AANTEEKENINGEN.


R1) De hier bedoelde vijfschaar bestond uit: Engeland, Pruisen, Oostenrijk, Rusland en Frankrijk, die in 1830 en 1831 in Londen confereerden over den Belgischen opstand en 26 Juni 1831 het zgn. Londensche Protokol teekenden.

R2) Denk aan de bekende tochten naar de beide Indiën, tegen Portugal's heerschappij; om de Zuidpunt van Afrika en de pogingen om het Noorden om te zeilen.

R3) Winzucht en wetenschap gingen inderdaad samen in de ontdekkingstochten, die door ondernemende kooplieden als De Moucheron en Le Maire op touw gezet, tegelijk de kennis der aardrijkskunde verhoogden. De Amsterd. predikant Petrus Plancius (1550–1622) stelde zijn groote kennis van aardrijks-, zeevaart- en sterrekunde ten dienste der koopvaarders; en de beroemde kaarten en atlassen, in ons land vervaardigd, hielpen beide: winzucht en wetenschap.

R4) De Nederl. Handel-Maatschappij, onder Koning Willem I en op diens initiatief tot verlevendiging van den nationalen handel gesticht.

R5) Vergelijk, om u te overtuigen, dat Potgieter hier niet opsneed, wat de hoogleeraar te Oxford James Thorold Rogers in zijn werk over ons land „Holland” (Story-of-the-Nations-Series, Fisher Unwin) in zijn voorrede schrijft: „Geenszins echter beperkt de schuld van het modern Europa aan Holland zich tot de lessen die het gaf omtrent het waarachtig doel van burgerlijk bestuur. Het heeft Europa bijna al het overige geleerd. Het gaf les in vooruitstrevende rationeele landbouwkunde; het was de voorganger in zeemanschap en ontdekkingstochten en, naar het inzicht van den tijd, de grondlegger van verstandigen handel. Het heeft de grootste rechtsgeleerden der 17e eeuw voortgebracht. In de kunsten des vredes stond het vooraan. De drukpersen van Holland leverden meer boeken af dan heel het overige Europa. Het telde de meest geleerde mannen van studie. De Oostersche talen zijn voor het eerst aan de wereld gegeven door Hollanders. In natuurkundig onderzoek en verstandige geneeskunst stond het vooraan. Staatslieden onderwees het de financierskunst, handelaars het bank- en credietwezen, wijsgeeren de speculatieve wijsbegeerte. Langen tijd was dit bestormde hoekje van West-Europa de hoogeschool der beschaafde wereld, het middelpunt van Europa's handel, de bewondering, de afgunst en het voorbeeld der natiën.”

R6) Vergelijk behalve 't geen in de Inleiding is aangehaald, ook over den algemeenen toestand in 1844 wat o.a. Prof. Dr. P. L. Muller in zijn „Geschiedenis van onzen Tijd,” 1e stuk, schrijft over dien toestand vóór 1848 (pag. 93): „Het was alsof het krachtig optreden tegen de Belgische omwenteling alle energie der natie had uitgeput. Van alle landen van Midden-Europa had Nederland toen de minste beteekenis.”

R7) De stoere figuren der 17e-eeuwers, neerkijkend van het doek op de bepruikte mannetjes der 18e!

R8) Cicerone = reisgids.

In de dan volgende wellicht niet-aanstonds òver-duidelijke periode geeft P. nu rekenschap ervan, waarom het aanstaand bezoek van deze Nederl. verzameling bij den Protestantschen Nederlander (aanbidder in geest en in waarheid) hooger verwachtingen wekt dan eene van een verzameling antieke beeldhouwkunst, die de helden van Homerus en het schoonheids-ideaal der Grieken doet kennen; of van Italiaansche schilderkunst, vooral van het werk van Rafael, die bij zijn aanbidding der vormschoonheid toch in zijn Madonna's de gelouterde zinnelijkheid der Grieken overtreft door haar vermenging met het Geloof. De liefde, in de Christelijke kunst uitgedrukt, en als gesymboliseerd in de moederliefde van de maagd voor het kindeke Jezus, gaat het noodlotsbegrip van het Griekendom, in zijn goden en helden verbeeld, te boven. Maar al mag er wat bekrompenheid liggen in ons hollandsch verwerpen van het goddelijke in de kunst,—de hollandsche opvatting, die de schoonheid in de werkelijkheid en de natuur zoekt, en van de kunst de verlevendiging vraagt van ons gevoel voor voorgeslacht, vrijheid en vaderland, en die van het goddelijke geen afbeeldsels duldt, staat voor P. toch hooger.

Of er in die opvatting niet nog meer eenzijdigheid schuilt dan P. zelf vermoedde? Ik onthoud me in deze aanteekeningen, waar mogelijk, van een meeningsdiscussie. Men vergete trouwens niet dat P. van die zuidelijke kunst niets kende dan het werk van den overgangskunstenaar Rafael (en dit blijkbaar nog maar in gravures nàar zijn werk!) De christelijke kunst vóor Rafael, die meer de innigheid dan de schoonheid zocht, was in zijn tijd (om zoo te zeggen) nog niet weer ontdekt. De Engelsche prae-raphaelitische beweging—die de voorgangers van Rafael tot voorbeeld koos,—onder Ruskin's en Rosetti's leiding, was in 1844 eerst in haar opkomst.

R9) In 1540 moest Karel V zijn zuster te hulp komen tegen de opstandige Gentenaren, die sinds 1537 tegen haar in verzet waren, weigerend, met een beroep op oude privilegiën, de groote geldsommen op te brengen, welke de landvoogdes eischte ter instandhouding van het leger. Aan dit belastingverzet paarde zich weldra een godsdienstige en sociale beweging, die zich over heel Vlaanderen dreigde uit te breiden en daarom ten slotte door Karel met groote overmacht bedwongen werd.

