Wij gaan naar Napels! En aan gindsche poort, die van San Giovanni Laterano, treden wij over den dorpel der Eeuwige Stad, waar de twee laatste voorwerpen, die de aandacht van een afreizend bezoeker trekken, en de twee eerste voorwerpen, welke de opmerkzaamheid van een aankomende opwekken, eene trotsche kerk en eene vervallende ruïne zijn—juiste zinnebeelden van Rome.
Onze weg gaat door de Campagna, welke er plechtstatiger uitziet in eene schitterend blauwe lucht, als thans, dan wanneer het niet zoo helder is, omdat dan de groote uitgebreidheid van het verval duidelijker voor het oog is, en de zon, die door de bogen van de gebroken waterleidingen schijnt, andere gebroken bogen vertoont, die er in droefgeestigen afstand doorheen schijnen. Toen wij ze achter ons hadden en van Albano terugzagen, lag de donkere golvende oppervlakte onder ons als een stilstaand meer of als eene breede, doffe Lethe-stroom, die rondom de wallen van Rome vloeide en het van de geheele wereld scheidde. Hoe dikwijls zijn niet de legioenen in zegetocht glinsterend, die purperen woestenij, thans zoo zwijgend en onbevolkt, doorgetrokken! Hoe vaak had de sleep gevangenen niet met benepen hart naar de stad in het verschiet gezien, en opgemerkt, hoe de bevolking er uit stroomde om den terugkeer van den overwinnaar toe te juichen! Wat al losbandigheid, zinnelijkheid en moord hebben niet als dol rondgezwierd in de uitgestrekte paleizen, die thans tot hoopen steens en verstrooid marmer zijn geworden! Wat vuurglans, en joelen van volksrumoer, en weeklachten van pest en hongersnood zijn niet komen aanhollen over het woeste veld, waar thans niets wordt gehoord dan de wind en waar de eenzame hagedissen ongehinderd in de zon spelen!
De reeks wijnkarren, die naar Rome trokken, en welke ieder bestuurd werden door een ruigharigen boer, die onder een verdek van schapevel, van vorm als die der heidens, achteroverleunde, is ons nu voorbij, en we trekken naar eene hoogere landstreek, waar boomen zijn. De volgende dag brengt ons aan de Pontijnsche Moerassen, die eentonig, vlak en eenzaam zijn, begroeid met rijshout en hier en daar onder water liggen, maar tusschen welke een schoone weg is aangelegd, overschaduwd door eene zeer lange laan. Hier en daar komen we een eenzaam wachthuis voorbij; hier en daar eene verlaten en dichtgemetselde hut. Eenige herders drentelen aan de oevers der rivier, die langs den weg stroomt, en soms komt eene platboomde boot, door een man voortgetrokken, langzaam er naast varen. Eene enkele keer komt er een ruiter voorbij, die een lang geweer dwars voor hem op den zadel heeft, en door moedige honden wordt gevolgd; maar anders is er niets dat zich verroert behalve de wind en de schaduwen, tot we in het gezicht van Terracina komen.
Hoe blauw en schitterend is daar de zee, welke onder de ramen rolt der herberg, die zoo berucht is in roovergeschiedenissen! Hoe schilderachtig zijn de groote, steile rotsen en rotsstukken, die over den engen weg hangen, dien wij morgen langs moeten, waar galeislaven in de daarboven gelegen groeven arbeiden, en de schildwachten, die hen bewaken, slenteren aan den zeeoever! Elken nacht hoort men het bruisen der zee onder het stargewelf, en des ochtends, juist bij het aanbreken van den dag, ontdekt men het verschiet, dat zich plotseling, als door een wonderwerk, ver uitstrekt, veraf, achter die zee daar!—Napels met zijne eilanden en den Vesuvius, die vuur uitbraakt. Binnen een kwartieruurs is het geheel verdwenen, als ware het een droombeeld in de wolken, en er is niets meer dan zee en lucht.
Toen wij na eene reis van twee uren de Napelschen grenzen waren overgegaan, en de hongerigste van alle soldaten en ambtenaren bij de in- en uitgaande rechten met moeite hadden tevreden gesteld, kwamen we door een gang of portaal zonder poort in de eerste Napolitaansche stad—Fondi. Herinner u Fondi wel, in den naam van al wat ellendig of bedelachtig is.
Een morsig kanaal van slijk en afval slingert door het midden der ellendige straat en wordt gevoed door aanstootelijke stroompjes, die uit de onaanzienlijke huizen sijpelen. In geheel Fondi is geen deur, of raam, of luik, of dak, of muur, of stijl, of pilaar, die niet vervallen en zwak, of aan ’t rotten is. De rampzalige geschiedenis der stad, met al hare belegeringen en plunderingen door Barbarossa en de overigen, kunnen het vorige jaar hebben plaats gehad, als men oordeelt naar het voorkomen der stad. Hoe de uitgeteerde honden, die langs de ellendige straten sluipen, nog in het leven en niet door het volk verslonden zijn, is een van de raadsels der wereld.
Het is eene bevolking met ingevallen kaken en zure tronies! Allen zijn zij bedelaars; maar dat is niets. Zie ze eens als zij bijeenkomen. Eenigen zijn te vadsig om de trap af te komen, of wantrouwen, wellicht op verstandige wijze, zich op de treden te wagen; zij steken dus hunne dorre handen maar uit bovenvensters en janken; anderen komen in zwermen rondom ons heen, en slaan en stooten elkander, en vragen aanhoudend aalmoezen om Gods wil, aalmoezen in den naam der Gezegende Maagd, aalmoezen in den naam van alle Heiligen. Een troep ellendige kinderen, bijna naakt, hetzelfde verzoek uitschreeuwende, begint, na ontdekt te hebben dat zij zich kunnen spiegelen in het vernis van het rijtuig, te dansen en gezichten te trekken, om het genoegen te hebben hunne snaaksche gezichten in dien spiegel herhaald te zien. Een kreupele zinnelooze, die bezig is een van hen te slaan, welke zijne luidruchtige aanvrage om eene aalmoes verdooft, ziet zijne nijdige tegenpartij in het rijtuigpaneel, blijft staan, en na zijne tong uitgestoken te hebben, begint hij zijn hoofd te schudden en te snateren. De schelle schreeuw, die hierbij opgaat, wekt een half dozijn woeste schepsels in smerige, bruine mantels, welke op de kerktrappen liggen en potten en pannen te koop hebben. Deze krabbelen overeind, komen nader, en bedelen zonder ophouden. „Ik heb honger! Geef mij iets. Luister naar mij, Signor. Ik heb honger!” Daarop ziet men eene akelige oude vrouw, vol vrees er te laat te zullen zijn, de straat komen afstrompelen, en terwijl zij den geheelen weg langs zich met de eene hand krabt, strekt zij de andere uit, en schreeuwt, reeds lang voor men haar kan hooren: „Eene aalmoes, eene aalmoes! Ik zal dadelijk voor u gaan bidden, schoone dame, als ge mij eene aalmoes geeft!” Eindelijk komen de leden eener broederschap ter begraving van dooden voorbij. Zij zijn op afschuwelijke wijze vermomd en gekleed in havelooze zwarte kleeren, die wit op de naden zijn en bezet met de spatten van eenige modderige winters; zij worden verzeld door een morsigen priester en een kruisdrager. Door dien bonten samenloop omgeven, trekken wij uit Fondi, gedurende welken tijd, uit de duisternis van elke vervallen hut, nijdige, schitterende oogen op ons neerzien als glinsterende fragmenten van zijne morsigheid en zijn verderf.
Een edele bergpas, met de bouwvallen van een fort op eene steile hoogte, bij overlevering het fort van Fra Diavolo genaamd; de oude stad Itri, als een dessertstuk van banket, bijna loodrecht op een heuvel gebouwd en dat men door eene hooge trap bereikt; schoon Mola di Gaëta, welke wijnen, evenals die van Albano, sedert de dagen van Horatius ontaard zijn, tenzij hij een slechten smaak van wijn had, dat niet denkbaar is ten opzichte van iemand, welke dien zoo wel wist te genieten en zoo goed te prijzen; den volgenden avond op den weg naar Sint Agatha; daarna een rustdag te Capua, dat schilderachtig maar niet zoo verleidelijk is voor den reiziger als de Praetoriaansche soldaten van Rome de oude stad van dien naam gewoon waren te vinden; een vlakke weg tusschen wijngaarden, die van boom tot boom in festoenen waren gevormd; en eindelijk, zeer nabij, de berg Vesuvius!—zijn kegel en top wit van sneeuw; en, in den zwaren dampkring van den dag, de rook er omheen hangende als eene dikke wolk. Zoo reden wij ratelend den berg af en Napels binnen.
