Van „De Koopman van Venetië” verschenen in 1600 twee van elkander onafhankelijke uitgaven, de eene bij James Roberts, de andere bij Thomas Heyes, waarvan de eerste reeds 28 October 1598 in de registers van het boekhandelaarsgilde werd ingeschreven. Het verschil tusschen deze uitgaven is niet zeer groot, maar over het algemeen is de eerste beter te noemen. Toch is in de folio-uitgave van 1623 de tweede, met eenige wijziging, afgedrukt.—Dat het stuk in 1598 reeds bekend was, blijkt uit Francis Meres, die het in zijn Palladis Tamia noemt.—Een deel van Sh.’s werk, en wel het begin van het vijfde bedrijf, is nagebootst in een stuk Wily beguiled, van een onbekenden schrijver, dat in een geschrift van 1596 reeds vermeld wordt. Het is mogelijk, dat „De Koopman van Venetië” zelfs reeds een paar jaar vroeger geschreven werd; in het dagboek van den schouwburg-directeur Henslowe wordt op 25 Augustus 1594 gewag gemaakt van een nieuwe Venetiaansche comedie, die opgevoerd werd op het tooneel te Newington. Toen werd het tooneel dezer voorstad gemeenschappelijk bespeeld door den troep van Henslowe en dien, waar Sh. deel van uitmaakte, en het is mogelijk, dat „De Koopman van Venetië” bedoeld is; de stijl en de versificatie bevestigen, dat het stuk, zooal niet in 1594, dan toch zeker omstreeks dezen tijd is geschreven.
Gelijk in zoovele andere gevallen, heeft de dichter ook in dit stuk verhalen, die in zijn tijd reeds lang bekend waren, verwerkt, en er een nieuwe schepping van gemaakt vol kracht en leven. Opmerkelijk is het na te gaan, hoe hij hier uit zeer ongelijksoortige stoffen een wonderschoon geheel heeft gevormd.
Sh. heeft voor dit stuk geput uit een middeleeuwsche, Latijnsche verzameling van verhalen of sprookjes, getiteld Gesta Romanorum. In het 99ste hoofdstuk,—dat reeds in 1577 uit deze verzameling door Robert Robertson in het Engelsch vertaald was,—komt de geschiedenis der drie kastjes voor. Een koning van Apulië zendt zijn dochter over zee naar Rome, om met den zoon des keizers te huwen. Zij lijdt schipbreuk, wordt door een walvisch verslonden, maar uit diens buik te voorschijn gehaald. De keizer ontvangt haar, verheugd over haar behoud, zeer vriendelijk, maar wil haar op de proef stellen, of zij zijn zoon waardig is. Hij laat drie vazen brengen; de eene was van zuiver goud, uitwendig met kostbare edelgesteenten versierd, maar gevuld met doodsbeenderen; zij droeg het opschrift: „wie mij kiest, vindt wat hij verdient”. De tweede was van zilver, met aarde en wormen gevuld, en had tot opschrift: „wie mij kiest, vindt wat zijn natuur verlangt”. De derde was van lood, bevatte kostbare edelgesteenten en droeg het opschrift: „wie mij kiest, vindt wat God hem heeft toegekend”. De keizer wees de vazen aan het meisje, met de woorden: „als gij de vaas kiest, welke bevat wat u en anderen nuttig is, dan zult gij mijn zoon hebben”. Het meisje koos na rijp overleg de looden vaas en trouwde daarop met den zoon des keizers.
