Zulke gedachten en gevoelens maakten ons avondgebed uit toen wij, steeds dieper in ons eigen boezem tastende, zoo kort mogelijk ineengedrongen in onze hangmatten lagen en den oogenblik afwachtten, dat de slaap onze oogleden zou sluiten.—Duizenden van stemmen die ons volkomen onbekend waren, klonken en snorden door het woud,—woeste natuurkrachten waaraan geen weêrstand van onze zijde denkbaar was, woedden om ons heen,—tijgers en panthers voor geen medelijden vatbaar, slopen rondom ons bivouak; doch het bewustzijn goed gehandeld te hebben was levendig in ons, wij geloofden aan God en aan het heilige doel zijner natuurwetten,—wij gevoelden een hemel in onzen boezem en rustig sliepen wij in.

Toen wij ontwaakten, hadden wij een gansch ander schouwspel voor oogen. De morgenzon verlichtte reeds het hoogste gedeelte van den dalwand, zoomede de toppen der palmboomen, welke boven dezen rand zigtbaar waren en ons de ligging van het dorpje verrieden. Liefelijk blinkende in den eersten zonnestraal zagen zij op ons neder. Alles rondom ons had de dauw doorweekt en zelfs onze hangmatten waren vochtig. Geen geruisch van een woedenden stortvloed liet zich meer hooren. Het water dat gisteren alhier een meer vormde, was weggevloeid en dit laatste herschapen in eene bruinkleurige vlakte, bedekt met modder, rolsteenen, rotsblokken, verbrijzelde boomstammen en takken, tusschen welke de beek in talrijke, nieuwelings gevormde armen heenstroomde. Zoo spoedig mogelijk pakten wij alles bijeen en maakten ons gereed om den togt voort te zetten.—De Javanen maakten ons op een versch spoor van tijgers opmerkzaam, dat rondom ons bivouak en in de onmiddellijke nabijheid er van zigtbaar was, hoewel allen die wacht hadden gehouden, eenstemmig verzekerden, dat zij niet het minste geruisch hadden vernomen. Slechts een paar malen waren de honden bevende, met den staart tusschen de beenen, digter bij hen gekropen. Toen wij eenige honderd schreden boven ons bivouak aan de plek waren gekomen, waar wij gisteren avond den wilden stier hadden laten liggen, bespeurden wij dat hij weggesleept was; wij volgden het spoor en vonden hooger opwaarts in het woud slechts nog eenige beenderen, benevens een gering overblijfsel van zijne huid, zijn kop en ingewanden. Zelfs aan de rhinocerossen had het wild gedierte geknaagd.—De dalbodem welken wij nu zonder gevaar konden doorwaden, was niet zoo zeer met modder, maar hoofdzakelijk met zand en rolsteenen bedekt, en daarop lagen hier en daar doode herten, vele wilde zwijnen en kleinere dieren verstrooid in het rond, welke door den vloed waren achterhaald en gedood geworden. Ook deze waren gedeeltelijk verslonden door tijgers, panthers en kleiner roofgedierte, die hier in diepe stilte hun nachtelijk banket hadden gehouden en door de Javanen grootendeels werden herkend, hetzij aan hunne uitwerpselen, hetzij aan het nagelatene spoor of de indrukken hunner tanden. Bij het doorwaden van den laatsten arm der beek vingen onze jongens nog eene krokodilachtige hagedis, ter lengte van drie voet, een zoogenaamden Legoean, Minjawah (Monitor bivittatus), welken zij aan een touw bonden en mede voortsleepten.

Na onzen togt bergopwaarts gedurende een half uur te hebben voortgezet, bereikten wij het dorp Roetab, welks bewoners ons gastvrij ontvingen en ons voor het ontbijt gewillig alles verschaften, hetgeen zij bezaten. Gelijk gewoonlijk overal elders het geval is, wilden ook zij voor deze giften der gastvrijheid geene betaling aannemen, maar zagen wij ons genoodzaakt hen die op te dringen. Gaarne daarentegen namen zij den Legoean waarvan het vleesch door de Javanen zeer smakelijk wordt geacht maar moeijelijk was het om Koeli’s te bekomen. De meeste mannen, die gisteren avond onze wachtvuren gezien en ons dezen morgen welligt aan onze kleeding als Europeërs konden hebben herkend, hadden zich uit de voeten gemaakt, zoodat wij met veel moeite slechts vijf nieuwe dragers konden krijgen en gedwongen waren om vijf van de Koeli’s die wij gisteren hadden medegebragt, tegen wil en dank bij ons te doen blijven, wilden wij niet een of meer onvrijwillige rustdagen houden. Wij deelden echter een aantal cigaren onder hen uit en beloofden aan ieder hunner, behalve het te verdienen loon, een extra geschenk te zullen geven, ten einde op die wijze den bitteren smaak van het kruid bedwang eenigermate te verzoeten. Het eenige paard dat in het dorp te vinden was, namelijk het rijpaard van den Loerah, eene kleine, magere rosinant, werd door Nacht in beslag genomen, dewijl hij, aan het maken van voetreizen niet gewoon, zich gisteren de voeten reeds had doorgeloopen.


Wij zetteden onzen togt nu voort door eene uitgestrekte, tamelijk vlakke bergstreek, welke naar de zijde der zuider kust allengs lager daalde en in diezelfde rigting, niet dan op verre afstanden van elkander, doorsneden was door breedere dalkloven, over wier bodem beken schuimend zeewaarts bruisten. Tusschen deze kloven werden hier en daar aan de oppervlakte des bodems slechts zacht-glooijende laagten en kleine trogvormige dalen of groeven gevonden, waarin dan hoofdzakelijk woudgeboomte zich verhief, terwijl al het overige gedeelte der oppervlakte bedekt was met het witachtig blinkende, grijsachtig groene kleed van Alang- en Glagahgras; hierin ontwaarde men slechts enkele verstrooid staande boomen. Gene eilandvormig in de golvende graszee voorkomende boschaadjen gaven echter aan de gansche streek eenigermate het uiterlijk aanzien van een park, terwijl de lilablaauwe Boengoerbloemen (Adambea glabra) of de groote gele bloemen van den Sĕmpoerboom (Colbertia obovata) liefelijk door het groen der kleine oasen heen fonkelden. Groot was het aantal herten (Cervus russa) dat levendigheid schonk aan deze streek; bij gansche troepen sprongen zij door het gras, om zich voor den toenemenden gloed der zon in het binnenste der boschaadjen te verbergen. De wilde zwijnen (Sus vittatus) die hier nimmer aan vervolging van de bewoners des eilands blootgesteld zijn, waren nog minder schuw en ongaarne verlieten zij de plassen die, nog niet geheel en al opgedroogd, hier en daar werden aangetroffen op de smalle paden welke wij betraden; al knorrende gingen zij dan uit den weg. Menigwerf vlogen paauwen van het eene boschje naar het andere, of zagen wij er met hun prachtig in den zonneschijn blinkend gevederte op den grond zitten, waar zij, naar het scheen, hunnen maaltijd hielden aan een termitenheuvel. Behalve het Glagahriet, wies hier en daar tusschen het Alanggewas nog eene andere, hooger opschietende soort, namelijk het Manjagras, aan welks omgebogene aren zeer groote, peervormige nesten hingen, welke ter hoogte van 3 à 4 voet boven den grond zweefden. Slechts aan hun benedengedeelte hadden zij eene opening en waren het werk van een kleinen vogel, Manoek manja geheeten, welke op het zaad van deze grassoort aast; hij beschut zijne jongen tegen de roofzucht van klein ongedierte en voornamelijk tegen de aanvallen van mieren, door zijn kunstig gevlochten nest aan een dunnen draad in de lucht op te hangen. Kleine scharen van dit fraaije gevogelte (Ploceus barbatus) zwierden menigwerf over het grastapijt heen.—Uit het binnenste der boschjes klonk ons het gekir van tortelduiven te gemoet, zoomede van tijd tot tijd het schorre gekraai van een wilden haan. Maar ook tijgers wier bestaan aan dat der grasetende dieren is verbonden, werden in deze streek niet gemist, waar zulk een grooter aantal herten en Kidang’s (Javasche reeën), rhinocerossen en zwijnen wordt aangetroffen dan in de digte oorspronkelijke wouden. Van tijd tot tijd gebeurde het, wanneer wij een der Glagahbossen naderden die zoo groot en zoo hoog zijn als een Javaasch huis, dat het paard hetwelk mijn broeder bereed, bleef staan en bevend en sidderend over al zijne leden weigerachtig was om voort te gaan. Het fijne reukorgaan van het dier had den tijger bespeurd, welke misschien digt bij ons verscholen was. Zij houden zich bij voorkeur in dergelijke Glagahgroepen op en verraden des daags, op echte kattenmanier, hunne aanwezigheid niet, al gaat men digt langs hunne schuilplaats heen.