Daar komt een begrafenisstoet de straat af en naar ons toe. Het lijk ligt in eene open doodkist, wordt gedragen op een soort van palankijn en is bedekt met een zwierig kleed van karmozijn en goud. De rouwdragenden hebben witte kleederen en maskers. Indien er de dood thuis is, zoo schijnt er toch ook het leven goed vertegenwoordigd te worden; want geheel Napels schijnt buitenshuis te zijn en in rijtuigen heen en weer te rennen. Eenige van deze, de gewone rijtuigen der Vetturino’s, worden getrokken door drie paarden naast elkander, bedekt met vlugge strikken en een grooten overvloed van koperen versiersels, en die altijd zeer snel loopen. Met dat hunne vrachten onbeduidend zijn, want het kleinste dezer rijtuigen heeft ten minste zes personen binnenin, vier aan de voorzijde, die naast elkander zitten, nog vier of vijf, die er achter aan hangen, en nog twee of drie in een net of zak onder den boom, waar zij half verstikt worden door slijk en stof. Jan Klaassen-vertooners, komieke zangers met guitaren, opzeggers van koddige dichtstukken, verhalers van vertelsels, eene reeks van goedkoope vertooningen met hansworsten en uitleggers, trommen en trompetten, geschilderde zeilen, die de er binnen vertoonde wonderen voorstellen, en de aangapende menigte, die er, onder het gewoel en geraas, buiten vergaderd staat. Lazzaroni, in lompen gehuld, die in deuren, poorten en kotten liggen te slapen; de gegoede stand, zwierig gekleed, in rijtuigen gezeten, zwaaien de Chiaja op en neer of wandelen in de openbare tuinen; en stemmige briefschrijvers, op de openbare straat achter hunne lessenaartjes en inktkokers, onder het Portico van den grooten schouwburg van San Carlo gezeten, wachten op klanten.
Daar is een galeislaaf in ketens, die een brief aan een vriend moet schrijven. Hij nadert een man van een geletterd voorkomen, die onder den boog van een hoek zit, en sluit zijn accoord. Hij heeft verlof bekomen van den schildwacht, die hem bewaakt en welke er dicht bij staat, terwijl hij tegen den muur leunt en noten kraakt. De galeislaaf fluistert den briefschrijver in het oor wat hij wil geschreven hebben; en daar hij geen schrift lezen kan, ziet hij vorschend in zijn aangezicht, om daar te lezen of hij wel getrouw neerschrijft wat hem is gezegd. Na eenigen tijd wordt de galeislaaf spraakzaam—onsamenhangend.—De schrijver houdt een oogenblik op en wrijft zijne kin. De galeislaaf spreekt vloeiend en met nadruk. Eindelijk vat de schrijver het denkbeeld; en met het voorkomen van een man, die weet op welke wijze hij het moest inkleeden, zet hij het neer en houdt nu en dan op, om achterovergeleund, zijn tekst bewonderend aan te zien. De galeislaaf zwijgt. De soldaat kraakt op stoïsche wijze zijne noten. „Is er nog iets bij te voegen?” vraagt de briefschrijver. „Niets meer.” „Luister dan mijn vriend.” Hij leest het door. De galeislaaf staat geheel verrukt. De brief wordt gevouwen, van een adres voorzien en aan hem ter hand gesteld, en hij betaalt het loon. De schrijver gaat werkeloos in zijn stoel achteroverleunen en neemt een boek ter hand. De galeislaaf neemt een ledigen zak op. De schildwacht werpt eene handvol notedoppen weg, schoudert het geweer, en ze gaan samen heen.
Waarom kloppen de bedelaars aanhoudend met de rechterhand op hunne kin, als gij naar hen ziet? In Napels wordt alles in gebaren uitgedrukt, en dit is het conventioneele teeken voor den honger. Een man, die daar ginds met een ander twist, legt de palm zijner rechterhand op de rugzijde van de linker, en beweegt de twee duimen heen en weer—dat ezelsooren verbeeldt,—waardoor zijne tegenpartij op het zeerst geprikkeld wordt. Twee menschen staan te handelen over visch; de kooper ledigt bij het vernemen van den prijs, een denkbeeldig vestzakje en gaat heen zonder een woord te spreken: hij heeft daardoor den verkooper duidelijk te kennen gegeven, dat hij dien te duur vindt. Van twee menschen, die, in rijtuigen gezeten, elkander ontmoeten, raakt de een zijne lippen twee of driemaal aan, steekt de vijf vingers zijner rechterhand in de hoogte en maakt met de handpalm eene waterpasse beweging in de lucht. De ander knikt plotseling en gaat zijns weegs. Hij is, tegen half zes, tot een vriendenmaal uitgenoodigd geworden, en zal zeker komen.
In geheel Italië beteekent een eigenaardig schudden met de rechterhand, van de pols af, terwijl men den wijsvinger uitgestrekt houdt, eene ontkenning—de eenige ontkenning welke bedelaars altijd zullen verstaan. Maar in Napels zijn de vijf vingers eene rijke spraak.
Dit alles, en ieder ander soort van uithuizig leven en woeligheid, en het eten van maccaroni tegen den avond, en het verkoopen van bloemen gedurende den geheelen dag, en het overal en op elk uur bedelen en stelen, ziet ge op het schitterende strand, waar de golven van de baai vroolijk glinsteren. Maar, najagers van het schilderachtige en die er op verliefd zijt, laat ons niet al te opzettelijk uit het oog verliezen, met hoeveel ellendige verdorvenheid, ontaarding en rampzaligheid dat vroolijke Napolitaansche leven onafscheidelijk is verbonden! Het is waarlijk niet goed, Sint Giles zoo terugstootend en de Porta Capuana zoo aanlokkelijk te vinden. Een paar naakte beenen en een versleten roode sluier maken niet al het onderscheid tusschen hetgeen belangwekkend en hetgeen ruw en hatelijk is! Bij alle schildering en dichterlijke voorstelling, welke gij steeds naar behagen kunt geven van de schoonheden dezer schoonste en liefelijkste plek der aarde, behooren wij, naar plicht, te beproeven, eene nieuwe schilderachtigheid te verbinden met eenige flauwe huldiging van ’s menschen bestemming en vermogens, en deze geloof ik, geven meer grond tot hoop tusschen het ijs en sneeuw van de Noord-Pool dan in de zon en de schittering van Napels.
Capri—eens hatelijk gemaakt door het vergode beest Tiberius,—Ischia, Procida en de eindelooze schoonheden van het verschiet der baai liggen daar ginds in de blauwe zee en veranderen in den mist en den zonneschijn twintigmaal op ééne dag; nu eens dichtbij, dan eens veraf, en dan weder buiten het gezicht! De schoonste streek der wereld ligt voor ons uitgespreid. Hetzij wij ons keeren naar het Miseno-strand van het waterige amphitheater, en van de Grot van den Pausilipo naar de Grot del Cane (hondsgrot) en van daar naar Baiæ gaan, of hetzij wij den anderen weg kiezen, naar den Vesuvius en Sorrento, het is overal ééne opvolging van verrukkelijke gezichten. In de laatstgenoemde richting, waar, boven de deuren en poorten, tallooze beeldjes staan van San Gennaro (St. Januarius), met zijne Canut’s hand uitgestrekt, om de woede van den brandenden berg te beteugelen, worden wij door een spoorweg gemakkelijk gebracht naar den zeeoever voorbij de stad Torre del Greco, gebouwd op de asch van de oude stad, door eene uitbarsting van den Vesuvius, eene eeuw geleden, vernield; en voorbij de huizen met platte daken, graanpakhuizen en fabrieken van Maccaroni; naar Castel-à-Mare met zijn in puinhoopen liggend kasteel, en in zee op een hoop rotsen staande, thans door visschers bewoond. Hier eindigt de spoorweg; maar van dat punt kunnen wij verder rijden door eene onafgebroken opeenvolging van betooverende baaien en schoone landschapstafereelen, afdalende van den hoogsten top van St. Angelo, de hoogste berg in de nabijheid, naar den oever—tusschen wijngaarden, olijfboomen, tuinen van Oranje- en citroenboomen, boomgaarden, opeengestapelde rotsen, groene bergkloven—en langs de grondvlakte van hoogten, die met sneeuw zijn bedekt, en door kleine steden, met schoone, zwartharige vrouwen aan de deuren—en komen langs keurige zomervilla’s naar Sorrento, waar de dichter Tasso bezield werd door de hem omringende natuurschoonheden. Bij het terugkeeren kunnen wij van de hoogten, boven Castel-à-Mare, nederzien, en, tusschen twijgen en bladeren, het kabbelende water zien glinsteren in de zon, en de groepen witte huizen in Napels dat in het verschiet ligt, in de groote uitgestrektheid van het perspectief wegkrimpende tot de grootte van dobbelsteenen. De terugkeer naar de stad, weder langs den oever, bij zonsondergang, met de gloeiende zee aan de eene zijde, en den donkeren berg met zijn smook en vlammen aan de andere, is een verheven besluit der glorie van den dag.
Die kerk daar bij de Porta Capuana—nabij de oude vischmarkt, in de morsigste wijk van het morsige Napels, waar het oproer van Masaniello begon—is gedenkwaardig, daar zij het tooneel is geweest van eene zijner eerste proclamaties aan het volk, en is om niets anders bijzonder opmerkelijk, of het moest wezen door haar wassen Heilige, die met juweelen bedekt is, in eene glazen kist ligt en twee linkerhanden heeft; of door het verbazend aantal bedelaars, die daar aanhoudend op de kin kloppen, als ware het eene batterij van castagnetten. De hoofdkerk met de schoone deur en de zuilen van Afrikaansch en Egyptisch graniet, die eens den tempel van Apollo versierden, bevat het beroemde heilige bloed van San Gennaro of Januarius, dat bewaard wordt in twee fleschjes.[P2 punt weg?] in een zilveren tabernakel, en driemaal ’s jaars vloeibaar wordt, tot groote bewondering van het volk. Op het eigen oogenblik wordt de steen, waar de Heilige het martelaarschap onderging (en die eenige mijlen ver ligt), bleekrood. Men zegt dat de dienstdoende priester soms eveneens bleekrood wordt als die mirakelen gebeuren.
