XVIII.

De Sherifs.

Op zekeren dag bevond ik mij in de Citij, digt hij de Sint-Paulus-kerk, in Pater-Noster-Row. Juist was ik bezig met, in eenen der talrijke boekwinkels, waarvan deze straat grimmelt, een nieuw werk te koopen, toen een onverwacht geluid van een groot getal instrumenten mijne ooren trof. Op mijne vraag, wat deze soort van concert beteekende, werd mij gezegd, dat het de twee nieuwelings verkozene sherifs (regters) waren, die op het stadhuis (Guild-Hall) den eed gingen afleggen. Oogenblikkelijk begaf ik mij naar Cheapside, welken weg de optogt moest nemen, en bespeurde, bij die gelegenheid, dat er te Londen niet minder gapers, dan te Parijs, zijn. De straten waren opgepropt met een volkje van allerlei slag, maar men zag noch wachten noch geregtsdienaars, om de menigte in bedwang te houden; het volk zelf scheen zich van dezen pligt te kwijten, en de rust bleef volkomen ongestoord, waarvan, naar mijne gedachten, de ruimte en breedte der straten gedeeltelijk de oorzaak waren.

Het geleide werd vooruitgegaan door een twintigtal muzijkanten, allen op blaasinstrumenten spelende. Hierop volgde een man op een paard, dat moedig en snuivende voortstapte, terwijl de ruiter in zijne hand eenen vergulden stok hield, die veel naar eenen schepter, of ten minste naar eene koopmansel geleek; zijn kleed was van rood scharlaken, met breede gouden belegsels, en op zijne schouders prijkte ter wederzijde eene kolonels-epaulette: zijn hoofd was met eenen kolossalen, driepuntigen en rijk met goud geboorden hoed bedekt, en zijn post bestond in de plegtigheid van het feest te regelen. Achter hem kwamen twaalf rijtuigen, ieder met eenen magistraatspersoon (alderman) bevracht, en deze werden gevolgd door de geheel vergulde en ontzaggelijk groote koets van den Lord-Major. De dissel en de bok van den koetsier waren, even als het achterste gedeelte van de koets, met gesneden en rijkelijk verguld houtwerk dermate overladen, dat het mij onmogelijk is, er eene behoorlijke beschrijving van te geven; doch alles was tevens zoo stevig, massief en verkwistend zwaar, dat men van de afbraak der koets, wat het hout betreft, gemakkelijk een klein huis zou hebben kunnen bouwen. Nu kwamen eindelijk de koetsen der twee nieuw verkozene sherifs. Deze waren wel minder prachtig, dan die van den Lord-Major, maar des te netter en doelmatiger. De koetsiers dezer drie rijtuigen zuchtten intusschen onder den last van vervaarlijk groote vlassen pruiken zonder poeder, en met verscheidene verdiepingen van krullen voorzien, die er of aan vast gebreid, of ten minste er op genaaid waren. Op deze gekoetsierde pruiken, of, om mij beter uit te drukken, op deze gepruikte koetsiers volgde een twintigtal lakkeijen te voet, in groot liverei, wier wit zijden kousen mijne ziel met medelijden vervulden; wijl de modder en slijk het wit zoodanig hadden veranderd, dat men het bijna voor zwart, ten minste voor grijs zou gehouden hebben. De achterhoede van dezen optogt bestond wederom uit eenen troep van twintig muzijkanten. Voorts werd mij verhaald, dat, na het afleggen van den eed, de eene dezer regters in een der voornaamste logementen van Londen eenen grooten maaltijd geeft, en dat, eenige dagen later, de andere dezen pligt insgelijks moet vervullen.

Het aanschouwen van dezen plegtigen optogt deed intusschen mijne nieuwsgierigheid ontbranden om eenige bijzonderheden te weten, welke ik den weetgierigen lezer thans zal mededeelen; wijl hij misschien hetzelfde verlangen ontwaart, en het zoo gemakkelijk niet zou kunnen bevredigen.

De regering bestaat uit den Lord-Major, twee sherifs (regters, of bijzitters), vijf en twintig aldermans (schepenen) en twee honderd zes en dertig raadsheeren, of vroedschappen.

De Lord-Major wordt door het volk uit de aldermans verkozen. Men benoemt er twee, uit welke de algemeene vergadering, bestaande uit den aftredenden Lord, de aldermans en raadsheeren, eenen nieuwen Lord-Major benoemt. Zijne aanstelling is slechts voor een jaar; echter is hij eigenlijk het hoofd, en eenigermate zelfs de ziel van de geheele regering.

De bediening der sherifs, welke insgelijks door het volk verkozen worden, vervalt ook met het jaar. De Lord-Major is voorzitter, en als de keuze gedaan is, roept hij den nieuw verkozene uit, onder het drinken van een glas wijn, op de gezondheid van den sherif, die of die, een penseeltrek, welke vooral niet vergeten moet worden bij het schetsen der Engelsche zeden en gebruiken. Overigens veroorzaakt deze benoeming zeer vele onkosten aan hem, die er het voorwerp van wordt: ook mag men er zich geenszins aan onttrekken, zoo men geene boete van vierhonderd pond (9,600 livres) wil betalen. Deze regters staan aan het hoofd der regtspleging. De aldermans worden op dezelfde wijze verkozen, doch hunne benoeming is levenslang. Zij vervullen het beroep van vrederegters in de stad Londen, en verscheidene regtsvergaderingen zijn uit hen samengesteld.

De raadsheeren eindelijk worden door de bijzondere wijken der Citij benoemd, welke in twee honderd zes en dertig afdeelingen gesplitst wordt. Zij zijn ten naastenbij hetzelfde, als de algemeene vergadering van den raad te Parijs, met dit onderscheid echter, dat hunne magt en hun aanzien veel verder is uitgebreid. Het stadhuis (Guild-Hall), waar de kiesvergaderingen gehouden worden, is een groot Gothisch gebouw. Het is ook daar, dat de plegtige inwijding van den nieuwen Lord-Major jaarlijks den negenden November met een groot feest gevierd wordt, op hetwelk ongeveer duizend personen van beiderlei sekse genoodigd worden, en waarbij gemeenlijk een paar duizend flesschen wijn hare ontlasting vinden.

Ik heb mij altijd bediend van de uitdrukking de Citij van Londen: men moet echter dit geenszins met het woord stad verwarren, waarvan de Citij slechts een derde gedeelte uitmaakt. De regenten, van welke ik gesproken heb, kunnen buiten de Citij geen gezag, hoe genaamd, uitoefenen, en het overige gedeelte van Londen wordt, even als de andere steden en dorpen van het koningrijk, bestuurd.