XIII. No. 356. Isabella van Oostenrijk. (1566–1633)
(Schilder onbekend; Vlaamsche School.)

XIV. Reinier Pauw,
Burgemeester van Amsterdam, (naar een gravure).

XV. No. 1348. Th. de Keyser:
Portretstuk van Heer, Dame en Kinderen (vroeger Rombout Hogerbeets.)

Eene VII afdanking van waardgelders te Utrecht—eene VIII voorstelling des prinsen te paard aan het hoofd der leden van zijn geslacht, en eene andere aan de spits zijner krijgsbevelhebbers—een paar portretten van deze—zijn IX afrid ter jagt, omstuwd van hovelingen en paadjes—en eindelijk eene X allegorie op zijn leven—ziedaar alles wat het tijdvak van Maurits hier vertegenwoordigt. XI Leycesters beeldtenis schuilt onder die der onbekende meesters, het is waar; doch te vergeefs wenscht gij hen in elkanders tegenwoordigheid te zien; den eerzuchtigen vreemdeling, die naar de heerschappij dezer landen dong, en den begaafden achttienjarige, ter verijdeling van dat ontwerp door de Staten met den hoogsten rang bedeeld. Hebt gij onder de schilderijen, uit het begin van den vrijheidsoorlog, hier naar een gedenkstuk omgezien voor de dapperheid der Zeeuwen, toen Medina-Celi hunne kusten bedreigde, en werdt ge teleurgesteld, ondanks al de treffende toestanden welke Van Haren's genie aan onze ontluikende zeemagt boeiden,R25) een ander gemis uit de dagen van Maurits verbaast, grieft ons nog meer. De Nederlanden, Engeland, Europa, hebben van de Armada van Philips gewaagd; het kleine Zeeland liet gedenkpenningen slaan op den ondergang der onoverwinnelijke; Schiller wijdde aan die stof zijne lier.R26) En echter blikt ge vruchteloos deze wanden rond, of gij er eenige heugenis van mogt aantreffen; onder den overvloed van zeestukken uit lateren tijd zelfs geen enkel, dat het onvergetelijke feit herinnert. Parma ontbreekt; XII Albertus en XIII Isabella vindt gij, als ge ze zoekt, maar geene trofeën der overwinning bij Nieuwpoort;—ge aanschouwt in de tente des veldheers zoomin den Admirant van Arragon, als den koning van Sumatra;R27)—misdeelde Maurits, die slechts Oldenbarneveldt tegenover u hebt!—misdeelder burgerij! Of schuilt er voor menig aardig tafereel niet stoffe te over in de Houtman's dier dagen, in een portugeesch handelshuis de geheimen der Indische zeevaart bespiedende? Of wenschtet ge u niet verplaatst te zien in eene burgerlijke woning van Middelburg, van dien tijd, in de woning der Moucheron's, om hunnen ontdekkingslust tot in het verre Noorden vermaard? Of zou het uitzeilen van eenen der eerste walvischvangers,—God zij met hen in eene zee, uit welke de Biscayers het spreekwoord medebragten: „Wie vaart, leert bidden!”—of de tehuiskomst van eenen der vroegste Oost-indiëvaarders, beladen met de weelde van het morgenland,—God was met hen geweest, al hadden zij ook meer dan twee jaren reis!—of zouden zulke voorstellingen u hier niet welkom zijn? Wie heeft regt op de plaats der eere in eene verzameling als deze, zoo niet onze wereldontdekkers, op den oceaan geen minder gevaar braverende dan Maurits aan de spits des legers tarten moest,—deze in het harnas voor 's lands veiligheid, gene voor 's lands welvaart aan het roer? Willem Barendz, Olivier van Noord, Jacques le MaireR28)—en wien al doen ik geen onregt, uit een twintigtal jaren slechts deze noemende, van hen, welke door het Noorden eenen weg naar China zochten; die den aardbol omzeilden; wier hoop in de Stille Zuidzee zich vleide met land?—Wat aandoenlijke stoffe biedt gij om strijd het penseel aan! Of mishaagt iemand de somberheid van het sterven van den eerste?—al leverde hij er eene fraaije schets van, die onze oude meesters begrijpt, door de liefde welke hij hunner kunst toedraagt;R29)—of weigert men zoo droefgeestig te worden gestemd, als de beeldtenis van den laatste mij maakt?—een jongeling, die den roem van zijnen togt niet oogsten mogt, op de tehuisreize overleden van hartzeer over het verlies van zijn schip.—Welaan, de dagen van Maurits waren die der grondlegging onzer Indische heerschappij; voorbeeldeloos geluk bekroonde voorbeeldeloozen moed; werelden werden veroverd—ach, dat ge er hier geen blijk van vindt! Het penseel eens Vlamings verlustigde zich in het schilderen van Willem Bontekoe, over eenen der woudstroomen van Sumatra, door inlanders voortgeroeid;R30) de graveerstift van een Yankee schetste ons Henry Hudson en zijne togtgenooten, op den vloed, aan wiens oever Nieuw-Amsterdam verrijzen zou. Doch staar deze zalen rond, tot het u schemert; noch de weelde van het West, noch de gloed van het Oost lacht u aan, of lucht u toe. Geene ongerepte bosschen der nieuwe wereld, eene maagdelijke natuur; geen morgenlandsche ochtendstond, louter vuur en vlammen. Eer gij onze klagt overdreven noemt, herhalen wij, dat wij spraken van vroegere en latere kunst, en brengen gaarne nog een paar voorbeelden bij. Onder Willem's heldhaftigen zoon werd de Oostindische Compagnie opgerigt; maar zoomin Gerard Bicker als XIV Reinier Pauw vertegenwoordigen binnen deze muren den ondernemingslust onzer patriciërs—en toch twijfelen we er niet aan, dat tijdgenooten hunne gelaatstrekken hebben bewaard. Onder Maurits is het octrooi ter Groenlandsvaart verleend; maar geen enkel stukje veraanschouwelijkt ons die lievelingsschool der ruwste gasten uit het plebs,—en toch was de vangst nog weêrgaloos voorspoedig, toen de kunst voor zulke onderwerpen niet langer te schoolsch zag. Verlies de onderscheiding niet uit 't oog: we vroegen slechts wat de tijdgenoot voortbragt, wat de nakomelingschap aanvullen kon. Overdreven, onredelijk zou ons verlangen zijn geweest, als we voorstellingen uit het volksleven hadden geëischt, die buiten het kunstbegrip van de schilders des tijds lagen, of van latere eeuw hadden gevorderd, wat met vroegere te loor ging. Wilt ge het nog duidelijker uitgedrukt? we zochten geenen Jan Steen, in de dagen toen van Mander aan Miereveldt het portretteren naauwelijks ten goede hield. „Door winste verlokt of door behoefte gedrongen,” zegt hij, „slaan de meesters dien zijweg in, zonder lust of tijd te hebben, om de heirbaan der historie en der beelden te zoeken.” Wat zou hij wel van de studie van lager leven, van geuzen bij den beker, of lansken bij den kroes, hebben gezegd? Het was de zuurdeesem van het katholicismus, antwoordt ge, dat slechts naar altaarstukken streefde; het was de zoogenaamde klassiek der akademie, voege ik er bij, die gaarne alle kunst in éénen vorm gieten zou. Maar wat baat het ons, de bekrompenheid te laken? zij was aan de orde van den dag. Wat al schalkheid, wat al boert, wat al jok dierven zij er door! Hij, die een volk slechts van zijne deftige, van zijne zondagszijde ziet, kent het maar ten halve. Driewerf jammer, dat de schade onboetbaar is,—of waardoor wilt gij het verlies vergoeden? Kieskaauwer noch pilaarbijter, loop ik hoog met de brabbelingR31) van eenen onzer oudste dichters, als schets der zeden eener burgerij, met moeite aan velerlei dwang ontworsteld, en alreede geprikkeld tot velerlei lust, onderscheide ik, wat meer zegt, er die wijsbegeerte van het gezond verstand in, welke weldra de hollandsche worden zou; biedt zij stoffe te over aan voor studie; maar zou ik toch de laatste zijn, om iemand uit te noodigen, er genrestukjes aan te ontleenen, ... al spijt het mij, dat de tijd er zulke niet gaf. Zoo iets, het komische moet uit het leven zijn gegrepen, moet op de daad worden betrapt. Eerst toen de tint kleur was geworden, had de kunst er oog voor. Of wie waren de voorloopers van Ostade en Teniers, die dichters van de grepen der minne, bij de veêl en bij de kan? Als iemand er kent, als iemand er in zijn kabinet overheeft, hij sta iets van zijnen schat aan ons museum af, dat Maurits als veldheer alleen laat staan, dat Maurits als landvoogd naauw kennen doet, dat niet eens gezegd mag worden, zijn tijdvak af te schaduwen. Waar bleef Hendrick Spieghel, waar bleef Roemer Visscher? waar de beide zeehelden, door Tollens en Bogaers bezongen?R32)—waar de stoet van buitenlandsche vorsten, die den krijg kwam leeren bij den oorlogsman, die alle overige wijken deed?R33) Lodewijk Philips heeft een deel van zijn vermogen veil, ter aanvulling der kunstzalen van Versailles. „Sympathie pour toutes les gloires de la France?” is zijne spreuk, en de natie juicht hem toe;—of het mij gelukt ware vorstelijke kunstliefde en burgerlijke belangstelling ter aanvulling dier leemten van ons panthéon op te wekken! Oranje en de burgerij, zeiden we bij den aanhef;—maar hoe verdienstelijk de beide familietafereelen zijn mogen van XV de Keyzer en van XVI Cuyp, de blik, dien zij op het huisselijk leven dier dagen vergunnen, mag slechts ter sluik geworpen heeten: het is een allereenzijdigst kijkje op den bemiddelden stand. Bovendien, er heerscht in de beelden van den laatste eene rust, der gemeente van dien tijd vreemd; er is aan den naam van het gezin, door den eerste geschilderd, eene herinnering verknocht, die de schets van stil geluk schier in een schimpdicht verkeert. Dat gezin heette Hogerbeets, en die vader was Rombout van dien naam...R34)—Maurits, schreven wij straks, staat in deze zaal slechts tegenover Oldenbarneveldt!

