De mededeeler der „Licht- en Schaduwbeelden uit de binnenlanden van Java,” heeft zijnen naam niet genoemd. Hij hoopt zelfs, dat zijn naam nimmer bekend zal worden. Hij heeft diep ingewortelde vooroordeelen en dwalingen bestreden en daarentegen de goede zaak der waarheid en verlichting verdedigd, welke hij door een persoon onder den verdichten naam van Dag liet vertegenwoordigen. Het is eene groote en schoone zaak. Duizenden—en deze niet de minst edelaardigen in den lande—zijn in de stilte met geestdrift daarvoor vervuld. Een naam, welke daaronder geschreven wordt, beteekent een individu. Een mensch is klein en zwak, en ieder heeft zijne gebreken. De mededeeler wenscht, dat de zaak hare eigene verdedigster zal zijn, en het is niet uit onbescheidenheid, dat hij zijnen naam verzwijgt.
Want, van al hetgeen hij in deze bladen mededeelt, is naauwelijks het honderdduizendste gedeelte zijn eigendom, en ook dit honderdduizendste gedeelte slechts in zoo verre als hij een weinig heeft mede gearbeid aan het groote werk der natuuronderzoeking, als hij zijne eigene vijf zinnen niet ongebruikt heeft gelaten, om in het levende boek der natuur te lezen en de schriftteekenen der schepping zoo getrouw mogelijk te verklaren. Al het overige gedeelte des inhouds van dit geschrift is het eigendom van vele duizende mannen, die elk iets hebben geleverd tot verklaring van het boek der schepping, die allen hebben medegewerkt om waarheid en verlichting te verbreiden en daardoor bijgeloof en dwalingen te bestrijden. Zou het derhalve niet als een bewijs van aanmatiging moeten beschouwd worden, indien de mededeeler dezes zijnen naam voor het boek had geplaatst? Moesten er namen van personen op den titel staan, dan behoorden de namen er op vermeld te worden van die duizenden, welke sedert den tijd van Galilei en Huygens den tempel der waarheid mede hebben opgebouwd. Dewijl echter een titelblad veel te klein is, om zelfs het tiende gedeelte der namen van deze hoogverdienstelijke mannen te bevatten, vereenigde de mededeeler hen allen te zamen onder den naam van Dag, d. i. waarheid, verlichting, welken hij op den titel stelde. De billijkheid vorderde derhalve, dat hij zijn eigen naam verzweeg, dewijl hij hoogstens naar de eer kan dingen één dier duizenden te zijn.
Niettegenstaande dat alles hebben talrijke recensenten, zonder in eene wederlegging der zaak zelve te treden, hunne aanvallen gerigt tegen den schrijver,—hoezeer deze onbekend was. Eenigen beschuldigden hem van „verregaande domheid,” anderen van „verregaande onbeschaamdheid;” zij noemden zijn boek een „vuilaardig schotschrift;” zij gaven den lezer den raad „er een steen aan te binden en het in den Eufraat te werpen;” er waren er, die den wensch te kennen gaven, dat de schrijver „zijn naam zou noemen” (—waarom?—) en anderen verheugden zich, dat hij „zijn naam verzwegen had, dewijl zij dit als een bewijs beschouwden, dat hij nog niet alle gevoel van schaamte had uitgeschud, maar integendeel zich schaamde zijne leerstellingen openlijk te verdedigen.”
Al deze uitvallen konden mij het doel niet uit het oog doen verliezen. Mijne heeren de recensenten gingen echter nog verder. Zij namen het zelfs den uitgever kwalijk, dat hij een „dergelijk boek” in het licht had gezonden en gaven hem duidelijk te verstaan, dat hij wel zou doen het vervolg er van niet te leveren.
Deze en andere beschuldigingen, welke den uitgever—geheel onverdiend—werden te last gelegd, zijn de aanleidende oorzaak geweest, dat hij mij heeft verklaard de vervolgstukken niet te willen uitgeven, tenzij ik, door het stellen van mijnen naam voor het geschrift, de verantwoordelijkheid daarvan op mij—op mij alleen—nam, onder bijvoeging dat het gansche werk op mijne kosten werd uitgegeven.
Ik verklaar derhalve, dat het geheel en al overeenkomstig is met de waarheid, dat de UITGEVER volkomen vreemd is aan den inhoud van het geschrift, dat het op MIJNE kosten is uitgegeven en dat IK ALLEEN verantwoordelijk ben voor den inhoud.
Om de opgemelde reden echter zal ik mijnen naam niet noemen, tenzij ik door de wet daartoe mogt worden verpligt. Gij, heeren recensenten, kunt mij er niet toe dwingen. Uw invloed heeft alleen bewerkt, dat het boek een anderen uitgever heeft gekregen. Het is waar, gij zoudt u gaarne tot eene onafhankelijke magt in den staat willen verheffen, de vrijheid van drukpers aan banden leggen en door uwen invloed de uitgave verhinderen van zulke geschriften, die u mishagen,—of, indien dat niet gelukt, zoudt gij althans gaarne den naam des schrijvers kennen. Velen onder u zouden zoo gaarne een persoon als doelwit hebben, om hunne pijlen op af te schieten, dewijl het hun dan gemakkelijker zou vallen, de opmerkzaamheid van het publiek van de zaak af te trekken. Diegenen zullen nu zeggen: „Hij heeft den moed niet zijn naam te noemen.” Ik verklaar, echter dat het mij aangenamer is, dat dergelijke recensenten mij als een lafaard beschouwen, dan dat de vrienden der zaak door broeder Dag verdedigd, mij van onbescheidenheid kunnen beschuldigen. En daarenboven al uwe persoonlijke uitvallen kunnen mij toch niet kwetsen! Het is waar, mijne huid en mijn vleesch zijn zeer gevoelig. Maar ik heb mij met een ondoordringbaar pantser gewapend, dat geheeten wordt: innige, vaste, onwankelbare overtuiging!—Op dit pantser zullen al uwe pijlen afstuiten en de stoot, dien zij te weeg brengen, zal mij slechts in zoo verre aan u herinneren, dat de wensch bij mij opkomt, u de woorden toe te roepen, die gij Lukas XXIII vs. 34 lezen kunt.
Ik raad u derhalve, neemt de geheel vruchtelooze moeite niet, het onderwerp of de leerstelling met den persoon des schrijvers te verwarren. Waarom verzwijgt gij, die u geroepen gevoelt mij te bestrijden, waarom verzwijgt ook gij niet liever uwe namen?—Spreekt toch niet van personen, maar blijft bij de zaak,— —noemt u Nacht!—en wederlegt (indien gij kunt) de leerstellingen van Dag.