't Straks volgende: chevalier sans peur et sans reproche beteekent: ridder zonder vrees of blaam.

R10) d. i. Lamoraal, Graaf van Egmond, door Göthe in zijn Egmont geteekend.

R11) Hernan Cortez veroverde Mexico 1519–1521; door naijvrige tegenstanders bij den keizer belasterd, viel hij later in ongenade en stierf als vergeten burger.

R12) Frederik de Wijze, Keurvorst van Saksen, die na den dood van Keizer Maximiliaan I zijn invloed aanwendde om Karel te doen verkiezen.

R13) Wolsey (Thomas), kardinaal en aartsbisschop van York, langen tijd de machtigste gunsteling van den Engelschen koning Hendrik VIII, nam een belangrijk aandeel in de worsteling tusschen Karel V en den Franschen koning.

R14) Frans I—„Tout est perdu fors l'honneur,” „alles is verloren, behalve de eer.”

R15) Als het onmogelijke mogelijk ware geweest, Karel V had zijn voet op de wereld gezet.

R16) Zinspeling op Karels tocht, in 1535 tegen den gevreesden zeeschuimer Kheir-ed-Din Barbarossa ondernomen; bij de verovering en gruwelijke uitmoording van Tunis werden 10 tot 20.000 Christenslaven verlost.

R18) Tiara, drievoudige pauselijke kroon.

R19)eenen veegen verrukten”—veege is stervende.

R20) Hendrik van Brederode: Zie Hooft in zijn Nederl. Historieën: „Den derden van Grasmaandt (1566) dan, deed daar zijn intreê Heer Henrik van Breederode, persoonaadjen van hooghen aanzien en achtbaarheit, als eerste eedelling (die te Brussel bijeenkwamen om der Spaansche landvoogdes het bekende smeekschrift te overhandigen, voorteeken van den opstand) en gesprooten in manlijke lijn, uit de Graaflijke stam van Holland.” Hij was het ook die op den vijfde voor al de edelen het woord voerde, ter overhandiging van het smeekschrift.

R21) De Zwart Jan's en de Jan Haring'sZwart Jan was de bijnaam van een Rotterdamschen smid, die zich kloekmoedig weerde bij Bossu's verraderlijken aanval op Rotterdam, kort na de inneming van Den Briel. Mede tegen Bossu, nu bij den befaamden slag op de Zuiderzee (1573), onderscheidde zich een Hoornsch burger, Jan Haring, die zijn koenheid met den dood bekocht.

R22) provincialismus en urbanismus: gehechtheid aan eigen provincie en stad, die beletten dat men belangrijke stukken afstaat voor een groot, nationaal museum.

R23) De onderhandelingen met don Johan (van Oostenrijk), met Matthias (van Oostenrijk), met den hertog van Anjou, om het hoofd te worden van de geunifieerde gewesten en dezen aldus in hun strijd met Spanje een dynastieken rugsteun te verzekeren.

R24) Miereveld was inderdaad pas in 1567 geboren, doch hij schilderde het gelaat dan ook niet naar den levenden prins, doch naar het origineel van Cornelis de Visscher.

R25) De Friesche dichter Onno Zwier van Haren (1711–1779) in zijn gedicht: De Geuzen—in den eersten druk (1769) Aan het Vaderland geheeten.

R26) Schiller's gedicht: Die Unüberwindliche Flotte, met de beginregels:

„Sie kömmt—sie kömmt, des Mittags stolze Flotte,
Das Weltmeer wimmert unter ihr.”

R27) De Amirant van Arragon, Franciscus de Mendoza, was bij den slag van Nieuwpoort gevangen genomen. Zie de aanteekening van P. zelf bij de Liederen van Bontekoe.

R28) Willem Barendsz, door Tollens' gedicht op de „Overwintering op Nova Zembla” populair genoeg geworden; Olivier van Noord, de eerste Nederlander, die den aardbol omzeilde door de straat van Magellaan (Aug. 1598).—Jacques le Maire, zoon van den uit Antwerpen geweken en naar Amsterdam verhuisden koopman Isaac le Maire. Deze was op 't denkbeeld gekomen, dat een nieuwe doorvaart naar het Zuiden te vinden zou zijn. Jacques stak 1615 van Texel in zee met twee schepen, waarvan een op reis verbrandde; met 't andere ontdekte hij de zeestraat naar hem genoemd en kaap Hoorn.

R29)Al leverde hij er een fraaie schets van.” Die hij is blijkens een latere toespeling op pag. 201, de schilder Cornet geweest, zie noot R131.

R30) Willem Bontekoe. Zie P's Liedekens van Bontekoe.

Het is mij niet gelukt te ontdekken, ook niet bij navraag in België, bij wie best bekend zijn met de Vlaamsche schilderkunst, wie die Vlaming mag geweest zijn.

R31) Brabbelingh was de titel w/o de Amsterdamsche koopman Roemer Visscher (1547–1620) in 1614, toen hij al oud was, zijn Quicken, of puntdichten, Raedselen, Jammertjens enz. uitgaf. Heel kieskeurig was hij in zijn aardigheden niet; Jonckbloet acht ze voor onze dagen (al erkent hij hun vroolijk vernuft) „àl te onkiesch, zelfs plat,” en Alberdingk Thym vond zijn „kwinkslagen van zulk een stempel, dat ze in café-chantants onzer dagen (d. i. toen hij zijn Portretten van Joost van den Vondel uitgaf. 1876) nauwelijks geduld zouden worden.” Met Brederoo's kluchten (en die was staage gast in Visscher's huis) was 't niet anders; de 17e eeuw hield er niet van een blad voor den mond te nemen, en het teekent Potgieter, dat hij „kieskauwer noch pilaarbijter” hoog dorst loopen met deze oud-hollandsche „oubolligheid.”