De zeer oude menschen, die aan den ingang dezer oude catacomben in hutten wonen, en die, oud en gebrekkig als zij zijn, schijnen af te wachten, dat zij zelven begraven worden, zijn leden van eene zonderlinge vereeniging, het Koninklijk Hospitaal genoemd, en zijn ambtshalve de bedienaars der begrafenissen. Twee van deze oude spoken waggelen voort met brandende fakkels om de holen der dooden te vertoonen—en dit op eene zoo zorgelooze wijze als waren zij onsterfelijk. Deze holen waren reeds voor driehonderd jaren als begraafplaatsen in gebruik, en in één gedeelte is een groote put vol beenderen en schedels, waarvan men verhaalt, dat zij de treurige overblijfsels zijn eener groote sterfte, door eene pest veroorzaakt. In het overige is niets dan stof. Hoofdzakelijk bestaan ze uit groote, ruime gangen en doolhoven, in de rots uitgehouwen. Aan het einde van eenige dezer lange gangen ontmoet men eene onverwachte schittering van het daglicht, dat van boven neerschijnt. Het ziet even akelig als vreemd bij de fakkels en het stof en de donkere gewelven: als ware ook dit dood en begraven.
De tegenwoordige begraafplaats ligt ginds op een heuvel tusschen de stad en den Vesuvius. Het oude Campo Santo (kerkhof), met zijne driehonderd vijf en zestig putten, wordt alleen gebruikt voor dezulken, die in gasthuizen en gevangenissen sterven en niet door hunne betrekkingen opgevraagd worden. Het bevallige nieuwe kerkhof, niet ver daarvan gelegen, heeft, ofschoon het nog niet voltooid zij, reeds menig graf tusschen heesters en bloemen en ranke zuilengangen. Men zou met reden kunnen aanmerken, dat eenige dier graftombes wulpsch en al te grillig zijn, maar de algemeene glans schijnt dit hier te vergoelijken; en de berg Vesuvius, er van afgescheiden door eene liefelijke strook gronds, maakt het tooneel verheven en treurig.
Wanneer het nu een plechtig tafereel oplevert dien te zien, van uit deze nieuwe Stad der Dooden, met zijn donkeren rook, te midden van den helderen hemel, hoeveel ontzaglijker en indrukwekkender is het dan niet, dien te zien van de spookachtige puinhoopen van Herculaneum en Pompeji.
Plaats u op het einde der groote markt van Pompeji, en zie door de stille straten, door de tempels van Jupiter en Isis, die in puinhoopen liggen;—over de vernielde huizen met hunne binnenste heiligdommen, die voor den dag geopend zijn, naar den berg Vesuvius, die zich schitterend en sneeuwachtig in het vreedzame verschiet vertoont, en laat alle tijdsberekening ter zijde, en let op andere dingen in de vreemde en droefgeestige gewaarwording, daar ge den Vernieler en het Vernielde gezamenlijk dit vreedzame tafereel in den zonneschijn ziet vormen. Zwerf dan voort en zie bij elke wending de kleine, gewone teekens van menschelijke woningen en alledaagsche bezigheden; de gleuf, door het emmertouw gemaakt in den steenen rand van den uitgedroogden put; het spoor van de wielen der rijtuigen in het plaveisel der straten, de indruksels van drinkvaten op het steenen buffet van een wijnhuis; de Amphoræ (wijdbuikige flesschen) in kelders van gewone huizen, voor zoovele eeuwen weggeborgen en tot op dit uur nog niet van de plaats genomen—en door dit alles de eenzaamheid en de doodsche verlatenheid dezer plaats tien duizend malen plechtiger gemaakt dan als had de Vulkaan, in zijne woede, de geheele stad van de aarde verdelgd en haar op den bodem der zee doen zinken.
Nadat zij geschud was door de aardbeving, die de uitbarsting voorafging, werden arbeiders gebezigd, nieuwe versiersels in steen te bewerken voor de tempels en andere gebouwen, die beschadigd waren. Hier ligt hun arbeid buiten de stadspoort, als zouden ze morgen weder te werk komen.
In den kelder van Diomedes’ huis, waar zekere geraamten werden ontdekt, die dicht bij de deur werden gevonden, en welke de indrukselen hunner lichamen op de asch hadden achtergelaten, en, met de asch verhard, daar afgestempeld en vastgehecht waren, nadat zij van binnen waren weggekrompen tot nietige beenderen. Op dezelfde wijze drukte in den schouwburg van Herculaneum een komiek masker, dat op den stroom dreef, toen die heet en vloeibaar was, zijne gelaatsvormen daarin af, terwijl hij verhardde en tot steen werd; en thans keert het denzelfden phantastischen blik naar den vreemdeling, welken het voor twee duizend jaren, in denzelfden schouwburg, naar de toeschouwers wendde.
Na het wonderlijke van de straten op en neer- en de huizen in en uit te gaan, en de geheime vertrekken door te wandelen der tempels van een godsdienst, die van de aarde is verdwenen, en na het vinden van zoo menige versche sporen van lang vervlogen oudheid—als had de Tijd na die verwoesting in zijne vaart opgehouden, en als hadden er sedert niet langer dagen en nachten, en maanden en jaren en eeuwen bestaan—is niets indrukwekkender en verschrikkelijker, dan de vele blijken van den hoogst indringenden aard van de asch, die bewijzen geeft voor hare onweerstaanbare macht, en de onmogelijkheid die te ontvlieden. In de wijnkelders drong deze tot in aarden vaten: den wijn er uit drijvende, en schudde ze tot aan den rand vol stof. In de graftombes verdrong die de asch der lijken uit de lijkbussen, en deed ook daarin nieuwe verdelging regenen. Mond, oogholten en schedel van al de geraamten waren opgevuld met dien verschrikkelijken stofregen. In Herculaneum, waar de vloed van een verschillenden en heviger aard was, stroomde die er binnen als eene zee. Verbeeld u een watervloed op het hoogst geklommen, in marmer verkeerd, en dan hebt ge, wat hier „de lava” genoemd wordt.
Eenige werklieden hadden gegraven in den somberen put, op welks rand wij nu staan, toen zij aan eenige van de steenen banken des schouwburgs kwamen—die treden (want daarop gelijken zij) op den bodem der uitgraving,—en de begraven stad Herculaneum hadden gevonden. Toen wij er nu met brandende fakkels in neerdaalden, stonden wij verbaasd over groote muren van eene monsterachtige dikte, die tusschen de banken oprezen en het tooneel sloten; en, hunne vormelooze gedaanten in ongeremde plaatsen dringende, het geheele plan in de war brachten en het tot een ongeregelden droom maakten. Aanvankelijk konden wij niet gelooven of ons dat DIT hier kwam binnenstroomen en de stad voorstellen, verzwolg; en dat al wat er niet is als wezenlijke steen, met de bijl is weggehakt geworden. Maar is dit aan het verstand gebracht dan is het ijselijk, en het hartbeklemmende der aanwezigheid er van, onbeschrijfelijk.
Vele van de schilderstukken op de van dak beroofde muren in beide steden, of welke met zorg naar het museum te Napels waren overgebracht, zijn nog zoo frisch en onbeschadigd als waren zij pas gisteren geschilderd. Hier zijn stillevens, als mondbehoeften, dood wild, flesschen, glazen enz., gemeenzame klassieke geschiedenissen, of mythologische verhalen, alle duidelijk en eenvoudig voorgesteld; omtrekken van twistende, spelende, of den een of anderen arbeid verrichtende Cupido’s; tooneelmatige repetities; dichters, die hunne verzen aan hunne vrienden voorlezen; opschriften, gekrabbeld op de muren, politieke aardigheden, ruwe teekeningen door schooljongens, en ieder ander ding dat de oude steden in den geest van den verbaasden bezoeker kan bevolken en herstellen. Ook ziet ge er huisraad van alle soort—lampen, tafels, zetels, eet-, drink- en kookvaten, gereedschappen van ambachtslieden, chirurgijns-instrumenten, kaartjes voor den schouwburg, muntstukken, lijfversiersels, sleutelbossen, welke men in de vuist vond geklemd van geraamten; helmen van wachters en krijgslieden, kleine huisschellen, die nog muzikaal zijn met hare oude huiselijke tonen.
Het geringste dezer voorwerpen draagt er toe bij, het belang van den Vesuvius te verhoogen, en geeft dien een volslagen zwijmelbarende werking. Reeds het zien uit elke dier in puinhoopen liggende steden naar de omgelegen gronden, welke begroeid zijn met schoone wijngaarden en welige boomgewassen, en zich te herinneren, dat huis op huis, tempel op tempel, gebouw op gebouw en straat op straat nòg liggen onder de wortels van al dien vreedzamen plantengroei en slechts er op wachten, aan het daglicht te worden gebracht, is zóó verbazend, zóó vol geheimenissen, boeit de verbeeldingskracht dusdanig, dat men vooronderstelt dit op het hoogste toppunt te zien, en dat het voor niets anders de vlag zou strijken.
