Wij plaatsten ons op gelijke wijze als hij zat, tegenover den grijsaard op den grond, leiden de geweren tusschen hem en ons neder, namen eenige cigaren in de hand en reikten ze hem toe.—Hij bezag ons nu met meer aandacht en sprak: „Zijt gij geene roovers? Zijt gij Orang poetih (blanken)?—Hollanders? Het is lang, zeer lang geleden; ons dorp stond destijds nog beneden aan de kust, toen kwamen zeeroovers (Badjak’s), zij overvielen ons en hebben mijne vrouw en mijne kinderen vermoord. Sedert dien tijd hebben wij ons hier hooger bergopwaarts in het woud nedergezet. Onze Oema’s (rijstvelden) liggen daar ginds. Vijf jaren geleden is een Mantri (inlandsche beambte) hier geweest; hij heeft ons Bibit kopi (koffijboonen) gebragt en ons geleerd hoe wij koffij moeten planten. Daar staan de struiken. De Moesang’s22 eten de bessen op. Wij kunnen ze niet gebruiken. Wij hebben geen lust om naar de Pakamitan (hoofdplaats) te gaan. Wij hebben geen geld noodig.”
De gelatenheid, de onderwerping van dezen grijsaard maakten op ons een diepen indruk. Hij was ons een toonbeeld van menschelijke waardigheid in het kleed van den eenvoudigsten natuurstaat. Daar hij vertrouwen in ons begon te stellen, waren wij de zaak spoedig met hem eens. Op ons verzoek verklaarde hij zich bereid zijne gevlugte landslieden op te sporen en terug te roepen. Wij gaven hem een onzer geweren mede, ten einde dit den vreesachtigen ten bewijze onzer vredelievende gezindheid te toonen.—Een half uurtje na zijn vertrek kwamen zij allen terug. De vrouwen slopen binnen de hutten en de mannen, benevens de grijsaard en eenige half volwassene knapen, elf in getal, zetteden zich op eenigen afstand van ons op den grond neder.—Wij gaven hun nu te verstaan dat wij, tegen ruime betaling en goede behandeling, voor een halven dag niets anders van hen verlangden dan Koelidiensten en dat wij ons naar het groote, westwaarts van hier gelegen dorp wenschten te begeven. Hun antwoord was: „Trada boleh Toean (dat is onmogelijk); daarheen leidt weg noch steg; eene vreesselijke wildernis ligt tusschen ons gehucht en het gindsche dorp, dat veel meer dan eene dagreize van hier verwijderd is.” Zij verklaarden zich echter bereid, om ons eenige uren ver langs het strand in eene oostelijke rigting te geleiden—wij zouden derhalve terug moeten gaan—en ons van daar landwaarts in naar een groot dorp te brengen, waar een Pasanggrahan werd gevonden en waarheen de togt, naar hunne meening, in eene halve dagreis kon worden afgelegd. Wat stond ons nu te doen?—Wij waren ten laatste nog blijde, dat er gelegenheid bestond om van hier weder weg te komen; wij lieten derhalve ons plan om westwaarts te trekken varen en namen het aanbod hetwelk zij ons deden, aan om ons naar het naastbij zijnde, oostwaarts van hier gelegene groote dorp te begeleiden.