R33) „Waar de stoet van buitenlandsche vorsten, die den krijg kwam leeren bij den oorlogsman, die alle overige wijken deed”—Geen heel fraaie zin, met deze beide die's en onduidelijk bovendien. 't Eerste die slaat op stoet; 't tweede op oorlogsman, d.i. prins Maurits, voor wien alle overige bevelhebbers hadden te wijken. De straks volgende fransche zin beduidt: „Hart voor alles, wat den roem van Frankrijk uitmaakte.”

R34) Rombout Hogerbeets.—Potgieter doelt hier op het familiestuk van De Keyser, dat echter niet Rombout Hogerbeets „een vrome, opregte ziel en vrij van vuile smetten,” zooals Vondel dezen medestander van Oldenbarneveld, bij zijn dood in 1627 noemde, doch een heel ander gezin voorstelt. Het stuk van Cuyp, waarvan hij spreekt, wordt nu ook aan de Keyser toegeschreven.

R35) Frederik Hendrik's moeder was Louise de Coligny, dochter van den Hugenootschen generaal de Coligny.

R36) Cats, Heer van Zorgvliet; Huygens, heer van Zuylichem.

R37) Reinvis Feith, de 18e eeuwsche sentimenteele dichter.

R38) de Vries. Ik vermoed dat P. doelt op Jeronimo De Vries (1777–1853), den grooten vriend van Bilderdijk; schrijver o. a. van de Proeve eener Geschiedenis der Nederd. Dichtkunst.

R39) Zie later: Het Houwelyck of het gantsch beleid des echten staets.

R40) Huygens, in zijn Zedeprinten, maar vooral in zijn Antwerpsche „Klucht van Tryntje Cornelis.”

R41) „De tijd is voorbij.” Potgieter voelde zich dus op zijn 36e jaar al verstokt vrijgezel.

R42) De 17e en 18e eeuwsche dichters in 't algemeen hielden ervan de meisjes, tot wie zij gedichten richtten of die zij in hun minnedichten lieten optreden, klassieke namen te geven. Aan Phyllis vooral is menig lied door hen opgedragen.

R43) „Blikt ons de bitter beproefde Maria van Utrecht niet aan”—'t Portret is echter van 1615, dus vóór haar beproeving kwam.

R44) Vergelijk de bekende uitdrukking uit Vondel's Gysbreght:

„Men brengt het Vosmeer toe met kroesen en met kannen.”

Jan Jansz. Starter (1594–? nà 1627) was een vroeg 17e eeuwsch dichter, bekend om zijn Friesche Lusthof (1621) „beplant met verscheide stichtelyke Minne-Liedekens.” De Breeroo hier genoemd, is de vroeg-gestorven Amsterdamsche 17-eeuwsche dichter, wiens blijspelen en kluchten, en een deel van zijn gedichten, van sterke levensweelde spreken.

R45) Potgieter hield van de 17e eeuwsche glazen; denk aan zijn gedicht: „Op rijnsche roemer òf fransche fluit.” Een fluit is eigenlijk een geblazen glas—van onderen smal, en toenemend breed naar boven.

R46) Scheepspraet, ten overlijden van Prins Maurits van Orange (1625), van Constantijn Huygens. Zie onze achterstaande verzameling, pag. 225.

R47) Burns (1759–1796) de Schotsche liederendichter; Béranger (1780–1857) de Fransche; beide letterkundig in hoog aanzien.

R48) Constanter, schuilnaam, waarmee Huygens zijn puntdichten placht te onderteekenen. Zoo'n aardigheid als van plaatsen en misplaatsen was echt in Huygens' trant.

R49) De meest beroemde: Christiaan Huygens, de groote natuurkundige der 17e eeuw.—In zijn Cluyswerk roemt Constantijn zichzelf om zijn kinderen gelukkig.

R50) 't Voorhout: satirieke beschrijving van Haagsch leven, zich samentrekkend onder de Haagsche Linde-lij.

R51) Hofwyck, Huygens' buitenplaats bij Voorburg—door den dichter beschreven (naar zijn zoon Christiaan schreef) „dat 't de ziel raakte, makende van die wandeling een handeling”—in zijn gedicht van dien naam.

R52) Cluyswerck, 't laatste werk van Huygens, eerst in de 19e eeuw uitgegeven. 't Andere is van Cats.

R53) De Zeestraat van Den Haag naar Scheveningen. Huygens schreef in 1653 een ontwerp voor een „Steen-wegh van den Haghe op Scheveningh.” Tien jaar later kon hij in een brief uit Parijs aan den Heere De Veer, baljuw van 's-Gravenhage, constateeren tot zijn genoegen vernomen te hebben, dat men in ernst begon te spreken van eenen steen-wegh uit den Haghe, niet alleen tot Ryswyck, maar oock tot Scheveningh. In 1666, toen die voltooid was, gaf hij zijn gedicht van dien naam uit.

R54) Hier doelt Potgieter op den gouden ketting en penning, door de Staten op 25 April 1637 aan Galilei toegezonden, als waardeering zijner verdiensten, en in verband met zijn in 1635 gedane aanbieding, om hun zijn uitvinding van de lengtebepaling met behulp der verduistering der satellieten van Jupiter over te doen. Ofschoon uit de mededeelingen van Prof. D. J. Korteweg (Verslagen en mededeelingen der Koninklijke Akademie van Wetenschappen 1888, 3e rks., 4e deel, pag. 275 vlgg.) duidelijk blijkt, dat Huygens zich veel moeite heeft gegeven om de zaak te doen slagen, is niet duidelijk of juist hij tot het verleenen van dien ketting—als Potgieter verklaart—den stoot gaf. Voor waardeering van H. blijft dit intusschen 't zelfde.

R55) Galathe. Het gedicht van Hooft, waar P. aan denkt, zie achter, pag. 228.

R56) Het eerste lied uit den bundel. Dit is het Heilige Venus, vermeld in verband met P's toespeling in Jan, Jannetje. Aldaar noot J62, en verder achter, pag. 227.

