VERHALEN EN GESPREKKEN
UIT DE
BINNENLANDEN VAN JAVA.

3.

Toen ik den volgenden morgen1 ontwaakte en van mijne legerstede opstond, bespeurde ik, dat mijn broeder Nacht de hut reeds had verlaten. Ik zocht hem overal in het dorp, maar nergens kon ik hem vinden. Eindelijk kreeg ik hem in het oog; ik zag hem in de verte op den top des Goenoeng-Soesoe, waar hij, in diep gepeins verzonken, den oogenblik scheen af te wachten, waarop de zon boven den horizon zou verrijzen. Later verklaarde hij, dat mijne ontwikkeling der natuurlijke godsdienst meer had toegebragt om zijn geloof te doen wankelen, dan de gronden vroeger door mij tot staving mijner gevoelens aangevoerd. Mijne zedeleer, zeide hij, bevatte veel goeds. De stellingen, door mij verdedigd ter bestrijding van de „geopenbaarde godsdienst,” wenschte hij in zijn gemoed te overwegen, en verlangde om die reden den huidigen dag in eenzaamheid door te brengen. Ik drukte hem hierop de hand en ging toen mijn eigen weg.

Terwijl ik nu alleen voortwandelde, kwam de Javasche priester mij te gemoet; hij deelde mij mede dat onder alle zijne landslieden, in het dorp aanwezig, slechts één enkele werd gevonden die Orang Natsarani, dat wil zeggen, Christen of, woordelijk gesproken, Nazarenermensch wilde worden. Mijne agama (leer) daarentegen had zoowel op hem als op al de anderen een beteren indruk gemaakt, weshalve hij mij verzocht, dat ik hem mijn boek „Kitab” (eigenlijk heilig boek of bijbel) zou leenen, ten einde het met de dorpsbewoners nogmaals door te lezen en vervolgens voor zich een afschrift er van te maken. Gaarne voldeed ik aan zijn wensch; ik stond hem tot dat einde een in het Maleisch geschreven uittreksel af van het „Evangelie van den regtzinnig geloovigen mensch,” welks geest en strekking ik den vorigen avond getracht had aan de dorpsbewoners te ontvouwen. Op mijne vraag, wie dan toch de nieuwe Orang el Meseh2 was, verkreeg ik ten antwoord dat het de bediende mijns broeders was, welke dien wensch had te kennen gegeven; het ontging mijne aandacht niet, dat een spotachtige trek zich op het gelaat van den Imam (priester) vertoonde, toen hij den naam van „Lapiah” noemde, van den slimmen vogel, dien de lezer reeds ten deele aan zijne vederen heeft leeren kennen.

In mijn binnenste speet het mij, dat de goede kern van de zedeleer des Hebreërs van Nazareth geene betere vruchten had kunnen voortbrengen; wat echter de handelwijze van Lapiah betrof, hierover verwonderde ik mij in geenen deele; bij ervaring toch wist ik dat in Europa, behalve de werkelijk goeden en de van harte geloovigen,3 zeer dikwerf ook dergelijke personen aan den Messias en aan de leer „der verlossing van zonden door het bloedige offer van Gods zoon” gelooven, die weten dat zij groote zonden hebben bedreven, en grooten lust hebben om nog meer te zondigen (dergelijke menschen brengen hun geweten door hun geloof tot zwijgen en gaan voort met zondigen), zoomede dezulken die volstrekt geene behoefte aan godsdienst hebben, zoodat het hun onverschillig is wat zij gelooven of uit eigenbaat huichelen te gelooven. Indien echter een goede kern in Europa geene betere vruchten kon voortbrengen dan huichelaars, pausen, bisschoppen, bedelmonniken en tallooze schijnheilige priesters, en onder de eenvoudige Javanen van Gnoerag geen enkelen aanhanger vinden kon dan eenen Lapiah,—dan moet zij inderdaad wel zeer dik met stof en dwalingen bedekt zijn!—Wat broeder Nacht hierover wel zal zeggen?

Deze gedachten gingen mij door het hoofd, toen ik mij met twee mijner bedienden en een paar Javanen, uitgerust op gelijke wijze als gisteren met mondbehoeften, geweer en instrumenten, op weg begaf naar een naburigen berg, westwaarts van Gnoerag gelegen, ten einde dien te beklimmen, mijn geologisch onderzoek voort te zetten en aan de reeds begonnen opneming dezer streek de laatste hand te leggen. Met de beschrijving van mijn „dagelijkschen arbeid” wil ik echter den lezer dezer bladen niet vermoeijen.

Door en door warm van de brandende zonnestralen en druipnat van zweet, kwamen wij ten 2 ure in het dorp terug en waren in de gelegenheid om de oude spreuk te bevestigen: „in het zweet uwes aanschijns zult gij uw brood eten.”—Zweet? Ja.—Brood? Ja, en nog iets beters dan dat: lust tot den arbeid, levensgenot, menschenliefde, geluk en—een van dankbaarheid vervuld gemoed. Kort vóór onze aankomst was insgelijks de bode teruggekeerd, dien wij eergisteren naar het distriktshoofd hadden gezonden. Het scheen dat hij zich nog niet bij mijn broeder had vervoegd, want met de beenen kruislings over elkander geslagen, zat hij voor de deur der hut en hield het pakket met brieven in zijne op den schoot rustende handen. Zoodra hij zag dat ik hem daarvan wilde ontlasten, voegde hij de toppen zijner vingers zamen, bragt die met eerbied aan het voorover gebogen voorhoofd, nam den brief uit den omslag, reikte mij dezen toe zonder op te staan en herhaalde daarop even plegtig als vroeger zijn „Sĕmbah.” Niet vóór ik den brief geopend en hem gezegd had, dat alles goed was, stond hij op en verwijderde hij zich in eene bukkende, onderdanige houding. De lezer zal wel bevroeden dat deze eerbewijzingen niet mij, maar den brief golden, die van een zijner hoofden kwam.

Daar onze woning ledig stond, zocht ik mijn broeder in de nabij staande hutten en vond hem in een er van in eene hevige woordenwisseling met Lapiah, dien hij beval zich te verwijderen en welke mompelend gehoorzaamde. Drie andere Javanen die zich in de hut bevonden, zwegen nu insgelijks stil, dewijl zij bespeurden dat mijn broeder toornig was. Uit eenige woorden die ik had opgevangen, als Isa el Meseh d. i. Jezus Messias, kwam ik op het vermoeden dat zij over onderwerpen, het geloof betreffende, hadden gesproken. Ik erlangde hiervan weldra de zekerheid uit mijns broeders mond, die mij te kennen gaf dat hij, in gevolge van zijn wensch en dien der dorpsbewoners, dezen avond weder bestemd had tot het houden eener bijeenkomst en, dewijl hij behoefte gevoelde om verscheidene punten nader toe te lichten, hoopte hij dat deze afspraak mij niet ongelegen zou komen.

Na hem verzekerd te hebben dat het tegendeel het geval was, las ik hem den Maleischen brief van het distriktshoofd voor, die met eene zeer matige dosis beleefdheidstermen geschreven en ongeveer van den volgenden inhoud was: „Vele groeten aan de Heeren Dag en Nacht van mij Praba Widjaja Kadoekareksa, Raden4 Kapala tjoetak, enz. Het is mij niet mogelijk Koeli’s aan de Heeren te zenden buiten de grenzen van mijn distrikt; ik heb echter aan den Loerah van het grensdorp Oewoetagnis eene aanschrijving gezonden, om u bij uwe aankomst aldaar tien Koeli’s te verschaffen en u tot aan het volgende dorp te vergezellen, waar hij aan den Loerah dier plaats mijn bevel verder moet mededeelen. Gij zult het echter niet euvel duiden, indien ik u de opmerking maak, dat de distriktshoofden aanschrijving moeten bekomen, wanneer Orang Wolanda’s in het binnenland reizen; ik heb echter nog geene aanschrijving nopens u ontvangen en derhalve het plan opgevat onmiddellijk naar de hoofdplaats te vertrekken, ten einde den regent om de noodige voorschriften te verzoeken, ten opzigte van de wijze waarop ik mij jegens u zal hebben te gedragen.” Wij zagen nu duidelijk in dat er voor ons niets anders overschoot, dan nogmaals een beroep te doen op de edelmoedigheid der Gnoeragers, ten einde door hunne tusschenkomst althans het grensdorp van het naastbij gelegen distrikt te kunnen bereiken.

De Kalong’s togen weder over onze hoofden naar het gebergte, de paauwen vlogen al gillend door het dal en het insektengegons, waaraan enkele cicaden hunne diskantstemmen paarden, werd allengs meer algemeen, toen de vallende avond ons op nieuw in dezelfde hut vereenigd vond. De Javanen hurkten zoo als gewoonlijk op den vloer bijeen; ook de Imam zat met de beenen kruislings over elkander vóór hen en wij hadden onze oude plaats in de nabijheid van den wand weder ingenomen, waar de beide lampen een schemerachtig licht verspreidden.