XVI. No. 1349. Thomas de Keyser. De familie Meebeeck Cruywaghen.
(bij Potgieter aangeduid als werk van Cuyp.)

Vóór twintig, vijf en twintig, dertig jaren, bragt de geest des tijds mede, geenen blik op dat tweetal beeldtenissen te slaan, zonder onze eeuw te prijzen; als waren de vergrijpen van het voorgeslacht slechts bestemd vrucht te dragen in de zelfverheffing der nakomelingschap. „Eendragt” predikte men, „eendragt” zong men, tot voorbijziens toe, of deze haren oorsprong nam uit overtuiging of uit onverschilligheid. Als de fakkel der partijschappen maar werd gebluscht, mogt ook de vonk der belangstelling uitgaan. Verheugen we ons, dat die stemming voorbijgaande was, als de vermoeijenis na de vrijheidskoorts, als de krachteloosheid onder het keizerschap! Verheugen we ons, dat eene billijker beschouwing die bekrompene heeft vervangen; wij waardeeren de voordeelen van een éénhoofdig bewind, al houden wij aan om vrijzinniger vertegenwoordiging. Ontwikkeling aller gaven en krachten, scheen ons de leuze der hollandsche historie, toen we Oranje en Granvelle in den voorhof van dezen tempel wenschten aan te treffen; bij wien van beide zoude de wijze van zien, vóór twintig jaren onzer jeugd aangeprezen, de levendigste sympathie hebben gevonden?—Het is haar vonnis. Was het u ooit, onder eene mijmering in deze zaal en starende op de beeldtenissen van den veldheer en den staatsman, was het u dan ooit te moede, of de geest van den grondlegger onzer vrijheid, en die van den voorstander van Spanje en van Rome, ze omzweefden? Wij verbeeldden het ons bij wijlen. Granvelle lachte, Oranje zuchtte. Doch reeds leenden wij het oor aan beider gesprek, en weigerden in te stemmen met den bisschop, dat het beter ware geweest, het juk der onderwerping te blijven dragen, en vonden rust bij het gevoelen van den Vader des Vaderlands, dat er stormen vereischt worden tot zuivering van het zwerk. En zoo we bevredigd den blik elders wendden, wij waren het niet zóo als men het vroeger plagt te zijn, dewijl alle verschil van gevoelen is ondergegaan in traagheid van geest,—neen, dewijl het hoe langer hoe zeldzamer wordt dit door het zwaard te zien beslissen, ook bij hemelsbreed verscheidene begrippen over de toekomst van kerk en staat; dewijl de meening veld wint, dat hij tot de slechtste burgers behoort, die naar de bevrediging der behoeften des volks, naar den vooruitgang van allen ter goeder trouw niet streeft.

XVII. Michiel Jansz. van Miereveld (1567–1641).
No. 1582. Portret van Prins Frederik Hendrik. (1584–1647)

XVIII. No. 1238. Gerard van Honthorst (1590–1656).
Prins Frederik Hendrik. (Geschilderd 1650).

XIX. No. 1584. Miereveld: Jacob Cats. (1577–1660)
(Geschilderd in 1634).

XX. No. 1726. Caspar Netscher (1639–1684).
Constantijn Huygens. (1596–1687.)
(Geschilderd in 1672.)

XXI. No. 1832. Jurriaen Ovens (1623–1678).
Pieter Cornelisz. Hooft. (1581–1647)
(in Potgieter's tijd aan Bramer toegeschreven)

Geen der vorsten uit het huis van Oranje is, wat de veraanschouwelijking van zijn tijdvak in deze zalen betreft, gelukkiger te prijzen dan Frederik Hendrik, indien gij u aan het kleine anachronisme niet ergert, dat ik den stukken, ter gedachtenis van den vrede van Munster vervaardigd, plaats geve in zijn gulden vierde eener eeuw. Wij zullen slechts regtvaardig zijn, zoo we dus om zijne beeldtenis niet enkel de lauwertwijgen vlechten, welke hij zich verwierf; zoo wij om deze tevens de olijftakken strengelen, die hem aanlachten op zijn sterfbed, die gepast hadden bij zijne baar. Het is andermaal XVII Miereveldt, die den voortreffelijke heeft vereeuwigd; hij slaagde in deze afbeelding minder gelukkig dan in die van Maurits, zou ik er bijvoegen, als de schemering, in welke zij hangt, mij het uitbrengen van een oordeel niet verbood. XVIII Honthorst leverde hier op zijne beurt ook eene beeldtenis van Willem's derde zoon; maar van vergelijking dier stukken kan geen sprake zijn, het eerste, als ik zeide, zelden licht ziet, en het laatste ter zoldering streeft, hooger dan ooit een reus reiken kon. Doch waar zouden onze klagten een einde nemen, als wij die bij iedere ongelukkig geplaatste schilderij uit de dagen van Frederik Hendrik, lucht wilde geven? De een hangt tegen den dag, de andere hangt onder de knie;—buig u, wend u, krom u zooveel ge kunt; de derde valt niet met eenen blik te omvaêmen, valt niet te genieten, want aan uwe slinke of regte weêrkaatst zij den dag;—de vierde—maar twijfelt dan iemand er nog aan, dat de zalen van het Trippenhuis, in haren tegenwoordigen toestand, niet geschikt zijn tot eene tentoonstelling onzer oude school? Neen, maar hoe verre is het er nog van, dat overheid en gemeente beide zich den gruwel zouden schamen, de laatste glorie uit onze gulden eeuw geene gelegenheid te gunnen allen toe te stralen, den vreemde te overschijnen! Eerst als dit besef in dat des algemeens verkeert, eerst dan zullen de Frederik Hendrik van Miereveldt en de Frederik Hendrik van Honthorst, tot welke wij terugkeeren, zigtbaar worden, zigtbaar als de overige stukken uit den tijd van dien vorst, zigtbaar als de schilderijen van welke ik u nog de opgave, in welke ik u nog het bewijs, waarom ik hem gelukkig prees, schuldig ben. Het zijn de afbeeldingen der grootste vernuften, op welke Hollands letterkunde in de dagen van Hollands heerschappij roem droeg; het is XIX Cats door Miereveldt; het is XX Huygens, door Netscher gepenseeld; het is Hooft, om strijd door XXI Bramer en door XXII de Keyzer veraanschouwelijkt; het is XXIII Vondel, wiens hoofd wij aan Jan Lievensz zijn verpligt—Cats, Huygens, Hooft, Vondel, in wier werken de zeventiende eeuw herleeft. Het zijn de burgers, voor welke zij dachten en zongen; de burgers van eenen krachtigen tijd, mannelijk moedig in hunne uitspattingen, en goedrond bij den beker: de burgers, die Spanje in drie werelddeelen hadden overwonnen, ons door Govert Flinck, Rembrandt van Rijn en Bartholomeus van der Helst aangeboôn.