Dewijl de hitte in deze Alangvelden omstreeks het middaguur een hoogen graad, dikwerf meer dan 90° Fahr. bereikt, verkwikten wij ons bij gebrek van water met de zuurachtige, groene vruchten van het Malakaboompje (Emblica officinalis) welke wij kaauwden, en die op zulk eene hoogte aan de twijgen groeiden dat wij ze gemakkelijk konden bereiken. Zag men door het zacht gevinde loof dezer boompjes opwaarts, dan scheen het dat een dun floers tusschen ons oog en den helder blaauwen hemel was uitgebreid, hetgeen ons een allerliefelijkst gezigt opleverde.—Van lieverlede veranderde het tooneel dat wij om ons ontwaarden, naar gelang wij lager daalden en de kust naderbij kwamen. Malakaboompjes en boschaadjen werden allengs zeldzamer en de zuide- of zeewind die zich voortdurend duidelijker liet waarnemen, voerde eene koelte toe welke ons hoogst welkom was. Weldra zagen wij voor en beneden ons een strookvormig woud van palmboomen, tusschen wier grijskleurige, menigwerf door het vuur zwartgebrande stammen de verwijderde blaauwe oceaan ons in het oog schemerde. Op eenigen afstand van elkander verhieven zij zich boven den met gras bedekten bodem, doch strekten zich bij vele duizenden ter regter- en ter linkerzijde heinde en verre van ons uit. Elke stam rees, als een zuiltje, lijnregt opwaarts en was slechts aan zijn top met eene bladerenkroon versierd. Het waren uitsluitend waaijer- of Gĕbangpalmen (Corypha Gebanga), wier verbazend groote, drooge bladeren waarin de wind voortdurend ruischte, telkens knarsend over elkander heen en weder werden bewogen, terwijl wij onzen togt er beneden door het hooge gras voortzetteden. Menigwerf joegen wij bij die gelegenheid groote jaarvogels (Buceros plicatus) op, die in de toppen der palmboomen zaten en dan al blazend en snuivend, een geluid aan die vogels zoo eigenaardig, naar een ander gedeelte van het woud vlogen.—Wij daalden echter door deze smalle, doch mijlen lange strook12 met waaijerpalmen bedekt niet lijnregt naar de kust, maar namen onzen koers in eene schuine rigting naar het westen, alwaar eene iets hooger rijzende landstreek of vlakke bergrug in den vorm eener kaap (Oedjoeng) ver in zee uitstak en waar, in de nabijheid van vogelnestholen, het dorp Gnarak moest liggen, de plaats tot ons eerstvolgend nachtkwartier bestemd. Het sombere, uit hooggroeijend geboomte bestaande woud hetwelk dit gedeelte des lands tot aan den uitersten rand der kust onder zijne schaduwen dekte, vormde een scherp kontrast met de dorre Alangvelden waarop geen lommer was te vinden, en met de waaijerpalmen welke zich aan deze zijde er van uitbreidden; reeds in de verte duidde zulks, door de geheel verschillende physiognomie der bewerktuigde natuur, eene zeer verschillende hoedanigheid des bodems aan.

Welligt is niets geschikter om den reiziger aanschouwelijk te maken, welk een harmonische band al het geschapene verbindt, dan een togt uit het hoog gelegene, vulkanische binnenste van een tropisch land, over zandsteenterrassen en andere neptunische bergsoorten, afdalende naar de kust. Het verschil in hoogte des lands boven den spiegel der zee brengt een onderscheid in klimaat te weeg (een anderen gemiddelden warmtegraad), en de oorspronkelijk verschillende bestanddeelen waaruit de bodem bestaat, voor elken verschillenden trap van opheffing—van elk verschillend klimaat—andere levende vormen. Andere planten: andere dieren, die daarvan leven. Hier dorre, veel kieselaarde (kwarts) houdende zandsteengrond, bedekt met eene magere kleikorst die vol reten en scheuren is, daar welligt eene kalkbank, rijk aan koolzuur en ligt in water oplosbaar, of eene welige, rijk met kali bezwangerde aarde, ontstaan uit verweerd felsietgesteente (lavastroomen, trachietribben);—ginds schaduwrijke vijgen- en honderd andere hooge boomen, met wier vruchten tallooze scharen vogelen, apen, en eekhoorntjes zich voeden, die door wilde katten worden nagejaagd;—hier overvloed van gras met herten tot wier voeder dit strekt, benevens zwijnen die van de zoete, zich verre in het rond uitbreidende wortelen van het Alang alanggras leven en—tijgers aan wie de zwijnen ten prooi verstrekken en—paauwen die zich niet alleen met vruchten voeden, maar insgelijks gaarne rondpikken in de verscheurde overblijfselen der dieren welke ten prooi zijn gevallen van tijgers, ten einde te azen op wormen, maar vooral op ingewandswormen.—Wij zien derhalve, dat eene eerste oorzaak—het oorspronkelijke delfstoffelijke en scheikundige zamenstel der rotskorst, de meerdere of mindere verheffing er van boven den spiegel der zee—duizend anderen te weeg brengt die, als aardsoort (verweringsaarde), klimaat (hoogere of lagere warmtegraad), Alanggras, zwijnen, tijgers, paauwen, slechts schakels zijn van ééne keten, waarvan niet kan worden beweerd dat eene enkele schakel, hoe gering zij oogenschijnlijk moge zijn, als b. v. een ingewandsworm,13 nutteloos of van gewigt ontbloot is.

Omstreeks het middaguur bereikten wij Gnarak en namen bezit van het kleine, ledigstaande Bamboeshuisje—Pasanggrahan,—dat op een geringen afstand van het dorp, meer naar de zijde der kust heen was gebouwd. Achter ons klotste de branding der zee en rondom ons verhieven schaduwrijke vruchtboomen hunne kroonen, die met het bladerengewelf van het naburige, oorspronkelijke woud een geheel vormden. Wij dankten de Koeli’s af, betaalden ze, schonken hun daarenboven nog eene extra belooning, verkwikten ons door het gebruik van een bad en een kop koffij met eenige rijstkoeken welke de Mandor (opziener) der vogelnestholen ons bragt en, na onze jongens de zorg voor de bevrediging onzer overige behoeften te hebben aanbevolen, begaven wij ons op weg naar de kust. Op den woudbodem dien wij nu betraden, zagen wij eene menigte hermitenkreeften (Pagurussoorten) van allerlei slag en grootte, die met het achtergedeelte van het ligchaam binnen eenhuizige zeeschelpen waren ingedrongen en deze na zich sleepten.

Wij waren eenige minuten lang bezig geweest om ons een weg door het geboomte te banen en hielden het dooreengegroeide loof en de struiken van elkander, toen wij ons onverwacht verplaatst zagen aan een rand, alwaar—digt vóór ons—de bodem met een steilen wand van eenige honderd voet hoogte plotseling in zee afdaalde. Het tooneel dat zich hier voor onze blikken opende, mogt indrukwekkend worden geheeten. Heinde en verre breidde de blaauwe, spiegelende vlakte der zee welke schijnbaar stil was, tot in een oneindig verschiet zich vóór ons uit. Maar diep beneden ons beukten de hooge, elkander rusteloos opvolgende baren met zulk een donderend geweld tegen den kustmuur, dat de rots waarop wij stonden en van waar wij dit schouwspel gade sloegen, er van daverde. Naar het westen heen volgden onze blikken de rigting der kust, en hier zagen wij de branding welke tegen het strand sloeg, eene lijn vormen zoo wit als sneeuw, die zich tot op een voor het oog onafzienbaren afstand uitstrekte, als grens tusschen land en zee. Boven deze gansche kust zweefde een eigenaardige, fijne nevel of damp, blijkbaar gevormd uit het fijn verdeelde stof van het tot schuim geslagen zeewater, dewijl zelfs de tropische middagzon deze nevellaag niet kon oplossen. Alle verwijderde deelen van het strand deden zich door dezen geheel onbewegelijk liggenden zoutwaterdamp of stof slechts schemerachtig, onduidelijk aan het oog voor, als zagen wij ze door een dun floers. Van het bovenste gedeelte van den kustmuur blikte op dit witte schuim der woedende zee het groen van het ons omringende woud, dat niet slechts over den rand reikte, maar er verre beneden hing, als ware de ruimte van het drooge land te gering voor zijn weligen wasdom;—ja, aan de steile wanden zelfs wortelden nog velerlei struiken en Pandanstammen, tusschen wier bladerenbossen hunne vruchten die de grootte hebben van een menschenhoofd, door hun helder vermiljoenrood in ons oog blonken.

Wanneer wij op den bodem liggende, ons over den rand heenbogen, konden wij in eene schuine rigting naar beneden ziende, boven het ziedende en schuimende water, den ingang van het hol bespeuren, in hetwelk de kleine zwaluwen, Manoek walet (Hirundo esculenta) hare eetbare nesten bouwen. Elke oprijzende baar sloeg bulderend in het hol, en dan stond het water hooger dan zijn ingang die voor het oog bedekt was;—maar eenige oogenblikken later werd door de tegendrukking der lucht, in het hol aanwezig, die op eene veel geringere ruimte was zaâmgeperst, de baar met geweld weder er uitgeblazen, eene zuil van waterstof werd dan horizontaal en sissend over de branding heengespoten en men kon de zwermen der kleine zwaluwen zien, die juist het regte tijdstip tusschen het terugtrekken en het weder strandwaarts rollen eener baar waarnamen om pijlsnel binnen het hol te vliegen, terwijl anderen het in denzelfden oogenblik verlieten.—Lang boeide ons dit bewonderenswaardige schouwspel, maar wij benijdden het lot niet der vogelnestplukkers uit Gnarak, die driemalen ’s jaars langs ladders hier naar beneden klimmen, ten einde—bij zeer stille zee—in het hol te klouteren en de (door Chinezen duur betaalde) vogelnesten van de rotsen af te plukken. Het meerendeel wordt gevonden aan het gewelf van het hol, dat veel hooger oprijst dan de ingang er van. Zoo vervolgt de mensch deze vogelen zelfs op plaatsen, waar zij tegen de roofzucht van elk dier beveiligd zijn, waar zij tegen elken anderen vijand zich in zekerheid bevinden.