De tijd, dien zij behoefden om met behulp hunner vrouwen den gebruikelijken voorraad rijst, zout, Spaansche peper, benevens een paar gedroogde vischjes of eenige schildpadeijeren ten gebruike op reis in te pakken, werd door ons besteed om het kleine gehucht te gaan bezien. Het werd Bobakan-Najona geheeten. De bewoners bezaten paarden noch buffels; hunne huisdieren bestonden uit kippen, honden en vier geiten, benevens eenige geitjes. Buitendien zagen wij een aantal dikke Bamboesbuizen en uitgehoolde Arengstammen, die onder het uitstekende gedeelte der daken hingen en eene lengte hadden van 3 à 4 voet; in het voorgedeelte dezer buizen was eene opening, waar eene soort van kleine bijen die geen angel hebben en niet veel grooter zijn dan muggen, zonder het minste gegons te maken uit- en in vlogen. Deze diertjes, Sĕlemprang (Melipona minuta), bereiden behalve honig insgelijk was (Towol), hetwelk de vrouwen bezigen bij het opbrengen van gekleurde teekeningen (Batik) op de katoenen kleedingstoffen, welke zij zelven weven. Uit dien hoofde worden zij voor huisdieren gekweekt. „Hebben wij was noodig,” zeide ons een der bewoners van dit gehucht, „dan behoeven wij slechts zulk een hollen stam of Bamboesbuis vóór onze woning op te hangen, spoedig nestelt zich daarin eene talrijke zwerm bijen en binnen eenige weken is de gansche ruimte grootendeels met Towol gevuld.”—Deze allereenvoudigste bijenkorven schenen ons hier regt op hare plaats te zijn. Wij zagen er in het klein het beeld in van de even zoo eenvoudige huishouding der dorpsbewoners. Zonder eenig geluid te maken, vreedzaam en weêrloos verrigten deze kleine diertjes ijverig hunnen arbeid. Even weinig geschikt om zich te verdedigen, maar niet minder stil en te vreden slijten deze Javanen hun leven hier in de eenzaamheid.—En toch scheen hun lot mij niet benijdenswaardig toe. Hoe minder behoeften: des te geringere zorg; het is waar. Waar echter weinig wordt geleden: daar geniet men ook weinig vreugde, en hoe talrijker de behoeften des menschen zijn, hoe hooger de trap van ontwikkeling is welken hij heeft bereikt, des te arbeidzamer zal hij moeten zijn en des te grooter, des te menigvuldiger zal het genot wezen, dat het leven hem kan verschaffen.—Het speet mij slechts van de arme koffijstruiken, die hier in der tijd in den allervruchtbaarsten bodem geplant waren geworden, maar uit gebrek aan toezigt en leiding tot den arbeid daar geheel verwaarloosd stonden; de vruchten hingen verdord aan de twijgen of waren afgevallen en lagen op den grond te verrotten. „Trada soeka minom—of Trada adat tanam kopi (wij drinken geen koffij—of het is bij ons geen gebruik (Adat) koffij te planten),” was het gewone phlegmatische antwoord der dorpelingen op onze vragen.
Dewijl wij toch minstens een paar volwassene mannen in het dorp moesten achter laten, bedroeg het getal Koeli’s dat met ons ten 9 ure in het bivouak terugkeerde, slechts zeven; het gevolg hiervan was, dat drie van onze jongens afwisselend de Koeli’s de behulpzame hand moesten bieden om onze pakkaadje te dragen, hetgeen hen echter niet verhinderde al de ledige plaatsen in de koffers en potten, zoomede hunne eigene zakken vol te stoppen met schildpadeijeren.—En honderde dergelijke eijeren werden er weggeworpen.
In den voormiddag vingen wij op die wijze den terugtogt aan en kwamen ongeveer ten 12 ure aan een gebaanden weg, welke ons in eene noordelijke rigting van het strand landwaarts in voerde; wij volgden dezen weg en bereikten ten 3 ure zeer vermoeid het schoone Tji-Inoebdal, waar talrijke groepen Kokospalmen wier toppen vrolijk in den wind ruischten, ons de ligging van even zoo vele dorpjes verrieden. Hunne in den zonneschijn blinkende en fladderende waaijers verhieven zich hoog boven het bladerendak der loofdragende vruchtboomen, waar tusschen de van Bamboes vervaardigde woningen der Javanen verborgen waren. Tusschen deze boschjes werden onder water staande rijstvelden (Sawah’s) gevonden, waarin eene menigte dominé’s (Ciconia capillata) met kale koppen, al pikkende naar hun lievelingskost, naar kikvorschen, met statigen tred in het rond waadden; de dames te Batavia, al is het ook dat zij niet op dominé’s gesteld zijn, houden echter veel van de Maraboevederen, welke deze vogel verschaft.