XXII. No. 2118. J. Von Sandrart (1606–1688)
Pieter Cornelisz. Hooft.
(in P's tijd aan de Keyser toegeschreven.)

XXIII. No. 928. Govert Flinck (1615–1660) Joost v. d. Vondel, (1587–1679)
(door P. toegeschreven aan Jan Lievensz.)

[Hierop is dan toepasselijk V's gedicht:

OP MIJNE SCHILDERIJ,

toen Govert Flinck mij uitschilderde, in het jaar 1653.

Ik sluit vandaag een ring van zesmaal ellef jaren,
En zie mijn hoofd besneeuwd, en tel mijn grijze haren,
Ook zonder glazen oog, in deze schilderij,
En nog ontvonkt mijn hart in lust tot poezij;
Terwijl ik Lucifer zijn treurrol leer volspelen,
En met den bliksem sla op hemelsche tooneelen,
Ten schrik en spiegel van de Staatszucht en de Nijd.
Wat is mijn ouderdom? Een rook, een damp, geen tijd.]

XXIV. No. 962. Wybrand de Geest (1590–1659)
('t Zoogenaamd Portret van Piet Hein)

Niet ééne toespeling zegt men welligt, niet ééne toespeling herinnert hier stedemaagd bij stedemaagd, die Frederik Hendrik aan zijne voeten buigen zag, welke hem als overwinnaar binnen hare muren ontvingen;—slechts XXIV Piet Hein vertegenwoordigt er de eerste triomfen onzer vloot; haar vader zelfs, Maarten Harpertszoon Tromp, ontbreekt;—wat verleidde u toch te beweren, dat het zegel, door dezen vorst op zijnen tijd gedrukt, hier viel te zien? Als ware louter oorlogsroem het doel zijns levens geweest, neen, als hadde het hem voldaan, de grenzen des vaderlands te veiligen en uit te zetten; als hadde hij slechts naar den stoffelijken voorspoed des volks gestreefd! Stel zijne verdiensten als krijgsman zoo hoog gij wilt, ik ken haar met u gaarne den man toe, die zich aan de zijde zijns broeders, aan die van den grootsten veldheer zijns tijds, reeds als jongeling onderscheidde en in rijperen leeftijd de taak van dezen, het vrijvechten onzer gewesten, roemrijk heeft voltooid; maar huldig tevens—de vier door mij vermelde vernuften vergen het van u—huldig tevens in Frederik Hendrik andere gaven, hoogere deugden, durf ik zeggen, dan aan Maurits ten deele vielen, dan Maurits in beoefening bragt. Beslisse hij, wiens studie van ons verleden dieper gaat dan de mijne, beslisse hij, of Willem's derde zoon 's lands taal niet slechts zuiver sprak, maar ook de bloesems, ook de vruchten, die onze letterkunde in zijnen tijd aanbood, te waardeeren wist; er is veel, dat ten voordeele van ons gunstig vermoeden pleit, in de bijzonderheid, dat de anders zoo verscheidene talenten, welke hem hier omringen, eenstemmig zijn in den lof zijner heuschheid, dat ieder hunner hem betreurde als eenen vriend. Weifelt gij nog toe te stemmen? leen ons verder het oor. Het zou vergeeflijk geweest zijn, hadde Frederik Hendrik hollandsche proza, hollandsche poëzij maar half verstaan,—vergeeflijk, zeg ik, den vroegen dood zijns vaders, de uitheemsche afkomst zijner moeder,R35) en de aan beide die oorzaken toe te schrijven voltooijing zijner opvoeding in den vreemde, in aanmerking genomen;—al bleek het morgen, dat Willem's derde zoon dit niet eens deed, zijn tijd, zijn toestand zou het verontschuldigen, hij zelf zoude er niet minder de gevierde beschermer onzer litteratuur om zijn. Immers, het zou er slechts te duidelijker door aan het licht komen, dat hij verstandig genoeg was, om geene uitheemsche der inheemsche voor te trekken; beschaafd genoeg, in den echten zin des woords, om de behoefte zijner landgenooten aan de laatste te begrijpen. Dat de jongere tak der Nassau's, die den zijnen verving, hadde opgemerkt, welk een voorbeeld hij in dit opzigt gaf; dat verlicht eigenbelang, dat kennis onzes tijds, het volgen deed! Hoe vurig heeft de ontluikende, de in de dagen zijner jeugd nog onbeschaafde dichtkunst, de gunsten, welke Frederik Hendrik haar bewees, hem bij tijdgenooten en nakomelingschap dank geweten; hoe honderdvoudig heeft hij alles, wat hij voor onze letteren veil had, weder ingeoogst, in hare vermelding van de wijsheid van zijn hoofd, van de goedheid van zijn harte, in haren lofzang op de beschaving van zijnen geest, op de verdraagzaamheid zijn gemoeds! Zie, de oorlogsroem, welke Maurits' oogappel was, zij te regt elk, die den naam van Oranje draagt, dierbaar; maar de liefde, welke zijn jonger broeder zich verwierf, de liefde des volks, die oorsprong nam uit zijnen zin voor verstandelijke verlichting, gelde het hart der nazaten van den eersten Willem nog meer! Europa's voorkomen is sedert tot onkenbaar wordens toe verkeerd; onze naburen zijn ons boven het hoofd gewassen; Engeland heerscht op den oceaan, Frankrijk verwezenlijkte een oogenblik het droombeeld, dat het heel het vasteland tarten kon; de kolossus van het Noorden is ontwaakt, en de markgraaf van Brandenburg een der monarchen van ons werelddeel geworden;—van de beide kransen, weleer om de kruinen onzer stadhouders blinkende, is er slechts één meer binnen het bereik van hun nageslacht. Dat het zich trooste: het is de zeldzaamste, het is de schoonste tevens. Frederik Hendrik's tijd was onze gulden eeuw van kennis en kunst;—ge zult niet ongeduldig worden, hoop ik, zoo wij bij ieder der beeldtenissen, die beide vertegenwoordigen, een oogenblik stilstaan.

