t Hart, ziende in 't kristallijn eens borns
[219] zijn schaduw leven,
In schoonheid van gedaante heeft d' hoornen prijs
[220] gegeven,
Die 't voorhoofd dienden tot een zonderling cieraad,
Daar zijn vier beenen bij verdienden niet als smaad,
Vermits zij, lang en dor, de aanzienlijkheid bevlekten
Der hoornen, die op 't hoofd hem als twee kroonen strekten.
Terwijl het hart dus op zijn beenen is gestoord,
Het onverziens geblaas van 's jagers horen hoort
[221]:
Dies zich te ontvluchten spoedt de naderende brakken,
Maar blijft met d' hoornen vast verward in wilgentakken;
Wordt veler honden roof, en 's jagers rijken buit,
Waarom dees droeve klacht 't hart barst ter herten uit:
"O! die zoo menigmaal, uit 's jagers blinde lagen,
Mij 't lijf en 't leven hebt geweldelijk ontdragen,
't Was onrechtvaardigheid, dat ik voor u zoo snood
Den prijs aan d' hoornen gaf, een oorzaak van mijn dood."
Door kwâ gewoonte wij de reden zoo verliezen,
Dat wij het schaadlijkst meest voor 't aldernutst verkiezen,
Misprijzen 't opperst goed, verheffen 't hoogste kwaad;
En als wij nu geraakt zijn in een kwaden staat,
Dan gaan ons de oogen op, en moeten
[222] spâ belijden:
't Geen ons behaaglijkst scheen, is de oorzaak van ons lijden.