Voor niets anders dan voor den Vesuvius; maar de berg is de genius van het tafereel. Van elke aanwijzing der bouwvallen die hij heeft vernield, zien wij opnieuw, met een alles verterend verlangen, naar de plaats van waar zijn rook hemelwaarts stijgt. Hij is over ons, als wij de bouwvallige straten betreden; boven ons, als wij op de in puinhoopen gevallen muren staan: wij volgen dien langs iedere groep van gebroken kolommen, als wij over de ledige binnenplaatsen der huizen zwerven, en door de slingerpaden en tusschen de festoenen van elken weligen wijngaard. Ons ginds naar Pæstum wendende, om de ontzaglijke gebouwen te beschouwen, waarvan het jongste honderden jaren voor de geboorte van Christus is opgericht en nog in eenzame majesteit overeind staat op de woeste vlakte—slaan wij den Vesuvius gade, zooals hij uit den gezichteinder verdwijnt, en staren bij onze terugkomst met hetzelfde hevige verlangen weder naar hem, als de vloek en het noodlot van deze geheele schoone landstreek, die zijn vreeselijken tijd afwacht.
Toen wij van Pæstum terugkwamen, was het op dezen vroegtijdigen lentedag zeer warm in de zon, maar zeer koud in de schaduw; zelfs zoo, dat, hoewel wij op eene aangename wijze, omstreeks den middag, in de open lucht nabij de poort van Pompeji, ons twaalf-uurtje kunnen gebruiken, het naburige riviertje ons van dik ijs voor onzen wijn voorziet. Maar de zon schijnt helder: is er geen wolkje of zweem van damp in den geheelen blauwen hemel, die zich boven de golf van Napels uitstrekt; en hedenavond zal het volle maan zijn. Het komt er niet op aan of sneeuw en ijs hoog op den top van den Vesuvius liggen, of dat wij den geheelen dag te Pompeji op de been zijn geweest, of dat snappers volhouden, dat vreemdelingen, in zulk een ongewoon jaargetij, niet bij nacht op den berg moeten gaan. Laat ons van het schoone weder gebruik maken; zoo ver mogelijk den weg naar Resina, het kleine dorp aan den voet des bergs, opgaan; ons, zoo goed wij, in een zoo korten tijd, kunnen, aan het huis van den gids voorbereiden; op eens naar boven klimmen, om tegen zonsondergang ter halverwege te zijn, het maanlicht op den top te genieten, en tegen middernacht weer af te dalen.
Ten vier uur in den namiddag is er een vreeselijk oproer op het kleine stalplein van Signor Salvatore, de erkende opperste der gidsen, met een gouden band om zijne muts, en dertig man onder zijne bevelen, die allen tegelijk rondloopen en schreeuwen, en een zestal gezadelde hitjes voorbrengen, benevens drie draagstoelen, en eenige sterke stokken voor de reis. Iedereen van de dertig kijft met de andere negen en twintig en verschrikt de zes hitjes; en zooveel lieden van het dorp als zich met mogelijkheid op het kleine stalplein kunnen saampakken, nemen deel aan het rumoer, en worden op de teenen getrapt door de dieren.
Na vele hevige schermutselingen, en meer geraas dan genoeg ware voor de bestorming van Napels, neemt de optocht een aanvang. De voornaamste der gidsen, die voor al zijne onderhoorigen rijkelijk betaald is, rijdt een weinig voor het gezelschap uit; de andere dertig gidsen volgen te voet. Acht gaan voorop met de draagstoelen, die nu en dan gebruikt zullen worden, en de overschietende twintig bidden.
Trapsgewijze klimmen wij eenigen tijd naar boven, langs lanen met steenen bezaaid, en die naar ruwe, breede trappen gelijken. Ten laatste verlaten wij deze, benevens de wijngaarden, die zich op beide zijden bevinden, en komen in eene grauwe, barre streek, waar de lava verward neerligt, in verschrikkelijke groote, roestkleurige hoopen, evenals ware de aarde door verzengde donderslagen doorploegd geworden. En nu houden wij stil om de zon te zien ondergaan.
De verandering, welke in deze akelige streek en over den geheelen berg plaats grijpt, als het roode licht flauwer wordt en de nacht invalt—en het onuitsprekelijk plechtige en akelige, dat er rondom heerscht, kan iemand die er getuige van was, nimmer vergeten.
Het was donker, toen wij, na eenigen tijd over den oneffen grond heen en weder gegaan te zijn, den voet van den kegel bereikten, die bijzonder steil is, en bijna loodrecht schijnt op te rijzen van de plaats waar wij afstijgen. Het eenige licht wordt teruggekaatst door de diepe, harde en witte sneeuw, waarmede de kegel bedekt is. Het is nu vinnig koud en de lucht is scherp. De een en dertig hebben geene fakkels medegebracht, daar zij weten, dat de maan zal opgaan vóór wij den top bereikt hebben. Twee van de draagstoelen zijn voor de beide dames; de derde voor een vrij dik heer van Napels, wiens gastvrijheid en goede luim hem aan den tocht deden deelnemen en ’t besluit opvatten, zijn bijstand te verleenen, om de eer van den berg op te houden. De vrij dikke heer wordt door vijftien mannen gedragen; elke dame door een zestal. Wij voetgangers maken goed gebruik van onze stokken, en zoo begint het geheele gezelschap over de sneeuw naar boven te scharrelen,—als zwoegden ze om den top van een antediluviaanschen Driekoningen-koek te bereiken.
Het duurt lang eer wij boven zijn; en de opperste der gidsen kijkt spotachtig rond, daar één van het gezelschap—geen Italiaan, hoewel gedurende vele jaren een habitué van den berg, dien wij, voor het tegenwoordige, Mr. Picke van Portici zullen noemen—de meening oppert, dat, daar het hard vriest en de gewone laag asch met sneeuw en ijs is bedekt, het zeer moeielijk zal wezen af te dalen.
Maar het gezicht van de draagstoelen er boven, heen en weder schommelende en van de eene zijde naar de andere zwaaiende, daar de dragers gewoonlijk uitglijden en struikelen, leidt onze aandacht af; vooral daar de geheele lengte van den vrij dikken heer zich thans aan ons, op eene verontrustende wijze, met zijn hoofd naar beneden, in de verkorting voordoet.
Het opkomen der maan, dat spoedig daarna plaats grijpt, verlevendigt de verslapte krachten van de dragers. Terwijl zij elkander aanprikkelen, met hun gewoon wachtwoord: „Moed, vriend! Het is om maccaroni te eten!” gaan zij kloekmoedig voorwaarts naar den top.
Wij waren in het donker opgeklommen, maar, nadat de maan den sneeuwtop boven ons met eene streep van licht heeft gekleurd, en dit vervolgens in een stroom, door de vallei onder ons loopende, heeft doen schijnen, verlicht zij weldra de geheele witte zijde van den berg, en de ruime zee ver onder ons, en het kleine Napels in het verschiet, en ieder dorp in den omtrek. Het geheele uitzicht deed zich op die liefelijke wijze voor, toen wij op de vlakte van den top des bergs aankwamen—de streek van het vuur;—een uitgedoofde krater, gevormd door groote hoopen reusachtige sintels, evenals stukken steen, die door een ontzaglijken waterval zijn uitgeworpen. Uit elk van zijne spleten en holen stijgt een heete, zwavelachtige damp op; terwijl van een anderen kegelvormigen heuvel—de tegenwoordige krater—die aan het einde dezer vlakte steil in de hoogte rijst, groote vuurtongen opstijgen; die, door de vlam, den nacht een rooden gloed meedeelen, dien door den rook verduisteren en met gloeiende steenen en sintels bespatten, welke als veeren in de lucht vliegen en als lood nedervallen. Welke woorden zijn in staat de somberheid en grootschheid van dit tooneel te beschrijven!
De oneffen grond; de rook; het gevoel van door den zwavel te stikken; de vrees om door de scheuren te vallen in den gapenden afgrond; het elk oogenblik ophouden om iemand, dien men in het donker mist (want de dikke rook verduistert thans de maan); het onlijdelijke gedruisch van de dertig personen; en het hol gerommel van den berg; alles maakt het tevens tot een tooneel van zulk eene verwarring dat wij er bij suizebollen. Maar daar wij de dames voortrekken, en langs een anderen uitgebranden krater aan den voet van den tegenwoordigen gaan, naderen wij dien aan de zijde welke boven den wind is, en zetten ons aan den voet, tusschen de heete asch, en zien zwijgend naar boven; nauwelijks eenig gewicht hechtende aan zijne inwendige werking, daar zij thans ruim honderd voeten hooger plaats heeft dan dit voor zes weken het geval was.
In het vuur en het gebrul is som wijlen iets, dat eene onweerstaanbare begeerten voortbrengt om er nader bij te komen. Wij konden het niet langer uithouden, zonder met ons tweeën, onder geleide van den hoofdgids, op handen en voeten te kruipen naar den rand van den vlammenden krater, en te beproeven er binnen te zien. Onderwijl gillen alle dertig als uit één mond, dat het een gevaarlijk waagstuk is, en roepen ons terug.