XXV. No. 1659. Paulus Moreelse (1571–1638).
Maria van Utrecht. (1555–1629) (geschilderd 1615).

XXVI. No. 407. David Bailly (1584–1657).
Maria van Reigersbergh. (1589–1653) (geschilderd in 1626.)

De Cats van het museum, de Cats van Miereveldt, is niet de eerwaardige grijsaard, ons door Ravestein veraanschouwelijkt, niet de twee en tachtigjarige, dien ge voor Feith's uitgave zijner werken ziet;—ik wenschte, dat hij het ware! „Vader Cats,” zegt het volk; „vader Cats,” zong zelfs Bilderdijk, die het anders zelden met het volk eens was; „vader Cats,” zeide menigeen, het hoofd schuddende bij vroegere opstellen in de „Gids,” welke niet van onvoorwaardelijke sympathie met dezen volkszanger van het voorgeslacht getuigden;—vader Cats, vadere men zoo veel men wil, waarom zouden wij aarzelen, bij deze gelegenheid andermaal voor ons gevoelen uit te komen, dat we, spijt onzen eerbied voor zijne verdiensten, Vondel boven allen, en Hooft schier dezen gelijk, en na beide, zelfs Huygens op de ontwikkeling van wat er voortreffelijks in onzen volksaard schuilt grootere aanspraak toekennen, dan het hoofd der Dordtsche school? Vader Cats... inderdaad, wij hebben behoefte aan de sneeuwwitte lokken; aan de kruin, door het fluweelen kalotje voor wind en weder gedekt; aan de hooge jaren en den ernst, dien zij medebrengen, om geduldig het oor te leenen aan den lof voor wijsheid, hem zoo kwistig toegezwaaid. Bij den man van middelbaren leeftijd, ons door Miereveldt hier veraanschouwelijkt, bij dit bloeijende, blozende gelaat, grijpen wij moed tot de vraag: „welk deel hij genomen heeft aan de bewegingen zijns tijds, woelig als die was, welke rigting hij voor den geest zijns volks de wenschelijkste achtte?” Op de eerste blijven zijne vurigste bewonderaars evenzeer het antwoord schuldig, als de schilderij voor ons; op de tweede vinden wij het in zijne werken, in de voornaamste van deze, in „Huwelijk” en „Trouwring,” zoo ge wilt. Intusschen, hoe waar wordt zijne afbeelding door Miereveldt, als gij haar met 's mans leven vergelijkt: alle sterk sprekende individualiteit ontbreekt in beide. Zoo gij niet wist, dat de eerste Jacob Cats voorstelde, zij zou u nooit om den wille des geschilderden hebben geboeid—zoo 't laatste aan zijne werken niet voorafging, dat van den „Raadpensionaris” zou luttel belang inboezemen. Eer ge mij van onbillijkheid beschuldigt, bid ik u, de karakteristieke gelaatstrekken van Huygens, van Hooft, van Vondel, beurtelings met die dezer schilderij te vergelijken; ook zonder een Lavater te zijn, merkt men het onderscheid der physiognomiën op. Eer ge heiligschennis roept, verzoek ik u den uitslag der gezantschappen van den Heere van Zorgvliet over te stellen tegen die der zendingen van den Heere van Zuylichem.R36) Of acht ge deze te zeer verscheiden, welnu, doe het dan den stijl, waarin de eene als de andere ons in hoogen ouderdom er vertrouwelijk verslag van gaven. Hooft bragt als Drossaard dezelfde verdraagzaamheid in beoefening, die hem als dichter, als denker onderscheidde; wanneer gevoelde Cats eene liefde voor vrijheid, als op iedere bladzijde der „Nederlandtsche Historiën” blaakt? En denk u Vondel eens, in de plaats van den Raadpensionaris, in het kabinet van Willem II, toen deze den laatste kennis gaf van den aanslag op Amsterdam. Zou de dichter van „Palamedes” zich vergenoegd hebben met des vorsten afscheping: „Schrijf, secretaris!” Waartoe heeft FeithR37) toch van Cats getuigd, dat hij ons, ook als staatsman, „altijd onzen eerbied ontweldigt,” terwijl hij zich verpligt gevoelt er op te laten volgen: „dat deze nergens schittert,” en dit dan weder goedmaakt met: „maar ook overal vinden wij hem grooter, dan hij schijnt te zijn; mogelijk is dit laatste het zekerste kenmerk van ware verdiensten?” Waartoe heeft de VriesR38) in den overvloed der gedichten van Cats naar een schaarsch te vinden bewijs gedoken, dat hij belang stelde in 's lands roem ter zee, terwijl datzelfde vers ieder, die het leest, koel laat, middelmatig, redeneerziek als het uitviel? Waarlijk, wij, die den weêrzin niet verheelen, welke ons de figuur inboezemt die hij tegenover de krachtige bewindslieden zijns tijds maakte, wij doen zijner nagedagtenis geen onregt, als zij, die hem verdiensten opdringen, welke hij niet bezat. Indien Cats van ganscher harte man van zaken, man des bedrijvigen levens, man onzer glorierijke zeventiende eeuw was geweest, met de dichterlijke gaven, hem bedeeld, had hij niet enkel de pligten en regten des huwelijks gezongen,R39) ware niet louter de minne scheering en inslag zijner schriften geweest. Een blik op de schilderij voor ons, en gij verbaast er u niet langer over, dat zijne liefde meer van drift dan van togt had, zoo ge met ons het laatste woord de uitdrukking acht, welke voor iets hoogers dan instinct past;—dat hem iets grof zinnelijks aankleefde, 't geen ons minder ergert, wanneer Huygens het in de volkstaal lucht geeft,R40) wanneer het Hooft in zijne liedjes dartel doet worden, wanneer Vondel er in enkele bruiloftszangen tot wulpschheid door wordt verleid, dan als Cats het ontleedt en verklaart en toelicht, de natuurlijke historie van ik weet niet wat al! Onze oude kluchtspelen worden walgelijk gescholden door de kieskeurigheid dezes tijds; maar het ontsluijeren van iedere geheimnis schijnt in Cats niemand te stuiten, dewijl hij daardoor slechts „waarschuwen wou.” Houde men ons de vraag ten goede, welke soort van nieuwsgierigheid er gescholen hebbe in de gretige lezing zijner werken gedurende de laatste helft der zeventiende, gedurende de eerste der achttiende eeuw? Het zijn bedenkingen, gedachten, vragen, die ons van het hart moesten, als zoovele indrukken van Miereveldt's beeldtenis, vergeleken met vele verhalen uit den „Trouwring,” afgewisseld als deze worden door dissertatiën, die ons wel eens verleid hebben tot den wensch: „Ach, hadde Cats maar liever eene tweede vrouw genomen!” En nu de keerzijde van den penning, den goeden invloed door hem uitgeoefend, de schare van lezeressen, die hem gegronde aanspraak geeft, met de drie overige vernuften den gulden tijd van Frederik Hendrik te vertegenwoordigen. Trots het vervelende zijner versificatie, onvergeeflijk als die was, daar Hooft's gedichten vóór de zijne het licht zagen; trots het leuningstoelige eener dichtsoort, die doorgaans vertelde, allerbegrijpelijkst, het is waar, maar ook abc'swijze, zonder verwikkeling van knoop, zonder vragen, of de lange redenen in den mond der sprekers pasten; trots al het achterlijke van de theoriën der Dordtsche dichtschool, in één woord, tegenover die der Amsterdamsche, maakte Cats opgang, voorbeeldeloozen opgang, opgang, door dien van Vondel zelfs niet geëvenaard;—het waarborgt verdiensten, welke al die gebreken overtroffen. Mogt het mij gelukken deze regt te doen in de omtrekken van een genreschilderijtje, dat begaafder hand dan de mijne op het doek overbrenge! Gedurende de laatste jaren van het bestand met Spanje bood eene landhoeve bij Grijpskerke in Zeeland dikwerf eene schoone groep aan: een jeugdig echtpaar en hun spelend kroost. Laat de kleinen, jongens en meisjes, vier, vijf in getal, laat ze rondspringen naar het hun lust, ik wensch uwe aandacht te vestigen op de oogen der moeder, die over hen gaan, terwijl zij het oor leent aan haren gade; ik wensch u vooral hém te doen zien. Eene veder ter hand, een blad papiers voor hem, leest hij met welluidende stem verzen voor, verzen even zoetvloeijende als de beek, maar neen, die faalt ongelukkigerwijze aan het landschap, even zachtkens ruischende als het hooge geboomte, in welks lommer de dichter zit. Immers, hij is het, al ademt zijn werk de kalmte van het oord, al hebben de toestanden, welke hij schildert, zoomin iets hartstochtelijks, als de natuur, welke het paar omringt, iets verhevens heeft. Het eigenaardig karakter des geheels, van de groep als van het gedicht, is huisselijk, is hollandsch te zijn. Behoef ik u nog te zeggen, dat Cats zijner vrouw „het Houwelijck ofte gantsch beleid des echten staets” hooren doet? Hoe karakteristiek is dat toevoegsel, dat gantsch beleid, in den mond van dien man! Tweemalen is hij verliefd geweest, vóór hij der vrouwe, die naar hem luistert, hart en hand bood; tweemalen op het punt te huwen, en echter deed hij het niet dan met haàr. Laat mij het u als episode mogen vertellen, op de schilderij zoudt ge er niets van zien. Wat zijnen eersten liefdehandel deed afbreken—het woord past voor den tweeden of het er voor gesmeed ware—verhaalt hij u als ge het hem vraagt. Hij kreeg in den Haag, waar het meisje woonde, de koorts; men ried hem, om haar kwijt te raken, de koorts namelijk, verandering van lucht, een uitstapje naar Engeland aan. Hij verliet den Haag en zijn liefje. Waarom hij het laatste niet weder opzocht, toen hij naar Holland terugkeerde, vertelt hij u niet—daar hij dan fluks van zijnen tweeden liefdehandel ophaalt. Het geviel, dat hij te Middelburg in de Fransche kerk minder naar de predikatie luisterde, dan naar een mooi meisje keek—is het u nooit zoo gegaan?—mij weleens, al ging ik, te huis gekomen, zoo verre niet als Cats, om fluks een hupschen minnebrief te schrijven. Het spijt mij in één opzigt nu, dat ik het niet deed; immers, de tijd is thans voorbij, om de proef te nemen, of ik even gelukkig zou zijn geweest als hij was.R41) De jonkvrouw gaf der eerste bede dadelijk gehoor; op het bescheiden uur kwam zij des avonds voor de deur, zooals hij haar verzocht had. „Het was of hem de hemel opging,” zegt hij. Zij bloosde, ze zag hem aan; ik wil niet ondeugend genoeg zijn eenige stippen te laten volgen. Genoeg, hij vroeg haar; hij zou haar hebben gehuwd, als een gedienstig vriend hem niet had verhaald, dat haar vader om zijne bankbreuk werd veracht. Arm, mooi meisje! Cats nam haar niet—het gantsch beleid, zeiden we. Hij beweert, dat hij voor haar in den dood zou zijn gegaan; maar, praat door, en gij zult hooren, dat hij haar zitten liet. Hier zette ik tittels... En leenen wij nu met zijne gade het oor aan zijnen zang. Zij heeft geest, zij heeft gevoel, zij leest Plutarchus, zij leest den bijbel het liefst van alle boeken, en zoo er godsvrucht in het harte van Cats is geweest, haar zij de eere! Wie weet, of zij hem het onderwerp niet aan de hand deed? Er is niets, hetgeen onze gissing onwaarschijnlijk maakt, dat zijn vroegere arbeid (de „Sinne- en Minnebeelden”) haar minder geviel,—al was het eene eerste poging, partij te trekken tot van de dwaasheden der jonkheid toe;—dat zij den dichtstukken over den echt de voorkeur geeft boven „den Spiegel van den Ouden en Nieuwen Tijd.” Uitgebreide geleerdheid en levendige opmerkingsgave, zij weet het, doen historie en natuur Cats om het zeerst ten dienste staan, en zijn hart—ik hoop het—kent zij beter dan wij het achten zouden, uit de beide vrijerijen,—waarvan zij waarschijnlijk niets weet. Doch wij zouden luisteren; maar naar wat? naar de maeght, naar de vrijster, naar de bruyt, naar de vrouwe, naar de moeder? Hij heeft haar, vertrouw ik, het laatste het liefst voorgedragen. Maar sla gij—want ik laat mijn schets een' schilder over,—sla gij ieder der stukken op, en ons oordeel zal niet veel verschillen, vlei ik mij. Verscheidenheid, dat groote middel tegen verveling; verscheidenheid—vooral in gelijkenissen en tegenstellingen,—wie is er rijker aan dan Cats, die zondigt door overmaat, doch misschien aan dat gebrek eene afwisseling van gedachten heeft dank te weten, welke in dit boek ten minste het eentoonige zijner manier vergeten doet? Vlugheid van verbeelding, die zich in allerlei toestanden des harten te verplaatsen weet, en door aanschouwelijkheid van voorstelling vergoedt, wat haar in diepte van opmerking ontbreekt, wie zal hem haar ontzeggen, in wien Feith objectiviteit huldigde, dien Bilderdijk „het verstand overredende, het hart overmeesterende” prijst? Vol van zin voor huisselijk heil—tot waarschuwens toe voor struikelblokken, die het storen kunnen en van welke het welligt wijzer ware geweest te zwijgen; vol van liefde voor het landleven—al had het een weinig van natuur gaêslaan, om daarmede profijt te doen; vol godsdienstig gevoel—schoon dan ook riekende naar de rechtzinnigheid van zijnen tijd, bezat hij alle vereischten om zijne toehoorderessen te boeijen, daar hij haren toestand volkomen begreep. En nu wenschte ik, dat het mij gegeven ware, niet die PhylissenR42) voor u op te voeren, door zijne Anna's maar half bekeerd, noch die Sybillen, welke het, trots het talent des schrijvers, niet van zijne Rosettes wonnen, maar u de bruiden te doen aanschouwen, welke in zijn werk menigen wenk vonden, dien zij ter harte namen; maar u vooral de vrouwen te doen zien, zooals hij ze deels vond en deels vormde: heusch, bloeijend, aanminnig, ingetogen, huishoudelijk, verzoeningsreê,—getrouw, geduldig, godsdienstig bovenal; vrouwen, welker wedergade de wereld buiten Holland niet had. Doch wat wenschte ik? Hangen hier de beeldtenissen niet van haar, die zijne idealen verwezenlijkten? Blikt ons de bitter beproefde XXV Maria van Utrecht, Oldenbarneveldt's weduwe, niet aan?R43) Bewondert ge met mij de beminnelijke XXVI Maria van Reigersbergen niet? Weest gegroet, degelijke echtgenooten, degelijke moeders, die misschien eerder de studies verdient te heeten, naar welke Cats schetste, dan de treurenden door zijnen zang vertroost, doch om wier wille wij niet mogen voorbijzien hoevele zwakkere zusteren dan gij hij heeft opgewekt, aangespoord, overreed, om u, al was het van verre, te gelijken in huwelijksliefde, in moedertrouw!—Vergeef ons de vervoering, lezer. Ligt dat zij, die er ons toe verlokten, zedig als ze waren, de eersten zouden geweest zijn, er het hoofd bij te schudden, dewijl we daardoor den schijn op ons laden, van de verdiensten van Cats nog die ééne te willen afdingen, door zijne verzen onze vrouwen te hebben gevormd, daar de voortreffelijkste, eer zijn dichtstuk het licht zag, het voorbeeld aller deugden gaven. Op ons woord, wij kennen ons van dien toeleg vrij. Alles wat wij tegen Cats inbragten, wijte men der onoordeelkundige ophemelingen zijner talenten, welke aan verhevener vernuften te kort doen; vernuften, welker karakter en kunst mannelijker waren dan de zijne, welker leven en lied om strijd getuigden van kracht. Dulde men voor het minst onze meening, dat het volksleven der vaderen van zijne dichters bij uitnemendheid veelzijdiger sympathie eischen mogt, dan Cats aan den dag heeft gelegd; dulde men die, zeggen wij, als we opregt betuigen, dat wij eerbied voor hem koesteren, om het meêgevoel, dat hij der bedaegde huysmoeder betoont: dien hollandschen winter, welks hemel zoo helder is.