IMAM. Zeer geachte heeren! Gisteren en eergisteren hebt gij de goedheid gehad ons, onwetende Javanen, onderrigt te geven in uwe godsdienst, waarvoor wij u bij deze onzen hartelijken dank toebrengen. Wij gelooven dat gij het werkelijk goed met ons meent. Gij hebt gezegd: God is almagtig, alomtegenwoordig, alwijs, algoed en volkomen regtvaardig; dat alles is ons sedert lang bekend. Gij hebt gezegd: dat wij er naar streven moeten om Gode gelijk te worden, om deugdzaam te zijn en onze medemenschen lief te hebben; ook dat weten wij sinds lang en dit staat mede zeer schoon beschreven in den Koran. Wijders heeft de Heer Nacht5 gezegd: dat de Albarmhartige uit drie Goden bestaat, een Vader, een Zoon en een Heiligen Geest, van welke een op aarde moet gekomen zijn om zich voor het menschdom op te offeren en allen, die in hem gelooven, van hunne zonden te verlossen en in den hemel te brengen; dit nu kunnen wij niet begrijpen. Dit zou onregtvaardig gehandeld zijn van den Albarmhartige, dewijl wij niet daaraan gelooven. Wij gelooven veeleer, dat alleen de deugdzame mensch die goede werken doet of berouw koestert over zijne zonden, in den hemel komt, en dat de Albarmhartige een Eenig groote God is. Mijne landslieden, hier om mij verzameld, hebben mij den last opgedragen den zeer geëerden Heer Nacht te verzoeken, het hun niet euvel te duiden, dat zij geene Christenen willen worden en niet wenschen zich te doen doopen, uitgenomen Lapiah, de bediende van den Heer Nacht.

LAPIAH. Neen; ik ook niet. Mijn Heer heeft mij gezegd dat elk Christen zijne medechristenen even lief moet hebben, als zich zelven; dat heeft hij echter niet willen doen. Mijn Heer rookt dagelijks twaalf manilacigaren; ik ben ook een liefhebber er van en heb slechts twee van de twaalf voor mij gevraagd, maar heb ze niet kunnen krijgen. Mijn Heer is rijk genoeg en ik heb hem slechts om 5 gulden toelaag per maand tot mijn loon verzocht, ten einde, na den afloop der reis, mij nog eene vrouw te kunnen aanschaffen; maar op het hooren van dit voorstel is mijn Heer boos geworden en heeft mij toegevoegd: maak je weg, lummel! Jij behoeft geen Christen te worden. Wat helpt nu zulk een fraaije leer, indien zij slechts in boeken te lezen staat en er niet naar gehandeld wordt? Om die reden blijf ik liever hetgeen ik ben.

NACHT. Luister eens Lapiah; gij zijt steeds vriendelijk door mij behandeld geworden, maar nu zie ik dat gij een onverbeterlijke deugniet zijt en het, naar ik vrees, voortdurend blijven zult, onverschillig of gij u Christen of Mohammedaan laat noemen. Bij het opvolgen van het gebod „hebt uwe naasten lief gelijk u zelven”, kan en mag niet uit het oog worden verloren dat een ieder verschillende behoeften heeft, hetgeen zoo veel wil zeggen als: „iedereen lief te hebben naar de mate waarop hij aanspraak heeft.” Dat ik deze leer inderdaad navolg, hiervan zal ik u terstond het bewijs leveren: gij zult dagelijks twee van mijne manilacigaren hebben; daarenboven zult gij maandelijks 5 gulden toelaag bekomen en behouden, zoo lang gij uwe vrouwen liefderijk bejegent en u goed gedraagt. Maar—Christen zult gij niet worden, dewijl gij niet in staat zijt den verheven zin dier leer te bevatten, dewijl gij haar verkeerd uitlegt en, met baatzuchtige oogmerken, slechts misbruik er van wilt maken.

(In mijne gedachten liet ik op deze woorden volgen: „ongeveer gelijk dit sedert het jaar 3 maal 1 is 1 een tamelijk algemeen, loffelijk gebruik geworden is.”)

IMAM. Ik ben zeer beducht, achtingswaardige Heer! dat zulks met het grootste gedeelte mijner landgenooten het geval zijn zou. Duidt mij de aanmerking niet ten kwade, maar eene leer, die eerst moet uitgelegd en verklaard worden, alvorens haar toe te kunnen passen, kan geene volle, van God afkomstige waarheid zijn, zoo als trouwens mijn Heer uw broeder Dag zelf reeds heeft gezegd.

NACHT. Daar hebt gij het!—Ware deze heer Imam met zijn Koran en gij met uw „Evangelie der natuur” er niet tusschen beide gekomen, dan zouden de goede Javanen de Christelijke leer stellig schoon gevonden en aangenomen hebben.

DAG. Maar, beste broeder, hoe kunt gij u bedroeven over deze tusschenkomst? Of zoudt gij durven beweren dat er eenige verdienste in gelegen was, het Christendom in te voeren onder een volk dat nog op den allereersten trap van zedelijke ontwikkeling staat, zoo als b. v. onder de bewoners van Nieuw-Zeeland, wier oordeel weinig geoefend, wier verstandelijke vermogens in geringe mate ontwikkeld zijn? Zou wel eenige verdienste daarin liggen, zulke menschen te overreden om het Christelijk geloof te omhelzen, die nog nimmer van eene andere leer hebben gehoord, aan wie slechts deze eene leer—en dat nog zonder eenige kritiek, zonder eenige beoordeeling—wordt kenbaar gemaakt, zoodat er hoegenaamd geene sprake kan zijn van het doen eener keuze tusschen deze en eene andere leer?—Wat verhinderde dan deze Javanen van Gnoerag, uwe leer aan te nemen en de mijne te verwerpen? Heb ik, langs andere wegen dan gij, gepoogd invloed op hen uit te oefenen; was hun niet de volkomen vrije keuze gelaten tusschen ons beiden? Maar nu zij niettemin uwe leer verwerpen, wat kan hen daartoe nopen, indien de reden daarvan niet eenig en alleen moet gezocht worden in hunne overtuiging, in de overtuiging dat de grondslagen der leer, welke ik hen voordroeg en die zij begrepen, werkelijk op de waarheid steunen?—En deze zoudt gij met voorbedacht voor hen willen verbergen? (Mijn broeder drukte mij de hand en fluisterde mij toe: „gij hebt gelijk; terstond zal ik mij nader verklaren.” Ik ging hierop voort.) Ik weet welke bewijsgronden door orthodoxe predikanten, presidenten van zendelinggenootschappen en dergelijken ter verdediging hunner Evangelische woelingen in vreemde landen gewoonlijk worden gebezigd. Zij zeggen dat de invoering van het Evangelie b. v. op de Sandwich-eilanden, op Nieuw-Zeeland, de wildste menschen, ja, geheel ruwe, bloeddorstige kannibalen herschapen heeft in de zachtaardigste lammeren!—Ik echter antwoord daarop: dat heeft het Christelijke dogma niet gedaan. De zedelijke ontwikkeling, de maatschappelijke orde, de weldaden van het onder de bescherming van menschlievende wetten staande gezellige verkeer der Europeërs, die zich aldaar hadden neêrgezet, het voorbeeld dat de wilden voor oogen hadden,—deze moeten beschouwd worden als de oorzaken, welke die verandering bij gindsche woeste volken hebben te weeg gebragt, en deze verandering zou bij hen hebben plaats gegrepen, al hadden zij het Christendom niet op de koop toegekregen, of indien zij, in plaats van deze, eene andere godsdienst, b. v. de Boedha- of de Mohammedaansche godsdienst nog mede op de koop daarbij hadden ontvangen.

IMAM. Hetgeen gij, waarde Heer Dag, ons voorgedragen en later op schrift ter lezing gegeven hebt, komt ons goed en redelijk voor. Ja, wat meer is, wij vinden zooveel schoons er in, dat mijne landslieden mij verzocht hebben het hun wekelijks eenmaal voor te lezen en te verklaren. Ik ben in dit dorp geboren en was eigenlijk slechts uit G. hier heen gekomen om een bezoek af te leggen; nu echter heb ik het besluit opgevat, om mij alhier neder te zetten en het Evangelie van den regtzinnig geloovigen mensch insgelijks in andere dorpen voor te dragen en daarin onderrigt te geven. Er wordt almede in gelezen, dat wij Isa el Meseh als een grooten en deugdzamen man mogen vereeren en hierin stemt uw Kitab, gelijk in zoo vele andere opzigten het geval is, met ons wetboek, met den Koran overeen. Gaarne echter zouden wij nopens twee onderscheidene punten eenige nadere inlichting van u wenschen te ontvangen.

Het eerste punt is van den navolgenden aard. Wij Javanen hebben van oude tijden her geloofd aan de opstanding uit den doode, welke ons in den Koran insgelijks wordt toegezegd. De mogelijkheid daarvan wordt echter in uw Evangelie ontkend en bestreden. Dit doet ons leed, dit smart ons; gij weet het, de vereering der afgestorvenen, de onschendbaarheid der graven die wij als een heiligdom achten en vereeren, zijn een der voornaamste trekken in onze zeden en gebruiken. Dit nu zou alles slechts ijdele waan zijn indien, naar hetgeen gij leert, ons ligchaam na den dood voor altijd werd vernietigd, indien het in aarde, in gras, in andere dieren of in lucht en water werd herschapen en niets er van overbleef ter plaatse waar het werd begraven. Indien dat het geval ware, zouden wij het even goed dadelijk ter zijde kunnen werpen of verbranden!—Zou echter zulk eene ruwe behandeling der lijken niet eene nadeelige werking uitoefenen op de levenden en eene wederkeerige onverschilligheid of liefdeloosheid ten gevolge kunnen hebben?

