hielden, als gewoonlijk, tusschen een en twee uren op het midden van den dag stil, om de paarden te laten rusten—daar iedere Vetturino zulks te voren bedingt. Daarna reden wij verder, door eene streek, die trapsgewijs schraler en woester en eindelijk zoo bar en akelig werd als de Schotsche moerassen. Toen het duister was geworden, hielden wij op aan de osteria (herberg) van La Scala, een geheel eenzaam huis, waar het huisgezin om een vuur zat, dat in de keuken op een steenen verhevenheid, drie of vier voet boven den grond, aangelegd was, en dat groot genoeg was om er een os voor te braden.
Op de bovenste en ook de eenige verdieping van dit logement was eene groote zaal, die er woest uitzag, met een klein venstertje in een hoek, en vier zwarte deuren, die in verschillende richtingen toegang verleenden naar vier donkere slaapkamers. Om nog niet eens te spreken van eene andere groote, zwarte deur die toegang verleende naar eene andere groote, donkere zaal, waar men, door een soort van luik in den vloer, dadelijk op eene trap kwam en waar de daksparren boven uw hoofd zichtbaar waren; noch van een kleinen hoop argwaanwekkende lieden, die zich in een donkeren hoek van de kamer verborgen, in welke al de messen van het huis in verschillende richtingen verspreid lagen. De haard was van de zuiverste Italiaansche bouworde, zoodat het, door den rook, volslagen onmogelijk was dien te kunnen onderscheiden. De herbergierster geleek naar de vrouw van een roover uit een drama, en droeg hetzelfde hoofddeksel. De honden blaften alsof ze dol waren; de echo’s weerkaatsten die wellevendheden. Daar was geen ander huis, twaalf mijlen in het rond, en de zaken hadden een treurig voorkomen, of liever dat van een moordhol.
Dit verbeterde niet, toen ons geruchten van roovers ter oore kwamen, die, weinige nachten geleden, sterk in aantal en stoutmoedig ronddoolden, en den postwagen in de nabijheid dezer plaats hadden aangehouden. Het was bekend dat zij, nog niet lang geleden, eenige reizigers op den berg Vesuvius zelven overvallen hadden, en men sprak van hen in al de herbergen, aan den weg gelegen. Daar wij er evenwel niets mede te maken hadden (omdat wij weinig verliezen konden), zoo lachten wij er mede, en waren spoedig zoozeer op ons gemak als noodig was. Wij namen het gewone middagmaal in dit eenzame huis; en wanneer men er zich aan heeft gewend, is het een zeer goed middagmaal. Er wordt iets opgebracht met groenten of rijst er in, dat eene soort van vergoeding is van een willekeurigen aard voor soep, en dat vrij wel smaakt als ge het gekruid hebt met veel geraspte kaas, rijkelijk zout en overvloedig peper. Er is een halve vogel, waarvan de soep is gekookt geworden. Er is eene gestoofde duif, waaromheen de maag en de lever van haar zelve en die van andere vogels liggen. Er is een stukje gebraden vleesch, zoo groot als een klein Fransch broodje. Er is een stukje Parmezaansche kaas, en vijf kleine, verkleurde appelen, alles door elkander op een kleinen schotel gehoopt, en tegen elkander aangedrukt, alsof ze beproefden de kans te ontkomen van opgegeten te worden. Dan is er koffie, en een bed. Gij maalt niet om een steenen vloer; gij maalt niet om onsluitbare deuren of open- en dichtslaande vensters; gij maalt er niet om of uwe eigen paarden onder het bed gestald en zoo dicht bij u zijn, dat ge iederen keer wakker wordt, als er een paard hoest of niest. Als gij goed geluimd zijt tegen de menschen in uwe nabijheid, en aardig spreekt, en er vroolijk uitziet, geloof mij vrij, dan kunt ge, zelfs in de ergste Italiaansche herberg, wel onthaald worden, en altijd op de verplichtendste wijze;—en van het eene eind van de landstreek naar het andere gaan (in weerwil van alle vertelseltjes, die het tegendeel verhalen) zonder dat uw geduld ergens geducht op de proef zal gesteld worden. Voornamelijk niet indien gij zulken wijn in mat-flesschen krijgt, als de Orvieto of de Monte Pulciano.