R57) Rozenobel, Gouden munt, die ten tijde van Hooft een waarde van ƒ 8.90 vertegenwoordigde (A. C. Oudemans, Snr. Woordenboek op Hooft).

R58) Ausonië: Beneden-Italië. In ruimeren zin ook voor geheel Italie gebruikt.

R59) Petrarca en Guarini. Petrarca (1304–1374) was Italiën's grootste lyrische dichter, tegelijk geleerde en inleider der nieuwe klassieke studiën (Humanisme). Zijn sonnetten aan Laura, wier liefde hem op 23-jarigen leeftijd, toen hij al in den geestelijken stand getreden was, overviel, zijn hoogberoemd om hun vormschoonheid, vernuft, welluidendheid, en hebben ook op onzen Hooft, die van 1598–1601 in Italie reisde, grooten invloed geoefend. Guarini (1537–1612) had toen kort te voren, in 1585, zijn herdersdrama „Il pastor fido” („de Getrouwe Herder”) doen vertoonen, dat Hooft na zijn terugkomst inspireerde tot zijn eigen herdersspel: Granida (1605).

R60) Arcadie: Het klassieke land der herdersspelen.

R61) Arno; de rivier w/a. Florence ligt, en vanwaar uit Hooft een rijmbrief schreef.

R62) Als hy Rozemondt wekt, als hy Klaare beschaamt. 't Zijn twee liedjes van 1621.—Zie hierachter, pag. 228 en 229.

R63) Klachte der Prinsesse van Oranjen over 't Oorlog voor 's-Hertogenbosch: Zie achter, pag. 230232.

R64) Ovidius. Latijnsch dichter.

R65) Meistreel = minnestreel, liederzanger.

R66) De vrijheidszucht, „die erfelijk scheen in zijn geslacht”—Hoofts' vader was Burgemeester Cornelis Pietersz. Hooft, die ten tijde van Leicester dezen zoo krachtig in zijn aanslagen weerstond. (Zie Vondels eerewoorden in zijn Roskam, noot R87 en pag. 238.) Ook Jan Cornelisz. Hooft, een der hopluiden der stad, speelde een rol in de verdediging der stad tegen Leicester.

Wat des dichters eigen vrijheidsdenkbeelden aangaat, men behoeft slechts te denken aan de Rey van Aemstellandsche Jofferen uit het door Potgieter aangehaalde treurspel van Geeraardt van Velzen:

Den openbaren Dwingeland
Met moed te bieden wederstand
En op de harssenpan te treden;
Om met het storten van zijn bloed,
Den vaderlande 't waardste goed:
De gulden vrijheid, te bereeden;
Dat is, van ouder herkoomst wijd,
Bij d'aldertreffelijksten altijd
Beloond met eerebeelden danklijk.
Die roem is uitgeblazen met
Geleerdheids heldere trompet.
In schrift en dichten onverganklijk.
De lofkrans groenens nimmer moe,
Die komt het hair der zulken toe,
Die 't al voor 't algemeene wagen, enz.

R67) Navolging van Plautus. In zijn kluchtspel „Warenar,” naar de „Aulularia” van Plautus.

R68) Potgieter denkt aan de geschiedwerken van Hooft: Hendrik de Groote (1626); Rampzaligheden van den huize Medicis; vervolgens Nederlandsche Historien, behandelend de jaren 1555–1586, in 1642 door hem uitgegeven.

R69) Wat Potgieter al niet zag!—Bedenk, dat de zoogenaamde de Keyser een Sandrart is en dan geschilderd naar een plaat van Persyn!

R70) Camaraderie.Bentgenooten” was 't hollandsche woord, waarmee Potgieter zelf 't woord Camaraderie vertaalde, bij 't bespreken van Scribe's blijspel van dien naam. Voor de leden van den „Muiderkring” misschien een naam met te veel bijsmaak van onderling bewierooken, al lag dat toen in de zeden van den tijd. Het „genie” Caspar van Baerle (Barlaeus op 't Latijnsch!), eerst te Leiden, later (1630–1647) te Amsterdam, hoogleeraar in de wijsbegeerte en welsprekendheid, werd in zijn dagen hoogvereerd als „aartspoeet” en „vorst der dichters.” Hij schreef meest in 't Latijn, een enkel maal in 't Nederlandsch. Leonora Hellemans werd in 1627 Hoofts tweede vrouw; haar naam komt veelvuldig in zijn gedichten voor („Leonoor, mijn lieve licht”—„Lieve lichte, Leonoor”). Tesselschade Roemers, dochter van Roemer Visscher, dien we al ontmoet hebben, was de Hollandsche muze van haar tijd; zij inspireerde Brederode, Huygens, Hooft, Vondel en Van Baerle door haar schoonheid, geest, kunstzin.

R71) „De wereld ga eer ten onder dan een beginsel.”

R72) Heeren (1760–1842) beroemd Duitsch geschiedschrijver, hoogleeraar te Göttingen. Enkele zijner werken zijn in het Nederlandsch vertaald.

R73) Cornelis Pietersz. Hooft. Zie noot R77 en R87. De uitdrukking „O beste bestevaer!” is door Vondel in zijn Roskam op den ouden Hooft toegepast. (Zie noot R77 en R87 en de aanhaling pag. 238.)

R74) 't Gryze Hoofd—van Oldenbarnevelt, in 1618 op 't Binnenhof te 's-Gravenhage door den bijl gevallen.

R75) ruminalen der roomsche Gemeente. Roomsche is hier bedoeld, gelijk ook zoo dikwijls bij Vondel, als Romeinsch. De ruminalis ficus was de vijgenboom, w/o volgens de overlevering de stichters van Rome, Romulus en Remus, door een wolvin zouden gezoogd zijn, en hij werd aldus betiteld naar de godin Rumina, schutsvrouwe der zoogende kinderen.