DAG. Er waren in der tijd vele volken, gelijk er nog heden ten dage gevonden worden, die hunne dooden verbranden; ja, hier op Java zelf bestond vroeger diezelfde gewoonte, alvorens met den Koran de leer van de ligchamelijke opstanding uit den doode en de heilige eerbied voor de graven alhier werd ingevoerd. Sommige volksstammen werpen de lijken hunner afgestorvenen op bepaalde plaatsen neder, waar zij door gieren en ander wild gedierte worden verslonden.—Verre zij het van mij, dat ik u iets dergelijks ter navolging zou willen aanbevelen. Het komt mij echter voor dat wij overeenkomstig de natuur een lijk slechts zoo lang met eerbied en teedere belangstelling kunnen behandelen, als het den menschelijken vorm nog bezit welke ons den geliefden afgestorvene herinnert; zoodra echter de ontbinding aanvangt dezen vorm te vernietigen en het lijk (dat nu geen mensch meer is) in onaangenaam riekenden stof doet overgaan, moeten wij het ook als onaangenaam riekende stof behandelen, begraven of verbranden. Eene langduriger vereering van lijken en begraafplaatsen heeft reeds menigwerf een verderfelijken invloed op de levenden uitgeoefend. De akkers in Europa zouden vruchtbaarder zijn, indien de begraafplaatsen om de 10 jaren werden verlegd en de verlatene plek, nadat zij gedurende 10 à 15 jaren onaangeroerd was gelaten, op nieuw tot bouwland werd gebezigd.—In zijne werken, in zijne lessen is het dat de werkelijk brave mensch op aarde blijft voortleven, en het beste, het meest eervolle gedenkteeken dat wij hem kunnen stichten, zal steeds zijn de dankbare herinnering aan hem die ons gemoed vervult, en deze kunnen wij natuurlijk verlevendigen door schilder- en beeldhouwkunst en andere dergelijke middelen. Hetgeen echter tegen de natuurwetten indruischt, hetgeen onmogelijk is: de wederopstanding van het stoffelijke ligchaam in zijn voormaligen vorm, hiernaar behooren wij niet eigenzinnig te haken of te verlangen.

WEDUWE. Indien de Heeren het niet kwalijk nemen, wenschte ik eenvoudige vrouw insgelijks een woordje te spreken. Te gelooven aan eene ligchamelijke opstanding, dat is mij niet mogelijk, al stond het honderdmaal in den Koran. Het was toch aan mijn armen man niet te wijten, dat hij door een tijger werd opgevreten. De tijger heeft hem echter opgevreten en verteerd!—Hoe is het nu mogelijk, dat hij weder kan opstaan? Dan zou hij immers een tijger moeten worden, dewijl hij als mensch niet meer bestaat; ja, wat zeg ik, de tijger dien wij in de kloof hebben geworpen, is op zijne beurt ook reeds weder van Rajap’s en andere gewormte half verteerd!

DAG. Zeer juist aangemerkt—en in den eeuwigen kringloop der stoffen zal hij, de eene na den anderen, nog eene menigte vormen aannemen. Maar het valt ons menschen bezwaarlijk, om ons los te maken van dwaalbegrippen die ons lief en waard zijn geworden. Dat is de reden waarom ik het van zoo hoog belang acht, om onze kinderen geene verkeerde begrippen in te boezemen, maar ze in tegendeel zoo vroegtijdig mogelijk met de eeuwige waarheden der natuur naauwkeurig bekend te maken.—Het gaat u met de opstanding der dooden ongeveer op gelijke wijze als den Christenen met de goddelijkheid van Jezus. Zij vreezen dat hunne godsdienst en zedeleer al hare waarde verliezen zal, indien aan haren stichter het praedikaat van goddelijkheid wordt ontnomen, hetgeen echter, naar mijne wijze van zien, geheel ongegrond is. Wat meer zegt, ik geloof dat zij daarbij noodzakelijker wijze gewinnen moeten, indien hun wordt geleerd dat zij Jezus slechts als mensch moeten eeren en hoogachten. Want aangenomen dat hij de reinste deugd leerde en beoefende, dat hij eene alles ten offer brengende menschenmin bezat en een God was, dan volgt hieruit dat zijne hoedanigheden ons een onnavolgbaar voorbeeld moeten toeschijnen, dewijl het een God niet moeijelijk vallen kon deugdzaam te zijn. Gelooven wij daarentegen dat hij niets meer of niets minder was dan een mensch gelijk wij, en niettegenstaande dat al die deugden beoefende,—moet de overtuiging hiervan voor ons niet veel opwekkender zijn, dewijl zij ons de troostrijke zekerheid schenkt dat wij, indien wij zulks willen, even deugdzaam, even menschlievend kunnen zijn als hij was?—Evenmin als de Christenen met de goddelijkheid van hunnen Jezus zullen verliezen, zal dit bij u het geval zijn met de opstanding der dooden, indien gij niet langer gelooft aan iets, hetgeen gij elken dag kunt zien, dat eene natuurlijke onmogelijkheid is. Welk eene erbarmelijke inrigting zou het toch zijn, indien de natuur die zulk een onuitputtelijken rijkdom aan nieuwe scheppingskracht bezit, oude, voormalige individuele vormen weder te voorschijn moest brengen en kranke en gezonde, gebogchelde en regte, heele en verminkte menschen, of misgeboorten die twee hoofden hadden, melaatschen, blinden, enz., enz., allen, allen juist zoo als zij in hun leven waren, andermaal in het aanzijn moest roepen?—Zoudt gij zoo iets kunnen wenschen? Wel nu, dat zou ook geen redelijke wensch zijn. Ik raad u derhalve: onderwerpt u aan de wetten der natuur, waarin de wil des Eeuwigen zich openbaart, en houdt u overtuigd dat de dooden die gij hebt begraven, nimmer zullen opstaan; bemint hen des te vuriger, zoo lang zij leven en gelooft aan de onvergankelijkheid der geestelijke kracht die in u is, en aan de wet der steeds voorwaarts strevende ontwikkeling in den mensch, welke eene allengs hooger klimmende volkomenheid te gemoet gaat.

IMAM. Ik neem dit alles gaarne aan en zal met alle krachten er naar streven, om uwe natuurlijke beschouwingen onder mijne landslieden meer en meer ingang te doen vinden.—Ten opzigte van het eerste punt hebt gij de goedheid gehad, mij de noodige opheldering te geven; thans blijft nog een ander punt over, waaromtrent ik eene vraag tot u wenschte te rigten.

Gij hebt ons beide gezegd dat uwe landslieden, de blanke menschen in Nĕgara-Wolanda, bijna allen Christenen zijn en datgene gelooven, hetwelk de Heer Nacht ons gisteren uit het bijbelboek heeft voorgelezen, hetgeen wij Javanen echter volstrekt niet begrijpen kunnen. Zulk eene tot treurigheid stemmende, ontmoedigende godsdienst is niet geschikt voor ons helder, vruchtbaar land. Veel van hetgeen de Heer Nacht ons heeft voorgelezen, maakte een indruk op ons als het zien van een somberen hemel, wanneer wij donder zullen krijgen, of wanneer wij aan Sakit proet (krampen in den onderbuik) lijden.—Hetgeen gij daarentegen, Heer Dag, ons van het Evangelie der natuur hebt geleerd, kwam met onze denkbeelden goed overeen en werd door ons gemakkelijk begrepen. Om die reden gelooven wij het en nemen het aan als waar.—Hoe komt het nu toch, dat ginds in Holland bijna alle blanke menschen, die immers veel verstandiger en geleerder zijn moeten dan wij, aan de Messiasleer van den Heer Nacht gelooven, en dat zij begrijpen kunnen of troost vinden in hetgeen ons ongeleerde Javanen even onbegrijpelijk is als eene bergopwaarts stroomende beek, in iets dat een indruk op ons maakt als eene sombere, zware regenbui?

DAG. Mijn goede Imam. De geleerde en ongeleerde bewoners van Holland begrijpen het evenmin als gij hier op Java. De meesten verbeelden zich slechts dat zij het gelooven, dewijl zij niet anders weten, dan ’t geen zij van der jeugd af hebben geleerd, en zij die het beter weten, wenden huichelachtig voor dat zij er aan gelooven. Deze beide klassen maken de meerderheid uit der bevolking.—Maar buitendien worden er duizenden gevonden, en hun aantal neemt hand over hand toe, die dezelfde gevoelens koesteren als ik. Deze duizenden komen echter niet openlijk voor hunne grondbeginselen uit; zij zijn, wel is waar, te opregt en te braaf om te huichelen, maar——zij verbergen den schat der waarheid die zij belijden, in het binnenste huns boezems; zij houden hunne godsdienstige overtuiging geheim.