Het was een gure ochtend toen wij deze plaats verlieten; en wij trokken, gedurende twaalf mijlen, door eene streek, even bar, even steenachtig en even woest als Cornwallis is in Engeland, totdat wij Radicofani bereikten, waar eene spookachtige geestenherberg is, vroeger een jachtslot, toebehoord hebbende aan de hertogen van Toskane. Het is zóó vol van slingergangen en groote kamers, dat al de spook- en moord verhalen, die ooit geschreven zijn, in dit huis hun oorsprong kunnen gehad hebben. Daar zijn eenige verbazend oude paleizen in Genua; één voornamelijk, dat er van buiten veel naar gelijkt; maar dit huis te Radicofani is zulk een winderig, krakend wormstekig, rammelend verblijf, waarvan de deur gedurig open- en dichtslaat, en waar men geen voet op de trappen kan zetten zonder uit te glijden, als ik nooit ergens anders gezien heb. De stad, zooals ze dan is, ligt langs de helling van een heuvel boven het huis, en er vlak tegenover. De inwoners zijn allen bedelaars; en zoodra zij een rijtuig zien aankomen, gieren ze naar omlaag en er op aan, als zoovele roofvogels.
Toen wij de bergengte bereikt hadden, die aan gene zijde der stad ligt, begon de wind (gelijk zij ons in de herberg gewaarschuwd hadden) zoo hevig op steken, dat wij verplicht waren mijne wederhelft uit het rijtuig te halen, om haar niet met rijtuig en al te laten omverwaaien, en ons aan den kant, van waar de wind kwam, er aan vast te klemmen (zoo goed als wij van ’t lachen konden), om het rijtuig te verhinderen weggevoerd te worden, de Hemel weet waarheen. Wat de kracht van den wind betreft, zoo zou die landorkaan kunnen wedijveren met eene windvlaag in den Atlantischen Oceaan en eene redelijke kans hebben om de zege te behalen. De rukwind kwam aanzetten, gierende door de breede kloven, tusschen de rij bergen ter rechterzijde; zoodat wij met wezenlijken angst naar een groot moeras, ter linkerzijde, staarden, en zagen dat er geen heester of takje was om er ons aan vast te houden. Het scheen alsof wij, eenmaal door een wind opgenomen, naar zee of in de ruimten moesten gedreven worden.
Het sneeuwde en hagelde en regende en bliksemde en donderde, en er heerschte eene neveljacht, die met ongeloofelijke snelheid voortdreef. Het was uiterst donker en akelig; er waren bergen boven bergen, in sombere wolken gehuld; en er was overal zulk eene vinnige, jagende, hevige, woelige haast, dat het tooneel er onuitsprekelijk opwekkend en grootsch door werd.
Desniettemin was het eene groote verlichting, toen wij het achter den rug hadden, zelfs nu wij het nare, morsige Kerkelijk Gebied moesten overtrekken. Wij kwamen door twee stadjes; in een van welke, Acquapendente, juist een carnavalsfeest gevierd werd, bestaande in een man, gekleed en gemaskerd als eene vrouw, en eene vrouw, gekleed en gemaskerd als een man, die op droefgeestige wijze tot over de enkels in het straatslijk liepen. Daarna kwamen wij tegen donker in het gezicht van het meer van Bolsena, op welks oever eene stad van denzelfden naam ligt, die beroemd is om hare moeraskoorts. Buiten die armoedige stad is er op de oevers van het meer of in de nabijheid er van geen enkel stulpje (want niemand waagt het er te slapen), noch eene boot op het water, noch een stronk of struik om de akelige eentonigheid van zeven en twintig waterige mijlen te breken. Wij kwamen laat aan, daar de wegen door de sterke regens slecht waren geworden; en toen het donker werd, was het tooneel zóó akelig, dat het volstrekt niet te dulden was.