Het geschreeuw der gidsen, en ten deele het trillen van de dunne grondkorst, die op het punt schijnt zich onder onze voeten te openen en ons in den brandenden afgrond te doen zinken (dat inderdaad gevaarlijk is), en deels door het schijnen van het vuur tegen ons aangezicht, en de menigte van gloeiende asch, die als regen nedervalt, en ook het verstikkende van den rook en de zwavel, alles te zamen genomen, maakt, dat wij bijna duizelig en van zinnen beroofd worden, als beschonken menschen. Maar wij blijven naar den rand opklimmen en zien een oogenblik neer in de hel van vlammend vuur daar binnen. Daarna komen we alle drie naar beneden rollen; zwart en gezengd, en geschroeid, en verhit, en duizelig, en ieder met een half dozijn scheuren in zijne kleederen.
Gij hebt duizend malen gelezen, dat men den berg gewoonlijk afdaalt door over de asch naar beneden te glijden, waardoor een trapsgewijs toenemende rand onder de voeten wordt gevormd, die een al te snel afglijden belet. Maar toen wij, op onzen terugweg, de twee uitgebrande kraters achter ons, en hier deze steile plaats bereikt hadden, was er geen spoor van asch meer te zien daar het geheel een glad ijsveld was.
Dewijl men in dezen stand van zaken geene andere keuze heeft, slaan tien of twaalf der gidsen de handen in elkander en vormen een keten, van welken de voorsten, zoo goed zij kunnen, met hunne stokken een ruw spoor uitslaan; en wij maken ons gereed, daarlangs af te dalen. Dewijl de weg vreeselijk steil en niemand van het gezelschap—zelfs niet van de dertig—in staat is zijne voeten zes passen ver bij elkander te houden, worden de dames uit hare draagstoelen genomen en elke van haar tusschen twee vertrouwde personen geplaatst, terwijl anderen van de dertig bij de panden hunner kleederen worden gehouden, om te voorkomen, dat ze niet voorovervallen; eene onmisbare voorzorg, maar die tevens strekt om hun gewaad onmiddellijk hopeloos te vernielen. Men bezweert ook den vrij dikken heer, zijn draagstoel te verlaten en zich op gelijke wijze te laten escorteeren; maar hij heeft het besluit genomen naar beneden te worden vervoerd op dezelfde wijze, waarop hij naar boven is gekomen; daar hij vaststelt, dat zijne vijftien dragers waarschijnlijk niet allen tegelijk zullen vallen, en dat hij aldus veiliger is, dan door zijne eigene beenen te vertrouwen.
Op die wijze beginnen wij af te dalen, nu eens gaande, soms over het ijs schuivende, en voorzeker bedaarder en langzamer voortgaande dan wij het op onzen tocht naar boven deden; en aanhoudend verschrikt doordien er iemand van de achtersten tusschen ons neerploft, en de voeten van het gezelschap in gevaar brengt en tegen iemands enkels stoot. Ook is het onmogelijk den draagstoel vooraan te doen gaan, daar het pad eerst gebaand moet worden: en die draagstoel daar achter ons, boven ons hoofd—en de een of de ander der dragers altijd neergevallen, en de dikke heer altijd met de beenen in de hoogte—is zeer gevaarlijk en vreeselijk. Een zeer klein eind wegs zijn wij aldus met pijn en angst, maar geheel opgeruimd, voortgegaan en zien het als een grooten voorspoed aan,—en zijn allen onderscheiden malen gevallen en, toen we daar zoo heengleden, op de eene of andere wijze tegengehouden geworden,—toen mijnheer Pickle van Portici, bezig met het maken van opmerkingen op deze ongewone omstandigheden, als iets dat hem gedurende zijne ervaringen nooit was overkomen, struikelt, valt, zich met tegenwoordigheid van geest losmaakt van die om hem zijn, hals over kop neerduikt, en, holder de bolder, de geheele oppervlakte des kegels afrolt!
Dat gezicht baarde ijzing; en dan zoo geheel buiten machte te zijn hem hulp aan te brengen! Ik zie hem daar nog in het maanlicht,—ik heb vaak zulk een droom gehad—hoe hij daar over het witte ijs schiet als een kanonskogel. Bijna op hetzelfde oogenblik hooren wij een schreeuw achter ons; en een man, die een licht mandje, met mantels in voorraad, op het hoofd heeft gedragen, komt ons met denzelfden vreeselijken spoed voorbijrollen, onmiddellijk gevolgd wordende door een jongen. Bij deze opklimming van voorvallen, heffen de overige acht en twintig zulk een geschreeuw aan, dat het huilen van een troep wolven, daarmede vergeleken, muziek zou zijn.
Bij het bereiken der plaats waar wij zijn afgestegen en waar de paarden op ons wachten, vinden wij Pickle van Portici ijlhoofdig, bebloed, en als een pak lompen, maar, den Hemel zij dank! met onverminkte ledematen terug. Nooit waren wij blij der een man te zien leven en op zijn voeten staan, dan wij waren toen wij hem zagen—en hij, schoon deerlijk gekneusd en veel pijn lijdende, nam de zaak licht op. De jongen werd, met een verbonden hoofd, in de hermitage van den berg gebracht, toen wij aan het avondmaal zaten, en eenige uren naderhand kregen wij bericht van den man. Ook hij was gekneusd en bedwelmd, maar hij had geen lid gebroken; daar de sneeuw, gelukkig genoeg, al de groote rotsen en steenbrokken bedekt, en ze daardoor onschadelijk gemaakt had.
Na een vroolijken maaltijd, en nadat wij voor een vlammend vuur behoorlijk hadden uitgerust, stegen wij weder te paard en vervolgden onze afklimming naar het huis van Salvatore—op zeer langzame wijze, aangezien onze gekneusde vriend nauwelijks in staat was zich in den zadel te houden of de pijn te verduren, welke hem de beweging veroorzaakte. Ofschoon het zóó laat in den nacht, of zóó vroeg in den ochtend was, stonden al de menschen uit het dorp bij onze aankomst aan het kleine stalplein te wachten en zagen den weg op, langs welken wij werden verwacht.
Zoodra wij in ’t gezicht kwamen, werden wij aangeroepen met een groot gejuich van stemmen, en eene algemeene aandoening, welke wij in onze nederigheid niet wel konden verklaren, tot wij, bij het oprijden van het plein, gewaar werden, dat een persoon van een gezelschap Franschen, die tegelijk met ons op den berg waren geweest, in den stal op stroo lag met een gebroken lid, terwijl hij er als de dood uitzag en schrikkelijke pijn leed, en men gevreesd had, dat ons nog iets erger ware overkomen.
Aldus „wel gekeerd en de Hemel zij gedankt!” gelijk de vroolijke Vetturino, die ons van Pisa af gezelschap had gehouden, uit den grond van zijn hart zeide. En voort met zijne gereedstaande paarden, naar het slapende Napels!
Dit opent weer zijne oogen voor Policinelli en zakkenrollers, komieke zangers en bedelaars, lompen, poppen, bloemen, glinstering, vuilnis, en algemeene ontaarding; ’t hangt zijn harlekijns-pak, morgen en alle andere dagen, in den zonneschijn te drogen; op den zeeoever zingende, van honger stervende, dansende, spelende, en allen arbeid overlatende aan den brandenden berg, die altijd aan het werk is.
Onze Engelsche muziekliefhebbers zouden zeer pathetisch worden ten aanzien van den nationalen smaak, konden zij eene Italiaansche opera in Engeland maar half zoo slecht hooren zingen als wij de Foscari dezen avond in den prachtigen schouwburg van San Carlo kunnen hooren uitvoeren. Maar wat betreft het verwonderlijk ware en geestige in het opvatten en verpersoonlijken van het u omringende leven, heeft de havelooze schouwburg van San Carlino—dat vervallen gebouw van ééne verdieping hoog, met zijne opzichtige schilderij aan de buitenzijde, tusschen de trommen en trompetten en de kunstenaars en goochelaarster—nergens zijns gelijke.
In het doen en laten van Napels is er een buitengewone trek, op welke wij vóór ons vertrek een blik kunnen slaan—de loterij.
Deze, in de meeste gedeelten van Italië heerschend, is hier meest blijkbaar in hare uitwerksels en invloed. Zij trekt elken Zaterdag. Zij brengt het gouvernement een onbegrootbaar voordeel aan, en verspreidt de speelzucht onder de armsten der armen; wat der schatkist goed te stade komt, maar voor hem zelven allerverderfelijkst is. De minste inzet is een Grano (bijna gelijk aan 2 Ned. centen). Er worden honderd nummers—van een tot en met honderd—in de bus gedaan. Daarvan worden er vijf uitgetrokken. Dit zijn de prijzen. Ik koop bijv. drie nummers: komt er een van uit, dan win ik een kleinen prijs. Komen er twee uit, dan krijg ik mijn inzet, een paar honderd malen vermenigvuldigd, terug. Komen er drie uit, dan drie duizend vijfhonderd malen. Ik zet (zij noemen het spelen) op mijne nummers zooveel ik kan, en bezet welke nummers ik wil. Het door mij gezette bedrag betaal ik aan het loterijkantoor, waar ik mijn loterij briefje koop, en dit wordt op het briefje vermeld.