Wij begaven ons naar het grootste dezer dorpen, Oegoed geheeten, dat wij weldra binnentraden. Hier was alles in dulci jubilo; de slagen van Gamĕlan’s klonken ons luide uit meer dan een Pĕndopo te gemoet. Hieraan paarde zich het zachte, liefelijke geluid des Angklong.23 Eerepoorten van helder groen loof waren hier en daar opgerigt, en in feestgewaad gedoste en opgesierde inlanders van allerlei ouderdom wandelden in het rond. Naar ons verhaald werd, vierde men den tweeden dag van eene bruiloft. De zoon van den Loerah24 was den vorigen dag gehuwd met de dochter van een Mandor goedang kopi (opziener van een koffijpakhuis) en het scheen, dat hij juist gereed stond om nu zijn laatsten omgang door het dorp te maken.—Onze Koeli’s bragten ons in den ledigstaanden Pasanggrahan, ontdeden zich aldaar zoo spoedig mogelijk van de pakken en koffers, en spoedden zich onmiddellijk daarop weder voort, ten einde deel te nemen in de algemeene vreugde. Onze jongens volgden hun voorbeeld en wij insgelijks, dewijl het er in den Pasanggrahan zoo armoedig en leêg uitzag als het geval kan geweest zijn op het drooge land tijdens de silurische formatie.
De jonggehuwden en hunne feestgenooten trokken zoo even langzaam, in plegtstatigen optogt, voorbij den Pasanggrahan en over het Aloenplein dat daar vóór gelegen is. De bruid zat in een open, bontkleurigen draagstoel (Tandoe) welke door vier rijk gekleede Javanen werd gedragen. Twee mannen gingen ter wederzijde er van; zij werden voorafgegaan door een aantal vrouwen welke groote met bloemen gevulde, geelkoperen kwispeldoors (Kĕmbar majang) droegen. Het bovenlijf der bruid was tot aan de heupen, geheel en al ontbloot; haar aangezigt was wit gemaakt met rijstmeel (Poepoer) en hare armen, hare borsten en het overige onbedekte gedeelte van het ligchaam waren geel geverwd met Boreh; om de armen droeg zij zilveren ringen en in de ooren lange gouden versierselen. Overigens had zij ter bedekking van het benedengedeelte des ligchaams slechts een prachtig kleed, Sarong,25 terwijl het zwarte hoofdhaar was gesierd met welriekende witte Mĕlati- en gele Tjĕmpakabloemen.—Hierop volgde eene dubbele rij mannen welke het Kĕmpar majang des bruidegoms droegen. Zij gingen vooraf en hij, gedost in vollen Dodot (galakleed) volgde, gezeten op een sierlijk opgetoomd paard dat bij den teugel werd geleid door twee er nevens gaande personen. Een kostbare Sarong bedekte in wijde plooijen het benedengedeelte des ligchaams; even als dat zijner bruid was zijn bovenlijf tot aan de heupen geheel naakt en ook zijn gelaat was wit, de overige deelen zijns ligchaams geel gemaakt. Achter in den gordel waarmede de Sarong om de heup werd vastgehouden, stak de met bloemen gesierde Kris.26 Zijn lang zwart hoofdhaar hing, insgelijks met bloemen gesierd, geheel vrij langs zijne schouders, en in plaats van den gewonen hoofddoek droeg hij een Koeloek (eene parademuts).—Dan kwamen eenige priesters (Imam’s en Modin’s), herkenbaar aan hunne witte hoofddoeken en aan hunne kleederdragt in het algemeen;—hierop volgden, in feestgewaad gedost, de verwanten der bruid en van den bruidegom en achter deze huppelden Angklong- en op trommels (Terbang) of bekkens (Kĕnong) slaande Gamĕlanspelers, waarna eene tallooze schaar van andere inlanders—oud en jong, mannen, vrouwen en kinderen, allen met de beste kleêren aan, den plegtigen optogt besloot.