Tegen den avond hielden wij ons onledig met het in orde brengen van onze verzamelingen, die wij met menige zeldzame plant, menig schelpdier en insekt hadden verrijkt. De hittegraad der lucht was in onze Bamboeswoning allengs van 87° tot op 82° Fahr. verminderd, maar scheen niet lager te willen dalen. Deze aanmerkelijk hooge warmtegraad welke hier jaar uit jaar in bijna zonder afwisseling heerscht, die daarenboven gepaard gaat met eene groote mate van vochtigheid des dampskrings, had op den allervruchtbaarsten bodem welke deze streek bedekt, zulk eene weelderigheid in het planten- en dierenrijk ten gevolge, dat een bewoner van een noordelijker klimaat zich daar van ter naauwernood een denkbeeld kan vormen. Waarheen wij onzen blik lieten weiden, in het water, in de lucht, op de aarde, in het kleinste reetje hetwelk het oog kon ontdekken, allerwege ontmoette men de menigvuldigste sporen van leven en ontwikkeling.—De kamer die wij tot ons nachtverblijf hadden gekozen, waren wij niet in staat te betrekken, dan nadat wij alvorens eene kolonie ontzaggelijk groote kikvorschen (Kòdok) hadden verjaagd, die echter telkens terugkeerden om ons het bezit op nieuw er van betwisten; zij sprongen zeer behendig tegen den vier voet hoogen ladder op en de deur van den Pasanggrahan in, die zoo hoog boven den grond op palen stond. Uit het hoogste gedeelte van onze woning klonk ons het gepiep in het oor van vledermuizen (Lalaï) die daar ter plaatse, waar zij den dag in rust doorbrengen, bij wijze van groote zwarte klompen aan de nok van het dak hingen. Langs de wanden en aan de zoldering (alleen het middenvertrek van het huisje was hiervan voorzien) liepen tientallen van Tjitjak’s (Hemidactylus fraenatus, kleine grijsachtige hagedissen) in het rond, allerliefste diertjes die ons door hunne behendigheid buitengewoon vermaakten; zij waren, namelijk, druk bezig met het vangen van vliegen en muggen, die ons voortdurend al gonzende langs de ooren vlogen. In de reten der wanden huisden schorpioenen (Buthus cyaneus), waarvan onze jongens er verscheidenen vingen. Minder aangenaam dan de stille schorpioenen en de evenmin geluidgevende, nuttige Tjitjak’s, waren voor ons de Toké’s (Platydactylus guttatus), namelijk hagedissen ongeveer ter lengte van een voet, die met hunne geel en bruin gevlekte huid ons afschuw inboezemden; want zij verriedden hunne aanwezigheid in de woning met luider stem en riepen ons, telkens een tiental keeren achtereen, hun „gek-koh, ghék-koo”—allengs op meer slependen toon en somtijds op drie verschillende plaatsen te gelijk uit de daksparren toe, hetgeen niet zeer geschikt was om ons een rustigen nacht te gemoet te doen zien.

Nadat wij ons werk voor dezen dag hadden ten einde gebragt, zetteden wij ons op het kleine Aloen aloenplein14 van het naburige dorpje dat slechts door eene groep vruchtboomen van onze woning was gescheiden, in de verkwikkende schaduw neder, ten einde ons te verlustigen in de stille beschouwing van het omringende tooneel. Onze jongens hadden onder den Wĕringinboom eene bank van Bamboes voor ons geplaatst; sommigen hunner hadden zich op den grond nedergevleid, waar zij vertrouwelijk met de kinderen uit het dorp speelden of zich met hun gesnap vermaakten; anderen waren in den Pasanggrahan achter gebleven. Aan alle zijden was de kleine opene plek van nabij door het omringende woud ingesloten; in de onmiddellijke nabijheid van het plein bestond dit woud uit aangeplante of vruchtboomen, tusschen wier stammen de bruinachtig gekleurde hutten der inboorlingen ons in het oog vielen. Boven het heldere groen der reusachtige Pisangbladeren welke zich op vele plaatsen tot aan de nok der kleine woningen verhieven, zag men het donkere loofgewelf der Manggisboomen (Garcinia Mangostana) of der Mangifera indica met hare goud-gele appelen;—ginds stond een Ramboetanboom (Nephelium lappaceum) welks takken onder den last der roodachtige vruchten zoo zeer waren gebogen, dat zij tot aan het dak van het nabij zijnde huis afwaarts hingen; hier zag men de vruchten van een Nangkaboom (Artocarpus integrifolia) welke de grootte van eene pompoen bereiken, of de groote getande bladeren van een broodvruchtboom (A. incisa) en op eene andere plaats breidde de Wol- of Kapokboom (Gossampinus alba) zijne horizontale takken uit. Nog vele tientallen van andere kultuurboomen stonden hier tusschen de reeds genoemden en vormden met hunne gezamenlijke kroonen het algemeene loofdak van het dorp, waarboven de regte, dunne stammetjes van talrijke Kokos- en Pinangpalmen met de bladerenpluimen welke den top er van sierden, zich verhieven. Hoog boven het loofdak ruischte de wind in de toppen dezer palmen, die nog in de heldere zonnestralen blonken, toen de schaduwen der loofboomen zich reeds over het gansche Aloen aloenplein hadden verbreid.

Reeds op een geringen afstand der woningen en kleine rijstpakhuizen (Loembong) welke er nevens stonden, strekten de vruchtboomen van het dorpje hunne takken uit tusschen het loof van het oorspronkelijke woud, waarmede zij zich zoo broederlijk vereenigden, dat geene grens tusschen deze beiden kon worden waargenomen. Met behulp van onze Javasche jongens hadden wij, binnen weinige uren, van meer dan 50 verschillende boomsoorten van dit woud bloeijende en vruchtendragende takken verzameld, maar op die wijze zekerlijk den rijkdom aan vormen nog niet half uitgeput. Tjĕmpaka- en Manglitboomen (Michelia-, Uvariasoorten en andere Anonaceën), benevens Kiaraboomen (Ficussoorten) wier loofkroonen zeer digt en breed van omvang zijn, kwamen het menigvuldigst in deze streek voor, waar tusschen echter insgelijks vele Myrtaceën en Rubiaceën werden gevonden. Enkele Karet- of Kolĕlètboomen (Ficus elastica) wier witkleurig melksap, blootgesteld aan den invloed der lucht, zeer spoedig hard wordt en het bekende gomelastiek vormt, verhieven zich zoo hoog boven het loofdak der overige boomen dat wij hunne kroonen, zelfs hier van het Aloen aloenplein, onderscheidenlijk konden waarnemen. Vele grijze apen, Monjet (Cercopithecus cynomolgus) schommelden zich hier en daar in de takken dezer boomen, ja, zij werden er in de onmiddellijke nabijheid van het dorp gezien, waar zij gaarne komen snoepen van de Pisang’s en andere zoete vruchten—en groot was het tal van verschillende soorten van vogelen die in snelle vlugt in het rond zwierden, of hunne aanwezigheid in het loofgewelf slechts door hunne stemmen of hun pikken verrieden.—Zoo zaten wij daar verdiept in de beschouwing dezer overrijke natuur, die menige sluimerende gedachte in onze ziel deed ontwaken.

DAG. Zijt gij met mij niet van gevoelen, broeder, dat het karakter van een volk, zijne zeden, gewoonten en gebruiken voor het grootste gedeelte afhankelijk zijn van het eigenaardige karakter der natuur waarin de mensch leeft,—van het uitwendige dat invloed op zijne zinnen uitoefent, van de vormen der bergen en dalen, van de gedaante der planten welke hij onder de oogen heeft, van woud en beemden, van den bewolkten of helderen hemel, van water en lucht, van de gestalte der dieren die zich om hem bewegen, en van de rust welke hij in de hem omringende landstreek ziet heerschen, of van de omkeeringen die hij voor zijne blikken ziet plaats grijpen?