IMAM. Hoe is dat mogelijk! Er is mij toch verhaald, dat in uw land volkomen vrijheid van godsdienst bestaat en dat daar alle sekten, Mohammedanen, Heidenen, Christenen en Joden worden geduld en allen gelijke regten genieten!

DAG. Van staatswege, in gevolge de bepalingen van de grondwet: ja. De redenen echter dier geheimhouding zal ik u mededeelen en ik meen te mogen vertrouwen, dat ik daardoor tevens uwe vraag zal beantwoorden. Stel, dat duizenden in stilte van geestdrift gloeijen voor de natuurlijke godsdienst en zedeleer; bezien wij nu van een tiental dier duizenden de bijzondere omstandigheden huns levens eens van naderbij.—De een van deze tien heeft een broeder, die dominé of pastoor is. Een andere is een dominé’s zoon. Deze vreest door den invloed der geestelijkheid zijne betrekking te verliezen, indien hij laat zien dat hij verlichter denkbeelden nopens de godsdienst koestert dan zij;—ja, hij is welligt zelf priester. Er worden er inderdaad zeer velen onder dezen gevonden, die oneindig liever naar hunne overtuiging zouden prediken, dan op den kansel komedie spelen; maar—zij hebben eene vrouw, vele kinderen en weinig geld en kunnen hun gevoelen niet openbaren, zonder vooraf hunne betrekking als orthodoxe predikant neder te leggen; zij troosten zich derhalve met de gedachte „het kan zoo veel kwaad niet” en accommoderen zich naar de heerschende begrippen.—Gene is een koopman, welligt een boekverkooper, wiens winkel aan hem het eenige middel van bestaan oplevert en onder wiens klanten vele priesters worden gevonden, die hij stellig zoude verliezen en die hem daarenboven nog vele andere klanten zouden aftroonen, indien hij het durft wagen openlijk eene andere leer te belijden dan het orthodoxe geloof. Een vijfde, een zeer verlichte man, hoopt op de nalatenschap van eene rijke, zeer bigotte dame (bij voorbeeld van zijne schoonmoeder), die hem stellig zou onterven, indien hij niet elken zondag ter kerk ging en met een uitgestreken, aandachtig gelaat, met zaâmgevouwen handen naar den kansel zat te kijken, waar de predikant met de armen in het rond zwaait en, als door geestdrift vervoerd, van de heilige Drieëenheid, van Gods eenig geboren Zoon en van de verlossing van de zonden spreekt. Een zesde heeft voor dit alles, wel is waar, niet te duchten; het vermogen hetwelk hij bezit, maakt hem onafhankelijk, maar—hij heeft vrouw en kinderen, die hij toch naar de Christelijke kerken en scholen moet zenden, zoo lang er nog geene kerken en scholen van zijn geloof worden gevonden; hoewel volkomen overtuigd dat het Christelijke dogma eene dwaling is, laat hij zijne kinderen niettemin in het Christendom onderrigt geven, dewijl hij vermeent dat het hun welligt als een gangbare pas op hunne reis door het leven zou kunnen dienstig zijn,—en een zevende eindelijk die vermogend is en geene kinderen heeft, derhalve geheel en al onafhankelijk mag geacht worden, is te zeer op gesteld om rustig en gemakkelijk te leven; hij wenscht op een goeden voet te blijven met degenen met wie hij in aanraking is; hij zwijgt derhalve liever en verloochent om die reden zijne eigene betere overtuiging. Er blijven dus van de tien nog slechts drie over die het nu en dan eens wagen, om hunne denkbeelden met woorden te omkleeden en die gehoor geven aan een krachtigeren, innerlijken aandrang, zonder te letten op de vijandschap die zij zich van andersdenkenden op den hals laden.—Vijandschap? Wel degelijk; want de takken van den boom met twee wortelen a en b,6 welke de uitbreiding der waarheid verhinderen en het ontluiken der ware godsdienst en zedeleer onderdrukken, breiden zich heinde en verre bij millioenen uit, door alle standen en klassen der maatschappij. De orthodoxe priesters die, als openbaar erkende godsdienstleeraars, als dienaren der heerschende kerk een aanmerkelijken invloed op het volk uitoefenen, zijn onverpoosd werkzaam om de pogingen te verijdelen, welke strekken ter verspreiding van meerdere verlichting; ja, zij zouden de domheid en het blinde geloof gaarne tot in alle eeuwigheid willen voortplanten, en waarom?—dewijl zij daarvan leven, dewijl zij het veel te gemakkelijk vinden bij de woorden van een boek—als bij een non plus ultra, eene hoogste autoriteit—te zweren, waartoe niet veel studie en volstrekt geen hoofdbreken wordt vereischt.

Nu zal het u, waarde Imam, wel duidelijk zijn, waarom de verlichten in Holland die in rust en vrede willen leven, stilzwijgen moeten. Want wagen zij het hunne stem tegen de orthodoxe leer te verheffen, dan hebben zij als het ware een nest met wespen gestoord die hen met hare giftige angelen bedreigen; ja, duizenden hebben zij tegen zich in het harnas gejaagd. Zelfs over den boekhandel oefenen deze wespen een soort van schrikbewind uit, de ijverigste pogingen in het werk stellende om de van staatswege gewaarborgde vrijheid van drukpers te fnuiken, doordien zij den vrijzinnigen boekhandelaar plagen en kwellen, hem haren angel laten zien en met lasterlijke aantijgingen bedreigen en vervolgen. Wordt er echter niettegenstaande dat alles een gevonden, die het durft wagen—’t geen zelden gebeurt—een boek uit te geven, waarvan de schrijver heeft gepoogd de waarheid in het licht te stellen, dan weten gene priesters de verspreiding van het boek te beletten, zoodat de groote meerderheid des volks welke blindelings gelooft aan de leer der kerk, het volstrekt niet onder de oogen krijgt en ten opzigte van den inhoud er van in volslagen onwetendheid blijft verkeeren. Die vrome mannen welke misschien, even als zeker ridder met de hanenveêr op den hoed, denken: mundus vult decipi! dralen niet om het „een verderfelijk boek, een onzedelijk boek, een vuil pamphlet tegen het Christendom” te noemen en van den kansel de woorden uit te bazuinen: „die het koopt of leest, die zondigt tegen Jezus Christus.”

Intusschen gaan zij voort met het luiden der klokken in steden en op het platte land, gaan zij voort met in duizende kerken elken zondag tweemaal en, zoo mogelijk, ook gedurende de werkdagen een paar keeren ’s weeks hun leerstuk van de Drieëenheid te verkondigen, over het verlossingswerk, over Gods zoon, over Gods moeder en grootmoeder7 te prediken en bovenal het gemoed van het opkomende geslacht, van de jeugd, op de cathechisatie als het ware te bewerken en te kneeden, opdat in dier voege de gedenkzuil des bijgeloofs in Holland niet slechts voortdurend onwrikbaarder in den bodem worde bevestigd, maar insgelijks vreemde, nog niet door vooringenomenheid verblinde volken, gelijk gij, goede Javanen! met het doop- en wijwater van godsdienstige dwaling worden besprenkeld.

Zoodanig aangekweekt, wordt de onzin meer en meer verspreid en duizenden slaan er geloof aan. Het boek echter, hetwelk waarheid bevatte, bij voorbeeld: Gedachten ten aanzien eener toekomstige, meer algemeene Godsdienstige geloofsleer (Gebr. Diederichs te Amsterdam, 1848), of verlichte brochures, als: Belangrijke vragen over de verrigtingen der Christen-Zendelingen (1851, bij denzelfden uitgever in het licht verschenen), Algemeen protest van Christenen in Nederland tegen eene nieuwe woordelijke vertaling van den ouden bijbel (1853, bij F. Günst te Amsterdam), worden spoedig vergeten. De stem welke daaruit spreekt, is als die des roependen in de woestijn en het eenige middel om den triomf der waarheid te bespoedigen:

wordt om de vroeger ontwikkelde en andere dergelijke gronden niet ter hand genomen, of wordt hoogstens verwezenlijkt binnen de muren van eene afgescheidene, door het Nederlandsche Groot-Oosten niet erkende Vrijmetselaarsloge.

IMAM. Waarde Heer Dag. Thans zie ik duidelijk in hoe ginds, in de Christenlanden, niet alles goud is dat blinkt, en dat uwe Europesche maatschappij zeer vele ongezonde, bedorvene bestanddeelen in haren boezem bevat, die zich aan mijn oog voordoen als een huis, hetwelk door Rajap’s (termiten) is ondermijnd en aangetast. Wat het uitwendige betreft van balken en planken, tot den glans toe van het vernis en van de verw welke in der tijd er op waren gebragt, is alles onveranderd hetzelfde gebleven; maar van binnen is alles hol, vergaan, geheel doorknaagd, vol wormen en bij den eersten den besten storm of de eerste aardbeving moet het gansche gebouw instorten. Een angstig, beklemd gevoel maakt zich van mijn gemoed meester, mijn lieve beste Heer, wanneer ik er aan denk, dat men ons—arme Javanen—in zulk een broos, vermolmd, half vergaan kerkgebouw wil opsluiten.