Een ander verhaal uit dezelfde verzameling, getiteld: De Milite conventionem faciente cum Mercatore, verhaalt van een krijgsman of ridder, die van een christen-koopman geld borgde, op voorwaarde, dat hij al zijn vleesch ten behoeve van den koopman zou verbeurd hebben, als hij niet op tijd betaalde. Toen dit laatste inderdaad het geval werd en de ridder voor den rechter gedaagd was, komt zijn vrouw, als man verkleed, mede voor de rechtbank om den koopman te vermurwen, die echter steeds op zijn recht blijft staan. Daarop drong de vrouw bij den rechter aan, dat de koopman den ridder wel het vleesch van de beenderen zou mogen snijden, maar geen droppel bloeds vergieten.—De koopman wilde nu met de betaling van het geld genoegen nemen, maar dit werd hem geweigerd; hij ging heen zonder een penning te hebben ontvangen.
In deze verhalen is er, zooals men ziet, nòch van een jood, nòch van een vriendschap als die van Antonio voor Bassanio sprake. Deze twee bijzonderheden vindt men echter terug in een verhaal eener Italiaansche Novellenverzameling van Giovanni Florentino, onder den titel Il Pecorone in 1554 in het licht gegeven. Het verhaal is daar het eerste der vierde afdeeling. Een rijk Venetiaansch koopman, Ansaldo, voedt een innige vriendschap voor zijn petekind Giannetto, die, na zijn vader, een Florentijnsch koopman, verlaten te hebben, door Ansaldo als kind was aangenomen. Aan een fraaie haven woont de schoone jonkvrouw van Belmonte, welke ieder, die daar landt, dwingt om de nacht op haar slot door te brengen, maar, zoo hij zich niet naar eisch gedraagt, en haar genegenheid niet kan winnen, hem van zijn schip en goederen berooft; wie de proef doorstaat, zal haar gemaal worden. Giannetto, op reis naar Alexandrië, hoort van de schoone jonkvrouw, landt bij haar en tracht haar gunst te winnen, maar te vergeefs; door een zoeten wijn, die hem gereikt wordt, slaapt hij in. Van schip en goederen beroofd, keert hij naar Venetië terug. Hij is ondertusschen door de jonkvrouw zoo betooverd, dat hij van zijn pleegvader een tweede, nog rijker bevracht schip afsmeekt, om naar haar hand te staan; hij slaapt weder in en keert nog berooider dan de eerste maal naar Venetië terug. Zijn vaderlijke vriend Ansaldo laat zich door zijn beden bewegen hem voor de derde maal een schip uit te rusten, maar moet daartoe van een jood in Mestin 10000 dukaten leenen onder voorwaarde, dat de schuld op den eerstvolgenden Sint Jan betaald zal worden, of dat anders de jood het recht zal hebben, een pond vleesch uit eenig deel van Ansaldo’s lichaam te snijden. Giannetto is ditmaal gelukkiger en huwt de jonkvrouw van Belmonte. Maar in zijn vreugderoes denkt hij niet aan zijn weldoener, en deze komt hem eerst op Sint Jan toevallig weer voor den geest. Ondertusschen was Ansaldo reeds in de macht van den jood en had slechts met moeite eenig uitstel gekregen, om te wachten of Giannetto ook terugkwam. Deze kwam inderdaad, maar vond den jood onvermurwbaar. Doch ook de vrouwe van Belmonte kwam, als rechter vermomd, en zij beslist, nadat de jood honderdduizend dukaten had afgeslagen, de zaak als bij Sh., dat de jood niet meer en niet minder dan een pond mocht nemen en geen druppel bloeds moest storten, zoodat de jood de schuldbekentenis in woede verscheurt; zij slaat de honderdduizend dukaten, die haar man den gewaanden rechter aanbiedt, af, maar noopt hem zijn trouwring af te staan; zij zorgt te huis te zijn vóór haar man met Ansaldo er aankomt en neemt den schijn aan van recht verstoord te wezen op haar man, die zijn trouwring aan wie weet welke vrouw zou gegeven hebben, maar zij vertelt weldra, wie voor rechter gespeeld heeft, en zij leeft verder zeer gelukkig met haar man.
