Waarom zouden wij het verhelen, dat het beurtelings staren naar iedere der beide beeldtenissen, waardoor op ons Museum Pieter Corneliszoon Hooft werd veraanschouwelijkt, thans andere gewaarwordingen in ons opwekt, dan het hollandsch hart te voelen plagt, wanneer het zich weleer verlustigde in het gâslaan der mannelijke schoone gestalte van onzen minnezanger, der hoffelijke houding van hem, die voor een' onzer schranderste staatslieden gold! De Keyzer's penseel is even verdienstelijk gebleven: moge de vaag der eerste jeugd voor Hooft voorbij zijn geweest, toen deze hem schilderde, ge ziet den oogen zijne begaafdheden zoo goed aan, als der handen hare bevalligheid; een weinig verbeelding, en het is u zelfs als gaat gij met hem ten hove, luttel dagen na den druk van zijnen „Hollandschen Groet,” toen de burgerij, volgens dat vers, Frederik Hendrik, na den overgang van den Bosch, „een zegeboog bouwde van gebogen harten!” Ook Bramer's voorstelling is onverflaauwd; Hooft's baard moge grijs zijn geworden, Hooft's harte is nog groen.R69) Omstuw hem op den huize te Muiden van de geniën en gratiën zijns tijds, van Casparus Barlaeus en Constantyn Huygens, van Leonora Helleman en Tesselschade Roemers, van wie meer tot eene camaraderieR70) behoorde, die de geestigste ter wereld heeten mogt, en ik wed, dat zijn vernuft vonken schiet, dat van al de overigen beschamende. En echter, wij herhalen het, ondanks den triomf van het talent dier beide meesters, blijkbaar in ons aanvullen hunner voorstelling, in de schetsen des verledens, waartoe zij ons verlokten, echter grijpt ons bij die schilderijen dikwijls weemoed aan; daar Hollands grootst genie ook voor Hooft zelfs geenen zweem van eerbied betoonde;—dewijl Bilderdijk's wrevel ook hem haat toedroeg. Er steekt niets verbazends in, dat beider beschouwingen van onzen opstand tegen Spanje verschilden, als beider beginselen, maar er zijn oogenblikken, waarin men twijfelt aan de toekomst onzes volks, wanneer men den lateren geschiedschrijver aanhang verwerven ziet ten koste van den vroegeren, schoon de eerste—de regtzinnige—uit liefde voor het monarchale, zelfs Alva, zelfs Philips in zijne bescherming neemt, ja, deze bij Hollanders verdedigen durft; terwijl de andere—de wijsgeerige—ons gemeenebest „gewrocht” hield, „door de zienlijke hand Gods,” die „den nooit volpreezen prinse Wilhelm, wijsheit en wakkerheit verschafte, om, als schipper en stuurman tevens, in d'uiterste noodt, zoo wel heilzame orde te geven, als geduuriglyk aan 't roer te staan.” Verre zij het van ons, te beweren, dat Hooft's begrippen over het regt ter regering helder waren als die van Bilderdijk: „périsse le monde plutôt qu'un principe.”R71) Maar de weifeling van die van Hooft schijnt ons uit zijnen toestand, uit zijnen tijd te verklaren, zoo ze, trots de driedubbele scheldwoorden van hoeksche, staatsgezinde, aristocraat, niet te vergoêlijken zij. HeerenR72) heeft beweerd, „dat de Hollanders republikeinen zijn geworden, dewijl zij geenen meester konden vinden;” zoo ik het woord, dat voldingend wederlegd is, hier herhale, het geeft mij gelegenheid op te merken, dat wie ook lust gevoelde iederen vorst, iederen voogd uit den vreemde ter hand te gaan, „de beste bestevaer” Cornelis Pieterszoon HooftR73) onder dezen niet te tellen valt. In de dagen van Leycester liep hij gevaar van gevangenis, gevaar van eenen smadelijken dood te sterven, om zijn voorstaan der vrijheid, om zijne verkleefdheid aan het huis van Nassau. Eene beschimping van het burgemeesterschap, door den weleerlijken grijsaard sedert waardig bekleed, moge lachwekkend zijn, logenstraffen doet zij het feit niet. Ongezochter verbeelden wij ons, voert het tot de vraag: welke de begrippen waren, die hij zijnen zoon over de betrekking van Oranje tot ons gemeenebest, onzen staat, ons wat ge wilt, inboezemde? Geen geloof aan regt ter regeren van dezen door Gods gratie; geen' rang van rigter, aan de Israëlitische Theocratie ontleend. Hooren wij hoe Hooft zelf er zich in zijne opdragt der „Historiën” aan Willem's derden zoon over uitlaat: „My,” zegt hij, „my heught noch, hoe ik in myne kindsheit, mijnen zaalighen Vaader hoorde zeggen, dat hy de nakomelingen van zijnen Heere, den Prinse hooghloffelijker gedachtenisse, niet aanschouwen kon, zonder dat hem de vernieuwing van 't geen wijlen zijne vorstelijke Doorluchtigheid voor deze landen gedaen en geleden had, tot weenen beweeghde.” Een woord vol menschelijk, vol redelijk gevoel, de getrouwheid uitdrukkende van eenen Hollander, van eenen Hervormde, aan hem, dien hij geloofs-, dien hij gewetens-, dien hij schier iedere andere vrijheid verschuldigd was. Het laat in het midden, zal men zeggen, wat aan de Staten en wat aan den Stadhouder stond;—het verklaart niet, hoe de zoon zich het kroost des Zwijgers verknocht gevoelde. Voorwaar, de staatkundige verlichting onzer voorvaderen geschiedde door geene wonderwerken, alleronverwachtst, allerovertuigendst tevens. Zoo iets, de strijd van sympathiën in het voor het overige bedaarde brein van onzen historieschrijver tuigt van het tegendeel. Hooft, zeiden we vroeger, had Italië bezocht, Hooft verwijlde eenigen tijd te Florence; de heuschheid, er hem door den huize Medicis betoond, deed hem naderhand „de rampzaligheden der verheffinge” van dat huis te boek brengen. Het werk biedt eenige merkwaardige plaatsen aan, waarop de evenaar van des schrijvers meêgevoel wankelen blijft tusschen der vorsten zucht naar