(De Imam wierp zich vóór de verzamelde menigte op de knieën en bad met opgeheven handen:)

„Albarmhartige God! Groote, Algebiedende Toean Allah! De wegen die gij bewandelt, zijn onnaspeurlijk; de doeleinden die Gij wilt bereiken, zijn voor ons bekrompen verstand een raadsel, en Uwe wijsheid is als een licht dat ons oog verblindt.—Maar hier liggen wij arme, onwetende Javanen, uwe kinderen, in diepen ootmoed voor U nedergeknield en wij bidden U vuriglijk dat Gij ons niet in zulk eene zware verzoeking leidt, door toe te laten dat deze Europesche godsdienst der Christelijke kerk (Agama wolanda deri Orang Natsarani) in ons vreedzaam, schoon land worde ingevoerd. O! groote Toean Allah, albarmhartige Allah! Behoed ons daarvoor. Wij willen ernstig er naar streven, deugdzaam te zijn en U in waarheid te vereeren. Amen!”

De gansche vergadering herhaalde: „Amen!”

NACHT. (Na eene korte tusschenpoozing.) U allen die hier tegenwoordig zijt en bovenal aan u, geliefde broeder, ben ik eene opheldering verschuldigd. Waar en openhartig zullen mijne woorden zijn. Ik wil u niet verbergen dat reeds eergisteren, toen ik u de hoofdregelen van het orthodoxe Christelijke Evangelie voordroeg, mijn geloof aan de waarheid dezer leer aanmerkelijk aan ’t wankelen was gebragt door de gronden, welke ik menigwerf uit den mond mijns broeders had vernomen. Ik was echter nog niet volkomen overtuigd en wenschte gaarne den indruk te kennen, welken de Christelijke geloofsleer op u, Javanen! zou maken. Ik wenschte het oordeel te vernemen dat , in uwe kinderlijke eenvoudigheid, daarover zoudt vellen, dewijl ik vermeende daaraan eenig gewigt te mogen hechten; want het was mij bekend dat uw verstand, wel is waar, ongeoefend, maar aan de andere zijde door vooringenomenheid niet beneveld was. Hetgeen in Holland elken dag aan duizenden van onschuldige kinderen wordt geleerd, die door geen talisman tegen de besmetting der dwalingen zijn beschut, aan wie geene keus tusschen deze en eene andere leer wordt gelaten, zoo iets mogt immers (dacht mij) wel aan u, goede Javanen! worden medegedeeld, en zulks te meer dewijl mijn broeder u reeds tegen den daarop volgenden avond eene andere voordragt, namelijk, over de natuurlijke godsdienst en zedeleer had toegezegd. Gij zoudt derhalve de vrije beoordeeling, de keuze hebben tusschen twee zaken en hierdoor bragt ik mijn geweten tot zwijgen, dat zich aanvankelijk aankantte tegen de poging om u met een geloofsstelsel bekend te maken, van welks waarheid ik zelf niet meer overtuigd was.

Gij hebt nu een besluit genomen. Gij hebt de leer van het Evangelie van den regtzinnig geloovigen mensch gehoord en haar aangenomen. Maar ook ik ben tot een besluit gekomen en ik verklaar bij deze plegtig, dat ik de gegrondheid erken van de bewijzen door mijn broeder tot staving zijner leer aangevoerd, dat ik daarentegen het Christelijke dogma eene dwaling acht en het zuivere geloof aan God en de hieruit, in overeenstemming met de natuur, afgeleide zedeleer tot rigtsnoer mijns levens kies.—Indien honderd duizenden in de Europesche landen genen Isa el Meseh, gelijk ik vroeger zelf deed, tot een afgod hebben gemaakt, dien zij aanbidden in plaats van God, laat ons daarentegen met liefde en achting aan hem gedenken als aan een voortreffelijk mensch, die reeds vóór 1800 jaren de kern onzer leer verkondigde: „Hebt als broeders elkander lief!”

Deze verklaring mijns broeders verwekte onder al de aanwezigen groote vreugde; ik vooral was daarover zoodanig verrukt dat ik hem gaarne in mijne armen had willen drukken, indien de aanwezigheid der Javanen mij daarvan niet had terug gehouden. Elke levendige, driftige uiting van onze aandoeningen en hartstogten wordt door hen als ongepast, ja, min of meer als onwelvoegelijk beschouwd, terwijl daarentegen rustige, kalme gelatenheid bij alle gebeurtenissen en in alle omstandigheden des levens, hetzij deze ons tot vreugde of tot droefheid stemmen, bij hen als het toppunt van mannelijke geestkracht en waardigheid geldt.—Toen echter gevoelde ik meer dan ooit dat ware vriendschap slechts daar kan bestaan, waar verwantschap des geestes heerscht en dat niets in staat is den band der vriendschap die twee zielen verbindt, zoo vast zaâm te strengelen als de overeenstemming in denkwijze, in zedelijke en godsdienstige overtuiging.

Tevreden, ja, in een vrolijke, zalige stemming gingen wij kort daarop uiteen; dewijl het nog niet 10 ure was, namen wij den Imam die zeer leergierig bleek te zijn, mede naar onze hut. Wij schonken hem een thermometer, een klein kompas, eene magneetstaaf, een zakkijker, een eenvoudig mikroskoop en andere dergelijke instrumenten, omtrent wier gebruik wij hem het noodige onderrigt gaven; over het bezit dezer werktuigen betoonde hij zich ten hoogste verblijd. Hij beloofde ons het Evangelie der natuur met alle krachten onder zijne landslieden te verspreiden, terwijl wij hem van onze zijde nader schriftelijk onderrigt toezeiden. Wij begaven ons daarop naar onze legerstede, het gemoed vervuld met de overtuiging dat wij hier, in dit kleine dorp, welligt eenig nut hadden gesticht, een zaadkorrel hadden geplant die, hoe klein zij ook wezen mogt, misschien eenmaal tot een weligen wasdom zou kunnen komen en rijke vruchten voortbrengen!


Den volgenden morgen waren wij vroegtijdig gereed om de reis te aanvaarden; onze koffers stonden allen gepakt voor de deur onzer hut. Vier dorpsbewoners hadden zich vrijwillig als Koeli’s aangeboden; zij zaten met de beenen kruislings over elkander op den grond, nevens den geringen last dien zij zouden dragen, en hielden hunne Bamboesstaven als geweren regtstandig in de hoogte. Zij waren echter nog niet voltallig; er ontbraken nog zes. De vrouwen die zich in het dorp bevonden, waren bijna allen druk bezig met het rijststampen en een aantal kinderen stond om ons heen. Wij zagen daarentegen slechts weinige mannen nevens hunne hutten bezig met het splijten van Bamboes, het vlechten van matten en anderen dergelijken arbeid; zij hielden zich als of zij ons niet bespeurden en volstrekt niet wisten, dat wij Koeli’s noodig hadden. De meesten hielden zich schuil in hunne hutten en schenen geen gehoor te willen geven aan onze oproeping om, tegen betaling van 10 centen8 per uur, benevens eene zekere hoeveelheid tabak, onze pakkaadje naar het naastbij gelegene grensdorp te brengen.—Daar kwam onze vriend, de Imam, aan die ons zijn vriendelijken morgengroet bragt. Toen hij de oorzaak van onze verlegenheid had vernomen, scheen hij werkelijk boos op zijne landslieden te worden. Aan zijne ontevredenheid gaf hij lucht in de volgende bewoordingen, die hij met luider stemme tusschen de hutten uitgalmde.

IMAM. Schaamt gij u niet, de Heeren, die u zoo vriendelijk behandeld hebben, nu zonder hulp te laten zitten?—Foei! foei! hebt hij reeds vergeten, hetgeen Toean Dag en ik u geleerd hebben, dat wij menschen vlijtig en arbeidzaam behooren te zijn en er naar streven moeten den onvergelijkbaar grooten Toean Allah na te volgen?—Kunt gij dan niet zien dat Toean Allah geen enkelen oogenblik rust, maar altijd werkt en dat hij de zon weldra weder boven uwe hoofden zal doen opgaan?—Hoort gij dan niet hoe de vogelen weder zingen en de apen in het geboomte rondklauteren?—Alles ontwaakt tot een nieuw leven, alles roert en beweegt zich en gij, vadzige kerels, wilt lui en slaperig in uwe hutten blijven zitten?—Holla! hei! De hut uit! Hier moet gij zijn; pakt aan!