Ongetwijfeld is dit verhaal van nog ouderen datum. Hoe de geschiedenis van den woekerjood opgang maakte, kan nog blijken uit een ballade, waarvan echter moeilijk te beslissen is, of zij ouder of jonger is dan Sh.’s stuk. Zij bevat enkel de geschiedenis van den koopman en den jood, met een (echten) rechter, die, op gelijke wijze als Portia, den jood van zijn vordering doet afzien.
Men zie nu, wat Sh. uit deze gegevens wist te maken.
Wil men zich rekenschap geven van de ligging van Belmonte, dan kan men zich dit zeer wel te Strà denken, waar vele Venetianen hun landgoederen hadden, en dan kan Balthazar (III. 4. 53) Portia zeer goed aan het gewone veer (tragetto), dat ten tijde van Sh. te Fusino aan de monding der Brenta was, inhalen.
Over enkele namen nog een enkel woord. Shylock is zeker van Semietischen oorsprong, misschien verbasterd van Sjelah (I Mos. X. 24), dat pijl beteekent1. Tubal en Chus (zie blz. 313, III. 2. 28) vindt men I Mos. X. 2 en 6; Jessica zal wel Jiskah zijn (I Mos. XI, 29), wat uitkijkster beteekent, vergelijk IIde Bedrijf, 5. 33. De naam Gobbo komt in Venetië meer voor; op de Isola del Rialto is een steenen figuur, die Gobbo di Rialto heet.
I. 1. 98. Hun hoorders strafbaar maakten. Toespeling op Mattheus V. 22; „Wie tot zijn broeder zegt: Gij dwaas! die zal strafbaar zijn door het helsche vuur.”
I. 2. 43. Die is inderdaad een veulen. Colt beteekent in het Engelsch zoowel een veulen als een jonge losbol.
I. 2. 48. Dan verder de paltsgraaf. Johnson vermoedt hier een toespeling op een Poolschen paltsgraaf, Albertus a Lasco, die in het jaar 1583 in Londen groot opzien wekte, maar zich weldra wegens schulden uit de voeten maakte.
I. 2. 88. Dat de Franschman zijn borg werd. Warburton vindt hier een toespeling op de veelvuldige beloften van hulp, die de Franschen aan de Schotten gaven bij de twisten der laatstgenoemden met de Engelschen.—Vermeldenswaard is, dat eenige regels vroeger, waar gesproken wordt van „den Schotschen lord”, de folio van 1623 heeft „den anderen lord”, omdat na de troonsbestijging van Jacobus I zulke aardigheden op de Schotten niet toegelaten werden; de quarto’s hebben hier de ware lezing.
I. 3. 20. Zooals ik op den Rialto vernam. Onder Rialto is de plaats te verstaan, die als beurs diende. Een tijdgenoot van Sh. beschrijft die als een groot gebouw met open galerijen, waar de kooplieden tweemaal daags samenkwamen, ’s morgens tusschen 11 en 12 en ’s namiddags tusschen 5 en 6 uren.
I. 3. 45. De rente in Venetië. Een Engelsch schrijver over Italië (1561) zegt, dat de joden in Venetië zeer rijk werden, daar de gewone rente, die zij bij het uitleenen van geld wisten te maken, vijftien ten honderd ’s jaars bedroeg.
II. 1. 1. Om mijn kleur. In de oude uitgaven worden kleur en kostuum aangegeven: Enter Morochus a tawny Moor, all in white, and three or four followers accordingly.
II. 1. 25. Den Sophi van Perzië vermeldt Sh. ook in het blijspel Driekoningenavond een paar keer; Lichas, reg. 32, de ongelukkige dienaar van Hercules (Alcides), die aan zijn meester het noodlottig gewaad overbracht, dat hem duldelooze pijnen veroorzaakte, en die daarom door zijn meester in zee geslingerd werd, wordt ook genoemd in Antonius en Cleopatra, IV. 12. 45.