R76) Potgieter denkt aan de geschiedenis door Bilderdijk geschreven, wiens opvattingen en leerstellingen hem, blijkens 't voorafgaande, zeer dwars zaten.

R77) Bekende studie van Bakhuijzen v. d. Brink over Vondel als hekeldichter, genaamd naar twee van diens gedichten: Roskam, gericht tot Pieter Cz. Hooft, in antwoord op een brief van dezen, waarin Vondel diens vader ten voorbeeld stelt aan de latere bestierders van land en stad; en Rommelpot van 't Hanekot, op de aanvallen der Contra-Remonstranten op de Remonstranten. Over 't eerste gedicht zie verder noot R87 en pag. 238 vlgg.

R78) De tweede is Vondel, die de zegepralen van Frederik Hendrik toejuicht.—Het portret is van 1653, toen er van 't toejuichen dier zegepralen wel geen sprake meer was.

R79) de Stedeveroverende Vreeryck: Frederik Hendrik, in wien Vondel, bij allen lof aan zijn krijgsmansdapperheid en beleid geschonken, toch al aanstonds een man des vredes zag, en dien hij dan ook, met steeds volgehouden woordspeling, reeds in 1626, bij het dichten van zijn „Geboorteklock op Willem II,” liet zeggen:

„Myn naam is Vrederyck, dies schep ik geen behagen
In borgerlyken twist.”

R80) De onderliggende party: de Remonstranten. Vondel had 't voor hen en Oldenbarnevelt opgenomen; in zijn doel-treurspel Palamedes en tal van gedichten.

R81) Princeliedt, op de wijze van 't Wilhelmus. Daarin vooral deze regels:

's Lands rechten en vryheden
Ik helpen zal in zwang;
In geen vereende steden
Gewetens felle dwang
Of tyrannye lyen;
Ik wensch de goê gemeent'
En trouwe borgeryen
Door liefd' te zien vereend.

R82) Geeraardt Brandt. Dezelfde, die ook het Leven van de Ruyter, bij ons verschenen, schreef.

R83) Geboorteklock. Een gedicht te lang om hier op te nemen. We halen er alleen de regels uit aan, waarin Potgieter den toekomstigen dichter van De Leeuwendalers (het landspel 22 jaar later, ter eere van den vrede van Munster, door V. gedicht) alreeds meent te herkennen. Zie hierachter, pag. 233.

R84) Verovering van Grol (1627). Hierop maakte Vondel een klinkdicht (Sonnet) en een lang gedicht van ruim 800 regels, dat in klassieken trant begint:

Ik zing den legertocht des Princen van Oranjen,
Die 't heer van Spinola, en all' de macht van Spanjen
Met zijn slagordens tartte, in het bestorven veld,
En Dulcken de stad Grol deed ruimen met geweld.
… … … … … … … … … … … … … … … … … …
En gij, o Frederik! die fier en trots te paarde.
Voor Hollands vrydom vecht, en yvert met den zwaarde;
Verdedigd door Gods kracht en uwen ijzren arm;
Indien ge t' eeniger tyd van 's lands bekommeringen
En zorregen ontlast, myn ruw gedicht hoort zingen;
Zoo oordeel heusch van hem, die door Uw deugd gewinkt
Geen leidstar kent als 't licht dat op Uw helmtop blinkt.

In de tweede plaats doelt P. hier op Vondel's Zegezang ter eere van Frederik Hendrik, Boschdwinger, Wesel-winner, Prince van Oranjen, geschreven ter eere van de inneming van Den Bosch (14 Sept. 1629). Er steekt in al deze stukken veel klassieke toespelingen, veel vernuftsspelingen, veel kennis van 't oorlogswezen van den tijd. Voor den hedendaagschen lezer zijn ze wel wat rijklijk lang en overladen.

R85) Lijkoffer van Maagdeburg (1631) „dat in Mei 1631 door de keizerlijken onder Tilly en Pappenheim geplunderd, maar in September daarna, door Gustaaf Adolfs overwinning bij Leipzig, gewroken was.” (v. Vloten.)

R86) de Groot's verlossing. Wellekomst van den Heere Huig de Groot, t'Amsterdam, na zyn langdurige ballingschap (1631). Zie hierachter, pag. 235 en 236.

R87) In het reeds aangehaalde gedicht (noot R73 en R77) De Roskam. Zie achteraan, pag. 238.

R88) —„De beschuldigers en beschimpers der burgervaders”—de aanhangers van Bilderdijk en deze zelf.

R89) „de zee, die de vryheid vestigde, toen de vaste grond haar ontzonk.”—Toen deze vryheid niet meer op 't vasteland, door verwaarloozing van het leger, veilig was, waarborgde haar ons gezag ter zee.

R90) 't Is nu al 260 jaar! sints Gysbreght van Aemstel het eerst ten tooneele kwam, en nog steeds wordt gespeeld, hoe dan ook!

R91) P. denkt aan het begin van Hooft's herderspel Granida:

Het vinnig stralen van de zon
Ontschuil ik in 't bosschage;
Indien dit boschje klappen kon,
Wat meldde 't al vryage?

R92) De vergelijking met den wereldstroom—straks blijkt dat P. vooral aan den Rijn denkt—past te gelukkiger bij Vondel om diens eigen verheerlijking van den Rijn, zijn geboortestroom (V. werd immers in Keulen geboren!) in zijn terecht beroemd gedicht De Rynstroom:

Doorluchte Ryn, mijn zoete droom!
Vanwaar zal ik u lof toezingen?
Myn trekkende geboortestroom,
Gij koomt uit Zwitsersche Alpen springen, enz.

R93) Hier heeft P. gedacht aan de beschrijving in Helmers' Hollandsche Natie, van den Rijn en Rijnval bij Laufen:

„En stort bij Laufen zich, met ongehoord gedonder

R94) 't Is: het Rijntje uit de „Familie Stastok” (Hildebrand's Camera Obscura) van Elias Johannes Borger, daar Potgieter nu aan denkt:

De stranden kust, en scheurt de dijken,
De wereld splitst in koninkrijken,
En 't vorstelijk rechtsgebied bepaalt.