Naar ik hoorde, begaven zij zich naar de woning van des bruidegoms vader, alwaar de bruid voor een prachtig versierd bruidsbed (Padjangan) dat te midden van het vertrek was geplaatst, moest ontvangen worden. In den Pĕndopo die vóór deze woning stond, waren de noodige toebereidselen voor het bruiloftsmaal gemaakt.27—Weinig tijds nadat wij van het Aloenplein naar den Pasanggrahan waren teruggekeerd, verscheen de Loerah aan het hoofd eener bezending, bestaande uit mannen en vrouwen die korven, groote houten schotels, drinkschalen en schenkbladen, alles gevuld en beladen met rijst, thee, suiker, velerlei soorten van vruchten en gebak van rijstmeel, suiker of honig (Koewé koewé) van verschillenden aard voor zich uit droegen. Deze lekkernijen werden ons aangeboden en op den vloer in den Pasanggrahan nedergezet, dewijl er banken, tafels, noch stoelen voorhanden waren. Bovendien werden wij door den Loerah op het bruiloftsmaal verzocht, en uitgenoodigd om later deel te nemen aan den daarop volgenden Tandak (Javaschen dans, waarbij de Gamĕlan geslagen wordt), voor welke eer wij echter, uithoofde van de vermoeijenissen der afgelegde reis, bedankten. Wij verzochten hem om ons voor alle dingen eene tafel en een paar stoelen of banken te bezorgen, waaraan onmiddellijk werd voldaan, en nu trachtten wij ons onder het algemeen gejubel zoo goed mogelijk in te rigten. De Javanen bragten ons spijzen en voornamelijk gebak van allerlei aard in overvloed en wij moesten bekennen dat wij, niettegenstaande de armoedige wijze waarop wij waren aangekomen—te voet, niet onder geleide van een inlandsch hoofd, met pakkaadje op de schouders van onze eigene bedienden—op eene uitstekend gastvrije manier te Oegoed waren ontvangen geworden. Bij dergelijke feestelijkheden wordt onder de Javanen het schoone beginsel ten stelregel genomen: dat niemand van allen, die in de nabijheid zijn, zelfs niet de armste Koeli, onbevredigd blijve of treurig mag wezen.
Hetgeen wij echter het meest van alles behoefden: rust, slaap, vonden wij, helaas! het minst.—Het slaan op den Gamĕlan, het geschal der groote Gong’s, het luid gillend gezang der Ronggèng’s (dansmeisjes, Bajaderen), de beweging veroorzaakt door de talrijke menigte personen in het dorp aanwezig, de herhaalde ontploffingen van raketten en ander vuurwerk, het blaffen der honden, enz., dreunde ons den ganschen nacht in de ooren. Toen ons nu den volgenden morgen werd berigt dat dit vrolijke leven (Ramé ramé) nog twee dagen en twee nachten zou voortduren, maakten wij ernstige aanstalten om de plaats te verlaten—verder te reizen en zonden derhalve boden naar den Loerah met verzoek, dat hij ons Koeli’s zou verschaffen om onzen togt te kunnen voortzetten. Onze jongens kwamen echter terug met het berigt, dat het volstrekt onmogelijk was om in de beide eerstvolgende dagen Koeli’s te bekomen. Wij ontboden daarop den Loerah zelf, die weldra bij ons kwam en met de beenen kruiselings op den grond zich voor ons nederzette; nu kregen wij het bevelschrift (Soerat printah) van den resident en leiden het hem voor. Maar de Loerah kon niet lezen, en—onder het maken van buitengewoon vele pligtplegingen, er bijvoegende: „dat wij het hem, zoo hij hoopte, toch vooral niet kwalijk zouden nemen”—gaf hij ons te verstaan: dat de bevelen om reizende heeren de verlangde hulp te bieden, hem vroeger steeds mondeling door het distriktshoofd waren medegedeeld, en dat het geen Adat was te reizen met zulke schriftelijke bevelen als wij hadden. Gaarne zou hij ons Koeli’s verschaffen, indien wij slechts twee dagen geduld wilden hebben. Voor den oogenblik was het hem echter volstrekt onmogelijk om aan ons verzoek te voldoen; de dorpsbewoners wilden niet, en ze er toe dwingen, dat kon hij niet.