Een leerdicht ter zijde te leggen, om over een liedje te spreken, gaat nog aan; maar u uit een klaaghuis te willen overbrengen in eene kroeg, schijnt gewaagder, en echter verzeker ik u, dat gij het u niet beklagen zult, zoo ge u uit de binnenkameren van de eerzame burgerij der steden van Holland laat medetronen, tot waar de frissche krans in het leger der Staten op de grenzen buiten hangt. Zie, daar wuiven de wingerdranken, door de vingers der knappe herbergsdeerne zaâmgestrengeld; daar wuiven zij van verre den krijgslieden te gemoet. Een likkebroêr, dien zij den beker vult, beweert, dat hij hare blanke beentjes heeft bespied, toen zij op de bank wipte, om tot den stang op den hoek des huizes te kunnen reiken. Maar wat schort er aan, dat zijne scherts geen' bijval vindt, dat het kwinkslaan geen kaartspel wordt, al drentelen er Friezen om hem henen, die Starter's liedeboek van buiten kennen; al brengt hij het een' Hollander toe, die Breêro op zijn duimpje heeft?R44) Jong, jolig als deze is, stoot hij stil aan, ziet hij vóor zich als de overigen. Eer iemand het er voor houde, dat het aan de dubbelzinnige aardigheid zelve haperde, zegge ik hem, hoe darteler jokkernij, hoe daverender juichen haar pleegt te volgen:—wie heeft ooit van kieskeurige krijgsliên gehoord? Zelve onze nuttigheidseeuw levert ze niet. Maar terwijl ik de overbodige opmerking maakte, viel het u in het oog, dat er verslagenheid heerscht in het gansche heir; dat de grombaarden grimmiger zien dan gewoonlijk. Een hunner, mede voor de huismanswoning gezeten, die in herberg is verkeerd, een hunner heeft van Nieuwpoort opgehaald. „Stil, Floor! stil!” voegde hem een spitsbroeder toe; „Prince Mouringh is dood!”—„En Breda over,” zuchtte Floor, dien de jongelingsjaren des veldheers heugen, toen het vrije, vrolijke leven der lansken hem aanlachte, toen hij niet voorzag, dat er een tijd komen kon, waarin hij arm, en oud, misschien zou moeten bedelen om zijn brood. Er ging sprake van afdanken;—de wapenen der Staten waren in den laatsten tijd niet gelukkig geweest; de fortuin had den vorst, die in zijne jeugd haar gunsteling scheen, bij het graauwen zijner haren den rug gekeerd;—er ging sprake van afdanken, de gezeerden het eerst, dacht onze grombaard. En wonden had Floor, wonden in menigte, maar geene enkele in den rug. De oude landsknecht hief den grijzen kop onwillekeurig op, toen zijn hart bij die gedachte joeg, als het plagt te jagen vóór vijf en twintig jaar. O, als de wereld een' anderen Mouringh opleverde;—als zijns gelijke hem aanvoeren mogt, wat maakten dan jaren, wat wonden uit? Trots beide, zou hij met zulk eenen veldheer slechts te moediger weêr in het vuur gaan; de dood en hij hadden elkaêr zoo dikwijls in de oogen gezien, dat Floor van geen vreezen meer wist. Hola! wat was daar te doen? Een liedjeszanger, om wien men kanne en kroes in den loop liet, om wien men zamendrong, tot hij van zijne ton, over helmen, hoeden en hoofden loopen kon, als het hem lustte; Floor lachte de dwazen uit, Floor leêgde zijnen beker. Maar, „hoezee! hoezee!” klonk het; „hoezee!” en onze oude rees op, als zij, die rondom hem hadden gezeten;—die deun moest iets aêrs gelden dan mooije meisjes, zoo als hij er had gekend en gekust, niet bij het dozijn maar bij duizenden ... in Vlaanderen;—die deun moest iets aêrs gelden dan wijn, zoo als hij had gedronken, niet bij den kroes, maar bij de kruik uit de kelders der aartshertogen en abten... in Braband. „Hoezee! hoezee!” wat mare bragt die borst toch? Floor trad digter op den zanger toe, en menig vlasbaard week ter zijde; Floor stond midden in den kring, eer hij het wilde of wist; Floor zag opgeruimde gezigten om hem henen.—„Eens nog, eêle baas!” riep een der ruiterhoplieden. En andermaal galmden de forsche klanken uit de forsche keel. Mijn grombaard luisterde. Hoe hij de ooren opstak,—acht mijne vergelijking niet smadelijk,—hoe hij die opstak, als een dogge het doet bij het noemen van den naam zijns meesters. „Mouringh,” begon het liedje. Floor knikte den borst op de ton toe; Floor riep hoezee als de overigen, zoodra het dezen als den onoverwinnelijke prees. Het was het minst aandoenlijke van de zege, die de zang behalen zou: Floor's hoofd zinkt op zijne borst; Floor's ruwe hand strijkt schichtig langs zijn ruig gezigt, daar het liedje den dood van Mouringh meldt, onder het beeld van den leeuw, die ingesluimerd is in den eindeloozen slaap. „Hadde ik voor hem mogen sterven!” mompelt Floor, en mijmert, terwijl de zanger den rouwe des volks zingt; den rouw te land en ter zee; Floor mijmert, tot de borst op de ton hem ontwaken doet door de vraag van mooi Heintge: „Of men daarom dutten zal?” Floor ontwaakt, zeg ik, en tot geestdrift ontvlamt zijn gevoel, eer hij het liedje heeft uitgehoord. „Vivat prince Henrik!” klinkt het uit zijn hart, „al moesten we morgen weer in 't vuur!”—„Vivat prince Henrik!” roept het heir als hij, en de liedjeszanger leêgt de hem toegereikte fluit,R45) en tot kroezen en kannen teruggekeerd, vertelt Floor, hoe Frederik Hendrik zich gekweten heeft van den slag bij Nieuwpoort af;—het was in den zang teregt gezegd, „dat hy allerlei gesnor van buijen over sijne muts had sien gaen.”—„Vivat prince Henrik!”—Ik heb maar eenen indruk van het bekende stukje „Scheepspraet” geschetstR46); ik zoude den invloed, dien het uitoefende, in tal van andere toestanden kunnen veraanschouwelijken; doch die enkele volstaat, om u een begrip te geven, hoe het hoofd en het harte van Huygens zijn volk en zijnen vorst liefhadden in den bloei der jeugd; hoe hij beider betrekking begreep, menschenkenner als hij toen reeds heeten mogt. „Een liedje,” zegt men misschien, smadelijk de schouders ophalende; „een liedje, 't is ook wat!” Zegt het, al schreven Burns en Béranger ook maar liedjesR47); zegt het, en ziet voorbij, dat wij geene eigenaardiger hollandsche voorstelling der staatshuishouding van ons gemeenebest hebben, dan dit stukje aanbiedt; dat zestig regels zulk eenen zanger voldoende zijn, ter bezieling van zijn volk, door een voorstelling, uit zijn leven gegrepen; door de belofte eener toekomst, het verleden, waaraan hij regt doet, waardig. Helaas, waarom ontbreekt ons, gekweld als wij worden met onbeduidende genrestukjes, waarom ontbreekt ons een Constantijn Huygens in het kabinet van Frederik Hendrik, die zijn pendant vinden mogt in Aldegonde bij Willem I? Er zou meer analogie zijn tusschen beide toestanden, dan gewoonlijk bij tegenhangers het geval is. Ik weet niet, aan wie der twee vorsten de vriendschap van zulk een vernuft meer eere deed; ik weet niet, wie der beide vernuften het meest regt had trotsch te zijn op de vriendschap van zulk eenen vorst. En toch zouden die stukken, om geslaagd te mogen heeten, eenen geheel verschillenden indruk te weeg moeten brengen; er was tusschen de elkander opvolgende tijdvakken het onderscheid van uitzaaijen en inoogsten; dat van het worstelende Holland met het Holland dat overwon! Vergenoegen wij ons, bij gebreke van deze, met het meesterstukje, dat het museum ons in Huygens' beeldtenis minder aanbiedt dan vermoeden doet. Al klaagden wij vóór twee jaren over de plaatsing—misplaatsing zou Constanter hebben gezegdR48)—al weêrsprak geen der lofredenaars van 't bestaande onze klagt: wat baatte het ons? Het schilderijtje hangt nog tegen den dag! Doch, dank zij het talent van Netscher; dank zij den kijker, dien ge te onzent moogt meêbrengen, dien men u elders aanbiedt, er valt genoeg van te zien, om hem eene gelukkige grijsheid toe te kennen, zoo als zijne werken beloofden. Hoe opgeruimd, hoe innemend, hoe schoon zelfs! Werken, zeiden wij, en bedoelden daarmede niet enkel zijne schriften, maar verstaan daaronder langer dan eene halve eeuw vroed en vroom levens, dat der „deege degelijkheid.” Beklaag er u niet over, dat gij hem, dien ik u straks als den dichter der scheepspraat voorstelde, eerst vijftig jaren later wederziet; in die alle heeft hij door handel noch wandel de beginsels verloochend, hem door eenen voortreffelijken vader, door eene gemoedelijke moeder ingescherpt; vijftig jaren hollandsch, hervormd, verstandelijk, vrolijk, vrij leven! Er is schier geene ure te loor gegaan; hij is in schier geene zijner betrekkingen, talrijk als die waren, te kort geschoten; vraagt ge mij, door welk geheim?