Elk loterijbureau houdt er een gedrukt boek op na: een Algemeen Loterij-Wichelboek, waarin op alle mogelijke voorvallen en omstandigheden is gerekend en een nummer er voor is opgegeven. Bij voorbeeld; laat ons eens twee Carlini zetten (omtrent veertig Ned. centen). Op onzen weg naar het loterijkantoor loopen wij tegen een zwarten man aan; komen wij er nu, dan zeggen wij deftig: „het Wichelboek.” Men reikt het uit een kantoortje toe als eene ernstige zaak. Wij zoeken op „zwarte man.” Dit of dat nummer. „Geef ons dit.” Onder het loopen keken wij iemand op straat aan. „Geef ons dat.” Wij zagen naar de naam van de straat. „Geef ons dat.” Nu hebben wij onze drie nummers.
Viel het dak des schouwburgs San Carlo in, dan zouden er zulk eene menigte personen zetten op de getallen, die in het Wichelboek voor zulk eene gebeurtenis worden opgegeven, dat het gouvernement spoedig die nummers afsluiten, en weigeren zou gevaar te loopen van er meer op te verliezen. Dit gebeurt dikwijls. Bij gelegenheid, dat er, kort geleden, brand was ontstaan in het paleis des konings, was er zulk een razenden toeloop op brand en koning en paleis, dat er werd verboden, verder te zetten op de nummers die door het Gouden Boek bij die woorden waren opgegeven. Elk toeval, elke gebeurtenis wordt door het domme grauw aangezien als eene met de loterij in verband staande openbaring, voor dengeen die ’t heeft aangezien of wien het betreft. Er zijn menschen, die zeer gezocht zijn omdat zij de gaaf bezitten van gelukkig te droomen; en er zijn eenige priesters die aanhoudend worden begunstigd met visioenen van de gelukkige getallen.
Men heeft mij verhaald, dat er een paard op hol was gegaan, en den man, die er op zat, aan den hoek van eene straat had afgeworpen, die daarop onmiddellijk was gestorven. Een ander volgde het paard met ongeloofelijke snelheid en liep zoo hard, dat hij onmiddellijk na het voorval op de plaats aankwam. Hij wierp zich naast den ongelukkigen ruiter op de knieën, greep diens hand met eene uitdrukking van de meest woeste smart, en zeide: „Als er nog leven in u is, spreek dan een enkel woord! Als ge nog kunt ademhalen, zeg me dan, om Gods wil, uw ouderdom, om dat nummer te bezetten.”
Het is vier uur in den namiddag en wij kunnen gaan en onze loterij zien trekken. De plechtigheid heeft elken Zaterdag plaats aan de rechtbank of in het Hof van Justitie, die zonderlinge kamer of galerij met een aardreuk, en welke zoo muf als een kelder en zoo vochtig als een kerker is. Aan het hooger eind is eene verhevene vlakte met eene groote, hoefijzervormige tafel er op, om welke een president en raden zitten; allen rechters. De man op het kleine stoeltje achter den president is de Hoofd-lazzarone, een soort van Volkstribuun, voor hen aangesteld, om toe te zien, dat alles behoorlijk in zijn werk gaat, en welke door eenige weinige van zijne bijzondere vrienden wordt verzeld. Het is een zwarte kerel in lompen gehuld, met lange haren, die gevlochten zijn en over zijn aangezicht hangen, en die van top tot teen is bedekt met de ontwijfelbaarste keur van vuil. Het geheele middelgedeelte van het vertrek is vol van de heffe des Napolitaanschen volks; en tusschen hen en de verhevene vlakte is een klein troepje soldaten, die de daarheen leidende trappen bewaken.
Er heeft eenige vertraging plaats eer het vereischte aantal rechters bijeen is; gedurende welke de bus, waarin de nummers geworpen moeten worden, het voorwerp is van de hoogste belangstelling. Nadat de nummers in de bus zijn, is de jongen, die er de nummers uittrekt, het meest gewichtige gedeelte der verrichting. Hij is alreeds gekleed in een engsluitenden rok van ongebleekt linnen, met slechts eene (de linker) mouw er aan, waardoor zijn rechterarm tot aan den schouder ontbloot en gereed is in de geheimzinnige bus neer te duiken.
Gedurende het sussen en fluisteren, dat door het vertrek gaat, zijn aller oogen gevestigd op den jongen dienaar van het fortuin. De menschen beginnen, ten behoeve der volgende loterij, naar zijn ouderdom te vragen; en hoeveel broers en zusters hij heeft; en hoe oud zijn vader en moeder zijn; en of hij ook eenige vlakjes of puisten in het aangezicht heeft; en waar, en hoeveel. Op dat oogenblik geeft de aankomst van den voorlaatsten rechter (een oud mannetje, dien ze in het algemeen vreezen als een kwaad oog bezittende1 eene kleine afleiding, die grooter zou zijn als ze niet werd overwonnen door een voorwerp van belangstelling—den dienstdoenden priester, die statig naar zijne plaats treedt, gevolgd door een kleinen, zeer smerigen knaap, die zijne ambtskleeding en een pot wijwater draagt.
Hier komt eindelijk de laatste rechter en neemt zijne plaats in aan de hoefijzervormige tafel.
Er heerscht een rumoer van niet te stillen gejaagdheid. Te midden er van steekt de priester zijn hoofd in de gewijde kleederen en hangt ze over zijne schouders. Daarna doet hij een stil gebed; en na een kwast in den wijwaterpot gedoopt te hebben, besprenkelt hij er de bus en den jongen mee, en geeft ze eene dubbelloops zegening; om welke te ontvangen, de bus en de jongen beiden op de tafel worden getild. De jongen blijft op de tafel en de bus wordt nu langs de voorzijde der verheven vlakte gedragen door een bediende, die ze in de hoogte houdt en haar gedurende al dien tijd duchtig schudt; als wilde hij met den goochelaar zeggen: „Er is geen bedrog bij, heeren en dames; zie maar goed naar mij, als je blieft!”
Eindelijk werd de bus neergezet voor den jongen, en deze, zijn ontblooten arm en geopende hand vooraf in de hoogte heffende, duikt in het gat, (de bus is gemaakt op eene wijze, waarop soms de stembussen zijn vervaardigd) en haalt er een nummer uit, dat als een bonbon rondom iets hards is opgerold. Dit nummer geeft hij over aan den dichtst bij hem zittenden rechter, die het een klein eindje afrolt en het dan toereikt aan den president, naast wien hij is gezeten. De voorzitter ontrolt het zeer langzaam. De Hoofd-lazzarone leunt over zijn schouder. De voorzitter houdt het, ontrold, in de hoogte naar den Hoofd-lazzarone. De Hoofd-lazzarone ziet er vol ergernis naar, en roept op schellen, luiden toon uit: „Sessantadue!” (twee en zestig), terwijl hij onder het uitroepen de twee met zijne vingers aanduidt. Helaas! de Hoofd-lazzarone zelf heeft de twee en zestig niet bezet. Zijn gezicht wordt heel lang en zijn oog rolt op woeste wijze.
Daar het toevallig een geliefkoosd getal is, wordt het tamelijk wel opgenomen, iets wat niet altijd gebeurt. Zij worden alle met dezelfde plechtigheid getrokken, buiten den zegen. Eéne zegening is genoeg voor de geheele tafel van vermenigvuldiging. De eenige nieuw bijkomende omstandigheid is: de gaandeweg sterker wordende verandering in den Hoofd-lazzarone, die blijkbaar gespeculeerd heeft in eene mate, als zijne middelen maar met eenige mogelijkheid toelieten; en die, bij het zien van het laatste nummer, en ontwarende, dat het geen van de zijnen is, de handen in elkander slaat, en, alvorens het uit te roepen, zijne oogen naar de zoldering opheft, alsof hij in een geheimen doodsangst zijn Schutsheilige verwijten deed, om zulk een verraden van het vertrouwen, in hem gesteld. Ik hoop, dat de Capo Lazzarone hem niet moge ontvlieden voor een ander lid van den Almanak, waarmee hij schijnt te dreigen.
Waar de winners zich mogen versteken, weet niemand. Voorzeker zijn ze hier niet aanwezig, daar de algemeene teleurstelling medelijden inboezemt met het arme volk. Wij staan ter zijde om ze gade te slaan, terwijl zij de plaats daar beneden overgaan, en wij bemerken, dat ze er zoo ellendig uitzien als de gevangenen in den kerker (die een gedeelte uitmaakt van het gebouw), en welke tusschen de staven op hen neerzien; of als de brokstukken van menschenhoofden, die daar buiten nog in ketens heen en weer slingeren, tot herinnering aan den goeden ouden tijd, toen de eigenaars er van, tot ’s volks stichting, daar werden opgeknoopt.
Weg van Napels bij een glansrijken zonsopgang, langs den weg naar Capua, en dan eene driedaagsche reis langs binnenwegen, opdat wij onderweg het klooster Monte Cassino mogen zien, dat gelegen is op den steilen en hoogen berg boven het stadje San Germano, en op een nevelachtigen ochtend in de wolken verloren is.
Des te beter voor den doffen galm van zijne klok, die, terwijl wij op muilezels den weg naar het klooster beklimmen, zich op geheimzinnige wijze in de stille lucht laat hooren, terwijl men nochtans niets ziet dan den grijzen mist, die zich plechtig en langzaam beweegt als een lijkstoet. Eindelijk zien we het schaduwachtig gebouw vlak voor ons—welks grijze muren en torens nauwelijks worden bemerkt, ofschoon ze zóó dichtbij en zóó uitgestrekt zijn—en hoe de neveldampen sterk door de galerijen rollen.