Nu gingen wij beproeven om als man met man te onderhandelen en gingen met onze jongens in het dorp rond, haalden de beurs te voorschijn en boden elken ledigstaanden of rondslenterenden Javaan dien wij aantroffen, drie, ja, naderhand zelfs vijf gulden zilver geld aan om onze ligte pakkaadje eene dagreis ver tot aan de hoofdplaats der residentie te helpen dragen; zij keken het geld eens aan, glimlachten—maar, de Ronggèng’s wier stemmen hen uit den Pĕndopo te gemoet klonken, de welluidende slagen van den Gamĕlan die uit de verte weêrgalmden, de menigte vrolijke menschen die zich hier bevond, de overvloed van Koewé koewé, de prachtige optogten van bruid en bruidegom—neen! daarvan konden zij niet scheiden.—Ruim een uur lang hadden wij het dorp doorwandeld, alle mogelijke pogingen in het werk gesteld om langs den weg van overreding tot ons doel te geraken, den ganschen voorraad van ons redenaarstalent uitgeput en alle zilveren guldens en Spaansche matten die wij nog over hadden, in onzen buidel doen rammelen, maar—alles te vergeefs; geen enkele der gebezigde middelen schonk eenige baat; alle drangredenen waren verspild; wij konden geen enkelen Koeli verkrijgen. Tamelijk mistroostig en met loome schreden keerden wij terug, gingen over het Aloenplein naar onzen Pasanggrahan en stonden juist gereed de trappen die naar de voorgalerij geleidden, te bestijgen, daar vernamen wij achter ons een getrappel, wij keerden ons om en—wat zagen wij daar? een ruiter kwam met lossen teugel het dorp binnen rennen——
een tiental anderen galloppeerde hem achter na,—zoodra de voorste ruiter ons in het oog kreeg, hield hij op een afstand van 500 voet den teugel in,—steeg van zijn paard en trad in eene bukkende, onderdanige houding naar ons toe, totdat hij tot op ongeveer een tiental schreden was genaderd; daar zette hij zich op den grond neder, maakte een eerbiedigen groet en sprak, telkens zijn Sĕmbah herhalende, de volgende woorden tot ons: „Ik vraag duizendmaal om verschooning, hooggeërbiedigde heeren! Duidt mij toch niet ten kwade, dat ik vóór vijf dagen toen ik uwen brief ontving, niet terstond zelf bij u gekomen ben. Ik wist niet, wie gij waart; sedert eergisteren heb ik u echter overal nagereisd en ben nu eindelijk zoo gelukkig geweest u te vinden. Ik smeek u nogmaals duizendwerf om verschooning! Neemt het mij toch niet kwalijk. Ik moet u vele groeten overbrengen van den heer regent. Gij kunt vijftig Koeli’s krijgen, ja, honderd of, in een woord, zoo velen gij wilt. Alles is tot uwe dienst. Ik zal het mij tot groote eer en tevens tot een waar genoegen rekenen, indien het mij zal vergund worden u overal heen persoonlijk te vergezellen en—hier—is mede een brief van Toean Abingrot.”
IK. Abingrot?!—Snel brak ik den brief open, zag wie de onderteekenaar er van was en daar las ik de volgende woorden:—„Uw liefhebbende broeder Avondrood.”
NACHT. Wat! Avondrood? Onze oudste broeder! hier, op Java, welligt in onze nabijheid? O, welk eene vreugde, lieve broeder, hoezee!
Ik las: „Aan het meer Tĕlaga-Nagnetap. Lieve jongste broeder! Sedert drie dagen ben ik met broeder Morgenrood” - - - Wat! is Morgenrood insgelijks hier? Welk een genoegen, welk eene verrassing! welk een onverwacht geluk, dat wij met ons vieren broeders, die elkander sedert jaar en dag niet ontmoet hebben, hier te midden dezer heerlijke natuur ons zullen wederzien!—„alhier aangekomen en heb tot mijne groote verrassing gehoord, dat gij met broeder Nacht insgelijks in deze residentie zijt. Wij vermeenden dat gij u in Banjoemas bevond en waren in twijfel, of gij werkelijk de heeren Dak en Nat (zoo als men ons de namen noemde) waart, die (gelijk verhaald werd) pogingen in het werk stelden om de Javanen te bekeeren, voetreizen maakten en een waar Koeli’s leven leiden. Maar gisteren kwam het distriktshoofd van Gnodnab alhier aan, met bevelen van den regent om u op te zoeken en den noodigen bijstand te verleenen. Hij toonde mij een brief van u, en nu was alle twijfel opgeheven. Groot is onze vreugde! Wisten wij slechts waar gij ronddwaalt, dan ijlden wij u onmiddellijk te gemoet. Voorshands echter durven wij ons niet ver van hier verwijderen, want onze wakkere vriend, de resident Praktischman dien gij, beste Dag, insgelijks kent en met wien wij uit Oost-Java gezamenlijk tot aan Gnodnab zijn gereisd, heeft beloofd ons, na zijne terugkomst van Batavia, in de wildernis te komen bezoeken.—Derhalve, beste broeders, komt naar ons toe, spoedig, ijlt herwaarts naar het meer, opdat wij u omhelzen.—P. S. Wij hebben ons hutten gebouwd en plaats en levensmiddelen in overvloed voor u allen.”