II. 3. 2. Het is een hel, en gij, een snaaksche duivel enz. Aan Jessica scheen haars vaders huis een hel toe en Lancelot was er de grappige duivel in. Op het oud-Engelsch tooneel speelde de duivel dikwijls de rol van den grappenmaker, zie blz. 15.
II. 7. 56. De gouden munt, engel genoemd, wordt door Sh. meermalen genoemd, b.v. Koning Jan, III. 3. 8. Zij was 10 shilling waard (ƒ6.–).
II. 9. 28. Als de zwaluw. De huiszwaluw, in het Engelsch martlet (Hirundo urbica), maakt haar nest aan de buitenzijde van gebouwen; meestal vindt men er verscheidene dicht bijeen, zooals Sh. uitvoeriger in Macbeth I. 6. 4. beschrijft. Sh. wist, welke soort hij koos; de boerenzwaluw (Hirundo rustica) nestelt binnenshuis, b.v. in stallen, of, in onbewoonde streken, in rotsholten enz.
III. 1. 4. De Goodwins, gevaarlijke ondiepten nabij den mond van de Theems, worden ook vermeld in Koning Jan, V. 3. 11.—Dat oude vrouwen gaarne gember knauwen reg. 10 (to knap is: in kleine stukjes bijten), wordt ook vermeld in Maat voor Maat, IV. 3. 8.
III. 1. 126. Het was mijn turkoois. Aan dezen edelsteen werd bijzondere kracht toegeschreven; hij werd lichter of donkerder naar den gezondheidstoestand van den bezitter, beschermde dien voor gevaren, verzekerde de eendracht tusschen man en vrouw.
III. 1. 131. Huur een gerechtsdienaar, die Antonio in hechtenis zou moeten nemen en hem overal vergezellen, opdat hij niet ontsnapte. Shylock heeft hem wel eerst over veertien dagen noodig, maar wil hem nu alvast bespreken.
III. 2. 55. Jonge Alcides. Portia vergelijkt zich met Hesione, de dochter van den Trojaanschen koning Laomedon, die door haar vader aan een zeemonster was prijsgegeven, maar door Hercules bevrijd werd. Dardanen = Trojanen.
III. 2. 63. Zegt, van waar de wufte min. In ’t Engelsch fancy, een vluchtige, wufte, niet diepgaande min of verliefdheid, wel te onderscheiden van love, echte liefde. Portia laat hier uitdrukkelijk zingen, dat de fancy zich door ’t oog laat leiden en kortstondig is. De love moet dus anders doen en zal duurzaam wezen. Portia zegt dus wel degelijk tot Bassanio, dat hij zich niet door den schijn moet laten verlokken, met andere woorden, liefst het looden kastje kiezen. Het verwondert mij, deze opmerking nog nergens te hebben aangetroffen. Dat Portia inderdaad een duidelijken wenk geeft, blijkt nog beter uit het oorspronkelijke; de vertaling vermocht hier niet het Engelsch geheel terug te geven:
Tell me, where is fancy bred,
Or in the heart, or in the head?
How begot, how nourished?
Reply, reply.
It is engendered in the eyes,
With gazing fed; and fancy dies
In the cradle, when it lies.
Let us all ring fancy’s knell:
I’ll begin it,—Ding, dong, bell.
III. 2. 86. Al bergt de lever zelfs geen droppel gal. In het Engelsch wordt van een melkwitte lever gesproken, die voor een blijk van lafheid geldt. In den volgenden regel wordt de baard eigenlijk een uitgroeisel van dapperheid, valour’s excrement geheeten.—De gulden lokken worden meermalen door Sh. vermeld. Zij waren zeer in de mode, ongetwijfeld omdat Koningin Elizabeth roodachtig haar had. Zoo zegt Sh. b.v. in zijn 68ste sonnet:
„Zoo is hij ons een beeld uit beter dagen,
Toen schoonheid leefde en stierf als bloemen thans,
Aleer zij waagde een basterdschild te dragen,
En ’t voorhoofd schittren deed met valschen glans;”
Dit ziet op het blanketten, de valsche lokken volgen:
„Eer gouden lokken, aan het graf geroofd,
Van dooden afgemaaid, een tweede leven,
Een valsch, begonnen op een tweede hoofd,
Eer schoonheids dood aan andren schoon moest geven.”