Deze toespraak had werkelijk ten gevolge, dat eenige mannen uit de hutten te voorschijn kwamen en langzaam, Siri kaauwende naderden; glimlagchend, doch zonder een woord te spreken, zetteden zij zich nevens onze koffers; maar nog steeds bleven vier Pikolan’s (pakken) over die geene dragers hadden. Het scheen dat de goede wil der overige Gnoeragers sterkere drangredenen behoefde, om tot een besluit te kunnen komen en deze tot de daad te doen overgaan. Mijn ongeduld nam intusschen des te sneller toe, naar mate ik langer moest wachten; de oostelijke hemel begon allengs helderder te worden en toen eindelijk de eerste morgenstraal de dauwdruppelen aan ’t geboomte deed fonkelen, riep ik mijne bedienden toe: „Hier jongens, Sidin, Maspoetri, Pangkat, Ario, Soengsang! komt hier; pakt alles weder uit, wij hebben plan om hier te blijven en een vrolijk leven te leiden! Vat die geit daar aan, vlug, vat ze aan! Wij zullen ze slagten; voortaan blijven wij hier, maar wij moeten toch eten ook!—Heden slagten wij deze geit, morgen eene andere, overmorgen moet een buffel er aan, en zoo zullen wij alles opeten wat gij bezit, luije Gnoeragers! Al uwe kippen gaan de eene na de andere denzelfden weg, ja, al de geiten, buffels, in één woord, al dat leven ontvangen heeft in het dorp zullen wij slagten en opeten!”

Dat had invloed.—Vlug als de wind snelden al degenen die in de hutten waren, naar buiten; die voor hunne hutten zaten, staakten den arbeid en in een oogenblik was alles op de been. ’t Was koddig om te zien hoe zij zich haastten, niet dewijl zij geloofden dat wij onze bedreiging zouden vervullen, neen, dewijl zij onze bedreiging als eene aardigheid beschouwden, als eene vrolijke jokkernij die hen in de allerbeste, opgeruimdste stemming bragt. Het zonderlinge denkbeeld, dat wij Hollanders, met ons beiden, alles dat eetbaar in het dorp was, zouden opeten, vonden zij regt vermakelijk. Lagchend riepen zij elkander toe: Lakas, lakas! Bekin ramé! Segala roepa orang kaloear, bekin ramé ramé! (Vlug, vlug! Vrolijk aan ’t werk! Oud en jong snelt de hutten uit! Pakt allen te gelijk aan en maakt vrolijk gejoel!)—Nu hadden wij niet alleen Koeli’s genoeg, maar zelfs meer dan wij behoefden; eenigen liepen met ledige handen, louter uit pleizier in Ramé ramé, naast de dragers en het gansche dorp was op de been geraakt. Wij namen nu een vrolijk afscheid van allen en drukten den Imam de hand; zelfs verscheidene honden volgden ons en de weduwe, die wij vier gulden en een Sarong ten geschenke hadden gegeven, riep ons haar Slamat djalan (voorspoedige reis), beste Heeren! nog in de verte toe.

Wij waren thans voorzigtiger dan de vorige maal, want wij zonden de dragers met onze pakkaadje vooruit; wij volgden met de overige jongens, waarvan de een een barometer in den arm droeg, terwijl de andere onze geweren, eenige thermometers, een kleinen pijlcompas en andere dergelijke werktuigen bij zich hadden, die wij tot het doen van waarnemingen onder weg zouden behoeven. Welgemoed zetteden wij onzen togt voort over de smalle paden, welke hier door het hoog opgeschotene Alang alang, dan weder tamelijk ongebaand tusschen het kruipelhout van boschjes heenliepen. Ten 10 ure waren wij den eersten bergrug die zich in eene westelijke rigting van Gnoerag verheft, reeds overgeklommen, hadden de Tji-Nakoelabap doorwaad, welke door het diepe dal stroomt dat op den genoemden bergrug volgt en klauterden nu tegen de helling van den tweeden, hoogeren bergrug op.—De zon steeg immer hooger en hooger aan den wolkenloozen hemel en schoot hare brandende stralen allengs in eene meer loodregte rigting op ons neder; de helling welke wij beklommen, werd allengs steiler en onze Koeli’s, die tot op den lendendoek geheel naakt waren en wie ’t zweet van het ligchaam gudste, stapten in gelijke mate langzamer voort, naar gelang wij de nok naderden der bergketen, die wij nu moesten overtrekken. Het eene kleedingstuk na het andere hadden wij reeds uitgetrokken en, meer verslapt van de hitte, als het ware dampende in den vuurgloed der atmospheer, waaraan geen luchttogtje, hoe gering ook, eenige verfrissching schonk,—dan vermoeid van den togt, kwamen wij omstreeks één ure op de nok des bergrugs aan.

Hier was geen enkel levend wezen te bespeuren; nergens hoorden wij het gefluit van eenigen vogel of het getjilp van het kleinste insektje. Alles wat ademt, wat vliegt of kruipt, scheen zich voor den gloed der zon verborgen te hebben; zelfs geen blaadje ritselde in het loof van ’t geboomte, dat hier en daar groepsgewijs in de Alangzee verstrooid stond. Aan alle zijden omringde ons dit eentoonige gras, welks stijve bladeren eerder eene helder grijze, dan geelachtig groene kleur hadden. Diep beneden ons aan de helling der bergketen lag het dorp Oewoetagnis, welks hutten ons op dien afstand onduidelijk, weikleurig van tint door de troebele lucht toeschenen. Want al liet zich geen wolkje aan den hemel bespeuren, al was de dampkring zeer droog, toch bezat deze, op groote afstanden genomen, slechts eene geringe mate van doorzigtigheid. Van de gloeijend heete oppervlakte der aarde verhief zich voortdurend een loodregt opstijgende luchtstroom, ten gevolge waarvan de zoom van alle verwijderde voorwerpen waarop wij het oog vestigden,—de oppervlakte der Alangzee, de rand der bergterrassen, de kroonen van het geboomte,—in trillende beweging was. Behalve het pijnlijke gevoel der hitte, de verstikkende gewaarwording welke het inademen eener zoo zeer uitgezette lucht veroorzaakte, ondervonden wij nog eene andere plaag; want het zonnelicht dat door de Alangbladeren werd teruggekaatst, verblindde ons de oogen.—Reikhalzend verlangende naar een koel togtje, zetteden wij ons neder tusschen de Koeli’s, die geheel buiten adem tusschen de op den grond geworpene pakken en koffers lagen. Maar in het 3 à 4 voet hoog staande drooge gras, waar de thermometer tot op 100 graden Fahrenheit (37,7° Celsius) was geklommen, kon weinig verkwikking worden gevonden. Wij kropen nu naar een klein boschje, waar wij een plas vonden die nog niet geheel was verdampt, en met welks water wij ons brandend heet gelaat, borst en armen bevochtigden.

Hier verspreidde het loof van eenige wat hooger groeijende boomen een weinig schaduw in het rond; maar naauwelijks hadden wij ons op den grond nedergevleid, toen wij en al de Koeli’s door opstijgende rookmassa’s en vlammen op de vlugt gejaagd en genoodzaakt werden, zoo snel mogelijk onze goederen bijeen te pakken en bergafwaarts te ijlen. Het vuur van het in brand gestokene Alangveld had zich aan het woud medegedeeld. De Javanen hebben, namelijk, de gewoonte om gedurende de droogste maanden des jaars (Augustus en September) het hooge gras, waarin hier en daar 3 à 4 maal hoogere en eilandvormig groeijende Glagah-groepen en vele min of meer uitgestrekte boschaadjes verstrooid voorkomen, op duizende van plaatsen aan te steken en te branden; dit geschiedt eensdeels met het doel om de tijgers te verjagen, ten andere om plaats te winnen tot het aanleggen van akkers, welke alsdan met de asch van het verbrande hout en gras te gelijker tijd worden bemest. Toen wij langs de berghelling afdaalden en naar den kant van het dorp heensnelden, zagen wij verscheidene dergelijke afgebrande plekken, welke de grijsachtig groene kleur van het grasveld plaatselijk hadden vernietigd en uit het dal als zwarte, onregelmatige strooken slangsgewijs opwaarts liepen. Eenigen waren reeds uitgedoofd; anderen daarentegen brandden aan het hoogste gedeelte nog voort, alwaar dan eene rookzuil, waardoor vlammen speelden, zich al kronkelend verhief.

Ter plaatse waar de lucht door een dergelijken gloed, welke somtijds eene strook ter breedte van 500 à 1000 voet in vuur en vlam zettede, was verdund, stroomden van de zijde van het dal de koudere en digtere luchtmassa’s toe en veroorzaakten daardoor, niettegenstaande de algemeen heerschende windstilte, een plaatselijken storm welke onmiddellijk volgde op de oorzaak van zijn ontstaan, namelijk het vuur, dat wij met ongeloofelijke snelheid steeds hooger en hooger bergopwaarts zagen voorthollen en hoorden knappen en kraken. Waar een boschaadje in de rigting dezer brandende strooken lag, daar wierp het met den storm steeds hooger bergopwaarts ruischende en bruischende vuur zich als een wervelwind op in,—binnen een oogwenk stond het gansche bosch in lichte laaije vlam en aan het knetteren van het zoo brandbare, drooge Alang alang paarde zich alsdan een vreesselijk, oorverdoovend loeijen en bruischen, dat inderdaad schrikverwekkend was en waar boven zich dan nog van tijd tot tijd het gekraak deed hooren van een neêrstortenden stam of van een vallenden hoofdtak van een zwaren boom.—Een dergelijk concert loeide en donderde ons in de ooren toen wij zonder eenig geluid te geven, zonder een enkel woord te spreken, maar kugchende in de verstikkende middaghitte, door rook en vlammen heen, bergafwaarts snelden; wij liepen daarbij in een draf achter elkander over de smalle paden, in voortdurenden angst dat een zijwaarts zich uitbreidende brandstrook ons zou bereiken en verzengen.—Mijn pen is niet in staat om het karakter van dit tropische tooneel naar waarde te malen; mijne taal is niet rijk genoeg, om met woorden het schouwspel te schilderen dat wij dien middag voor oogen hadden, toen wij het dal in een weikleurigen, troebelen, hier en daar met rook bezwangerden dampkring beneden onze voeten zagen liggen,—niettegenstaande de zon, aan een onbewolkten hemel schijnende, hare brandende stralen uit het zenith op ons nederschoot!