gezag en der landzaten liefde voor vrijheid. Onwillekeurig wekken zij bij u het vermoeden, dat hij de heerschappij der eersten slechts duldbaar acht om het goede, dat deze te weeg brengen kan. Hoe het zij, wrangst wordt zij geboet door hen die er vurigst naar staan. „Huisselijke bitterheden hebben voor David de weelde van het koningschap gezult; weldig is de fortuin van Augustus over den staat, wrevel voor hem in gezin en nakroost geweest;—wij leeren het eerste uit de heilige, wij leeren het laatste uit de wereldrijke letteren,” heet het. En duidelijk wordt het u, dat hij de redene van regering besloten hield in „het verkwikken der middelbare, en het intoomen der uitstekende burgeren, in het verwekken van ieder in het gemeen tot liefde voor het wettig bestuur zijns vaderlands.” Voeg bij zulk eene beschouwing aller geschiedenis, den wederstand, door Hooft's vader en de tijdgenooten van dezen den toenmaligen wettigen heer uit gemoedelijke overtuiging geboden; voeg bij deze de studie der oude letteren, welke met de voorbeelden van vrijheidszin, door de Romeinsche republiek nagelaten, dweepen deed. Wat wint men er bij, door met Bilderdijk allen, die voor dezen prikkel niet doof waren, om hunne dwaasheid uit te lagchen; of erger nog, allen die gezet bleken op het behoud der vrijheid, tot welker verwerving zij zich geregtigd hielden, om hunne denkwijze te lasteren? Wat men er bij wint? buiten de zege van een beginsel, eene lofspraak op Maurits, niet dien van Nieuwpoort, maar dien van zestien honderd achttien,—als had Bilderdijk nooit het torentje des Binnenhofs aangestaard, waaruit deze toezag, hoe het grijze hoofd zich bukte,R74)—en eene verguizing van Jan de Witt, niet enkel bij het eeuwig edict, maar ook in zestien honderd twee en zeventig—als ware de schim des vermoorden aan Bilderdijk op het Groene Zoodtjen nimmer verschenen. Stel er eens tegenover wat ge er door verliest: Het geloof aan de eerlijkheid van de helft der groote mannen, op welke ons vaderland trotsch was; het geloof aan den zedelijken zin eener verschijning, als die van ons gemeenebest in Gods wereldbestuur. Holland, het hervormde Holland, dat den overigen staten van Europa eene wijle het voorbeeld geven mag, door zijn streven het genie van het oude met het genie van het nieuwe te doen zamensmelten;—Holland, dat vorstenheerschappij en volksvrijheid verzusteren wil, boezemt belang in, al slaagt het slechts ten deele;—maar Holland, hetzelfde Holland, dat bewonderd werd aan het hoofd der beweging in het godsdienstige als in het staatkundige, dat Holland laakbaar te heeten, als strijdige beginselen in zijnen boezem naar bevrediging streven in eene andere gedaante der dingen; dat Holland te doemen tot stilstand, tot achteruitgang... God zij gedankt, dat de tweede Willem de Eerste slechts grondwettig koning wilde zijn! „God, d'allerbeste, d'allergrootste, geve dien heerlijken gekroonden boome,” schreef Hooft in de meergemelde opdragt aan prince Frederik Hendrik van Oranje, „geeve dien heerlijk gekroonden boome, wiens dorren ons met gewisser angst benaauwen zou, dan 't versterven van den ruminalenR75) de roomsche gemeente, die 't voor een voorspook van den val des rijx hield: God geve dien gedurighlijk te groeijen, en met zijne bloeijende telgen, alle onderzaaten tegen de Spaansche hitte en allerlei onweeder te beschaduwen en te beschutten.” Wij schrijven, wij zeggen het hem van harte na. Maar wij wenschen tevens met hem, dat zijne historie, zoowel in onze burgerlijke als in onze vorstelijke jeugd eene vlam van ijver naar glorie stoke, eenen gloed van graatigheidt, om de dappere daden van landsluiden, medeburgeren, bloedverwanten, voorzaten en voorouderen te achterhaalen of verbij te streven, dat zij ons volksvrijheid en vorstengezag verzusteren leere door wetten, welke, beiden grenzen aanwijzende, beiden waarborgen;—dat zij dit doe, in tegenoverstelling dier geschiedenis des vaderlands,R76) op welke zelfs de bladzijde, die den lof van de Ruyter verkonden moest, niet vrijbleef van de vlekken des lasters. Onze vroegere geschiedenis behoort tot een gesloten tijdvak, beweerde men, toen achttien honderd dertien het wenschelijk maakte, dat zeventien honderd vijf en negentig wierd vergeten; doch dezelfde vorst, die het voorbeeld gaf, hoe men de heugenis van de geschillen der achttiende eeuw had uit te wisschen, stelde, door den druk der archieven van zijn huis, ter volkomener studie der zestiende eeuw en hare opvolgster in staat. De eeuw van Willem I, de eeuw van Willem III: waarlijk, als de geest der vaderen uit die dagen ons volk onder de regering van hunnen eersten koninklijken nazaat hadde bezield, deze zou roemrijker voor beide gesloten zijn: hij ware gelukkig ten grave gedaald. Bij de hoogere beginselen, dan die van het monarchale, door beide vorsten geëerbiedigd;—bij die beginselen, welke den eerste den moed gaven op te treden voor een verdrukt volk, al was die verdrukker Philips van Oostenrijk, heer van Spanje, heer der beide Indiën;—bij die beginselen, welke den laatste aan Groot-Brittanje eene staatsregeling deden geven, waaraan het anderhalve eeuw van weergaloozen bloei was verpligt;—bij de teleurstellingen der laatste vijf en twintig jaren te onzent eindelijk, in zoo menig opzigt te wijten aan de onverschilligheid der natie, bij dat alles wenschte ik vorst en volk beide te kunnen bewegen tot meêgevoel voor alles, dat bij Hooft meêgevoel wekte: vaderland, vrijheid, vooruitgang.