NACHT. Ongetwijfeld geloof ik dat de uitwendige natuur een krachtigen invloed uitoefent op het gemoed des menschen en dat, indien de indruk door de natuur te weeg gebragt, aanhoudend blijft bestaan en van ’s menschen jeugd af tot in lateren leeftijd voortduurt, zij eene uitwerking op hem kan hebben, die zich in bepaalde gewoonten en karaktertrekken openbaart. Kon een jong Javaasch kind in het land der Samojeden of der Eskimo’s opgroeijen, dan zou het een Eskimo van karakter worden,—of omgekeerd indien een Samojeedsch embryo in de Javasche natuur tot ontwikkeling kwam, zou er een Javaan uit worden. Aan de andere zijde ben ik van oordeel, dat de invloed welke de buitenwereld op het karakter eens volks uitoefent, slechts dan aanmerkelijk kan zijn, in geval dat volk nog op den eersten trap van ontwikkeling staat, terwijl daarentegen een volk dat reeds tot een hoogeren trap van ontwikkeling is gestegen, zich boven de natuur verheffen, zich van haren invloed onafhankelijk maken kan. Bij een dergelijk volk toch bekleedt de opvoeding der jeugd eene gewigtige plaats; zij vormt als het ware een scheidsmuur tusschen den mensch en de natuur, welke echter bij een minder ontwikkeld volk niet in die mate voorhanden is.

DAG. In zeker opzigt ben ik dat volkomen met u eens. Een beroemde Duitsche dichter zegt niettemin: „Niemand wandelt ongestraft onder palmboomen en gewisselijk veranderen de zeden in een land, waar olifanten en tijgers inheemsch zijn.”—Er bestaan weinige voorbeelden van beschaafde volken, die zich blijvend „onder de palmboomen,” hebben neêrgezet. Wij Hollanders laten onze kinderen in Europa opvoeden en zijn geene eigenlijke kolonisten op Java.

NACHT. Welligt zweefden aan Göthe, toen hij deze woorden ter neder schreef, de volken van Spaansche afkomst voor den geest, die waarlijk niet mogen geacht worden een uitstekend voorbeeld te zijn ten bewijze, dat de meer ontwikkelde mensch zedelijk onafhankelijk is van de hem omringende natuur.

DAG. Voor den oogenblik de zedelijke zelfstandigheid van den ontwikkelden mensch in alle klimaten in het midden latende, meen ik toch te mogen gelooven dat de buitenwereld insgelijks op hem een aanmerkelijken invloed uitoefent, en dat het karakter van den mensch die op een lageren trap van ontwikkeling staat, grootendeels afhangt van de natuur welke hem omringt. Uit dien hoofde is het noodzakelijk te achten, dat een ethnograaf die een volk wil beschrijven, eerst de natuur waarin dat volk leeft, tot een onderwerp zijner studie make en haar beschrijve; naar mijne wijze van zien toch is het onmogelijk het karakter van een volk naar behooren te beoordeelen, zijne zeden en gewoonten te verstaan en te begrijpen, zonder eene voorafgaande kennis der natuur, der landstreek waarin dat volk woont, en der indrukken welke van der jeugd af invloed op den mensch hebben uitgeoefend. Hiervan is het, dat afhangt hoedanig gene oorspronkelijk zijn.

Terwijl wij dit gesprek voerden, hield het gekir allengs op der tortelduiven die in kooijen, aan lange staken hangende, voor de meeste hutten der Javanen werden gevonden. Zij zijn grooter beminnaars van het vreedzame, tot rust en stilte uitlokkende gekir hunner duiven (Manoek gĕgoegoer), dan de Europeër van het slaan van zijn kanarievogel of het gezang der nachtegalen.—De avond viel. Slechts nog enkele Badjing’s (eekhoorntjes, Sciurus Platani) zag men hier en daar tegen de boomstammen opklauteren en de laatste straal der zon verdween van de toppen der palmboomen. De Kalong’s daarentegen die ginds aan een grooten Djamboe- (Jambosa) boom hingen, begonnen zich te bewegen en vlugten kleine groene papegaaijen (Psittacus vernalis) naderden en gierden, onder een ontzaggelijk gekrijsch, rondom de takken van een hoogen Baloengdangboom (Stravadium excelsum), welke ter linkerzijde van ons stond. Zij zetteden zich op de takken neder, snelden weder weg, kwamen op nieuw terug, vlogen rondom den boom, waren onophoudelijk in beweging en schenen elkander zoo veel te vertellen te hebben, dat het doordringend gekrijsch der kleine snappers ons trommelvlies op eene onaangename wijs aandeed. In dezen boom hielden zij hun nachtkwartier, waarheen zij elken avond wederkeeren. Nog kleinere vogels, zoogenaamde rijstdieven, Boeroeng glatik (Fringilla oryzivora) hadden zich in groote zwermen nedergezet in den Wĕringinboom, waarnevens wij gezeten waren; weldra echter verstomde hun gekweel, zij begaven zich ter rust.—Nu echter vingen de Kalong’s hunne nachtelijke togten aan. Gedurenden den loop van den ganschen dag hadden wij hen onbewegelijk aan hunnen boom zien hangen en ze in de verte voor groote, zwarte vruchten gehouden. Peervormig, als aan dunne steelen, hingen zij bij honderden aan de geheel ontbladerde twijgen; deze schijnbare vruchten waren echter de ligchamen der zoogenaamde vliegende honden (Pteropus edulis), reusachtige vledermuizen ter grootte ongeveer van eene kat, die met den kop naar beneden gekeerd, zich met de achterpooten aan de twijgen vastgehaakt hielden en slechts nu en dan, wanneer het eene dier het andere beet of van zijne plaats trachtte te verdringen, een zacht piepend geschreeuw lieten hooren. Elken morgen keeren zij naar dezen boom, hunne dagelijksche rustplaats terug en laten zich blakeren door den vollen gloed der zonnestralen, die van den vroegen morgen tot den laten avond op hun schraal met haar bezet ligchaam branden. Geen enkel blaadje schenkt hun de geringste schaduw. Hunne uitwerpselen deelen, namelijk, langzamerhand zulk een overvloed van dierlijke meststof aan den bodem mede, dat de daarin wortelende boom spoedig sterft; een onaangename reuk naar Ammoniak verraadt reeds op een aanmerkelijken afstand den aard der zeldzame vruchten, welke aan zijne dorre twijgen hangen.

Terwijl de tortelduiven haar gezang staakten, de apen zich stil tusschen de twijgen verborgen en de papegaaijen en rijstvogels terugkeerden naar hunne rustplaats, was het ondergaan der zon voor deze Kalong’s het sein om hunne nachtelijke togten aan te vangen, en zag men den een na den anderen den boom verlaten en met logge vlugt en afgemeten slagen der vleugelhuid door de avondlucht heenzweven. Zij vlogen elk afzonderlijk op een aanmerkelijken afstand achter elkander, doch vormden eene gemeenschappelijke vlugt, welke ter hoogte van ongeveer 100 voet boven het woud in eene en dezelfde rigting landwaarts in zich voortbewoog. Uit eene andere streek des lands, uit het oosten, kwam eene tweede vlugt Kalong’s, en deze scheen iets hooger dan de onze te vliegen, welke gene in eene schuine rigting kruiste. De beide vlugten echter, die even als de vakken van een schuifkast welke in eene verschillende rigting worden heengeschoven, digt boven elkander daar heen zweefden, stoorden elkander niet in hunne vlugt. Men zag de groote, zwarte ligchamen der dieren welke tot elk der afzonderlijke vlugten behoorden, zonder op die der andere vlugt acht te slaan, hun eigen togt en in eene lijnregte rigting naar een en hetzelfde doel voortzetten. Het waren ongetwijfeld verschillende bevolkingen van verschillende Kalongstaten, waarvan elk naauwkeurig scheen te weten in welke streek der wouden de boom stond, waar zij hun nachtelijk maal wenschten te houden, niettegenstaande deze menigwerf op een afstand van vele mijlen werd gevonden van de plaats, welke zij hadden verlaten. Vroeger had ik reeds menigmaal des avonds zwermen van deze dieren aan een dergelijken boom gezien, voornamelijk aan een Gĕnitriboom (Elaeocarpus angustifolius), op welks vruchten zij het meest gesteld zijn en rondom welken boom zij dan schreeuwend, kwakend en elkander de vruchten betwistend, heenvlogen.

Bij het toenemen der schemering nam de verfrisschende koelte des dampkrings, waarvan de temperatuur nu tot op 80° Fahr.15 was gedaald, insgelijks toe en de welriekende geur der Kĕnangabloemen—van een hoogen boom (Uvaria odorata) welke op de eene of andere plaats in het dorp stond—verspreidde zich in gelijke mate al sterker door de boschachtige streek. Nu werd van tijd tot tijd een vliegend eekhoorntje (Bilok, Pteromys sagitta) zigtbaar dat van den eenen Kokosboom naar den anderen zweefde, en de Javanen begonnen de hoenderhokken onder hunne huizen te versperren en te grendelen. Er sluipen nu niet slechts kleine marter- en wezelachtige roofdieren (Herpestes javanicus, Lisang gracilis en Moesang’s) tuk op buit in het rond, maar zelfs de krokodilachtige hagedissen, de Legoean’s, komen uit den schoot der wateren te voorschijn, ten einde in de hoenderhokken van het dorp een onwelkom bezoek af te leggen.—Door het aanleggen van vuren op verschillende plaatsen, waarbij eenige wachters waren gesteld van lansen en Gonggong’s voorzien, ten einde alarm te maken zoodra er gevaar mogt ontstaan, trachtten onze dorpsbewoners de grootere roovers, de panters en tijgers, van hunne woningen verwijderd te houden; want het wijd en zijd in het rond klinkende, leelijke geschreeuw hetwelk, gelijk de Javanen beweren, het vertrek der tijgers uit hunne schuilplaatsen aankondigt, het geschreeuw der paauwen, werd nu op verscheidene plaatsen in het woud gehoord. Niet slechts waren alle andere vogelen stil, maar ook buitendien liet geen geluid in het woud zich vernemen.—Alleen het gegons der muggen (Moskiten, Tjamok) werd luider en meer algemeen. Het scheen ons toe, dat het in deze vochtige, heete woudstreek onafscheidbaar gepaard ging met den naderenden nacht die met eene snelheid inviel, welke op den nieuweling onder de keerkringen, gelijk mijn broeder was, steeds een zoo diepen indruk maakt. Naauwelijks was een half uur verloopen sedert den ondergang der zon, of de onderscheidene voorwerpen in dorp en woud waren reeds gehuld in den sluijer der duisternis en niets liet zich onderscheidenlijk meer waarnemen.