De inhoud van dezen brief werkte als electriseerend op ons beiden en Nacht was zoo opgetogen op het vernemen van dit onverwachte berigt, dat hij het goedhartige distriktshoofd van vreugde in zijne armen sloot; deze echter wist naauwelijks hoe hij zich moest houden, want het ontvangen eerbewijs—eene openbare schending van den Adat—had hem geheel en al van zijn streek gebragt. Hij gaf ons zijn verlangen te kennen, om zich gedurende eenige oogenblikken te verwijderen; hij ging heen, wij gebruikten onze koffij en tot onze niet geringe verwondering zagen wij, dat het Aloenplein in minder dan tien minuten, als door tooverij, met—Koeli’s om zoo te zeggen bedekt geraakte, die zich ter wederzijde van het middenpad met de beenen kruiselings over elkander in eene lange rij op den grond nederzetteden.—Dat was de tooverkracht der Argumenta ad hominem die alleen het distriktshoofd scheen te kennen, dewijl onze drangredenen kort te voren bij zijne landslieden niets hadden uitgewerkt. Onze jongens echter, die in het moeijelijke „Koelileven” in het maken van voetreizen volstrekt geen behagen vonden, mogten zich verheugen dergelijke aanstalten te zien maken, die hun het nabij zijnde einde van de Soesah soesah28 verkondigden. Want in langen tijd hadden wij hen niet zoo druk in de weer gezien. Zij maakten niet weinig haast, deelden luid hunne bevelen uit, pakten onze goederen in, droegen het eene stuk na het andere den trap af naar het plein,—de Koeli’s die daar zaten, sprongen op en wedijverden! om de eer, wie een gedeelte van onze pakkaadje het eerst opnemen en wegdragen zou; ja, meer loopende dan gaande spoedden zij zich met hunne lasten het dorp uit;—want de Heer baron (of Raden) distriktshoofd Praba Widjaja Kadoekareksa, enz., enz., gedost in galakostuum, met de Kris in de gouden scheede gesierd, trad daar zoo even weder op het tooneel en deelde zijne bevelen uit, waarop (onder het telkens en herhaald maken van Sĕmbah’s) een getrouwe echo, ja, ja, ja, ja,—weêrklonk.
Nu werden paarden voorgebragt, reeds gezadeld en getuigd, die door hun ongeduldig getrappel hoorbaar te kennen gaven hoe vurig zij waren. Vóór bij den ingang van het Aloenplein hadden twee voorrijders, met vaantjes aan hunne lansen, post gevat, slechts wachtende op den oogenblik dat wij den voet in den stijgbeugel zouden zetten, om in allerijl ons vooruit te rennen. Wij zetteden ons eindelijk in den zadel, daar snelden de voorrijders weg aan ’t hoofd van den togt, de slagen van den Gamĕlan volgden steeds sneller elkander op, en een luid en vrolijk allegro klonk door het dorp,—wij galoppeerden hen achterna, gevolgd door het distriktshoofd—en achter hem draafden onze en zijne bedienden, benevens eene talrijke schaar kleinere hoofden en andere Javanen.—Zoo vlogen wij in ijlende vaart, niet ongelijk aan eene woeste bende van den Wilden jager, het dorp uit, terwijl de luide toonen der op een klokkenspel gelijkende Javasche muziek langs de bergwanden weêrgalmden en het gehinnik der paarden de frissche morgenlucht deed trillen.