In de vierkante galerij, nabij de standbeelden van den Beschermheilige en diens zuster, wandelen twee zwarte schaduwen op en neer, en achter hen eene raaf, die de oude bogen in- en uithuppelt en de klok door zijn krassen beantwoordt, en bij tusschenpoozen het zuiverste Toskaansch snapt. Hoezeer gelijkt hij naar een Jezuïet. Daar was nooit een slimme en gluipende gast zoo thuis als deze raaf, die nu eens staat aan de deur van het eetvertrek, met het hoofd op eene zijde, en zich den schijn geeft als gluurde hij naar de andere zijde, terwijl hij de bezoekers scherp bekijkt en met gespannen aandacht luistert. Wat wordt de portier, met hem vergeleken, een domkoppige monnik!
„Hij spreekt zoo goed als wij,” zegt de portier, „en net zoo duidelijk.” Net zoo duidelijk, portier! Niets is er, dat meer uitdrukking kan bevatten dan zijne ontvangst van de boeren, die met korven en lasten de poort binnenkomen. Daar is iets rollends in zijn oog, en iets klokkends in zijn strot, dat hem aanspraak kon doen maken om tot superieur van eene ravenorde te worden gekozen. Hij weet er alles van. „Alles in orde,” zegt hij, „wij weten het wel. Komt maar voort, goede menschen. ’k Ben blij dat ’k u zie!”
Hoe heeft zulk een buitengemeen gebouw ooit op zulk eene plaats kunnen worden opgericht, waar het aanvoeren van steen, ijzer en marmer op zulk eene hoogte een verbazenden arbeid moet hebben gekost. „Kou!” krast de raaf, daar hij de boeren verwelkomt. Hoe is het, door plundering, brand en aardbeving vernield, op zijne puinhoopen weer herrezen en weer gemaakt tot datgene wat het nu is, met zijne kerk, die zoo kostbaar en prachtig is. „Kou!” krast de raaf, daar hij de boeren verwelkomt. Dit volk ziet er ellendig uit, en is (zooals gewoonlijk) schrikkelijk onwetend, en allen bidden, onderwijl de monniken in de kapel zingen. „Kou!” krast de raaf, „koekoek!”
Maar wij verlaten haar, en haar klokkend geluid en rollend oog, aan de kloosterpoort, en dalen langzaam door de wolk af. Als wij eindelijk door deze heen zijn, krijgen wij het dorp in het gezicht, dat daar beneden in de verte ligt, en de vlakke groene streek, welke met beekjes doorsneden is. Een aangenaam en frisch gezicht na de duisternis en den nevel van het klooster—behoudens allen eerbied voor de raaf en de heilige monniken.
Nog verder gaan wij, langs slijkerige wegen en door de meest berooide en verstrooide dorpen, waar in al de huizen niet een enkel venster is, of niet een enkel ongescheurd gewaad op het lichaam van een enkelen boer, noch de minste zweem van iets eetbaars in een van de ellendige winkeltjes. De vrouwen dragen een hoogrood korset, dat van achter en van voren geregen is, met witte panden, en het Napolitaansche hoofddeksel van vierkant gevouwen linnen, dat oorspronkelijk diende om er vrachten op te dragen. De mannen en kinderen dragen alles wat ze kunnen krijgen. De soldaten zijn zoo morsig en roofziek als de honden. De logementen zijn zulke spookachtige plaatsen, dat ze oneindig aantrekkelijker en prettiger zijn dan de beste hotels in Parijs. Daar is er een bij Valmontone (de ronde bemuurde stad op den tegenovergelegen berg), welke men bereikt door een moeras, waar men bijna tot aan de knieën inzinkt. Beneden is er eene woeste zuilenrij en eene donkere binnenplaats, bezet met ledige stallen en zolders, en eene groote lange keuken, met eene groote lange bank en nog eene andere zitplaats, waar een aantal reizigers, onder welke twee priesters zijn, zich rondom het vuur dringen, terwijl hun avondmaal wordt bereid. De trap op is er eene galerij van ruwe klinkers, om er in te zitten, met zeer weinige ramen en zeer kleine ruitjes van bobbelig glas er in, en al de deuren, die er op uitkomen (een paar dozijn), gedeeltelijk beroofd van hengsels, en eene naakte plank op schragen, die tot tafel dient, en waaraan met gemak dertig personen kunnen eten, en een haard, op zich zelven groot genoeg voor een ontbijtkamertje, waar de krakende en vlammende takkenbossen de leelijkste en grimmigste tronies verlichten, welke door vroegere reizigers met houtskool op de gewitte zijmuren van den schoorsteen zijn geteekend, Op de tafel staat eene flikkerende lamp, als bij de boeren in gebruik; en daaromheen zwevende, een gele vrouwelijke dwerg, die aanhoudend in haar dik, zwart haar krabt, en welke op de teenen staat om de messen, als hakmessen, in orde te schikken, en een vluchtigen blik te werpen in de wijdbuikige waterkan. De bedden in de naastbij gelegen kamers zijn van de levendigste soort. Er is geen enkel stuk van een spiegel in het geheele huis, en wie de kookvaten in het oog krijgt, heeft den waschtoestel gezien. Maar de gele dwerg zet eene goede flesch uitmuntenden wijn, die ten minste een paar kan bevat, op tafel, en discht, behalve een half dozijn andere gerechten, ook twee derden van een kokend heet jong geitje op. Zij is ook bovendien zoo vroolijk geluimd als ze morsig is, en dat is niet weinig.
En zoo drink ik uit de flesch wijn, die voor mij staat, op haar lang leven en den voorspoed van het etablissement.
Rome bereikt en verlaten hebbende, en daarmee ook de pelgrims, die nu naar hunne eigene woning terugkeeren—elk met zijne getande schelp en staf, en aalmoezen vragende ter eere van God—kwamen we, door eene fraaie landstreek, aan de watervallen van Terni, waar de geheele rivier Velino van eene rotsachtige hoogte tusschen spattende golven en regenbogen neerstort.
Perugia, eene door kunst en natuur zeer sterke vesting, gelegen op eene groote hoogte, steil en plotseling oprijzende uit de vlakte, waar purperen bergen met den blauwen hemel in het verschiet ineensmelten, schittert op een marktdag met heldere kleuren. En deze steken op wonderlijke wijze af tegen de sombere, maar rijke gothische gebouwen. Het plaveisel der marktplaats is bezaaid met voortbrengselen van het land. Langs den geheelen steilen heuvel, die zich, van de stad af, onmiddellijk onder den stadsmuur uitstrekt, is er eene luidruchtige verzameling van kalven, lammeren, varkens, paarden, muilezels en runderen. Ganzen, kalkoenen en allerlei ander gevogelte fladderen tot onder de hoeven van deze; en koopers, verkoopers en toeschouwers, overal in hoopen bijeenstaande, versperren den weg, daar wij al roepende op hen afkomen.
Plotseling maken onze paarden een klinkend geluid. De voerman doet ze ophouden. Zich in den zadel achteroverwerpende, en zijn oogen ten hemel slaande, slaakt hij den kreet: „O, almachtige Jupiter! een van de paarden heeft een hoefijzer verloren!”
In weerwil van al het vreeselijke van dat toeval en de volslagen wanhopige blikken en gebaren (alleen denkbaar bij een Italiaanschen Vetturino), met welke het ons wordt aangekondigd, duurt het niet lang of het is terecht gebracht door een sterfelijken hoefsmid, door wiens hulp wij op dien zelfden avond Castiglione en den volgenden dag Arezzo bereiken. Zooals natuurlijk, wordt daar de mis gelezen in de schoone hoofdkerk, waar de zon binnenschijnt, tusschen de groepen pilaren, door gekleurde vensterglazen, en de figuren, die op den steenen vloer knielen, half verlicht en half verbergt en strepen van kleurig licht in de lange zijschepen werpt.
Maar hoeveel schoonheid van een anderen aard is er niet, als wij op een verrukkelijken, helderen morgen van den top eens heuvels Florence zien! Als wij zien hoe het daar voor ons ligt in eene vallei, welke door de zon is verlicht, en schitterend door de er tusschen kronkelende Arno, en ingesloten door rijzige heuvels; hoe zijne kerkkoepels en paleizen en torens oprijzen uit het weelderige landschap als eene opgehoopte glinstering en schitteren als goud in de zon!