Men zie hierover ook het Kostelick Mal van onzen Huygens, in 1622 te Londen voltooid.
III. 4. 52. Breng, dat.... naar ’t veer, waarmee men.... Venetië bereikt. Bring them.... Unto the traject, to the common ferry, which trades to Venice. Traiect (voor het zeker bedorven tranect gesteld) is geen zeer gewoon Engelsch woord, en wordt daarom verklaard; het is het Italiaansche tragetto.
III. 4. 78. Zoo mannen na te gaan. In ’t Engelsch is de woordspeling eenigszins anders; er staat: shall we turn to men = tot mannen worden en = ons naar de mannen wenden.
IV. 1. 49. En die zit, bij den neustoon van de zakpijp, Op spelden schier. In het oorspronkelijke: And others, when the bagpipe sings i’ the nose, Cannot contain their urine.
IV. 1. 199. Dat, naar gerechtigheid, geen onzer ooit Behouden wordt. Diezelfde toespeling op het Christelijk geloof vindt men in Maat voor Maat, II. 2. 73. Het vervolg doelt blijkbaar op het Onze Vader.
IV. 1. 247. De wet is duid’lijk; zin en woorden slaan Volkomen op de thans vervallen boete. De redeneeringen van den jeugdigen Daniël zijn recht aardig gevonden en bereiken het doel volkomen, maar mogen wel eens nader bekeken worden. Een echt jurist, zou, dunkt mij, de schuldbekentenis ipso jure nul en nietig hebben verklaard, omdat zij een onzedelijke bepaling bevatte. Maar erkende de rechter haar als geldig, dan mocht de jood snijden, en dan was het een slinksche, sluwe streek, hem het storten van bloed te verbieden, want dit was onvermijdelijk bij de toepassing van het recht tot snijden, dat door de schuldbekentenis was toegestaan. Verder: mocht de jood ook al niet meer dan een pond snijden, het minder nemen kon toch niet wel strafbaar zijn. De Romeinsche wetten der XII tafelen waren juister; bij het in stukken snijden (in partes secare) van schuldenaars wordt opgemerkt, dat het op iets meer of iets minder niet aankomt: si plus minusve secuerit, sine fraude esto. Heeft dus Sh. dit niet bedacht, toen hij uit zijn bronnen deze tragische episode in zijn blijspel invlocht? Nog één vraag komt bij ons op. Bezigt hij het ontfutselen, onmiddellijk na de gerechtsscène, der huwelijksringen door Portia en Nerissa, aan haar mannen, om in het vijfde bedrijf zijn toeschouwers na de geweldige spanning, waarin zij verkeerden, weder in de stemming van het blijspel terug te brengen? De wijze, waarop in den tegenwoordigen tijd de rol van Shylock wordt opgevat, moge dit doen denken, maar er is inderdaad alle reden om aan te nemen, dat deze opvatting niet de ware is, dat de dichter en zijn tijdgenooten in de gerechtsscène een tooneel zagen, dat werkelijk geheel in een blijspel paste.