Ook straks weer:

En 't landvolk spelende aan zijn vloed
Brengt vader Rijn den lentegroet.

R95) 't Beroemde treurspel Lucifer op 66-jarigen leeftijd geschreven met den hoògstijgenden Reizang:

Wie is het die zoo hoog gezeten?

en het plechtstatig slot:

Heilig, heilig, nog eens heilig!
Driemaal heilig!—Eer zij God! enz.

R96) Klinkert (klinkdicht). Zie het klinkdicht hierachter (blz. 239).

R97) Een zesregelig gedicht op Pieter Pietersz. Hein van 1628; alleen belangrijk om Vondels belangstelling.

R98) Laurens Reael (1583–1637) van 1616–1619 Gouverneur-generaal van Indië, wien Vondel zijn Lof der Zeevaart (1632) wijdde, een gedicht waarin rake beschrijvingen van scheepsbouw en kleurige van de scheepvaart, door, voor onzen smaak, nogal te veel klassieke goden- en godinnerij worden bedorven; maar waarin men bewondert hoe de dichter zich door het afluisteren van de volkstaal en kennis der realiteiten van zijn onderwerp een smedig werktuig gemaakt heeft van onze, laat in de 16e eeuw, nog sterk verknoeide en stroeve taal.

Hierachter een proefje er uit (blz. 240).

Aan 't slot, de thuiskomst in 't „Zee-prieel:” Amsterdam, met de bekende regels:

Hier open ik mijn reis in 't zalig Roemers huis:
Wiens vloer betreden wordt, wiens dorpel is gesleten
Van schilders, kunstenaars, van zangers en poëten.”—

De „kusjens” van Reael zijn minneliederen, aldus genoemd naar het voorbeeld van onzen beroemden 16e eeuwschen Nederlander Johannus Secundus (14 Nov. 1511 in Den Haag geboren) wiens latijnsche verzen door Grotius geprezen werden als die van Ovidius te evenaren. Op het voetspoor van zijn Basia (kusjes) dichtte ook de Leidenaar Van der Does of Douza, stichter der Leidsche Akademie, zulke „kusjes,” en hem volgde Reael.

R99) Maarten Harpertszoon Tromp—Vondel dichtte hem zijn „Vrye Zeevaart” toe, na den driedaagschen zeeslag van 28 Febr. 1653. Zie hierachter, pag. 241.

R100) Konstantyntje. De eigenlijke titel was: Kinderlijk, bij den dood van zijn zoontje Constantyn. Zie hierachter, pag. 243.

Ik kan, intusschen door dit vers, hoe „knap” ook, allerminst tot schreiens toe bewogen worden, als Potgieter. 't Is mij te knap en te veel boven de wereld en haar smart, meteen. De Vertroostinge aan Gerard Vossius spreekt me dieper toe. Maar ik mag geen uitvoerige bespiegelingen geven over Vondels kunst.

R101) Ik ben niet geheel zeker omtrent 't door Potgieter hier bedoelde gedicht. Immers er is een Kerstlied van Vondel (door Van Vloten ongeveer 1643 gedateerd) beginnend:

„Emmanuel is nu geboren.”

Er is een ander dat Unger op 1660 stelt.

Doch ik kan in dat eerste geen Italiaansch penceel ontdekken; veeleer in 't bekende: „O Kersnacht, schooner dan de dagen!” Doch dit geeft Alberdingk Thijm niet onder den titel Kerstlied, maar als: Kersnachjen, „bij Joffr. Tesselscha gezongen, in 't jaar 1632 (waarschijnlijk op muziek van onzen beroemden componist D. J. Sweelinck, op wien Vondel zelf ook eenige gedichten maakte.)

Dit laatste vers kent iedereen nu wel, die ooit iets van Vondel las. Ik geef dus liever dat van 1660. Men kan dan zelf kiezen: Zie hierachter, pag. 243.

R102) Opregtste Trouw. De vierde Reizang uit de Gysbreght. Zie hierachter, pag. 245.

R103) De schennis aan den Schuttersmaaltyd gepleegd. Sommigen beweren, dat deze schilderij bovenaan zou zijn afgesneden; in verband met 't muurvlak waar ze te voren hing, wordt dit door anderen ontkend.

In het Rijks-museum dat Potgieter kende, hing deze schilderij van v. d. Helst (1613–1670), den leerling van Frans Hals en Rembrandt tegenover De Nachtwacht. Dat Potgieter haar stelt boven dit werk en boven het, evenals de Schuttersmaaltijd om het sluiten van den vrede van Munster geschilderde, doek van Flinck zal men hem nu niet meer toegeven. Doch de cultus van Rembrandt is vooral weer nà zijn tijd toegenomen. En—waardeerde hij niet de Schuttersmaaltyd vooral ook om den levenslust, dien ze leeren zou?

R104) Men stelt nu vast: „aan de zijde van haar jongen gemaal Prins Willem II,” met wien ze in 1641, kort vóor van Dycks dood, gehuwd was, hij nauwelijks 15 jaar! Jules Guiffrey, in zijn groot werk over Van Dyck, noemt beide jongelieden „verloofden.”

Wat Potgieter uit deze beschrijving voor bespiegelingsstof gehaald zou hebben! Niet heel duidelijk trouwens is hoe hij, die er den hertog van Gloucester in zag, twee pagina's verder iets kon zeggen over de wijze, waarop deze 's vaders dood zou dragen. Want dat zou 3 jaar nà zijn geboorte gebeurd zijn!

R105) Rembrandt.—Burgemeester Jan Six, naar wien hij een zijner schoonste portretten penceelde, dat nog de glorie is van de nu voor het publiek gesloten Six-galerij, was zijn vriend.