Kort vóór 2 ure kwamen wij in het dorp Oewoetagnis aan en installeerden ons, zonder pligtplegingen te maken, in de voorgalerij van de woning des Loerah, terwijl de Koeli’s daar buiten, waar slechts eenige schaduw was, zich nedervleiden of naar den Pantjòran gingen om zich in het water te verfrisschen. Wij volgden in dit opzigt hun voorbeeld en nuttigden vervolgens een ontbijt, bestaande uit rijst, Pisang, Sambal en Dendeng, ’t geen wij hier ter plaatse hadden bijeen gekregen. Onze bedienden haalden de geldzakken9 te voorschijn en betaalden de Gnoerager Koeli’s, terwijl de Loerah, luide brommende, in het dorp rondliep om andere Koeli’s op te sporen. Wij waren zeer verlangend om den volgenden morgen vroegtijdig Desa-Gnarak aan de zuiderkust te bereiken en wenschten uit dien hoofde nog heden naar Desa-10Roetab te gaan, een dorp dat ons om zijne aangename ligging op een berg, door de Javanen was aanbevolen tot het houden van ons nachtkwartier. Nadat wij gedurende een uurtje hadden halt gehouden, waren wij inderdaad gelukkig genoeg om onze pakkaadje op de schouders van tien versche Koeli’s te zien laden die, met den Loerah achter zich, het dorp uitwandelden, terwijl wij, door nieuwsgierige dorpsbewoners aangegaapt, hen volgden. De Gnoeragers zaten en lagen, hunne cigaren rookende, in den Warong,11 en hadden waarschijnlijk geen plan om voor het invallen der avondkoelte den terugtogt naar hun dorp te aanvaarden. Er bevonden zich aldaar insgelijks eenige onzer jongens, en het was niet dan ongaarne dat zij hun gemak aan ons ten offer brengen en opstaan wilden. Beneden het dorp aangekomen zijnde, doorwaadden wij de Tji-Irignas welke den dalbodem doorstroomt, stegen aan de overzijde weder hooger opwaarts en zetteden vervolgens onze reis over bergen en dalen voort door het oneffene lage bergland, dat naar de zijde der zuider kust allengs afloopt.—Het verwijderde hooggebergte dat noordwaarts van ons ligt, was in wolken gehuld, waaruit een zacht gerommel als van een verren donder zich liet hooren; hier echter brandde de zon nog met onverzwakte kracht aan den wolkenloozen hemel.


Nadat wij onzen marsch gedurende 1½ uur hadden voortgezet, kwamen wij aan den rand van het diepe Tji-Ikaldal en zagen tegenover ons, aan de andere zijde der breede kloof, het dorpje Roetab, allerliefst tusschen ooftboomen gelegen; hoog verhieven zich daarboven de Kokos- en Pinangpalmen die op de dunne zuiltjes als op lange stengels her- en derwaarts wiegelden. Daar zouden wij overnachten. Een zachte zuidewind, een bewijs dat wij ons reeds meer nabij de kust bevonden, had zich sedert eenigen tijd doen gevoelen en matigde eenigzins de hitte. De verfrissching welke wij op die wijze ondervonden, deed ons goed, want wij waren nu werkelijk vermoeid en zagen met een zeker huisselijk verlangen naar de overzijde heen, naar de hutten van het dorpje, die zoodanig tusschen het heldere, frissche groen van Pisangblaâren verscholen lagen en zoo digt door het loof der vruchtboomen waren omgeven, dat de bruinachtige Bamboeswanden en Alangdaken ons ter naauwernood hier en daar in het oog vielen. De blaauwachtige rook welke dwarrelend uit de nok der daken oprees, verhoogde nog de uitlokkende werking die de aanblik van dit tooneel bij ons veroorzaakte, want hij verkondigde ons dat de tijd van het avondeten naderde, dat vuur aan den gastvrijen haard brandde.—Wij spoorden derhalve de Koeli’s aan om zich zoo veel mogelijk te haasten. Dit was echter geene gemakkelijke zaak; want zij lagen nu eenmaal op den grond en prevelden in hunne gewone zorgeloosheid: „het dorp ligt immers in onze onmiddellijke nabijheid, wij zullen er nog vroeg genoeg aankomen.” Zonderling, dat de Javanen de despotieke bevelen hunner eigene hoofden zoo gaarne en zoo gewillig gehoorzamen, terwijl noch een verzoek, noch geld, noch goede woorden van een Europeër in staat zijn, hen te bewegen tot het verrigten van eenig vrijwillig dienstbetoon. Te Oewoetagnis hadden wij reeds een vol uur op versche Koeli’s moeten wachten; hier hadden wij andermaal oponthoud en wij waren eindelijk nog zeer verblijd, dat wij onze goede dragers na een half uur wachtens op nieuw op de been konden krijgen.

Eenmaal op weg zijnde, verhaastten wij onze schreden, daalden langs den met geboomte begroeiden dalwand naar beneden en kwamen tegen 5 ure in den bodem der kloof aan, waar wij de Tji-Ikal over moesten. Ter plaatse waar wij aan de beek kwamen, was de waterstand echter te hoog om te kunnen door waden; al zwemmende den overkant te bereiken, hieraan viel evenmin te denken, uithoofde van den snellen stroom en de zware rotsblokken waar tegen het water in zijne vaart als schuimend bruischte, gesteld al dat wij de Koeli’s met onze pakkaadje hadden willen verlaten. Wij volgden derhalve den raad des Loerah, gingen ongeveer een kwartier uurs lager dalafwaarts, waarbij wij nu eens den oever volgden, dan weder ons een weg baanden door het nabij gelegen geboomte; eindelijk kwamen wij in eene streek aan, waar de dalbodem eene breedte had van verscheidene duizend voet en de stroom, die in verscheidene armen verdeeld en veel ondieper was, eene geringere snelheid bezat. Hier klommen wij derhalve afwaarts in de rivierbedding en sprongen moedig in het water. Mijn broeder Nacht en ik gaven de anderen een goed voorbeeld en de Koeli’s volgden ons de een na den anderen; reeds waren wij den eersten, kleineren arm al wadende doorgegaan, hadden wij eene rolsteenbank (een eiland tusschen twee armen van den vloed) bereikt en stonden wij gereed om den tweeden arm te doorwaden, toen plotseling van den dalwand, langs welken de achtersten van onzen togt nog af klommen, de kreet ons te gemoet klonk: „Bandjĕr! Terug, terug! Redt u! Bandjĕr, Bandjĕr!!”