—door alles wat hij deed, te doen met al zijne magt; door indachtig te wezen aan des levens doel. Hij zelf zoude de eerste zijn, om zich te beschuldigen, als had hij het nog beter kunnen besteden; maar de vorsten, die hij diende; maar de vrouwe, die hij betreurt; maar de vrienden, die hem resten; maar de kinderen, die de kroone zijner grijsheid zijnR49); maar de kunst, die hij blijft liefhebben, lief tot aan het graf, allen beminden en bewonderden hem, bewonderen en beminnen hem nog. Hoe benijdenswaardig is zulk eene grijsheid! Wie onzer schaamt zich niet, zijn leven vergelijkende met eene jeugd, eenen mannelijken leeftijd, eenen ouderdom, besteed als die van Huygens werden; wie onzer schaamt zich niet, denkende aan de vele drukten, die wij voorgeven, aan het weinige werk, dat wij verrigten! Of zoudt gij den trouwhartige geloof weigeren, als hij betuigt, dat hij vele zijner verzen geschreven heeft, gemaakt heeft voor 't minst, in oogenblikken, die anderen onder hunne verlorene hadden geteld? Wandelende in zijne geliefde woonplaats of spelevarende in hare omstreken, was hij oog en oor voor de wereld om hem henen; slapeloos te bed liggende, of verbeidende ten hove, dacht hij na, dichtte hij; en de maatschappij zijns tijds spiegelt zich af in de honderde van opmerkingen, in die sneldichten, welker wedergade in veelzijdigheid onze letterkunde niet heeft. Het zijn geestige studiën des volkslevens; het zijn epigrammen op de gebreken van den dag; maar de wijze, waarop hij die verzamelde, maar hij zelf, wint het bij ons van deze in belang. Indien Cats aarde en hemel opmerkzaam gade sloeg, om stoffe te hebben voor bespiegeling, wij verbeelden ons dat hij het wigtig deed; immers, wij zien zijn werk de wijsheid, waarnaar hij streefde, aan. Huygens daarentegen, Huygens schudde in het dagelijksche leven niet enkel den hoveling, den geheimschrijver, den man van staat uit; aan Huygens merkte men zelfs den dichter niet. Hij koutte met daglooner, met handwerksman, met winkelier, met handelaar, met kunstenaar, met geleerde, als ware hij een hunner geweest; hij leerde van ieder van deze, wat zijne menschen-, levens-, wereldbeschouwing eigenaardigs had. Iets slechts bragt hij bij allen mede, dat niet aan hem stond te huis te laten, de geestigheid, die zijn gesprek kruidde, maar van gezochtheid niet vrij te spreken was; die hem geen hoofdbrekens kostte, maar het zijnen hoorders bijwijlen, maar het zijnen lezers bij menigte deed. Praktisch, als hij gevormd bleek, in de school van zijnen praktischen vader, smolten stadsbeschrijving en zedegisping in het „Voorhout” onwillekeurig zamen;R50) zong hij, gelukkig gehuwd, niet allen echtelingen de les, maar schonk in het „Daghwerck” een tafereel van zijn leven aan het hof, van zijn leven te huis, dat van innige harmonie tusschen beide tuigt. Wie verbaast er zich over, dat Huygens in zijne zendingen voor zijne vorsten slagen mogt, die de menschenkennis, welke hij zich verwierf, die de genegenheid welke hij den eersten toedroeg, uit zijne schriften leerde schatten? Hoe anders was de heer van Zuylichem toegerust, om in den vreemde den prince van Oranje te vertegenwoordigen, dan de heer van Zorgvliet, om in Groot-Brittanje de belangen van 's lands Staten voor te staan. In braafheid welligt elkaar opwegende, had de eerste boven den laatsten het onmetelijk overwigt, dat bruikbare bekwaamheid geeft. Vraagt gij ons misschien, waarom wij andermaal vergelijken; vraagt gij ons, waarom wij Huygens tegelijk zoo hoog vereeren en zoo hartelijk liefhebben; wij antwoorden u, dewijl zijn tijd geen volkomener voorbeeld aanbiedt, dat gemoedelijke godsvrucht gepaard kan gaan met talent van allerlei aard. Wij noemden hem praktisch, in tegenoverstelling van Cats; wij zouden het willen aanwijzen in het onderscheid tusschen dichtstukken, welke wij beider buitenleven, beider verblijf op het land in de omstreken van 's Hage verpligt zijn. HofwyckR51) legt gij mede aan; Hofwyck geniet ge, als waart gij de gast van zijnen heuschen stichter geweest; op Sorghvliet gaat gij gebukt onder bespiegelingen, die geen einde nemen, die hangen blijven als eene wolk tusschen u en de plaats. Heer van Hofwyck, leest Huygens zich zelven de les, in de aanmerkingen der voorbijvarenden in trekschuit bij trekschuit; op Sorghvliet leert Cats u niet slechts luisteren, op Sorghvliet verschijnt ook Prins Frederik Hendrik niet dan om er onderrigt te ontvangen. Wij zouden er stelliger bewijzen van kunnen bijbrengen, door eene vergelijking van het „Cluyswerck” met het „Twee en tachtigjaerig LevenR52)—woorden der wijsheid tegenover kouten en keuvelen—doch van het eerste gaven wij elders verslag; doch liever scheiden wij ditmaal van Huygens met eene verklaring van hetgeen we onder het woord praktisch verstaan, als wij het op hem toepassen, hemelsbreed als het verschilt van hetgeen onze tijdgeest praktikaal pleegt te heeten. Voorwaar, Huygens was er de man niet naar, om meê te slenteren, meê te sloffen, hoe treuzelig, hoe traag het gaan mogt: herinner u de „Zeestraet,”R53) door hem gedacht, ontworpen, aanbevolen, tien, twaalf jaren, eer men er ooren voor had; „onmogelijk geheeten,” zegt hij, „als alles dat onbeproefd is!”—en stel zulk een' aard nu eens tegenover die der lieden, welke wij bij voorkeur in allerlei besturen zien plaatsen, lieden, met wie het bewindvoeren zoo gemakkelijk zijn gangetje gaat. Voorwaar, Huygens was er verre van, zijnen gezigteinder in kunsten en wetenschappen te beperken tot de enge grenzen van ons vaderland; iedere zijner reizen vermeerderde den schat zijner kennis, die verspreid werd, die vruchten droeg, ook in vakken, waaraan gij hem vreemdeling wanen zoudt,—en zeg mij dan of wij vele secretarissen hebben, die zouden voorslaan, eenen anderen Galilei eene gouden keten te schenken,R54) ten einde hij ons het geheim, de lengte op zee te vinden, mogt mededeelen? Voorwaar, Huygens begreep onder mensch-zijn een ideaal van ontwikkeling aller krachten en gaven, dat slechts hem duidelijk wordt, hem naar de verwezenlijking haken doet, wiens gemoed het volgend leven eene voortzetting van dit gelooft te zijn, genadig als God zich aan zondaren in Christus heeft geopenbaard. Och, dat de beeldtenis van den goeden en grooten grijsaard er u en mij bij ieder bezoek meer in bevestigen mogt! We zouden dan niet vergeefs zoo lang voor haar hebben verwijld.