Open zin voor het leven zijns tijds, voor wat er goeds en groots school in den vorst en het volk zijner dagen, wie werd er in mildere mate meê bedeeld, dan het genie, tot welks beeldtenis wij u maar schoorvoetend brengen, ons herinnerende, hoe vóór jaren in onzen „Gids” aan Vondel met roskam en rommelpotR77) regt werd gedaan, regt als onze eerste, onze schier eenige hekeldichter eischen mogt. En echter, wat is mijne taak ligt, vergeleken bij die des talents, dat vroegere veeten te verklaren, dat overdrijving te ontschuldigen, dat bitterheid te berispen had, terwijl het veraanschouwelijkte, hoe de slagen en steken der satyre doel troffen door de hand, die ieder harer wapenen zoo wel te hanteren wist! Er werd begaafdheid van velerlei aard vereischt, om den vinnigen Vondel op nieuw te doen bewonderen door eenen tijd, die zich verhief op zijne verdraagzaamheid, liever, die zijner eigene laauwheid lof zong;—als de vertegenwoordiger onzer vaderen tegenover de vorst, welke de geliefdste der grootste mannen uit zijn huis heeten mag, heeft Vondel iets beminnelijks, dat geene aanbeveling behoeft. Toch wenschte ik, dat u de beeldtenis, toenmaals van hem geschilderd, nog voor den geest stond, die beeldtenis met gerimpeld voorhoofd, met gefronsde wenkbraauwen, van verontwaardiging zwaar—tot er vonken uit die adelaarsoogen schoten, op het oogenblik, dat hij gevoelde zijne prooi te hebben gegrepen en vaneengescheurd; waarna hij haar ter zijde wierp, de dunne lippen maar even door den glimlach der wraak gekruld. Vergelijk haar, zou ik dan zeggen, vergelijk haar met dit aangezigt, door Jan Lievensz gepenseeld, louter goedrondheid, louter goedheid zelfs, met oogen, niet in dweepzieke droomzucht drijvende, neen, opziende in vrolijke verrukking, als had het gerucht hem de mare gemeld der inname van eene dier vele vestingen, welker verovering hij bezong; als zag hij in het verschiet de oranjevaandels hunne banen uitslaan op de bestormde bressen van den Bosch, Wezel of Maastricht. De eerste is Vondel, die de laatste jaren van Maurits gedenkt; de tweede is Vondel, die de zegepralen van Frederik Hendrik toejuicht;R78) Vondel, een goed hater, een beter vriend, vurig in beide, wederzin en genegenheid, doch die, het zij tot zijne eer opgemerkt, in Mouringh nooit den medegrondlegger des Staats, nooit den held uit het oog verloor; die van Frederik Hendrik nimmer eenigerlei geschenk ontving. Lakende en prijzende uit overtuiging, en uit die alleen, doet de eerbied, voor den overwinnaar van Nieuwpoort aan den dag gelegd, het verwijt, dezen toegevoegd, in de vraag: „Waarom zijn kling zich in de kerktwist had gemengd?” te zwaarder wegen;—wordt de hulde, aan den stedeveroverenden VrederijckR79) gebragt, te waardiger offer, door het onafhankelijke standpunt waarop de dichter tegenover dien vorst stond. Onafhankelijk standpunt? vraagt men misschien. Prins Frederik Hendrik had zich in zijn kabinet door den heer van der Mijle „Palamedes” doen voorlezen, had er met welgevallen naar geluisterd: ziedaar, wat Vondel's harte won; prins Frederik Hendrik heette der onderliggende partij niet ongenegen; ziedaar, wat Vondel wist.R80) Vóor het eerste zijn hart nog winnen kon, ja, eer dat treurspel zelfs het licht zag, gaf Vondel blijk, dat zijn weten, wat die vorst voor het vaderland worden zou, verder ging;—of hebt gij nooit gelezen, hoe hij hem begroette, bij de aanvaarding van het stadhouderschap? hebt gij nooit zijn „Princeliedt” ingezien?R81) O, dat wij minder in den vader onzer poëzij, ik wil niet zeggen de onbaatzuchtigheid, want wie beweerde ooit, dat iets zoo laags als baatzucht in een genie, zoo groot als dat van Vondel, viel?—maar minder de onafhankelijkheid van geest voorbijzagen, waardoor de hollandsche dichtkunst zich in niemand edelaardiger vertoonde, dan in hem, en tegelijk in niemand vermogender was: zelfverloochenende en heerschappij-voerende tevens. „Prince Frederik Hendrik,” zegt Vondel's levensbeschrijver,R82) „prince Frederik Hendrik, anders zoo mild jegens poëten, wanneer ze zijne overwinningen met hunne dichten vereerden, bewees hem nooit eenige gunst—om zelf ongunst te mijden;—wel wetende, hoe kwalijk de man bij predikanten en contra-remonstranten aangeschreven stond.” Zeldzaam, zonderling blijk zelfs, hoe men boeten kan voor zijnen invloed bij de burgerij;—duidde Vondel misschien die veronachtzaming, of wilt ge, die tot onregtvaardig wordens toe vèrgedrevene voorzigtigheid den vorst euvel? Laat zegezangen en lierdichten u antwoord geven, luide de „Geboorteklock”R83) van Willem van Nassau, zoone van Frederik en Amalia, andermaal! Welligt is geen wicht ter wereld ooit dichterlijker welkom geheeten, dan die eersteling der huwelijkskoets van zijn geliefd vorstenpaar. Vondel huldigt in dat lofdicht, even als Hooft het in