R106) Van Dyck schilderde o. a. Karel I 25 malen, daarvan niet minder dan 3-maal te paard, alsook zijn paard aan den teugel leidend. Behalve deze nog veel ruiters (St. Martyn; den Graaf d'Aremberg, enz.)

R107) Marston Moor en Naseby—bekende Engelsche slagvelden in den strijd tusschen de aanhangers van Karel I, en de IJzervreters onder Cromwell en de andere vertegenwoordigers van 't Parlement.

R108)zonder te vergeten dat zij tóen reeds” d.i., niet heel duidelijk: toen haar vader onthoofd werd.

R109) Luitenant Johan Oetgens van Waveren, wiens beeltenis we uit het welbekende geheel hebben gelicht, was toch waarschijnlijk dezelfde niet als burgemeester van Waveren, die Antoni heette en volgens Wagenaar met Pieter Hasselaar door de Amsterdamsche vroedschap naar Prins Willem II gezonden werd. Uit de familieregisters van Elias (De Vroedschap van Amsterdam) schijnt af te leiden, dat deze luitenant de zoon van burgemeester Antoni was.

R110) Frans Banning Cock of Kok, de hoofdfiguur op Rembrandt's schilderij, was inderdaad in 1650, tijdens Willems aanslag op Amsterdam, een der burgemeesteren van die stad.—Dat hij deel zou hebben uitgemaakt van die deputatie naar den Prins, blijkt echter uit niets.

R111) Een blijkbare drukfout in dien ouden catalogus voor: 1660.—Potgieter mocht wel zoo'n fijn steekje onder water geven!

R112) Te voldingen. Voor voltooien.

R113) Er zijn twee Honthorsten: Gerard (1590–1656) en zijn jongere broeder Willem (1604–1666). Ook van den laatste heeft ons Museum een portret van Willem II, dat echter blijkbaar niet door P. bedoeld is. De vioolspeler van Gerard vindt men er onder No. 1233; het stelt een rondreizend speler, blijkbaar door drank opgevroolijkt, met een glas in de hand, voor.

R114) Met de namen van Hertog Aelbrecht en Vrouwe Jacoba worden wij even verplaatst naar het tijdperk onzer geschiedenis, dat gekenmerkt werd door de zoogen. Hoeksche en Kabeljauwsche twisten. Potgieter heeft hier de partijdigheid op 't oog, die bij het bespreken van dit tijdperk in Bilderdijk's oordeel over deze beide personen doorstraalde. Zijn eigen „kabeljauwsche” gezindheid, d.w.z. zijn afkeer van vrouwenregeering deed Bilderdijk over Jacoba van Beieren, meer bepaald uit het oogpunt van zedelijkheid, oordeelen met een gestrengheid, die scherp afsteekt tegen het milde oordeel, dat hij in dit opzicht voor Hertog Aelbrecht over heeft, wiens moraliteit, gemeten naar Bilderdijk's leerstelligen maatstaf, toch niet minder dan die van Jacoba te veroordeelen viel.

R115) Herinnering aan de moeilijkheden tusschen Willem II en Amsterdam, waar beider belangen tegen elkander schenen te botsen; hij, wiens macht door den vrede daalde; de Amsterdamsche heeren, wier macht er door wies.

R116) Frederik Hendriks aanslag op Antwerpen werd door de Amsterdammers nog uit andere „winzucht” verijdeld: Antwerpen binnen de „Unie” getrokken, zou voor onze eerste koopstad te groote mededingster geworden zijn.

R117) Oligarchie: Regeering van weinigen.

Die „Sommelsdijk,” w/o. P. het heeft, was François van Aerssen van Sommelsdyk, te voren raadgever van de Prinsen Maurits en Frederik Hendrik, en een tijd lang gezant der Staten te Venetië.

R118) Deze zes afgevaardigden waren: Jacob de Witt, oud-burgemeester van Dordrecht, Jan de Waal, burgemeester en Albert Ruil, pensionaris van Haarlem, Jan Duist van Voorhout, burgemeester van Delft, de pensionaris Keizer van Hoorn, en de pensionaris Stellingwerf van Medemblik.

R119) Potgieters wensch is vervuld in No. 239: Cornelis Bicker, (1593–1654) zoon van den vroeger genoemden medestichter der O.-I. Compagnie, heer van Swieten, door onbekende hand geschilderd; 't portret werd in 1881 van de Gemeente Amsterdam in bruikleen ontvangen. En no. 2117 stelt denzelfde voor als kapitein met zijn corporaalschap, gereed om Maria de Medicis, Koningin Weduwe van Frankrijk in te halen—Sept. 1638.—'t Schilderij van den Duitschen schilder Joachim von Sandrart (1606–1608) (leerling van Gerard Honthorst, die ook Vondel en Hooft schilderde en den ouden Vossius en bij wiens portretten Vondel zoo dikwijls bijschriften maakte, denk aan: „Sandrart bekrans hem vrij met bloemen en met blaâren, Al wat in boeken steekt, is in dat hoofd gevaren!”)—'t tafereel dan hing in 's burgemeesterskamer ten stadhuize, en werd in 1885 aan 't Rijksmuseum in bruikleen afgestaan.

Of de les, die Potgieter van zijn beeltenis aan 't geslacht van heden verwachtte, ook door de beschouwers sints 1885 zou zijn getrokken?

Vondel maakte omstreeks 1665 ook op dezen Bicker een kort gedicht.

R120) Door dien eisch toe te geven. Meent P. niet vooral: door 't toegeven aan dien eisch van den vreemdeling omtrent 't geen alleen aan 's lands belang door 't land had mogen worden getoetst?

R121) Backhuyzen: Bakhuysen (Ludolf), een Embdenaar van geboorte (1631) werd te Amsterdam leerling van Allert van Everdingen, en eindigde daar ook zijn leven (1708). Hij is vooral zee- en waterschilder geweest; P. denkt hier bizonderlijk aan schilderij 410De Raadpensionaris Johan de Witt, als gemachtigde der Staten-generaal aan boord van de Nederl. Vloot op 13 Sept. 1665.