De kleine Javasche paarden waren zoo vurig en moedig, zij snoven en brieschten van levenslust en gevoel van kracht; de ruiters die ze bereden, schertsten met elkander en lachten elkander uit, wanneer door het ordelooze van den togt de een den anderen in het voorbij rijden knelde of een gevoeligen stoot toebragt. De cavalcade welke wij op die wijze vormden, zag er werkelijk bont en schilderachtig uit. Behalve mijn broeder en ik, die in witte katoenen kleederen en met een breed geranden, grijskleurigen vilten hoed op het hoofd, vooraan reden, werden er onder al de overigen geen gevonden die hemden, kousen en schoenen aan het lijf hadden. Het distriktshoofd droeg een zwart katoenen buis met gouden knoopen, en verder den Sarong. De overige Javanen hadden deels roode, deels groene, anderen weder blaauwe buizen (Badjoe) aan, die van voren open stonden, terwijl bij anderen daarentegen het gansche bovenlijf geheel en al onbedekt bleef. Velen droegen zelfs geene broeken en hadden, in plaats van een Sarong, niets anders omgeslagen dan een Kajin (lendendoek) dat zij later door den snellen rid verloren. Dan zaten zij van top tot teen in het kostuum van Adam (het antiekste van allen) te paard en—werden uitgelagchen. Bij anderen ging de hoofddoek los, welke dan als een lange wimpel achter hen in lucht fladderde;—de ruiters die het verloren hoofddoek weder magtig wenschten te worden, sprongen dan van het paard, maar vergaten de teugels vast te houden,—de paarden draafden dan mede door en hunne voormalige berijders liepen ze, met den opgeraapten hoofddoek in de hand, achterna en genoten het vermaak de snelheid hunner beide beenen met de vier pooten van hun paard te kunnen vergelijken.—Op die wijze ging de togt in vluggen draf naar het gebergte heen, in de rigting van de plaats, waar te midden der sombere wouden die het overschaduwen, het meer Nagnetap moest gelegen zijn. Weldra hadden wij de Koeli’s ingehaald, die onze pakkaadje droegen; nu echter behoefden wij ons niet omtrent hen te bekommeren, want wij wisten dat het heden niet noodig was om ze aan te sporen en bovendien dat wij aan het meer alles zouden aantreffen, hetgeen wij noodig mogten hebben. De Javasche paardjes die tot nu toe goed doorgeloopen hadden, begonnen hunne drift allengs te matigen en staakten hun snuiven en brieschen eindelijk geheel en al; het gebergte, namelijk, begon met steiler glooijing op te rijzen en wij waren nu in staat om, nevens elkander voortrijdende, zeer gemakkelijk onderling een gesprek te voeren.
NACHT. Er zijn nu omtrent veertien dagen verloopen sedert wij de hoofdplaats der residentie B. hebben verlaten, tot waar wij de reis met postpaarden hadden voortgezet. Dit tijdvak is kort. Maar toch moet ik tot mijne smart bekennen dat ik reeds begin te twijfelen, of men door middel van vrijen arbeid in het binnenland van Java tot een of ander voldoend resultaat zou kunnen komen. Wij hebben althans bijna overal de droevige ervaring opgedaan, dat wij met onze klinkende munt, onze overredingskracht en goede woorden, als man tegen man, nergens veel konden uitrigten.
DAG. Natuurlijk niet; daartoe is noodig aanzien en magt, dat wil zeggen het regt om te bevelen. Komt er iemand dien de Javanen als hun gelijke beschouwen,—zoo als met ons het geval is geweest, sedert wij te voet en zonder dat vooraf bevelen van inlandsche hoofden waren gezonden, het land doorkruisten,—dan doen zij voor hem juist zoo veel als voor hun gelijke, maar ook niets meer. In de wildernis westwaarts van den Tandjoeng-Gnodos hadden zij niets te verrigten en om die reden hebben zij ook ons derwaarts niet willen begeleiden. In het meer beschaafde Europa is geld de drangreden welke individuen noopt, meer voor anderen dan voor zich zelven en zijn gelijke te doen; maar welke waarde kan geld toch wel hebben hier in het binnenste van Java, in het oog van den eenvoudigen bergbewoner die bijna al zijne behoeften zonder geld kan bevredigd zien? Gemak is hun meer waard. Hoe gastvrij zij ons ook overal ontvingen, wij hadden echter voortdurend met Soesah soesah te kampen, en het is u bekend dat wij ons doel of slechts ter naauwernood, of in het geheel niet hebben kunnen bereiken.—Maar welk eene uitwerking had niet dezen morgen de verschijning van den Raden distriktshoofd? Hij stampte met den voet op den grond en een geheel leger Koeli’s stond op zijne wenken te wachten! Wat repten deze Koeli’s zich met armen en beenen, wat waren zij eensklaps behendig en vlug geworden!—en toch waren het dezelfde menschen die kort te voren noch door middel van geld, noch door goede woorden van onze zijde zoo ver konden gebragt worden, dat zij opstonden van den grond waarop zij zich hadden nedergevleid.—En gedraagt het distriktshoofd zelf zich thans niet geheel anders jegens ons dan voor eenige dagen,—is zijn eerbied jegens ons niet 99 per cent gerezen, sedert hij weet dat wij van regeringswege alle ondersteuning welke wij verlangen, op reis bekomen kunnen en dat wij op een vriendschappelijken voet staan met zijne overheden, met den regent en met den resident?