zijne klagte deed, den smaak zijns tijds, door den Grieken hunne godin der liefde te ontleenen; maar als gij, kunstregter onzer dagen, voor een oogenblik vergeten kunt, dat het stuk in den Hage speelt, dan nemen de minnegoodjes ook u gevangen, de minnegoodjes, die Amalia nog vuriger blaken, nog vuriger naar de verbeide wederkomst van haren gemaal verlangen doen. Vreemd, het is waar, vreemd klinkt het kouten van een cupidootje, vooral wanneer het der prinses op haar leger in éénen adem verhaalt, èn hoe Frederik belaagd en belonkt wordt door zeegodessen, wanneer zijne kiel de schuimende golven klieft, èn hoe hij voor Brussel de oorlogsfakkel steekt in Isabelle's priëelen;—eene stuitende mengeling van de denkbeeldige en wereldlijke wereld;—maar des ondanks, welk eene aanschouwelijkheid van schildering in den droom, in de beschrijving van het borduursel van Amalia; welk een overvloed van schoonheden! Wij vermelden alleen, dat Vondel genoeg vleier was, om de liefelijke lente van dat jaar aan de vergevorderde zwangerschap der prinses toe te schrijven; dat op de geboorte van het wicht een veldtooneeltje volgt, 't geen den toekomstigen dichter der „Leeuwendalers” verkondt. Het is bruiloft in de weide; het is boter tot den boôm; de koe is klaverkiesch, vol visch zijn de fuiken; de leeuwerik kwinkeliert; de vijverberg, vol tiers, weêrgalmt van: „Leve de jonge Wilhelm!” Doch genoeg, doch te over voor onze grenzen, om u op te wekken, zelf nog eenmaal die poëzij te genieten; zelf te zien, op welke wijze Vondel deel nam in eene geboorte, die vorst en volk om het zeerst verblijdde. Zijne krijgsklaroen schettert vast voor Grol; hij zingt den Boschdwinger en Wezelwinnaar alreede zijnen zegezang!R84) „Oordeel heusch van hem,” voert Vondel in den aanhef van het eerste, van zich zelven sprekende, Frederik Hendrik toe: „oordeel heusch van hem, die geen leidstar kent als 't licht, dat op uw helmtop blinkt!” Waartoe die beden? vragen wij onwillekeurig;—of moest de schim van Mouringh aan zijnen broeder den dichter niet benijden, die zoo de eerste verovering van dezen vereeuwigde? Welk een blik vergunnen beide dichtstukken in het gemoed van Vondel, in dat van zoovelen, als hij uit den volke vertegenwoordigde!
Terwijl het eerste de waarheid verkondigt, dat onze vrijheid gelegd is in het kostelijke cement van dierbaar burgerbloed; terwijl het eindigt met het beweren, dat de hemel den groei der mindere vorsten besloten heeft, tot tuchtiging der groote, verklaart het besluit van het tweede zijne en hunne wenschen nader: „Dale,” zingt de dichter, „dale de vrijheid, als de zonneschijn, op allen neder; niemands gewisse worde gekrenkt; God, God alleen, zij regter des gemoeds, en ieder vrije ingezeten, ieder burger zal voor Hollands heerschappij ontvonken in liefde; het zal door u, Frederik Hendrik, de wijk aller vromen, het voorbeeld des ganschen Christenrijks zijn!” Stouter moge zijne kunst steigeren, met iedere nieuwe verovering des veldheers; grootscher de greep des meesters zijn, als hij de overgave van Maastricht verkondt in de vervulde voorspelling, hoe Oranje de strenge zeissen slaan zal in Parma's rijpen oogst; hooger, heiliger lichtkrans omschittert het hoofd der hollandsche zangster niet, dan wanneer zij in de straks aangehaalde regelen naar de verwezenlijking van het ideaal streeft, dat de voortreffelijkste onzer vaderen aanlachte: „De grondvesting, de voltooijing van eenen vrijen staat, door een vroed en vroom volk.” Dichterlijke dweeperij, voert men ons misschien te moet, doch vergeet, dat het de eeuw was der groote gedachten, dat we van den tijd, dat we schier van het jaar spreken, waarin Hollanders hunne schatten veil hadden, om den held van Leipzig in staat te stellen, zijnen strijd voort te zetten: Gustaaf Adolf, die het werk van Grotius in zijne tent las.—Vondel's „Lijkoffer van Maagdenburg”R85) getuigt van zijne sympathie voor den eerste, en wie is waardiger, al zwierf hij balling 's lands in den vreemde om, wie is waardiger, ons van Vondel's verhouding tot Oranje in de dagen van Frederik Hendrik, tot Vondel's veraanschouwelijking onzer burgerij over te brengen, dan Huig de Groot? Dezelfde veder, die 's mans vijanden vinnig doorstreek, vereeuwigde zijne verlossing uit den kerker; dezelfde hand, die hun geene ruste gunde, heette hem hartelijk welkom,R86) toen hij, de uitdrukking is welsprekend van waarheid, toen hij het land, dat zijn strenge stiefmoêr was, den kus des vredes, den kus der verzoening, brengen kwam. Wij willen niet vermetel herhalen, hoe Vondel de schim van Oldenbarneveldt heeft verheerlijkt, noch andermaal de tegenstelling doen bewonderen, waarmede hij in twee trekken Cornelis Pieterszoon Hooft schildert: „een hooft vol kreuken, een geweten zonder rimpel;”R87)—wij willen hen, die voortdurend vermaak scheppen in het beschuldigen en het belasteren dier burgervaders,R88) slechts afvragen, of zij ons de wedergade weten op te noemen van een tijdvak als dit, waarin, volgens hun gevoelen, de grootste talenten vreemdst en verst zouden zijn geweest .... van goede trouw? Als wij Cats uitzonderen, hadden wij schier alle talenten mogen zeggen; Huygens, de vriend der vorsten, geeft nergens blijk, dat hij de beginselen van de voorstanders der vrijheid verdacht; Hooft—doch laat mij terugkeeren tot de burgerij, zooals Vondel haar beschreef. Overheid en gemeente, hoe herleeft zij voor ons in zijne lof- en lierdichten!