Nu echter vingen duizende onzigtbare muziekanten aan met het bespelen hunner instrumenten—geluidorganen, tracheën, longblaasjes, snorgaten, enz.,—die allen den oogenblik slechts schenen te hebben afgewacht, waarop de duisternis een zekeren graad had bereikt om plotseling, als op een gegeven teeken, hun veelstemmig vocaal- en instrumentaal concert te doen weêrgalmen. Het scheen dat eensklaps elk blad van elken boom eene stem had ontvangen, ja, dat het gansche woud welluidend was geworden; de lucht trilde, de bladeren tjilpten, de boomen neurieden, tallooze insektenkoren gonsden en zongen en wij waren in staat de verschillendste toonen van den fijnsten fausset tot aan den diepsten bastoon onderscheidenlijk waar te nemen. Het geluid van eenigen geleek op het aanhoudend klinken van eene trillende vioolsnaar, anderen bootsten den schellen, bevenden toon na van het gezang van een jeugdig kind. Eene tallooze menigte levende lichten, als het ware kleine flikkerende sterren, zwierven door het loofgewelf, waar zij binnen een zekeren kring rondom zich heen een helder schijnsel verbreidden. Het was het phosphorlicht van verscheidene soorten van kleine kevers, die het gansche tooneel van den vochtigen bodem af tot aan het hoogste punt van het zich daarover uitbreidende loofdak illumineerden.

Levendig stond ons het beeld voor den geest van ons noordelijk vaderland, waar de avondschemering zoo lang duurt en waar alles bij het toenemen der nachtelijke stilte langzaam tot rust komt. Hoe geheel anders was het hier?—Bijna plotseling volgde hier de diepste duisternis op het heldere daglicht; met het uitblusschen der dagtoorts hield de stilte in de natuur op en het nachtelijke, aanhoudend gonzende, tjilpende, fluitende, krijschende en snorrende concert dat uit duizende insektenkoren was zaâmgesteld, ving aan;—millioenen van Dipteren, vooral muggen en snaken (Tipuliden), benevens nachtvlinders, termiten, loofkrekels, grillen, zingende sprinkhanen, eigenlijke Cicaden, Phasmiden, Mantiden en andere Hemipteren, maar bovenal ontelbare Coleopteren (kevers), die zich gedurende den ganschen dag hetzij in het loof der boomen of in andere schuilhoeken stil verborgen hadden gehouden, vlogen en snorden nu in het rond en bragten toonen voort, die allen zamensmolten tot een oorverdoovend, tjilpend gegons, waaraan zich de stemmen paarden van hagedissen en kikvorschen, die zulks met helder geluid van elken boom en op dofferen toon uit alle plassen accompagneerden.—Somtijds gebeurde het, terwijl het algemeene gegons aanhoudend voortduurde, dat het luide krijschen en snorren iets verminderde, ja, menigwerf geheel en al ophield,—eensklaps echter, als ware het op het gegeven sein eens kapelmeesters, begon weder op nieuw een koor van honderd duizend muziekanten, allen te gelijk, hunne krijschende diskantstemmen te verheffen, die zoo luide klonken dat het ons door het hoofd dreunde. Tot deze laatstgenoemden die het hardst schreeuwden, moesten meer bijzonder worden gerekend groote Cicaden (Tosena-soorten en anderen) die zich in de toppen der boomen ophouden. Onze jongens wisten ze echter, door middel eener brandende kaars welke zij in het digtste gebladerte hadden gesteld, uit hunne hooge verblijfplaats naar beneden te lokken en met honderd andere soorten van insekten in hunne netten te vangen.

Uit eenige gaten in den grond was zulk eene verbazende menigte gevleugelde termiten, Rajap (Termes fatalis) te voorschijn gekomen, dat wij ons den mond moesten bedekken om ze niet ongebraden16 te moeten opeten. Zij strekten aan de fladderende, insekten vangende vledermuizen tot eene gemakkelijk te verkrijgen prooi. Ook eenige Kaprimulgen zagen wij in enge, steeds terugkeerende kringen over het Aloenplein rondvliegen, waar hunne in de snelste vlugt daar heen zwevende ligchamen van tijd tot tijd tegen den meer helderen hemel zigtbaar werden.—Even als met de groote meerderheid der vogelen des morgens en gedurende den loop van den dag het geval was geweest, vierden de ontelbare zwermen insekten nu des avonds en gedurende de eerste helft van den nacht hun levensfeest. Zoo menigwerf een koor Cicaden met hunne schelle, krijschende stemmen mede instemden in het algemeene concert, dan vingen zij allen te gelijker tijd, eensklaps aan, zwegen allen te gelijker tijd plotseling, op eens, en hielden zoo naauwkeurig maat dat wij, uithoofde van de duisternis welke ons omringde, moesten gelooven, dat zij elkander konden hooren (hoewel zij geen gehoororgaan bezitten) of dat zij op de eene of andere wijze met elkander in verstandhouding stonden. Even als onder de roepende kikvorschen, konden wij insgelijks onder deze cicaden op het bloote gehoor eene groote verscheidenheid van soorten onderkennen, aan den meer of minder schellen of diepen toon, waarin zich steeds eene zekere soort van maat liet waarnemen.

Lang verbleven wij onder onzen boom, luisterende naar deze stemmen van den nacht.—Vele duizenden van dieren bewogen zich om ons heen, omtrent wier levenswijze wij niets wisten, ja, welligt nooit iets te weten zullen komen. Door het loof des Wĕringinbooms zagen wij boven ons hoofd het flikkeren van sterren,—het licht van vreemde, ver van ons verwijderde hemelligchamen,—waaromtrent wij nog veel geringere kennis bezaten. Wij dachten aan onze zwakke krachten, aan de zwakke krachten van een mensch, aan den korten duur van ’s menschen leven en wij verzonken in diepen weemoed bij het aanschouwen van den onuitputtelijken rijkdom der natuur welke ons omgaf, die naar alle rigtingen, daar boven ons in de sterrenwereld gelijk hier beneden in het dieren- en plantenrijk, zoo volkomen ondoorgrondelijk is.—De zon der wetenschap zal hare diepte pogen te verlichten, maar nimmer zal zij doorgrond worden. Een zacht en troostrijk schijnsel rijst echter tot ons opwaarts uit deze ondoorgrondelijke diepte;—in de oneindige verscheidenheid waarin wij ons schijnbaar verliezen, spreekt toch Een grondbeginsel, Eene algemeene waarheid tot ons: elk dier geniet naar zijn aard; het is zoodanig ingerigt om te kunnen genieten, het eene des daags, het andere des nachts, het eene in den zonneschijn, het andere in de schaduw;—al deze duizenden met leven begaafde gestalten verheugen zich in het genot huns levens, zij genieten en de grondoorzaak der natuur welke zich in dergelijke wetten openbaart, moet noodzakelijker wijze eene goede, weldadige, liefderijke oorzaak wezen, die volkomen bewust is van het doel waarnaar zij streeft - - -

daar steeg het zinnebeeld van het geloof, de zachte, dweepzucht kweekende maan voor ons op, en toen zij hare eerste stralen wierp over het loof der boomen en een gering gedeelte van het Aloenplein bescheen, werd ons gemoed vervuld met een troostend gevoel dat, als het ware door dien straal gewekt, oprees tot de oorzaak die het had doen geboren worden.—”Een band moet toch aanwezig zijn welke al deze millioenen van levende wezens zaâmverbindt; Eene van alles bewuste ziel, Een God moet boven allen leven!—Ja, in den glans der zon, in het schemerend sterrelicht, in het zachte schijnsel der maan, in de wonderbaarlijke harmonie welke al dat leeft in de natuur omvat,—in ons eigen boezem ligt Uwe openbaring!—Alwetende! Uwe wereld is schoon!”

Het insektengegons was grootendeels verstomd;—slechts het kleppend geluid der Kaprimulgen die nu verzadigd op boomtakken zaten, liet zich in het stiller geworden woud nog hooren, toen wij omstreeks middernacht, zonder een woord te spreken, maar opgetogen van bewondering over de grootheid der natuur, den geest vervuld met denkbeelden die dit alles bij ons had doen oprijzen, in stilte naar onze legerplaats terugkeerden.