Sh.’s tijdgenoot en vriend, de groote tooneelspeler Burbage, die Sh.’s bedoelingen ongetwijfeld juist teruggaf, vatte, zooals bekend is, de rol van Shylock inderdaad als een comische rol op, doste zich uit en stelde den jood voor op een wijze, die het voor den toeschouwer werkelijk zeer vermakelijk maakte, dat Shylock op het oogenblik, dat hij zeker van zijn wraak dacht te zijn, er van verstoken werd; dat dit door louter sophismen geschiedde, maakte de zaak des te kostelijker. Zien wij, hoe Sh. den jood inderdaad gemeene trekken leende, deed wenschen, dat zijn dochter aan zijn voeten gekist lag, hem zijn mes op zijn schoenzool deed aanzetten, dan worden wij overtuigd, dat deze opvatting de ware is, dan zal de spanning bij de gerechtsscène nooit tot een tragische hoogte stijgen, want wij weten vooraf, dat de jood, hoe dan ook, bedrogen zal uitkomen, dan zijn de gronden van den baardeloozen rechter, hoe sophistisch ook, inderdaad volkomen passend, eenvoudig omdat zij tot het doel voeren, dan vragen wij niet, of ooit in Venetië de rechtspraak zoo aan een vreemden rechtsgeleerde werd overgegeven, dan is de vroolijkheid, opgewekt door Shylocks en Gratiano’s vermelding van den wijzen Daniël en door Bassanio’s en Gratiano’s wenschen, dat zij met hun vrouwen Antonio’s vrijheid konden koopen, volkomen op haar plaats, dan rillen wij niet bij de gedachte, dat de jood in zijn woede kan toestooten, dan is geen schrille tegenstelling tusschen het gerechtstooneel en het vervolg. De dichter behoeft niet plotseling tot het blijspel terug te keeren, want hij is er nooit van afgeweken; dat hij er iets huiveringwekkends ingebracht heeft, was alleen om later de vroolijkheid nog te verhoogen, zooals,—de opmerking is van Rümelin in zijn Shakespeare Studien—Sinterklaas en zijn knecht in de kinderkamer treden, om na een oogenblik van spanning den jubel des te grooter te maken.
Inderdaad, letten we op de plaats, dien in Sh.’s tijd de joden in de maatschappij innamen, dan beseffen wij, dat de jood Shylock zeker niet als tragisch personage bedoeld kan zijn en dat alleen de bijzonderheid, dat Shakespeare, in onpartijdigheid zijn tijdgenooten ver vooruit, hem redeneeringen in den mond legt, waarvan wij de juistheid moeten toestemmen en die zijn woede verklaarbaar maken, er velen toe gebracht heeft, om hoogtragischen pathos daar te vinden, waar wij nog midden in het blijspel zijn.
Eindelijk zij nog opgemerkt, dat alleen in een stuk, waarin tot vermaak van het publiek, de jood bedrogen moet uitkomen, de eisch kan gesteld worden, dat de jood, tot straf van zijn aanslag op Antonio, zich den doop moet laten toedienen. Een jood gruwt bij die gedachte, daarom werd deze boete aan Shylock niet gespaard; in een blijspel, dat zoo veel sprookjesachtigs heeft, kunnen wij ons dit zeer goed voorstellen, maar wanneer wij de gerechtsscène als een tooneel beschouwen, dat ons door tragischen ernst diep in de ziel moet grijpen, moet ons die eisch voorkomen als een profanatie van wat in veler oogen heilig is.
IV. 1. 399. Tien hadt gij er meer. Twaalf gezworenen, die het schuldig zouden uitspreken.
V. 1. 1. In zulk een nacht. Deze wisseling van gezegden, telkens met „In zulk een nacht” beginnende, is het, die in het stuk Wily beguiled is nagebootst; zie blz. 343. De verliefdheid van Troilus op Cressida was algemeen bekend, al ware ’t slechts uit Chaucer’s Troilus and Creseide. Een wilgetak of wilgekrans was het teeken eener verlaten geliefde; zie Koning Hendrik VI, derde deel, III. 3. 228. Othello, IV. 3. 42; daarom klimt ook Ophelia op een wilg, Hamlet, IV. 4. 167. De geschiedenis van Medea vindt men reeds in Gower’s Confessio Amantis.
V. 1. 220. Heil’ge vonken. In ’t oorspronkelijke staat: kaarsen, candles of the night, evenals in Romeo and Julia, III. 5. 9.