—weezen verzorgende, wetende, dat niemand den vader der weezen derft, die weezen in hunne verlatenheid troost;—wapenen zaâmtastende ter handhaving van ons gezag op zee, die de vrijheid veiligde, toen de vaste grond haar ontzonk;R89)—de erfvijanden van den uitheemschen dwingeland de erfvrienden van den inheemschen vorstenstam verklarende, als zij de keizerlijke kroon den achterkleinzoon biedt;—den krans der kunst haren dichter reikende, wanneer hij een treurspel ten tooneele doet voeren, dat twee eeuwen lang de wisselzucht van den volkssmaak tarten zal;R90).... maar u zou de adem falen, eer mijn volzin einde nemen mogt. Het zijn vlugtige trekken der veelzijdigste ontwikkeling, ooit door een volk aan den dag gelegd; het weldadig, het strijdhaftig, het feestvierend, het kunstlievend Amsterdam, waarbij ik nog, ware het niet honderd malen gedaan, het handeldrijvend zou kunnen voegen, het schilderachtigst welligt van al. En echter, liever dan het te beproeven, weer ik de beschuldiging van Vondel af, als hadde hij zich, uit bekrompene voorliefde, louter tot de beschrijving van het leven der hoofdstad bepaald. Schoon hare burgerij het meest zijne aandacht trok; schoon Amsterdam het middelpunt heeten mogt van het hollandsche volksleven zijns tijds, geen gevierde in kennis of kunst, geen geleerde, geen genie, geenerlei grootheid zijner dagen, welke hem koel laat; al falen hunne beeldtenissen hier in stomme poëzij, zijne sprekende heeft hen veraanschouwelijkt. Houd mij de uitvoerigheid der vergelijking ten goede, die mijne meening verduidelijken zal.
Er is een hollandsch dichter, wiens verzen hunne eigenaardige beeldtenis vinden in de spiegelgladde oppervlakte van een onzer vaarten, effen in bijna alle wind en weêr, door geenen voorjaarszucht tot darteler golfslag gespoord, door geenen najaarsstorm in brandend schuim op den oever gejaagd; een water in één woord, dat schier geene andere beweging kent dan die der groeve, door de trekschuit bij het heên en weêr varen voor een oogenblik gegraven; dan de blinkende bellen, die hare roerpen rijzen doet; dan de kringen, welke de lijn van 't jagertje vormt. Het is de poëzij van Cats, welke,—gelde het onderwerp wat het wil, uitheemsche of inheemsche historie, een' keizer of een' koning, een heidinnetje of eene herderin,—geenen anderen indruk op u maakt, dan dien, welken gij in den naauwelijks schommelenden stuurstoel ontvangt; eene volslagen vreemdheid aan alle verheffing; eene kalmte als die de vloeistof, welke u draagt, daar aan den dag legt. Het is eene poëzij, welker aanschouwelijkste schilderingen we ons verbeelden, dat we onder het voorbijvaren bespiên: in geboomte, welks lommer een oogenblik ter zijde week; in gebouwen, welker vensters wij zagen openstaan.—Ook hebben wij te zamen eenen anderen zanger gadegeslagen, die ons wel op weinig woeliger vlak verplaatst, maar de grenzen van den omtrek des vijvers vergeten doet, wanneer hij bijwijlen de wieken klept als de zwanen, welke wij er zoo statig, zoo sierlijk op drijven zien, als hij er voor ons eene halve wereld in weêrkaatsen doet, niet enkel aan deze zijde een hofgesticht, en aan gene zijde een lindenlaan, maar ook hen, die in het eerste bewind voeren; maar ook hen, die in de laatste spelevaren, ten arbeid spoeden en slooven, maar ons den ganschen Haag, maar half Holland in zijne krachtige, kernige korte zinnen weêrgeeft: Huygens, wiens standbeeld op het eilandje in den vijver staan moest. Of als gij duldt, dat ik de vergelijking verder voortzette, is er tusschen dat vocht en zijne verzen niet de overeenstemming, dat beide zich soms in te engen band voelen gekneld, als de herfstadem over het eerste giert, als de hartstogt zich in de laatste lucht geeft?