Op den volgenden dag. Dewijl de Loerah van het dorp afwezig was (hij bevond zich met velen zijner onderhoorigen ter bruiloft in een nabij gelegen dorp), hadden wij het alleen aan de tusschenkomst van den Djoeragan Mandor (opziener) der vogelnestholen te danken, dat wij Koeli’s konden bekomen om onze reis voort te zetten, namelijk, de vogelnestplukkers die nu geen werk hadden. Deze wilden echter de gewone Koelidiensten alleen onder de voorwaarde verrigten, dat zij een veel hooger loon zouden ontvangen; waarschijnlijk zouden zij ook dit van de hand hebben gewezen, indien zij ten gevolge van hunne verslaafdheid aan het Afioen-(opium)rooken, niet meer behoefte aan geld hadden gehad dan hunne landslieden. Wij waren verpligt het hun vooruit te betalen, ten einde hen in de gelegenheid te stellen een nieuwen voorraad Madat17 op te doen.


Onze togt ging gedurende den ganschen dag langs de kust, welke door mij moest opgenomen worden, terwijl mijn broeder Nacht alle nieuwe of zeldzame voorwerpen die wij aantroffen, verzamelde. Wij kwamen daarbij slechts aan een enkel klein dorpje, alwaar wij het ontbijt nuttigden en zetteden vervolgens onze reis voort totdat wij, tegen 4 ure in den namiddag, door vermoeijenis genoodzaakt waren halt te houden en naar eene geschikte plek om te zien, in welker nabijheid vlietend water moest gevonden worden, om ons bivouak te kunnen opslaan. Nog eene halve dagreis verder westwaarts van hier moest een groot dorp nabij de kust liggen, hetwelk wij gaarne den volgenden voormiddag wenschten te bereiken, om van daar in eene noordelijke rigting naar het binnenwaarts gelegene hoogland door te dringen.—Wij kozen tot ons nachtkwartier de oostzijde eener kaap, der Tandjoeng-Gnodos, in welker nabijheid eene kristallijnen beek zich in zee ontlastte. De streek waar wij ons bevonden, was zeer woest. Verbazend uitgestrekte oorspronkelijke wouden reikten van het hooge gebergte tot aan de kust zonder ergens afgebroken te zijn, ja, zij baadden hunne afhangende twijgen in de baren, zoodat slechts op enkele plekken, voornamelijk op den achtergrond der kleine inhammen, een smal zandig strand overbleef dat niet met woudgeboomte was bedekt. Waarheen wij het oog mogten wenden, van verre noch van nabij, nergens liet zich eenig spoor van menschelijke bedrijvigheid ontdekken.—IJlings werden nu de noodige aanstalten gemaakt tot het opslaan van ons bivouak; onze jongens en de Koeli’s kapten takken van het naburige geboomte, bouwden hutten, lagen vuren aan en ik begaf mij, vergezeld van mijn broeder Nacht en twee Javanen, verder westwaarts heen, ten einde de gesteldheid der omstreken te leeren kennen. De kaap of uitstekende spits (Tandjoeng, in het Maleisch Oedjoeng) was het uiteinde eener van het gebergte afdalende rib en vormde een vlakken bergrug, welke zich misschien ongeveer ter hoogte van 15 à 25 voet boven het strand der aangrenzende bogten verhief. Vele dergelijke, iets lager of hooger rijzende Oedjoeng’s reikten hier in deze streek, tusschen vlakker afloopende kleine bogten, een eind weegs in zee en waren allen met woudgeboomte bedekt.

Toen wij aan de overzijde der kaap waren aangekomen en uit het woud te voorschijn traden, hadden wij een merkwaardig schouwspel voor oogen. Het strand dat tusschen deze en de eerstvolgende kaap lag ingesloten, had den vorm eener halve maan, was geheel dor en kaal en rees met eene zeer zachte glooijing opwaarts, tot op een afstand van ongeveer 500 à 700 voet van het strand der zee, waar het zich eindigde en in zandheuvelen overging; aan de landwaarts gekeerde zijde dezer heuvelen verhief zich, in de onmiddellijke nabijheid er van, weder het woud dat zich verder onafgebroken tot diep in het steeds hooger rijzende gebergte uitstrekte. Dit kale en vlakke zandstrand (de kust eener bogt) had welligt eene lengte van driekwartier uurs.—Hoog boven onze hoofden zweefden roofvogels (Falco- of Haliaëtos-soorten) en beschreven kringen in de lucht, en op het strand lagen honderde beenderen en ontzaggelijk groote schilden van schildpadden, deels gebleekt, deels donkerkleurig, als op een slagveld verstrooid in het rond.

Het was een woest tooneel. Door verbazing en nieuwsgierigheid geprikkeld, klommen wij naar beneden en wandelden op het dorre strand tusschen de geraamten heen. Hier vielen ons terstond eene menigte sporen van tijgers en kleinere dieren in het oog, waarvan de indrukken vooral in de nabijheid der zee, waar het zand ten gevolge van zijne vochtigheid gladder en vaster was dan hooger strandwaarts op, zeer duidelijk waren. Ter regter zijde van ons naar den kant der heuvelen, in welke rigting de kust met zeer zachte en gelijkmatige glooijing oprees, werd het zand allengs losser en drooger; aldaar was het op vele plaatsen omgewroet, oneffen, hier en daar in hoopen opgeworpen, waar tusschen trogvormige laagten werden gevonden en het scheen, dat dieren van verschillende soort aldaar den wildsten strijd met elkander hadden gestreden.—Deze gansche strandvlakte was als bezaaid met beenderen en schilden van schildpadden; binnen het bereik van ons oog telden wij, tusschen de verstrooid liggende beenderen, verscheidene tientallen geheele schilden en zeer zeker mag aangenomen worden, dat hun aantal over het gansche strand verspreid, verscheidene honderden bedroeg. Het meerendeel werd gevonden op het verst van de zee verwijderde gedeelte der kust, aan den voet der heuvelen; hetgeen ons het meest verwonderde was, dat zij allen omgekeerd, op den rug lagen. Het waren schilden van den reuzenschildpad (Chelonia Mydas, zeldzamer Ch. imbricata) welke, naar evenredigheid hoog en breed, eene lengte hadden van 3 tot 5 voet. Eenigen hadden reeds lang daar gelegen en waren door den invloed van zonnelicht en regen geheel uitgebleekt en glad; anderen waren donkerder van kleur en aan de binnenzijde nog voorzien van lappen verdroogd vleesch, ja, verscheidenen werden er gevonden, die nog vrij versch waren; met opgereten buikschild en op een aanmerkelijken afstand omringd met verscheurde, stinkende ingewanden lagen zij hier op het zand. Op onderscheidene plekken zagen wij lange, regte sporen, als het ware banen ter breedte van 3 à 4 voet, die uit twee nevens elkander evenwijdig voortloopende groeven bestonden, in het midden waarvan een zwaarder ligchaam over het zand scheen gesleept te zijn geworden. Deze sporen vingen aan bij den zoom van het strand en strekten zich, tusschen de geraamten heen, in eene lijnregte rigting uit tot aan den voet der heuvelen. De twee Javanen die bij ons waren, schenen dit verschijnsel te kennen, want zij hadden een der sporen gevolgd en riepen ons van de heuvelen, waar wij hen bezig zagen met het zand om te wroeten, op vrolijken toon toe: Tampat telor, telor! (een nest met eijeren!)

De heuvelen waren werkelijke zandduinen, die in de onmiddelijke nabijheid van den voet van het gebergte oprezen. Over dit drooge, helderkleurige zand kropen hier en daar lange ranken van Daon katang (Convolvolussoorten) welke met groote, roodachtig blaauwe bloemen waren gesierd, die zij aan dunne stelen droegen; op andere plekken was het zand kaal of slechts begroeid met eene stekelige kruipende grassoort, Djoekoet lari lari (Spinifex squarrosus). Van den schedel der duinen echter blikten, behalve Babak goan (Tournefortia argentea) en andere boompjes, de weligste bladerenbossen van Pandaneën op ons neder. Aan den voet dezer duinen vonden wij op eene enkele plek, in een nest, op eene geringe diepte onder het zand bedolven, meer dan honderd kogelronde eijeren; zij waren witachtig bleek van kleur, hadden de grootte van een kleinen appel en eene weeke, perkamentachtige schaal.—Die lange banen waren derhalve sporen van reuzenschildpadden die, uit den boezem des oceaans opgestegen zijnde, hier 500 à 700 voet ver over het strand kruipen, ten einde hare eijeren te leggen in het zand aan den voet der duinen, terwijl zij het uitbroeijen er van over laten aan de koesterende stralen der zon?!—En op dezen korten togt te land, welken zij misschien slechts een paar malen ’s jaars ondernemen, worden zij door roofdieren aangevallen?— —