Jan Peeters was een Antwerpenaar; hij schilderde het verbranden van de Engelsche vloot voor Chatham, 20 Juni 1667.

V. d. Velde. Er zijn verschillende schilders van dien naam, en ons Museum telt thans een aantal werken van Willem v. d. Velde, den oude (1611–1693), penteekening-schilderijen, die voor de geschiedenis onzer Zeemacht van het hóogst belang zijn, maar door Potgieter niet kunnen bedoeld zijn, omdat ze alle pas later verkregen zijn. De stukken, die hij op 't oog had, waren van den zoon des vorigen, Willem v. d. Velde de Jongere (1633–1707) leerling zijns vaders en van Simon de Vlieger en evenals zijn vader geëindigd als hofschilder van de Engelsche koningen (1637). Van zijn hier aanwezige werken, geeft het éen den Vierdaagschen Zeeslag te zien, Juni 1666; het ander de verovering van het Engelsche admiraalsschip, en het binnenbrengen der daarbij veroverde schepen in het gat van Goeree.—Zie onze afbeeldingen.

R122)Waarom deze (Janmaat) hem op de handen droeg; waarom deze jongen van Jan de Witt nog een eernaam houdt.” Deze laatste, wat òverduistere zinshelft bedoelt: waarom Janmaat het „jongen-van-Jan-de Witt” nog als een eerenaam beschouwt.

R123) Royer; de beeldhouwer, die ook het standbeeld van Coster te Haarlem maakte; Van der Hoeven (des Amorie), de uit P's tijd beroemde kanselredenaar.

R124) De poging om Amsterdam te verrassen heeft Vondel, vredesman en sterk partijganger van Amstels burgemeesteren en raden, een aantal felle gedichten tegen Willem II en zijn medestanders in de pen gegeven. Potgieter dacht hier zeker voornamelijk aan dat van 1650: De Monsters onzer Eeuw, w/i. Willem II op één lijn gesteld wordt met de Engelsche anti-koningsgezinden, en de moeder van Ibrahim, die in 1649 haren zoon door de Janitzaren liet vermoorden. Zie pag. 247.

Vondel, als partijganger, was niet malsch!—In een ander gedicht, Aan de blokhuizen van Amsterdam sprak hij van Willem II als van een tiran, een wulpschen (onervaren, onberaden, als een welp) heer die ons met schorpioenen en niet met roeden plaagt!

Maar, gelijk Potgieter herinnert, tien jaar later toen, ter gelegenheid van de troonsbestijging van koning Karel II van Engeland, de Amsterdamsche vroedschap diens zuster, de moeder van Willem III en dezen zelf naar Amsterdam noodde, was ook Vondel in een andere stemming jegens deze bezoekers. Dat de Stuarts weer den Engelschen troon innamen verheugde hem, den legitimist en aanhanger van de vermoorde, katholieke Maria Stuart, en zoo kwam hij er vanzelf toe ook de Prinses-Royaal in zijn genegenheid te betrekken. Daarbij voegde zich zijn hoop op een bondgenootschap tusschen Engeland en Holland. Had Karel, die hier gastvrijheid genoten had, niet daarvoor zijn dankbaarheid betuigd, en waren niet de Puriteinen, die ons den eersten Engelschen oorlog op den hals gejaagd hadden, nu machteloos geworden?—Zoo gaf dit bezoek van de Prinses, die immers ook den geliefden naam Maria Stuart droeg, Vondel allereerst aanleiding om het te bezingen met een gedicht, dat hij: De bruiloft van den Theems en Amstel noemde. Terwijl hij, naar aanleiding van een rit door Willem III bij dit bezoek aan het hoofd der eerewacht door de stad gedaan, liet volgen het door Potgieter bedoelde gedicht op de Ridderschap van Amsterdam. Zie hierachter, pag. 248.

R125) Het eeuwig edict, van 1665, door de Witt aan de Staten-Generaal ontlokt, en w/i. bepaald werd, dat het Stadhouderschap onvereenigbaar zou wezen met het opperbevel over leger en vloot. De „eeuwigheid” duurde juist 7 jaren; de gebeurtenissen van 1672 haalden er een scheur door.

R126) Dat is van den moord op de de Witten.

R127) Sindsdien verkreeg ons Rijksmuseum nog allerlei beeltenissen van Willem III, van Honthorst, Maas, Netscher, Wissing enz.

R128) Sir William Temple (1628–1699) was tot tweemalen toe onder Karel II Engelands gezant in ons land, en de grondlegger van het drievoudig verbond tusschen Engeland, Zweden en Holland, dat ons land in 1672 zoo treurig in den steek liet.

R129) D.w.z. die van de vloot.

R130) De historicus onzer zeetriomfen.—Waarschijnlijk Brandt, wiens Leven van de Ruyter we uitgaven.—De heer P. H. Mulder te Utrecht wees me sints de eerste uitgaaf er op, dat P. ook de Jonge, den schrijver der Geschiedenis van het Nederl. Zeewezen bedoeld zou kunnen hebben.

R131) Jacobus Ludovicus Cornet (18 Aug. 1815–1882), Leidenaar. Directeur van 's Rijks Prentenkabinet aldaar. Zijn schilderij te vinden is mij niet gelukt.

R132) Zie Brandt's De Ruyter, in onze uitgaaf pag. 292–293.

R133) Een Hoogleeraar.—Wie dat mag geweest zijn, weet ik niet. Naar 't vermoeden van Prof. H. Brugmans, die echter de plaats niet wist aan te wijzen, H. W. Tydeman.

R134) Dat waren de Hollanders.

R135) Aan wien Potgieter dit citaat ontleend mag hebben, weet ik niet.