—Een onderscheid echter voegt het ons evenmin voorbij te zien, het verschil in diepte tusschen die twee; doch wie heeft ooit een beeld geëischt, dat meer dan voor een derde toepasselijk was? En daarom aarzelen wij niet, u, voortgaande, eene hollandsche poëzij te herinneren, beurtelings zachtkens en zoetkens ruischende als eene beek langs bloemrijken boord, beurtelings eenen stouten golfslag slaande, als de Zuiderzee op de zoomen der kust, waar een vervallen torentje het voor ons in aandoenlijk belang van weidscher tinnen wint;—eene beek, al de schalkheid verklappende, van welke zij getuige was, toen de zonnestralen door de bosschaadje drongen, die zich luisterende naar haar gemurmel boogR91)—de binnenzee, al de kracht verkondende, waarvan zij bewustzijn heeft, hoe luttel voor de woeling harer wateren de muur bezwijkt, door haar sedert eeuwen gebeukt. Gij herkent de zangster van Hooft, aan hare dubbele gelijkenis, spiegel van allen lust, geesel van allen dwang; verzen, die ruischen als golfjes, door den adem van het westen gestreeld; verzen, die bulderen als baren, door den schrik van het noorden gezweept; een' stoet van nimfen, die spelemeit; een verdrukt volk, dat zijne boeijen breekt; doch waartoe meer tegenstellingen, die u van zelve in het oog vallen, overvloed van deze als het weelderig minneliedje en het majestueuze treurspel opleveren?—Eene laatste vergelijking toeft ons voor eene veelzijdiger poëzij, dan eene der drie vermelde heeten mogt, voor de poëzij van Vondel, vaart, vijver, beek en binnenzee overtreffende,—al huwde ook zij op hare beurt zoowel het kalme aan het keurige, als het schalke aan het stoute,—een woud, een wereldstroom!R92) Oneindig verschillende, als het geklank zijner golven, van de plek, waar hij oorsprong neemt, in droppels den bergwand afgesijpeld, tot de plaats, waar hij het dal van zijne donders daveren doet, in waterval bij waterval neêrstortende,R93) zijn ook de melodijen van Vondel's muzijk. Hoe die stroom wegrukt, en meêsleept en voortwielt, wat hem weêrstaat;—hoe hij zich schijnt te verlustigen in het afspiegelen van wat hem aanlacht! Zie, daar kronkelt hij de vlakte in; daar wordt hij de grens van gewesten; daar splitst hij rijken, zong Borger te regt;R94) landschappen zonder tal drenkende uit zijnen overvloed; hoofdsteden de schatting brengende der staten, waarover zij gebiên. En echter, geen schoon der natuur, geene pracht der kunst vermag hem te boeijen, die voortbruist over verbreede bedding; voortbruist, beken en vloeden in zich opnemende; voortbruist door de loofzaal der eiken, als langs het koningshof, door geen van beide geboeid, even of er weelde school in de vaart, als gold het de verovering eens nieuwen gebieds. Het wordt zijn deel; andere schatten voert hij mede; andere voorwerpen spiegelt hij af; andere hindernissen wijken—het landvolk aan zijne zoomen, de schepen op zijn glinsterend vlak; de burgerij der steden, welker torenspitsen opdoemen in het verschiet; alles juicht hem toe, alles dankt hem, die scheidspalen slecht, die de volken vereent;—verder stroomt hij, verder ten onmetelijken oceaan, bij wiens grootheid hem duizelt, in wien hij zich verliest,—als de muze van Vondel het deed, toen zij in den „Lucifer” het „Driemaal Heilig” gezongen had.R95) Immers, waar zou ik eindigen, indien ik mij verpligt achtte, ieder vroeger punt van vergelijking als met den vinger aan te wijzen, in elke van de sympathiën des dichters, in de eindelooze afwisseling der onderwerpen, door hem bezongen, in de wereld zijns tijd, door zijn werk omvat? Wereld, herhalen wij, want gelijk het vasteland den woudstroom onvoldaan laat, verlangde ook Vondel, in eenen anderen zin dan den straks aangegevene, naar zee, volgde zijn adelaarsblik iedere verschijning op deze, bragt zijn adelaarsgreep ook van daar allerlei buit meê: Willem Schouten aan America's zuidelijken uithoek, den naam zijner vaderstad vereeuwigende;R96)—Piet Hein, met de voor Spanje bestemde schatting der nieuwe wereld onze havens inzeilend;R97)—Lourens Reael, op reize naar Oostindiën onder de keerkringszon zijn kusjens dichtendeR98)—gij zoekt hen aan deze wanden vergeefs; luister naar Vondel, als ge wenscht naar hunnen lof; luister naar zijn voorspel van dien van Maarten Harpertszoon Tromp,R99) wiens roem het volgende tijdvak vervullen zou, ware de Ruyter niet reeds geboren, niet reeds aan boord. Of als gij eindelijk, die woelige buitenwereld moede, met den dichter een' blik in onze binnenhuizen wilt slaan, en niet tot schreijens toe wilt worden bewogen door zijn „Konstantijntje”,R100) en geen italiaansch penseel waardeeren wilt in zijn meesterlijk „Kerstlied”,R101) verkwik u dan—ik weet niet waarom ik aarzelen zou, de hulde aan den open' zin van Vondel met den lof zijner bruilofsdichten te voltooijen—verkwik u aan zijne zangen der liefde, vol gloeds, het is waar, mits ge vol gezonden gloeds zegt; weelderig, ik geef het u toe, maar zooals weldige naturen het zijn in den bloei harer kracht! Lofliederen van den echt, in één woord, zooals een volk er gaarne zingen hoorde, er zingen mogt, dat zich voor het zinnelijke van den band niet schaamde, dewijl het voor al het zedelijke van dien eerbied had. Vondel was ook de dichter van „d' Opregtste Trouw”R102).