Deze woorden oefenden op de Koeli’s die achter ons aankwamen, eene werking uit die aan tooverkracht grensde, want plotseling maakten zij regtsomkeer, terwijl zij met de pakkaadje welke zij op hoofd of schouders droegen, meer door het water sprongen dan liepen; zonder veel te vragen, zonder om te zien, zelfs zonder te denken,—want ter naauwernood herinnerde ik mij vlugtig de geschiedenis van Lot’s huisvrouw en van de zoutzuil naar de bijbelsche verdichting,—volgden wij hen ijlend na, terwijl een vreesselijk, steeds nader komend gebruis ons in de ooren dreunde. Wij hielden niet op, dan nadat wij de dalhelling tot zoo ver hadden beklommen dat wij zekere hoogte boven den oever hadden bereikt, waar wij schier ademloos op den grond vielen en omzagen:—eene bruine massa welke zich berghoog verhief, wentelde over den dalbodem naar beneden; verbrijzelde boomstammen rezen hier en daar er uit op; rotsblokken werden met donderend gedruisch vooruit gestuwd; nieuwe, meer vloeibare massa’s welke schuimend voorwaarts bruisten, stortten zich over dezen dam heen, verbraken hem, verdeelden zich, breidden zich uit en—binnen weinige minuten was de gansche breede dalbodem welke wij op het punt hadden gestaan om door te trekken, herschapen in een hol staand meer van bruinachtig troebel water, dat met pijlsnelle vaart schuimend en spattend voortijlde, boomstammen en geheele uit den grond gerukte boomen met zich voerde en dit met zulk eene kracht, dat de grootste rotsblokken om hunne as wentelden en de rolsteenbank waarop wij vroeger hadden gestaan, in één oogenblik was vernield en weggestuwd,—het was een verheven, vreesselijk woest tooneel dat wij in stomme verbazing aanschouwden, vervuld van dankbaarheid over de redding welke wij hadden ondervonden, terwijl het gekraak der verbrijzelde boomen, het schuimen en bruisen der watermassa, het geklots der rotsblokken en het ratelen der millioenen voortgezweepte steenen der rolsteenbank een enkel vreesselijk gedruisch deden geboren worden, waar boven slechts nu en dan het donderend gekraak van een instortenden Oeroek zich liet vernemen. Tot in het binnenste van ons gemoed geschokt, beschouwden wij dit oproer, maar stonden sprakeloos, want niemand was meer in staat zijne eigene stem te hooren. Het was een Bandjĕr ’t geen wij voor oogen hadden, dat is eene verre buiten hare oevers tredende beek, ten gevolge van den toevoer van water, ontstaan door zwaren regen in het verwijderde gebergte, waardoor nu de woedende stortvloed was geboren die alles vernielde of verbrijzelde, dat hij op zijnen weg ontmoette. Waar de kloof smal en de wanden die haar ter wederzijde insloten, steil waren, werd de voet dezer zijwanden door de schuring der rotsblokken welke het water met zich voerde, zoodanig uitgehold en weggespoeld, dat Oeroek’s, dat wil zeggen aard- en bergstortingen ontstonden; uitgestrekte gedeelten van het gebergte met wouden en alles wat zich er op bevond, gleden op die wijze met donderend geweld naar beneden in de kloof en vormden een dam, waartegen de steeds toenemende watermassa werd opgestuwd, totdat zij den puinberg voortduwde en doorbrak. Niet ver beneden van de vlakkere plaats waar wij stonden en alwaar het dal zich trogvormig verbreedde, werd zulk eene enge kloof gevonden, vóór welke het water dat door nieuwe, van het gebergte afstroomende massa’s nog voortdurend werd vergroot, al hooger en hooger en eindelijk zoo hoog steeg dat de gansche vlakke dalkom, niettegenstaande deze eene breedte had van minstens 2000 voet, binnen weinige oogenblikken in hare gansche uitgestrektheid met water was bedekt en herschapen geworden in één enkel troebel meer van ongeveer 12 voet gemiddelde diepte boven welks schuimenden spiegel slechts nog de toppen van enkele verbrijzelde boomstammen zigtbaar waren.

Hoe gering de afstand ook mogt zijn welke ons scheidde van het dorpje, gelegen op den tegenover ons zich verheffenden berg, viel er nu toch aan eene voortzetting van den togt op heden niet te denken, en zulks te minder dewijl de zon reeds ten ondergang neigde.

Wij zochten derhalve eene vlakke plek in het woud tot legerplaats op, pakten onze koffers uit, hingen de hangmatten tusschen boomstammen op en trokken drooge kleederen aan, terwijl de Javanen kleine hutten bouwden, gevormd uit schuin tegen elkander geplaatste takken die met wilde Pisangbladeren werden bedekt. Eindelijk leiden zij een aantal vuren rondom ons bivouak aan. Zij deelden ons even broederlijk mede van hunnen voorraad rijst (Nasi, en nimmer onderneemt de Javaan een togt zonder zich hiervan te voorzien), als wij hun van onzen wijn gaven. Wij zouden op die wijze echter een zeer schralen maaltijd hebben gehad, indien de Bandjĕr ons niet geheel onverwacht aan een smakelijk stuk gebraden rundvleesch had geholpen. Eenige Koeli’s, namelijk, die aan den oever stonden om visch te vangen welke door den Bandjĕr was bedwelmd, bragten ons ijlings berigt, dat twee rhinocerossen en een Banteng (een wilde stier) op den oever gespoeld waren.—Dit was werkelijk het geval. Met vereende krachten trokken wij den stier op het drooge; het scheen dat hij eerst vóór korten tijd tusschen verbrijzelde boomstammen was gedood geworden, want het bloed vloeide nog uit de versche wonden.—Zout, boter, eene ijzeren pan (Koewali), een paar ijzeren ketels en potten en andere dergelijke benoodigdheden (welke bij het reizen door de wildernissen onontbeerlijk zijn), hadden wij steeds bij ons. Zij kwamen ons ook nu uitmuntend te stade, want weldra hingen de beste stukken van den stier over het vuur te braden, terwijl anderen met rijst in potten werden gekookt om ons eene krachtige soep te leveren.—Wijders werd bepaald dat vijf Javanen, benevens twee van onze bedienden met geweren gewapend, de wacht houden en door anderen om de drie uren zouden worden afgelost.

De avondschemering nam spoedig toe en wij kropen na het houden van den maaltijd, vermoeid zijnde, in onze hangmatten. Slechts zelden vernamen wij nog het krijschend geluid van een over het dal vliegende paauw; maar naauwelijks was het licht der laatste zonnestralen verbleekt, toen overal in het gansche woud insektenkoren begonnen te gonzen en te snorren. De Javasche spitsoorige honden der Koeli’s die vroeger langs den oever liepen rondsnuffelen, legden zich nu in de vertrouwelijke nabijheid der menschen neder, als of zij wisten dat het des nachts niet veilig was in het woud. Weldra ontwaarden wij niets meer dan de zorgvuldig door de Javanen onderhoudene wachtvuren, welke een roodachtig schijnsel op de omringende boomstammen wierpen en geen geluid trof ons oor behalve het algemeen gegons der levende natuur, dat met het bruisen van den verder en verder zich verwijderenden stortvloed zamensmolt.

Toen eindelijk nog alléén dit gebruis gedurende de nachtelijke stilte in onze ooren klonk en de werkzaamheid onzer zintuigen tot diep in het binnenste van ons gemoed was teruggekeerd, hetgeen ten verhoogden prikkel aan ons denkvermogen strekte, werden wij als het ware onwillekeurig heengeleid tot het bepeinzen van de oorzaken der verschijnselen die zich voor onze blikken hadden ontwikkeld, der krachten die wij daarbij in het spel hadden gezien en, het geheel ontledende kwamen wij, teruggaande van de eene kracht tot eene andere welke slechts het gevolg was van eene derde, die op hare beurt weder eene vierde tot oorzaak van haar ontstaan had (als gedoode dieren, vernielde wouden, bergstortingen, omzettingen des bodems, watervloeden, onweêrsregen, electriciteit, wolken, waterdamp, water in meeren en stroomen, warmte), eindelijk tot de allereerste oorzaak dezer verschijnselen, welke in een meer dan 20½ millioen mijlen van ons verwijderd hemelligchaam, de zon! moest gezocht worden. Want de lichtstraal van de zon uitgaande is het, die hitte doet geboren worden welke het water dampvormig optrekt en opstijgende luchtstroomen doet ontstaan, welke (indien het zeer heet en helder was) in de hoogere streken der atmospheer en nabij de koelere bergtoppen plotseling verdikken en als onweêrsregens of wolkbreuken neêrstroomen;—dan bruist de waterdamp die dezen voormiddag nog onzigtbaar boven onze hoofden in de lucht zweefde, als Bandjĕr door de kloof welke daardoor verbreed wordt; hij doet Oeroek’s ontstaan, verbrijzelt rolsteenbanken, zet de van hare plaats gerukte aard- en rotsmassa’s in andere, lager gelegene oorden, in de nabijheid der zee weder af, verbreedt de kusten, veroorzaakt derhalve aanmerkelijke veranderingen in de gestalte der oppervlakte van den vasten bodem en doodt daarbij eene menigte dieren, die door andere levende dieren en menschen worden opgegeten en aan hen tot voedsel verstrekken;—ja, heeft de zonnestraal, door de verslappende hitte welke hij deed ontstaan, niet zelfs te weeg gebragt, dat onze Koeli’s met langzamer schreden voortgingen? en is hij niet daardoor de oorzaak geworden, dat wij getuigen der omkeering zijn geweest, dat deze denkbeelden thans in onze ziel oprijzen, denkbeelden waarvan de eigenlijke oorsprong, de wording, dus in de verre van ons verwijderde zon moet gezocht worden?—Vloeit dit alles niet voort uit eene bron? En zou nu dat zonne- of sterrelicht de eerste of de laatste kracht zijn in deze duizendvoudig aaneengeschakelde keten van oorzaken en gevolgen, welke wij hier voor ons zien? Zou ook deze op hare beurt weder niet het gevolg zijn van—of te weeg gebragt worden door eene andere, nog verder verwijderde, algemeenere oorzaak,—en zouden alle oorzaken die aan onze in de diepte vorschende blikken oorspronkelijke oorzaken toeschijnen, niet voortvloeijen uit eene eenige eerste bron welke voor geene verdere ontleding vatbaar is?—Ongetwijfeld, ongetwijfeld;—zoo verre het ons mogelijk is door te dringen, hangt het eene van het andere af en hoe dieper wij in de wederkeerige werking der krachten navorschen, des te meer naderen wij de eenheid; maar tot op den grond vermogen wij niet te peilen—en slechts in heiligen, vromen eerbied kunnen wij de blikken opheffen tot de Eenige, Allereerste, Eeuwige Oorzaak, waaruit alle oorzaken voortvloeijen, waaruit, gelijk het licht uit de zon, stralen voortschieten die het oneindige heelal bezielende en met leven vervullende, zich in millioenen en nogmaals millioenen stralen verdeelen.