Wij besloten den avond hier te komen doorbrengen, ten einde te bespieden hetgeen er zou omgaan, namen zoo vele eijeren mede als wij bergen konden en keerden vervolgens naar ons bivouak terug. Het kustwoud dat zich op de kaap verhief, had eene gansch andere physiognomie als het bosch dat op de duinen voorkwam; het bestond bijna uitsluitend uit Kiboenagaboomen (Calophyllum inophyllum), waarvan het levendig groene, blinkende loof ter hoogte van 30 à 40 voet boven den grond18 tot een digt schaduwdak zich vereenigde. Duizende witte bloemen welke dit schoone loof versierden, balsemden de lucht met de welriekendste geuren. Vele oude stammen verdeelden zich reeds op eene geringe hoogte boven den grond in kolossale takken, die zich wijd en zijd naar alle kanten uitstrekten en met hun neêrwaarts gebogen loof tot aan den grond reikten. Op dergelijke horizontale takken, ongeveer 7 à 8 voet boven den grond, hadden de Javanen onze en hunne slaapplaatsen bereid. Afgekapte twijgen waren tot dat einde in eene dwarse rigting op de hoofdtakken nevens elkander gelegd en deze bedekt met dunne reisjes en bladeren; beneden tusschen de boomstammen waren vuren rondom aangelegd. Eenigen onzer Javanen hadden, namelijk, Krokodillen, Boeaja (Crocodilus biporcatus) voor de monding der beek bespeurd; gelijk bekend is, verlaten zij des nachts hun vochtig element en sluipen langs het strand rond; dit gedierte is nog gevaarlijker dan de tijger, uithoofde van het harde pantser hetwelk zijn ligchaam bedekt.—Eene dergelijke zitplaats hoog boven den grond, waar wij tegen gevaar beveiligd waren, lieten wij nu ook in een Kiboenagaboom gereed maken, welke aan den zoom des wouds, nevens het beenderenveld stond; nadat wij onzen maaltijd hadden genuttigd, waarvan de smakelijke schildpadeijeren de hoofdschotel hadden uitgemaakt, bestegen wij omstreeks 6 ure den boom.—De overige Javanen hadden den last ontvangen om, bij het eerste schot dat zij zouden vernemen, zoo spoedig mogelijk met fakkelen (brandende takken en lange stukken hout) naar de plek te ijlen, waar wij ons hadden verscholen.

Wij loerden. De avond viel.—Wij zagen eerst een, vervolgens verscheidene schildpadden hun vochtig element verlaten;—zoodra zij in zoo verre op het drooge stonden, dat nog slechts een ligte golfslag der branding haar bereikte, stonden zij een oogenblik stil, strekten haren langen hals strak vooruit en in de hoogte, wendden haar eenigzins ter zijde, wierpen een bespiedenden blik in het rond en—kropen dan in eene lijnregte rigting tamelijk snel zonder ophouden over het strand of, beter gezegd, schoven zich met hunne zwempooten voorwaarts en ijlden langs den kortsten weg naar den voet der heuvelen. Uithoofde van de toenemende schemering konden wij naauwelijks een vierde gedeelte van het strand in de lengte gerekend overzien, maar voor zoo verre wij de voorwerpen nog onderscheidenlijk konden waarnemen, zagen wij vier dergelijke donkere plompe ligchamen die zich over de strandvlakte heenschoven. Geen geruisch trof ons oor, dan de doffe toon der klotsende branding. Daar hoorden wij eensklaps iets plassen en klateren beneden ons,—het was veel langer dan eene schildpad en kroop veel behendiger dan deze over het strand,—het was een krokodil ter lengte van minstens 15 voet, die eene prooi zocht? en nu insgelijks al waggelend naar den voet der heuvelen ging. Doodstil, met ingehouden adem, vestigden wij de blikken op het voor ons liggend tooneel.—In de verte kroop een schildpad terug en verdween in de zee.—Het duurde niet lang of in de onmiddellijke nabijheid van de plaats waar wij ons bevonden, keerde insgelijks een donker ligchaam van de heuvelen zeewaarts en naderde ons meer en meer,—maar nog had het de helft des wegs niet afgelegd, toen plotseling uit het naburige woud een groot aantal dieren te voorschijn snelde; aanvankelijk gaven zij niet het geringste geluid van zich, maar op den oogenblik dat zij den schildpad bereikten, lieten zij een snuivend, kort afgebroken gehuil hooren, terwijl zij in een oogopslag het dier omsingelden en op de woedendste wijze aangrepen. Naar onze schatting waren er minstens een dertigtal aanvallers. Zij pakten hun slagtoffer bij den kop, den hals, bij de als vinnen gevormde pooten, bij den staart, aan het achterste, trokken en scheurden het de stukken van het lijf, draaiden het in een kring rond en verrieden door hun fijn en schor klinkend gesnuif dat stootgewijs werd uitgeblaft, de ijsselijkste vraatzucht of bloeddorstigheid. Zij gingen als razenden te werk en schenen den krokodil volstrekt niet te bespeuren, die daar—stil, met ligten, zachten tred—even als een Tjitjak welke aan den wand van een vertrek vliegen vangt, op zijn buik kwam aankruipen—al nader en nader,—vervolgens eensklaps, als een pijl uit een boog, voorwaarts schoot en al twee of drie van de huilende honden tusschen zijne vreesselijke kaken had verbrijzeld, alvorens de anderen het bemerkten, doch die eindelijk eensklaps tot op zekeren afstand uit elkander stoven.

Het waren Andjing adjag’s (Canis rutilans), zoogenaamde wilde honden die in troepen vereenigd leven, kleiner zijn dan wolven, maar veel vraatzuchtiger en wilder mogen genoemd worden dan deze. Wel was de schildpad nog niet dood, maar zij had reeds te veel geleden om zich te kunnen verwijderen; de krokodil, die waarschijnlijk eene goede vangst had gemaakt, trok zeewaarts af.19—De Adjag’s wierpen zich nu van alle zijden andermaal op hunne prooi, vielen haar met vereenigde krachten aan en schenen druk bezig om haar de schilden uiteen te rijten. Ik lag mijn geweer aan en stond gereed om los te drukken, toen een der Javanen de hand op mijn arm lag en mij eenige beteekenisvolle woorden toefluisterde.—Zijn scherp oog had de gedaante, welke uit het duistere woud te voorschijn was getreden reeds bespeurd; zij stond daar, hield stil, keek op, liet de vlammende blikken over de schouwplaats gaan, leide zich op den grond neder en—viel plotseling met een verbazenden sprong te midden van de honden,—een vreesselijk ratelend gebrul dat uit het diepste van de keel scheen op te komen, werd daarbij vernomen en de Adjag’s stoven, als door een panischen schrik bevangen, naar alle zijden uiteen. Onder het slaken van een meer fluitend dan knorrend gehuil, snelden zij ijlings terug naar het woud en de tiran der wildernis, de koningstijger die ten tooneele was getreden, sloeg zijne klaauw ten teeken van verwinning op het schild van het voor hem liggende dier.—Een tweede, kleinere tijger, welligt een panter, sloop insgelijks nader; de eerste wendde zich knorrend, blazend om,—ik lag het geweer aan, drukte los en de knal van het schot weêrklonk in den stillen avond heinde en verre door het gebergte. De strijd der reuzenschildpadden, krokodillen, wilde honden en tijgers had voor ditmaal een einde.

Bijna gelijktijdig met mij had insgelijks mijn broeder Nacht een schot gedaan. Onder het loofgewelf van den boom in welks takken wij gezeten waren, was het echter reeds veel te donker geworden om ergens goed op te kunnen aanleggen, hoewel wij de omtrekken der voorwerpen die zich voor ons op het kale, helderkleurige strand bevonden, nog tamelijk goed konden onderscheiden. Wij hadden mis geschoten—of althans geene doodelijke wond toegebragt, want de beide tijgers waren gevloden. Wel konden wij nog twee schoten uit onze geweren doen, maar wij achtten het evenwel voorzigtiger, de beide loopen op nieuw te laden en waren juist bezig van den boom af te klauteren, toen de Javanen die in ons bivouak achter gebleven waren en de twee schoten gehoord hadden, onder een luid geschreeuw! op ons toesnelden en het gansche tooneel met de brandende stukken gekloofd hout verlichtten, die zij mede bragten. In de nabijheid der schildpad vonden wij een dooden Adjag; was het leven van het eerstgenoemde dier nog niet geheel uitgebluscht, het had echter vreesselijk geleden en werd nu door de Javanen met hunne Gòlok’s20 voor goed afgemaakt. Dewijl zeeschildpadden kop, noch pooten onder het schild kunnen terugtrekken, vallen zij niettegenstaande de buitengewone grootte en stevigheid van dit middel ter harer bescherming, gemakkelijk ten prooi zelfs aan zulke roofdieren, die veel kleiner zijn dan zij, wanneer deze (zoo als hier de wilde honden) hen in grooten getale te gelijk aanvallen. Dit verschijnsel verklaart tevens eenigermate van waar die groote menigte geraamten en schilden haren oorsprong heeft, welke dit woeste strijdperk van elkander vernielende dieren bedekt. Dat gedeelte van het vleesch en der ingewanden hetwelk wilde honden, tijgers, panters en krokodillen laten liggen, nadat zij het buikschild hunner slagtoffers uiteen gereten en des nachts alles met geweld er uitgescheurd hebben, wordt den volgenden dag door zeeadelaars en andere roofvogels verslonden, en steeds ziet men verscheidenen hoog in de lucht boven dit oord rondzweven.