Vergeef mij zoo ik uw geduld op te zware proef heb gesteld, door mijne schetsen der vier vernuften, welke Frederik Hendrik in ons museum omringen;—vinde ik mijne verontschuldiging in het doel, waarmede ik het wagen durfde. Er wordt maar weinig zin voor het schoone in de schilderkunst vereischt, om in Govert Flinck's „Doelenstuk” een groot talent te genieten, om de zoogenaamde „Nachtwacht” van Rembrandt van Rhijn te roemen, als nimmer geëvenaard, om den „Schuttersmaaltijd” van Bartholomeus van der Helst, ondanks de schennis, aan het meesterstuk gepleegd, het hoogste der drie te bewonderen.R103) En echter, hoe het genot dier gave, in geringe mate als ze ook mij ten deele viel, hoe het verdriedubbeld werd, telkenmale als de tijd, waarin die groepen uit het leven werden gegrepen, als de toestanden, waarin de meesters iederen dier mannen hadden aangetroffen, als het huisselijk en het openbaar verkeer onzer vaderen, als hunne gedachten en gevoelens in één woord, mij levendiger voor den geest stonden; als ik—val mijner vermetelheid niet hard—in de werken hunner schrijvers eene wijle met hen had geleefd. Het was mij bij ieder bezoek, of wij vertrouwelijker bekenden waren geworden; het was me,—maar beproef het op uwe beurt, bid ik u, onder den indruk van Huygens, van Hooft, van Vondel bovenal. De historische beteekenis dier voorstellingen eener heldhaftige burgerij in hare wapenpraal; in haren uittogt, om te schieten naar den vogel; in hare tentoonspreiding eener voor den eenvoud des volks voorbeeldelooze tafelweelde, zal u duidelijker worden, dan uit de vermelding in den catalogus, uit zijne waarschijnlijkheden en zijne gissingen. Gij zult gevoelen, zooals zij het deed, welk een werk voltooid was in de vrijverklaring onzer gewesten, van wege geheel Europa, door den vrede van Munster; gij zult in haar de vereeniging van alles wat groot en goed was veraanschouwelijkt zien. En hare deugden daargelaten, „de wereld zien ze uit uwe werken,” zouden zij tot ons zeggen; „het overige blijve tusschen uw geweten en God!” hare deugden daargelaten, wedde ik, dat het meesterstuk der Hollandsche schilderschool u levenslust leeren zal. Het is slechts eene der openbaringen van harmonie tusschen hoofd en hart.
XXVII. No. 857. A. van Dyck, (1599–1641)
Prinses Maria van Engeland en Prins Willem II
(bij Potgieter vermeld als vermoedelijk voorstellend een harer broeders).
XXVIII. No. 1135. Bartholomeus v. d. Helst
(1613–1670)
De Schuttersmaaltijd (fragment).
(Luitenant Johan Oetgens van Waveren wenscht zijn kapitein Corn. Jansz. Witsen geluk met het sluiten van den vrede.)
XXIX. No. 2016 Rembrandt: (1606–1669)
Nachtwacht (1642)
(fragment: Frans Banning Kok).
XXX. No. 925. Govert Flinck (1625–1660)
„Doelenstuk”—Schuttersfeest bij het sluiten van den vrede 1648.
(fragment: Kapitein Joan Huydecoper).
Tegenstelling bij tegenstelling dringen zich onzen geest op, als wij in het museum de schilderij gadeslaan, die het overgangsstuk verdient te heeten tusschen het vijf en twintigjarig stadhouderschap van Frederik Hendrik, en de wijle dat Willem II dezelfde betrekking bekleeden mogt. Wij bedoelen Antonie van Dijck's beeldtenis van XXVII prinses Maria van Engeland; „aan de zijde van haren broeder, den hertog van Gloucester,”R104) zegt de catalogus, hoe ongeloofelijk dit ook zij, daar die derde zoon van Karel I pas in 1645 geboren werd, en de schilder al in 1641 stierf. Immers—wij keeren tot onze tegenstellingen terug—immers, dat doek brengt ons niet enkel uit de Hollandsche school tot de Vlaamsche over,—voor zooverre gij in van Dijck slechts den leerling van Rubbens ziet,—het troont uwe fantasie ook in andere rigtingen mede. Onwillekeurig lokt de naam van hem, die het vorstelijk kind penseelde, dat later de gemalin van Willem II werd; onwillekeurig lokt van Dijck u uit, zijn leven te Londen over te stellen tegen dat der drie meesters te onzent, wier werken we u straks ter studie aanbevalen: Govert Flinck, Rembrandt van Rhijn, Bartholomeus van der Helst. Gij verlustigt er u in, het lot van geniën in eene monarchie te vergelijken met dat van geniën in eene republiek; den gunsteling der Stuart's, met den vriend van Six.R105) En echter, voor een ander hoofdstuk dezer schetsen, dan dat, 't welk in zijn opschrift: Historiële Portretten, het doel aangeeft, u eenige oogenblikken bij deze verzameling te bepalen om den wille harer veraanschouwelijking onzer geschiedenis, voor een andermaal blijve de sombere stoffe bewaard: van Dijck in weelde, Rembrandt in armoê, beide groot, beide beroemd, beide ongelukkig te doen zien. Het is eene derde tegenstelling waartoe wij ons door het overgangspunt voelen genoopt. Hoe verre is het er van, dat deze zich maar bepalen zoude tot die, welke bij den eersten blik in het oog valt, onze burgerij de vreugdebeker opheffende, dewijl de vrede is gesloten, dewijl hare onafhankelijkheid werd erkend,—tegenover de vorstelijke kinderen, wier lauwe levenslust het gevolg schijnt der schaduw, welke het naderend onweder reeds over hunne hoofden werpt. Er