„Een musiceerend gezelschap uit het begin der zestiende eeuw” hebt ge tot vervelens toe in schier iederen catalogus onzer tentoonstellingen aangetroffen; ik huiver bij de gedachte, dat het der pen misschien evenmin meer een dankbaar onderwerp oplevert als het penseel. Eene ergernis echter, aan die stukjes verknocht, het onbeduidende der toeluisteraars, dat de ouden van dagen, dat vader en moeder plegen te zijn, eene ergernis zal u op het mijne niet ergeren, daar ik u vertellen mag, wat er in beider gemoed omgaat. Heen en weêr dribbelende, als de vrouw des huizes doet, de kamer uit, de kamer in, bepalen zich hare gedachten niet tot het lied, naar hetwelk zij naauwlijks luistert; bepalen zich deze bij de kapoenen, die te vuur staan, gesmoord naar het recipe van Jenny de Wael, met schijfjes van oranjes, en eene pint wijns;—als wij meê mogten aanzitten, zouden wij moeder harer zorg dankbaar zijn. Toeziende uit het hoekje van den haard, verblijdt de opgeruimde oude heer zich in den voorspoed van zijn huis, in de vreugde der jonkheid, tot hem een versje van Roemer Visscher invalt, het draaijen van het wiel der fortuin: „Vrede, door voorspoed opgevolgd; rijkdom, van weelde vergezeld; hoogvaardij, die twist en haat loslaat; oorlog, die armoê brengt; ootmoed, die wat spa' komt; vreê, die alles weêr goed maakt!” En nu ik dus mijnen beiden oudjes iets anders te doen heb gegeven, dan louter oor leenen, merk ik nog een voordeel op, dat de schrijver boven den schilder vooruit heeft; het is mij vergund u te zeggen, wat de jonge lui zingen, iets dat Van Mieris noch Ter Burg goedvinden te doen. Een nieuw liedeboek werd medegebragt door den schalk, die bij het binnentreden de dochter des huizes in de plooijen van zijnen mantel vangen wou, om haar eenen kus te ontstelen; mooi Machteld was hem te gaauw af; een rukje der hand, die hij losliet om hare dunne middel te kunnen omvaêmen, en de kraag ontgleed zijnen breeden schouders, terwijl hij achter zich een gesmoord lagchen hoorde, waarvan hij maar al te goed de oorzaak begreep. Een nieuw liedeboek, zeg ik, waaruit de schalk aanhoudt, dat zij een' beurtzang met hem zingen zal; „de wijze kent ge,” beweert hij, „de woorden zijn...” „Laat zien,” valt mooi Machteld in, en terwijl ze die doorloopt, dwalen de oogen van den kroeskop, van de knoopjes op hare mouw, van haren ronden arm meen ik, naar de kap op zijn amsterdamsch gezet, naar de pracht der blonde haren bedoelde ik, die deze milder prijs geeft, dan iedere andere nijdige muts. Hoe mooi Machteld dubbel schoon wordt, door het blosje, waarmeê zij het liedeboek weêromgeeft! „Aelbrecht,” zegt zij, „het ging aan dat te zingen als ik Galathé heette,”R55) en de schalk mag haar te liever om den schroom voor dien dartelen deun, al stemt hij voor alle wederwoord zelf de luit; al zingt hij het eerste lied uit den bundel,R56) dat zeker ook niet zedig is; dat des ondanks in ademlooze aandacht wordt aangehoord, door de vier of vijf overige jonge lui, die ik u een andermaal teekene; thans schiet mijne pen in vaart te kort, om de bewegingen der groep bij te houden. „Scheî uit!” smeeken de meisjes; „vaar voort!” roepen Aelbrechts vrienden; „een leelijk liedje,” zeggen de schoonen; „honderd rozenobelsR57) waardig!” juichen de knapen; maar mooi Machteld springt van haren stoel, en legt met haar blank handje Aelbrecht het zwijgen op;—om het voorregt dat te kussen, had Pieter Corneliszoon Hooft zelf den zang aan de heilige Venus gestaakt. Immers, het was geen ander liedeboek dan het zijne, dat nieuwe, waarover het oordeel der geslachten, onder die jeugd, zoo karakteristiek uiteenliep; waartoe moeder glimlagchende het zwijgen deed, toen mooi Machteld hare meening vroeg, dewijl vader Aelbrecht gelijk gaf: wijs bij de luî, mal om een hoekje. Het was het liedeboek, dat der hollandsche zangster eene plaats verzekerde aan de voeten, neen, ter zijde van de muze van Ausonië.R58) Hooft had Petrarcha en GuariniR59) beurtelings het oor geleend, meesters, als hij die achten mogt; maar Hooft begreep tevens, dat hij hollandsche toestanden schetsen moest, als hij de minnedichter onzes volks worden wilde. Het stukje, dat mij ten overgang strekte, is een lofzang op het alvermogen der minne; het speelt in stad, het speelt in de schemering, en schildert ons een bezoek bij avond, bij nacht misschien, der liefste ter sluik gebracht,—het verdient aan het hoofd des bundels te staan, als een triomf van zijn talent. Gelogenstraft wordt daardoor het vermoeden, als hing de noordsche nacht zoo zwaar over ons vaderland, dat de minne in dezen haren weg niet te vinden wist; beschaamd de vreeze, dat onze harde taal geene heerschappij dulden zou van het weelderig wicht. Verwijt hem voortaan gebrek aan gevoel, die onze natuur ondichterlijk scheldt, die altijd om Arcadië zucht.R60) Of levert het boeksken niet bewijzen in menigte, dat liefde over ons landschap een licht doet opgaan, waardoor zelfs het heirijke Gooi verkeert in eenen hemel van genot? Zoo iemand, onze begaafde, bevallige, twintigjarige dichter, had al den wellust gesmaakt, aan de boorden van de ArnoR61) in het doorzigtig duister van eenen zuidelijken nacht, half te denken, half te droomen; zoo iemand, hij had den gouden glans gewaardeerd, die de vorstinne des daags in haren vuurgloed van stralen over het dubbel azuur van de golf van Napels uitgiet. En echter ontsnapt hem geen zucht over het gemis van beide, als hij Roozemondt wekt, als hij Klaare beschaamt, door eenen blik op de openhartige bloemetjes.R62) Het is een hollandsche ochtendstond; de musschen suizelen af en aan; de duiven kirren in de lommer van het geboomte; de zwanen duiken in den waterspiegel, tot wiekgeklep opgaat uit een wolk van schuim; langs het gele zand der duinen strijkt de wind den groenen beemd der dalen in; waar de stier zijnen staart schudt, waar zijne hoorns den grond groeven: oosterling, die naar den harem hijgt; oosterling, die brullende van drift, het blok, dat hem boeit, verbrijzelen wil; er rijst gehinnik, er rijst gebriesch op de lucht, daar de hoeven van den hengst de aarde daveren doen; stroomen doorgezwommen, hekken overgewipt:—Roozemondt, rep u, als ge weten wilt, hoe de wereld tot minnen ontwaakt!—