Zeer verwonderden wij ons op het zien, dat de reuzenschildpad reeds omgekeerd was en met haar (gedeeltelijk opengereten) buikschild naar boven lag; wij konden echter niet beslissen of dit het werk was van den tijger, dan wel of zulks reeds vroeger door de vereenigde krachten der wilde honden was geschied. De Javanen beweerden dat het laatstgenoemde het geval was.—Wij sloegen de touwen onzer Pikalan’s om de schildpad en bevestigden deze aan drie Bamboesstaken; zij was zoo zwaar dat zes Koeli’s, waarvan er drie ter wederzijde gingen die de Bamboesstaken op hunne schouders namen, al hunne krachten moesten inspannen om den last te torschen.21 In het bivouak gebragt zijnde, werd het dier afgehakt; het leverde ons niet slechts kostelijk vleesch op en wel in zulk eene hoeveelheid, dat minstens vijfmaal zoo veel personen als wij sterk waren, er zich aan hadden kunnen verzadigen, maar insgelijks eene ontzaggelijke menigte nog zeer kleine, jonge eijeren, ter grootte van eene hazelnoot of iets grooter; deze bestonden geheel en al uit doijer, werden in de soep gekookt en verschaften ons een uiterst smakelijk voedsel.

Een gedeelte van den nacht bragten wij al wakende aan het wachtvuur door; terwijl wij ons onledig hielden met de behandeling van verschillende onderwerpen, kwam het gesprek mede op de wet der doelmatigheid welke zich in de natuur laat waarnemen. Zou het louter toeval zijn, dat eene zeeschildpad op eenmaal zulk een groot aantal eijeren, meer dan honderd stuks te gelijk legt? Zouden wij zoo iets kunnen gelooven, nu wij nog zoo kort geleden hadden gezien hoe groot het getal harer vijanden is zelfs onder de landdieren, welke op de eijerenleggende moeder loeren,—wij, die wisten dat het meerendeel der gelegde eijeren verloren gaat, doordien kleine viervoetige roofdieren, zelfs apen en, in bewoonde oorden, de mensch ze begeerig uit het zand opdelven en weghalen, en dat een ander gedeelte der eijeren bij somber regenachtig weder volstrekt niet wordt uitgebroeid?—Waarom echter aan dit dier zoo talrijke vijanden zijn gegeven, deze vraag kunnen wij niet oplossen, tenzij zulks is geschied met het doel om de grootst mogelijke verscheidenheid des levens met de eenvoudigste middelen te bereiken. Maar door de groote menigte eijeren die niet allen verloren kunnen gaan, is toch voor de instandhouding der diersoort gewaakt, welke ongetwijfeld zou uitsterven, indien het getal eijeren slechts tien in plaats van honderd bedroeg, of indien er zelfs niet 10, maar (even als dit met het jongen bij olifanten en tijgers het geval is) slechts 1 ei werd gelegd!—In den harmonischen zamenhang der verschijnselen, in de zoo veelvuldig aaneengeschakelde tooverketen van oorzaken en werkingen, waar het eene om den wille van het andere bestaat, het een van het andere afhangt, laat zich een redelijk plan waarnemen; onmogelijk kan dit het werk zijn eener blinde noodzakelijkheid. Wel is waar, het einddoel der schepping te begrijpen gaat boven onze bevatting; maar dewijl zoo veel redelijkheid doorstraalt in de middelen welke tot dit doel moeten leiden, hoe zouden wij dan er voor kunnen duchten, dat het einddoel niet redelijk zou zijn?—Zulke denkbeelden bezielden ons en zelfs de nachtelijke strijd der dieren, het woeste, schijnbaar stelsellooze dooreen woelen en werken der organische krachten, was niet in staat ons geloof aan het bestaan van een hoogste redelijk wezen aan het wankelen te brengen. Neen, wij hadden besloten om dit geloof steeds inniger aan te kweeken en vaster wortel te doen schieten in onzen boezem, opdat de overtuiging van het aanwezen van een levenden God ons troost zou schenken in alle rampen, in alle voor ons onbegrijpelijke gebeurtenissen des levens.

Daar alles voortdurend stil bleef in het woud, begaven wij ons eindelijk ter rust. Den volgenden morgen werden wij echter zeer vroegtijdig door onze jongens gewekt, die ons het onaangename berigt meêdeelden dat—al onze Koeli’s waren weggeloopen. En dit was werkelijk het geval. Ten einde zich niet in de noodzakelijkheid gebragt te zien om nog verder met ons mede te gaan, hadden zij zich allen uit de voeten gemaakt, en nu zaten wij hier met onze instrumenten en koffers geheel alleen in de wildernis onder schildpadden, wilde honden, tijgers, krokodillen en apen, wilde stieren, rhinocerossen en panters!

Wat moesten wij nu aanvangen?—„Bidden!” zou hierop welligt een bedienaar van het Christelijke Evangelie hebben geantwoord. Wij hadden echter een waardiger denkbeeld van de grootheid en de wijsheid Gods om te kunnen gelooven dat Hij, ter gunste van een enkelen of van eenige weinige menschen, eene verandering in zijne natuurwetten maken en „wonderen” zou verrigten,—dat hij zich misschien aan een tiental Koeli’s in den droom zou openbaren of in een brandenden doornbosch of in eene lichtende wolk aan hen zou verschijnen en hun bevelen: zich zoo snel mogelijk naar Tandjoeng-Gnodos te begeven.—God werkt slechts door middel der natuurkrachten die hij in het wezen heeft geroepen en naar wetten die onveranderlijk zijn. Ja, het is juist de eeuwige, onwankelbare trouw dezer wetten, welke den mensch, zoodra hij ze heeft leeren kennen, met vertrouwen vervult; deze bestendigheid en onverbiddelijke consequentie der natuurwetten is het alleen, waardoor het aan beschaafde volken mogelijk is geworden zich op te voeren tot dien trap van ontwikkeling, van kunst en wetenschap, waarop zij thans staan. Niet het bidden, maar de kennis van de natuurwetten heeft hen op die hoogte gebragt.

Dit geloofden wij en in overeenstemming daarmede werd de behendigste klauteraar die zich onder onze jongens bevond, namelijk Soengsang, gelast om in den top van een hoogen Kampakboom (Hernandia sonora) te klimmen, die zich dieper landwaarts in op eenigen afstand van het Kiboenagawoud verhief, ten einde van daar te zien: of in de omliggende streek ergens sporen van menschelijke bedrijvigheid konden waargenomen worden.—Soengsang klom in den boom en riep ons uit den top toe: dat hij hooger op in het gebergte een dunnen rook uit het woud zag opstijgen, en dat hij vermeende aldaar den top van een Kokospalm boven de oppervlakte van het woud te zien. Zoodra Soengsang weder naar beneden was geklauterd, besloten wij hem mede te nemen en ons een pad te banen dwars door de wildernis heen naar gindsche streek, waar hij den rook had zien opgaan. Wij wapenden ons ieder met een Gòlok en mijn broeder en ik namen nog bovendien elk een geweer mede; de overige jongens lieten wij met onze beide andere geweren in het bivouak en baanden ons, krachtig in het rond hakkende, met Soengsang vooraan een pad door de wildernis.

Wij zouden ongetwijfeld een halven dag noodig gehad hebben om op deze wijze eene halve mijl ver door het digt ineengegroeide struikgewas heen te dringen, indien wij het geluk niet hadden gehad een gebaand pad te vinden dat blijkbaar van de kust naar het binnenland en bergopwaarts liep. Wij volgden het en nadat wij gedurende een klein uur onzen togt hadden voortgezet over een terrein dat met zachte glooijing opwaarts rees, kwamen wij in eene streek aan waar eene verwilderde, met onkruid begroeide koffijplantaadje stond en eene tamme hen met hare kiekens al pikkend rond liep. Weldra hoorden wij het kraaijen van een haan, en tot onze groote vreugde ontwaarden wij vóór ons, op een open, slechts met gras begroeid plekje in het woud, een half dozijn Bamboeshutten waar tusschen eenige Kokospalmen hunne toppen verhieven; eene levende haag van Pisang en van koffijstruiken omringde het kleine gehucht. Aan den zoom van het woud waren donkergroene Arengpalmen zigtbaar. Kinderen speelden tusschen de hutten, en wij ontwaarden mannen en vrouwen, waarvan sommigen buiten de deur, anderen op den drempel hunner hutten stonden.

Het blaffen der honden verried onze komst; zoodra de spelende jeugd ons in het oog kreeg, bleef zij, als van den donder getroffen, van schrik eensklaps roerloos staan;—de moeders pakten hare kinderen snel bij den arm en ijlden er mede weg, de mannen volgden haar in woeste vaart en alles wat loopen kon, snelde voort en nam onder een aanhoudend geroep van: „help! help! erbarming!” op den voet gevolgd door de blaffende honden—in allerijl de vlugt.

Slechts een bejaarde man met een langen, grijzen baard bleef, met de beenen kruiselings over elkander geslagen, rustig voor een der hutten zitten en zeide, ons bedaard groetende (een Sĕmbah makende): „Goeden dag, heeren Kedjoets! (landroovers.) Hier zit ik. Stoot mij neder. Ik ben een oud man; ik heb lang genoeg geleefd. Het is de wil van den Albarmhartigen Toean Allah,—gij kunt mij dooden.”