is in de laatste voorstelling al de statelijkheid, al het koninklijke, dat de droefgeestige Karel I liefhad; schoon het om Willem II's toekomstige gemalin niet wemelt van paadjes, wier leden de spaansche kleederdragt in sierlijke plooijen omgolfde; schoon der schilderij de vurige rossen en de vlugge hazewinden ontbreken, wier bewegingzucht de meester zoo wel te waardeeren wist, bij de deftigheid door dat hof bewaardR106). Verlaten moge zij daar staan, indien ge met mij het meisje het meest gadeslaat,—verlaten van edelliên en edelvrouwen, door van Dijck in de galerijen der Britsche grooten vereeuwigd; hare houding verraadt hare afkomst, en er is ernst in die trekken, ernst haren leeftijd vooruit. Laat de dag aanbreken, waarop de edelliên, die wij thans ongaarne aan hare zijde missen, (al zou de meester ons die maar hebben vertegenwoordigd, opmerkelijk door de kleur hunner handen,—de kostbare kant, die zij droegen, beschamende,—opmerkelijker nog door de nauwgezette kleingeestigheid, waarmede ieder hunner zich van het hofceremoniëel kweet) als mannen zullen gesneuveld zijn in Marston-Moor en bij Naseby;R107)—laat de dag aanbreken, waarop de edelvrouwen, wier blondheid, dank zij den schilder, wereldvermaard is geworden, zich door hare trouw in het ongeluk schooner zullen onderscheiden dan door halskraag, die in keurigheid geene weêrga had;—laat de dag aanbreken, waarop het voorhoofd van koning Karel I, door van Dijck ons bewaard, in de blankte, die het onderscheidde, voor de eerste maal zijns levens blozen zal, blozen tot de kruin, bij het naderen des beuls: Maria van Engeland, ge ziet het haar aan, Maria zal het ongeluk waardiglijk dragen, waardiger dan de knaap, die haar ter zijde staat, wie harer broeders hij dan ook zij. „Arme Maria!” zegt gij misschien; zegt het, niet geheel door het kinderlijke van haar voorkomen misleid; zegt het, zonder te vergeten, dat zij toenR108) reeds zes jaren met den jeugdigen, overjeugdigen Willem II was gehuwd geweest; dat zij toen aan zijne hand over de burgerij stond, ons hier in drie stukken veraanschouwelijkt, op ieder van welke één der hoofdpersonen óf den naam draagt van een der geslagten, die op het leven van dien vorst eenen belangrijken invloed oefenden, óf zelf den invloed uitoefenende was. Och, dat eene volgende uitgave van den catalogus, in plaats der slordig gestelde berigten, waarmede in den tegenwoordigen de meesterstukken onzer oude school worden afgescheept, die treffende bijzonderheden toelichtte! Welke was de betrekking, waarin de van Waveren van den XXVIII „Schuttersmaaltijd” tot den Amsterdamschen burgemeester, Antonie Oetgens van dien naam,R109) stond; was de geschilderde misschien de man zelf, die met zijnen ambtgenoot, Pieter Hasselaer, den prins te gemoet werd gezonden, toen de vroedschap besloten had, Zijne Hoogheid aan het hoofd der bezending uit de Algemeene Staten niet te ontvangen? De XXIX „Frans Banning Kok,” heer van Purmerland,R110) hoofdfiguur op Rembrandt's „Vogelschieten,”—want „Nachtwacht” luidt hier kwalijk,—was, het lijdt naauwelijks twijfel, geen ander dan het lid des Raads, dat bovengenoemden heeren met nog vier leden werd toegevoegd, om zich bij den prins te verontschuldigen over het geweigerde gehoor in die vergadering; de commissie, aan welke Z. H. in gramme woede toebeet: „dat hij wel Duitsch verstond, en geenen uitlegger noodig had,” toen een der heeren hem de meening des raads verduidelijken wilde. Welligt was XXX Joan Huydecoper, heere van Maarsseveen, op Govert Flinck's „Doelenstuk,” dezelfde raad, die grave Willem Frederik van Nassau bij Welna zoo eigenaardig den aftogt ried, dreigende, dat de regeering op Zijne Doorluchtigheid den storm zoude loslaten, die haar zelve dreigde; welligt was hij het, zeg ik, hoe zeer het volgens het boeksken van het museum, dat voor mij ligt, onmogelijk is, want naar blz. 22, is Govert Flinck in 1616R111) gestorven, schoon hij dat stuk ter gedachtenis van den vrede van Munster heet te hebben geschilderd. Volsta dit vlugtig woord ter opwekking, om den indruk dier stukken te doen winnen in veelzijdigheid;—wij keeren tot ons onderwerp weêr, ons zelven geluk wenschende, dat de scheppingen der oude kunst niet, als het belang, dat het algemeen in haar plagt te stellen, zijn verflaauwd; dat een blik op die schilderijen nog genoeg is, om onze tegenstelling te voldingenR112).—Maria, de dochter der Stuart's, in tegenwoordigheid eener burgerij, die hare vreugde over het sluiten van den vrede botviert aan den disch van Van der Helst; maar deze tevens veraanschouwelijkt door haar optrekken ter wacht, door hare wake in het geweer, van Govert Flinck; Maria, de dochter der Stuarts in tegenwoordigheid van burgers, die, in andere woorden uitgedrukt, vaardig zijn, zich uit de armen der weelde los te rukken, om andermaal voor de vrijheid pal te staan; Maria, de dochter der Stuart's, verkrijgt, in dat licht gezien, eene hoogere beteekenis, dan eene der gemalinnen van onze vroegere stadhouders,—optredende aan de hand van Willem II.