De straten van het schoone Florence zijn onvriendelijk en somber; en de stevige, oude gebouwen werpen zulke groote schaduwen op den grond en op de rivier, dat er nog eene andere en verschillende stad van rijke vormen en vinding aan onze voeten ligt. Verbazende paleizen ter verdediging gebouwd, met kleine wantrouwende vensters, die van zware staven zijn voorzien, en zeer dikke muren, gevormd van hooge massa’s ruwen steen, fronsen zich, in hun ouden norschen toestand, op elke straat. In het midden der stad—op het Plein van den Groothertog, versierd met schoone standbeelden en de fontein van Neptunus—rijst het Palazzo Vecchio (het oude paleis) met zijne verbazende, overhangende kanteelingen, en den grooten toren, die over de geheele stad waakt. In den hof er van—het Kasteel van Otranto in zijne ontzaglijke somberheid waardig—is eene massieve trap, waarlangs de zwaarste wagen met het fierste span paarden zou kunnen oprijden. Er binnen is eene groote zaal, verwelkt en van glans ontdaan in hare statelijke versiersels en bij korrels wegrottende, maar thans nog, in de schilderstukken op de muren, de zegepralen der Medici en de oorlogen van het oude Florentijnsche volk herinnerende. De gevangenis ligt er dichtbij, op een er aan grenzend plein van het gebouw—eene morsige en akelige plaats, waar eenige menschen streng gekerkerd zijn in kleine cellen, als ovens, en waar anderen door staven gluren en bedelen: waar eenigen dam-spelen, en anderen met hunne vrienden praten, die onderwijl rooken om de lucht te zuiveren; en eenigen wijn en vruchten koopen van vrouwen; en allen er smerig, morsig en gemeen uitzien. „Zij zijn vroolijk genoeg, Signor!” zegt de cipier. „Die zich daar bevinden, zijn allen met bloed bevlekt,” voegt hij er bij, terwijl hij met zijne handen drie vierde gedeelten van het geheele gebouw aanwijst. Alvorens er nog een uur is verloopen, wordt een oud man van tachtig jaren, die om het sluiten van een koop twist had gekregen met een jong meisje van zeventien jaar, en haar had doodgestoken op de marktplaats, welke vol was van schitterende bloemen, hier binnengebracht om het aantal gevangenen te vergrooten.
Onder het viertal oude bruggen, die de rivier bespannen, heeft de Ponte Vecchio—de brug, die bezet is met de winkels der juweliers en goudsmeden—het betooverendst aanzien in het tafereel. Ter plaatse waar, in het midden, de ruimte van één huis is opengelaten, vertoont zich het er achter gelegen gezicht als in eene lijst; en die kostelijke glinstering van lucht en water, en rijke gebouwen, zoo vreedzaam schitterende tusschen de verwarde daken en gevels op de brug, is uitmuntend. Daarboven overkruist de Galerij van den Groothertog de rivier. Zij is gebouwd geworden om de twee groote paleizen door een geheime gang met elkander te verbinden; en met eene ware dwingelandij neemt zij haar nijdigen loop tusschen straten en huizen, en gaat waar het haar lust en drijft al wat haar in den weg staat voor zich uit.
De groothertog heeft een waardiger geheimen doorgang door de straten in zijn zwart gewaad en hoofddeksel als lid der Compagnia della Misericordia, eene broederschap, die menschen van alle rangen omvat. Als er een ongeluk plaats grijpt, is het hun ambt, den lijder op te nemen en hem liefderijk naar het gasthuis te dragen. Barst er brand uit, dan behoort het tot hunne ambtsverrichtingen, zich ter plaatse te begeven en hulp en bescherming te verleenen. Onder hunne meest gewone diensten behoort ook het bezoeken en troosten der zieken; en in een huis, dat zij met dat doel betreden, nemen zij geld, noch spijze, noch drank aan. Zij, die de dienstbeurt hebben, worden, door het luiden der groote torenklok, in een oogenblik tijds bijeengeroepen; en men verhaalt, dat men den groothertog van zijne plaats aan tafel heeft zien opstaan en stil heengaan om aan die oproeping te voldoen.
Op dit andere groote plein, waar eene onregelmatige soort van markt wordt gehouden, en een voorraad van oud ijzer en andere kleine koopmanschappen op stalletjes ten toon zijn gespreid, of op het plaveisel verstrooid liggen, wordt eene groep gevormd door de hoofdkerk met haar grooten koepel, den schoonen Italiaansch Gothischen Toren (de Campanile) en het doophuis met zijne gewerkte bronzen deuren. En hier is de steen van Dante, een onbetreden vierkant van het plaveisel, waar hij (naar het verhaal luidt) gewoon was zijn stoel te plaatsen en zich neer te zetten en in beschouwingen te verdiepen. Het zou me benieuwen of hij, in zijne bittere ballingschap, na eenigerhande herinnering van dit oude peins-plekje en het verband er van met de liefelijke gedachten aan de kleine Beatrice, zich altijd hebbe onthouden van zelfs de straatsteenen te vloeken van het ondankbare Florence!
De kapel der Medici, de goede en kwade engelen van Florence, de kerk van Santa Croce, waar Michel Angelo ligt begraven, en waar elke steen in de galerij welsprekend is ten opzichte van den dood van groote mannen; ontelbare kerken, die vaak uitwendig massa’s van onafgemaakt, lomp klinkerwerk vertoonen, maar die inwendig plechtig en helder zijn; dit alles vertraagt onze langzame schreden, terwijl wij door de stad zwerven.
Nabij de graven in de kloosters is het Museum van Natuurlijke Historie, dat door de geheele wereld beroemd is om zijn was-præparaten; te beginnen met de modellen van bladeren, zaden, planten, kleine dieren, en, trapsgewijs opklimmende door de bijzondere organen van ’s menschen lichaam tot het geheele samenstel van dit verwonderlijke scheppingstuk, wordt dit er op de uitnemendste wijze vertoond, als ware het pas gestorven. Weinige betoogen van onze zwakke sterfelijkheid kunnen plechtiger en treuriger wezen, of het hart dieper treffen, dan die der afbeeldingen van Jeugd en Schoonheid, welke hier op haar bed in den laatsten slaap liggen.
Buiten de muren zien wij de geheele liefelijke vallei van de Arno, het klooster te Fiesole, den toren van Galileo, Boccaccio’s huis, oude landverblijven en optrekjes; ontelbare belangwekkende plaatsen, alle glinsterende in een landschap van eene alles overtreffende schoonheid, en, overgoten met het schitterendste licht, voor ons uitgespreid. Wanneer wij van al dat glansrijke terugkeeren, hoe plechtig en hoe grootsch zijn dan niet weer de straten, met hare groote, donkere, treurige paleizen en tal van legenden; niet slechts van Beleg en Macht en IJzeren Hand, maar van den zegevierenden groei der vreedzame Kunsten en Wetenschappen.
Wat al lichts is er niet, tot op den huidigen dag, van tusschen die oude Florentijnsche paleizen over de wereld uitgestort! Hier zijn de beeldhouwers der oudheid, in hunne schoone en stille bewaarplaatsen, voor elken bezoeker geopend, onsterfelijk, naast Michel Angelo, Canova, Titiaan, Rembrandt, Raphael, en naast dichters, geschiedschrijvers en wijsgeeren, die doorluchte mannen der geschiedenis, naast welke hare gekroonde hoofden en geharnaste krijgslieden eene zoo armzalige en kleine vertooning maken en zoo spoedig vergeten zijn. Hier blijft het onvergankelijke deel van edele vestingen door aanval en verdediging in puin vergaan, als geesten vreedzaam en gelijkmatig leven, als de dwingelandij der menigte, of van weinigen, of van beide, slechts tot een sprookje is geworden; als Trotschheid en Macht in opgesloten stof zijne verkeerd. Het vuur in de barsche straten en tusschen de stevige paleizen en torens, door hemelsche stralen ontstoken, brandt nog schitterend, terwijl de vlam des oorlogs is uitgedoofd en de huishoudelijke vuren van geslachten zijn weggekwijnd. Terwijl duizenden en nog eens duizenden van aangezichten, wier trekken een streng voorkomen hebben gehad door de worsteling en de driften van het oogenblik, verzwonden zijn van de oude pleinen en openbare plaatsen van samenkomst, en de naamlooze Florentijnsche Dame, door de hand eens schilders voor vergetelheid bewaard, nog altijd in voortdurende bevalligheid en jeugd voortleeft.
Laat ons, zoolang wij kunnen, op Florence terugzien, en als zijn schitterende kerkkoepel buiten ons gezicht is, door het vroolijke Toskane reizen met eene schitterende heugenis er van; want Italië zal nog schooner in de herinnering zijn. De zomer was gekomen, en Genua en Milaan en het meer van Como lagen ver achter ons, en wij rusten te Faido, een Zwitsersch dorp, nabij de ontzaglijke rotsen en bergen, de eeuwigdurende sneeuw en bruisende watervallen van den grooten Sint Gothard. Dáár hoorden wij de Italiaansche taal voor het laatst op deze reize. En zoo laat ons dan Italië en al zijne ellende en verkeerdheden met genegenheid verlaten, laat ons onze bewondering blijven schenken aan het schoone van natuur en kunst, waarvan het tot overvloeiens vol is, en onze teederheid aan een volk, dat van nature een goeden aanleg heeft en geduldig en zachtmoedig is. Jaren van veronachtzaming, onderdrukking en wanbestuur hebben gepoogd zijne natuur te veranderen en zijn geest te verlammen. Ellendige naijver, aangehitst door nietige vorsten, wie eendracht vernieling, en verdeeling kracht was, vormde een kanker aan den wortel van zijn nationaliteit en heeft zijne taal barbaarsch gemaakt. Maar het goede, dat van oudsher in hen was, zit er nog in, en uit deze asch kan ééns een edel volk verrijzen. Laat ons die hoop voeden! En laten wij ons Italië met niet te minder achting in het geheugen roepen, dewijl elk fragment van zijne vervallen tempels, elke steen van zijne verlaten paleizen en kerkers bijdraagt tot het opscherpen der les: dat het rad van den tijd naar een einde rolt, en dat de wereld, naarmate het voortrolt, in alle groote, gewichtige aangelegenheden beter, zachtmoediger, verdraagzamer en hoopvoller wordt.