Den volgenden avond kwamen wij met zonsondergang op een geheel ander en nog schooner tooneel van verwoesting. Wij waren Montefiascone (beroemd om zijn wijn) en Viterbo (om zijne fonteinen) doorgetrokken, en nadat wij een heuvel, van acht of tien mijlen uitgestrektheid hadden beklommen, kwamen wij plotseling aan den zoom van een eenzaam meer. In een gedeelte was het zeer schoon met een welig bosch, en in een ander zeer onvruchtbaar, en ingesloten door zwarte vulkanische heuvels. Waar zich nu het meer bevindt was voorheen eene stad, welke op zekeren dag werd verzwolgen; en in plaats er van kwam er dit water. Er bestaan oude overleveringen (welke men in onderscheiden streken der wereld vindt), dat men de verdronken stad kon zien, als het water helder was; doch hoezeer de mogelijkheid er van bestaat, van deze plek gronds is zij verdwenen. De grond kwam daar opborrelen tegelijk met het water, en daar staan ze nu als geesten, achter wie de andere wereld zich heeft gesloten, en die geen middel hebben om er terug te keeren. Zij schenen op de naastvolgende aardbevingen, in den loop der eeuwen, te wachten, wanneer zij weder in den grond zouden duiken, zoodra die zijne kaken opsparde, en niet weer gezien zullen worden. De ongelukkige stad daaronder is niet meer verloren en treurig dan deze verschroeide heuvels en het stilstaande water er boven. De roode zon zag er vreemd op neer, als ware het deze bewust, dat zij voor holen en duisternis waren gemaakt, en het landziekige water kabbelde en kletste over het slijk, en kroop traag tusschen het moerassige gras en riet, alsof het verzwelgen van al de oude torens en nokken van huizen, en de dood van al het vroegere volk daar geboren, thans zwaar zijn geweten drukte.
Een kleine rit bracht ons van dit meer naar Ronciglione; eene kleine stad, die naar een groot varkenskot geleek, waar wij den nacht doorbrachten. Den volgenden dag ten zeven uur reisden wij naar Rome af.
Dadelijk nadat we ’t varkenskot hadden verlaten, kwamen wij in de Campagna Komana (eene golvende vlakte, naar gij weet), waar weinige menschen kunnen leven; en waar, mijlen en mijlen ver, niets is dat de schrikbarende eentonigheid en naargeestigheid afwisselt. Van alle soort van omstreken, welke bij eenige mogelijkheid buiten de poorten van Rome kunnen liggen, is deze de meest gepaste en geschiktste begraafplaats voor de Doode Stad, zoo somber, zoo doodsch; zoo geheim in het overdekken en verbergen van groote massa’s puinhoopen; zoo geheel gelijk aan de woeste plaatsen in welke de menschen, door duivels bezeten, in de oude dagen van Jeruzalem gewoonlijk hun akelig gehuil gingen maken en zich verscheuren. Wij moesten dertig mijlen van die Campagna doortrekken; en gedurende twee en twintig van deze, gingen wij voort en voort, zonder iets te zien dan nu en dan een afgezonderd huis, of een herder met een schurkachtig voorkomen, met gevlochten haren, die hem over het geheele gezicht hingen, en hij zelf tot aan de kin in een smerigen bruinen mantel gewikkeld, zijne schapen weidende. Toen wij dien afstand hadden afgelegd, hielden wij stil om de paarden te voeren en een twaalf-uurtje te gebruiken in eene gemeene, afschrikkende, kleine herberg, die er uitzag als ware zij door de moeraskoorts aangetast; waarvan elke plek van muur en balk er binnen (als naar gewoonte) op zulk eene ellendige wijze beschilderd en versierd was, dat elk vertrek er uitzag als ware het de buitenzijde eener andere kamer, en, met zijne ellendige nabootsing van draperieën en de kleine, hoekige, gekladde liertjes, het voorkomen had alsof men daartoe het tooneel van een reizenden paardrijderstroep had uitgeplunderd.
Toen wij weder weggereden waren, begonnen wij met volslagen koortsachtige inspanning naar Rome uit te zien; en toen, nog een paar mijlen verder, de Eeuwige Stad eindelijk in het verschiet voor ons gezicht oprees, geleek zij—ik ben half en half bevreesd het woord terneder te schrijven—op Londen!!! Daar lag zij onder eene dikke wolk, met tallooze torens en torenspitsen en daken van huizen ten hemel stijgende; en boven dat alles stak een koepeldak uit. Ik geef de verzekering, dat, hoe sterk ik ook de blijkbare ongerijmdheid der vergelijking gevoelde, zij op een afstand zoozeer op Londen geleek, dat, had ge haar mij door een kijkglas getoond, ik haar voor niets anders zou hebben gehouden.