Het is een hollandsche avondstond: van vrijers krielt het om de deur van een lief kind, maar geen lachje lokken ze op hare lippen, schoon de linkers eenen schalken blik op haar slaan: schoon de linkers een praatje maken met de pruilster. Mooi meisje als zij is, heeft zij dan ooren noch oogen voor dat windje, dat door de elzentakken suizelt, in wier lommer zij zit; dat de elzentakken strookt of hij ze lief had; voor het water, dat slaat tegen het walletje aan hare voeten, of kabbelen kussen waar? Lustigjes ruischt het, lustigjes bruischt het; de bloempjes wiegelen heen en weer in de dubbele weelde van avondwind en avondzon, een landschap, dat geuren wasemt, een landschap, dat drijft in gouden luister. Klaare, luister! leer lagchen, leer lieven als alles om u heen!—Och, het is den doove gepreekt, in dubbelen zin, want Klaare vaarwel zeggende, om den wille van hen, tot wie wij het woord voeren, wed ik, dat er onder mijne lezers zijn, die het eerste liedje wel wat wulpsch achten, die in het laatste den zedelijken zin voor levensvreugde voorbijzien. Anders oordeelden de tijdgenooten van Hooft, die eerstelingen toejuichende; immers spijt den schroom, dien de schalke zangster mooi Machteld inboezemde, verwierf het geestige boekske de gunst des publieks, de gunst onzes volks, dat zich had vrijgevochten van dubbele dwingelandij. Het voorgeslacht bezat zin voor alles wat waar is, voor natuurdrift als voor togt des harten; voor begeerten als voor beminnen; hoe het talent zich ontwikkelen en veredelen kon, toen de studie van geenerlei openbaring der liefde het werd ontzegd! Of hebt gij nooit opgemerkt, dat hij, die de dartele drift gloeijendst schetste, tevens gelukkig slaagt, als hij ons de heilige huwelijkstrouw schildert; hoe de vingeren van Hooft even goed de greepen der lier wisten als de greepen der luit! Lees dan zijne klagt van Amalia van Solms over prinsen Frederik Hendrik's beleg van den Bosch,R63) waaruit al de teederheid, al de trouw van den echt spreekt, al volgt de dichter de ouden, Ovidius,R64) meen ik inzonderheid, na; al schijnt hare Hoogheid te gelooven aan heidensche goden en godinnen. Laat ons billijk zijn in onze berisping; het karakter der kunst van Hooft was oorspronkelijkheid, al herinnert zij u bijwijlen Grieksche, Romeinsche en Italiaansche modellen. Twee eeuwen zijn sedert voorbijgegaan, en geen onzer dichters ontschaakt den Olympus zijne onsterfelijken meer; doch begrijpt daarom ieder onzer geleerden, dat het thans zijne taak is, de jeugd door de studie der oude wereld in staat te stellen tot ontwikkeling der nieuwe?—„Schoon prinssenoogh!” begint het dichtstuk, dat Frederik Hendrik's gemalin sprekende invoert, bekommerd over den uitslag van een beleg, door Delprat en Bosscha op nieuw in het licht gesteld, als een der heldhaftigste feiten des stedenwinnaars;—maar sla zelf het meesterstukje in de mengeldichten op. Gij zult het mij dank weten het u te hebben herinnerd; ge zult met mij hulde doen aan die bevallige beschrijving der geneugten van den echt, tegenover de stoute schildering der gevaren, aan den krijg verknocht; hulde aan de gevoelvolle uitdrukking van den angst, die haar martelt, bij de gedachte, dat ieder schot des vijands op het hoofd met witte veeren is gemunt. Boven alles zult gij den schoonen trek bewonderen, die het besluit: den wensch van Amalia, haren Hendrik ter zijde te mogen zijn, onafscheidelijk ter zijde als zijn zwaard, zoo glorie meer gelden mag dan leven en liefde beide, dan vrouwe en dan kind, een zoon, een zoon van vaders naam! Bedriege ik mij, is er niet iets vertrouwelijks, vriendschappelijks, vereerends voor prins en poëet beide, in die idealisatie der verbindtenis van den eerste door het vernuft van den laatste? Of zou Frederik Hendrik zich niet gevleid hebben gevoeld, toen Hooft hem het dichtstuk aanbood; Hooft, die niet enkel de eerste meistreelR65) der Hollandsche minne, die ook de voorstander der Hollandsche vrijheid was? Amsterdam, ons vaderland, hadden er reeds van gewaagd, hoe hij, die omstreeks zijne zonnige twintig de dichter der liefde was geweest, tien jaren later door den bezielenden geest zijns tijds werd geblaakt; hoe zijne zangster in den „Geeraert van Velzen” en in den „Bato” der vrijheidszucht had botgevierd, die erfelijk scheen in zijn geslacht.R66) Amsterdam, ons vaderland, verbeidden toen, na verloop van het tweede tiental jaren, de Nederlandsche Historiën van zijne hand. Een andermaal welligt een woord over de verdiensten dier treurspelen, in verband met hunnen tijd; thans vergenoege u, na de vermelding van den afkeer van allen dwang, alle dwingelandij, door haar bij ons volk vernieuwd, eene enkele opmerking. Veelzijdig vernuft als zij was, schijnt Hooft zich in de tragische, als in de erotische poëzij slechts ten doel te hebben gesteld, door een paar proeven zijnen landgenooten den weg te wijzen. Even als hij in het herdersdicht door eene vrije navolging van Marino, in het kluchtspel door eene verhollandsching van Plautus had gedaan,R67) schijnt hem van jongsaf de gedachte te hebben aangelagchen, door de rozen der liefde en de lauweren der kunst ook de palmen der historie te mogen vlechten. „Hendrik de Groote” was maar een voorbereidende oefening op een te onzent schier nog te ontginnen veld; het „Huis der Medici” slechts eene verpoozing van het onderzoek, voor het eerste deel der „Nederlandtsche historiënvereischt—R68) het is op het laatste werk dat zijn roem rust; het is aan het laatste werk, dat hij de liefde zijner landgenooten van geslacht tot geslacht heeft dank te wijten;—of had ik den verleden tijd moeten bezigen, en „rustte” en „had dank te wijten” zeggen?