NACHT. Hetgeen gij daar zegt, is slechts al te waar. Maar het doet mij leed, te moeten zien dat onder een volk hetwelk zulk een voortreffelijken aanleg bezit, zulk een slaafsche geest heerscht, dat steeds bevelen van hooger hand volstrekt vereischt worden om den reizigers den noodigen bijstand te doen geworden, en dat deze bevelen met blinde gehoorzaamheid worden opgevolgd. Het schijnt, dat de despotieke regeringsvorm der Javanen bij hen elken kiem van achting voor den mensch op zich zelven—als mensch—in zijne ontwikkeling heeft verstikt.
DAG. Er ligt veel waars in hetgeen gij daar zoo even hebt gezegd. Maar toch hapert er nog iets aan uwe wijze van beschouwing, om volkomen waar en overeenkomstig de natuur te zijn. Was het gedrag der Javanen jegens ons niet altijd beleefd? Hebben zij ons ooit met minachting behandeld?—Ja, ik vraag het u, zouden wij bij de Christenboeren in Holland wel zoo gastvrij zijn ontvangen geworden, als hier bij deze zwarte Javanen, die wij voor de eerste maal, als geheel vreemde blanke menschen ontmoetten, het geval is geweest?—Het schijnt u te hinderen, dat hier op Java de menschelijke grootheid die zich omgeeft met aanzien en aardsche pracht, die als despoot optreedt, zoo onvoorwaardelijk wordt gehoorzaamd. Gij verliest echter uit het oog, dat onze beminde landslieden in Europa zich door een tiran laten beheerschen die nog veel minder achting verdient, namelijk:—geld. Wat mij betreft, ik verklaar u openhartig en ik kom er rond voor uit dat, indien mij ter eeniger tijd geen uitweg mogt overblijven en ik tusschen twee dingen had te kiezen, namelijk, of een grooten geldzak als afgod moest aanbidden of een levend mensch die zich voor mijne blikken stelt in al den glans van aardsche kracht en heerlijkheid—, in zulk een geval mijne keuze niet twijfelachtig zou zijn. Waarschijnlijk waren de Javanen heden morgen van hetzelfde gevoelen, toen hun hoofd te Oegoed aankwam, waar een enkel woord, ja, een wenk van hem voldoende was om tot stand te brengen, hetgeen wij vroeger met onzen vollen geldbuidel niet hadden kunnen bewerken.
De Javaan wiens beschaving nog niet ver genoeg is gevorderd, om menschelijke eigenschappen—als zieleadel, hooge deugd, scherp verstand, diepe wetenschappelijke kennis—in absoluten zin, om en op zich zelven, te schatten, meet de waarde der menschen af naar de wijze waarop zij zich uiterlijk aan hem voor doen, naar den rang welken zij in de maatschappij bekleeden, en ik geloof dat ook bij onze landslieden in Europa de uiterlijke rang van een individu en zijne kleeding of de uiterlijke eereteekenen welke hij draagt, althans de eerste en voorloopige maatstaf zijn waarnaar hij wordt beoordeeld. Waarom zullen wij dit nu in den Javaan berispen, op wiens gemoed van der jeugd af geduchte natuurkrachten hunnen magtigen invloed uitoefenen, die hem allen onderwerping, geduld, gehoorzaamheid luide verkondigen?—Kan hij de donderende vulkanen die hunnen vuurgloed over zijne velden en akkers uitbraken, gebieden tot rust weder te keeren, of kan hij de aarde welke zoo menigwerf onder zijne voeten trilt en beeft, bevelen om onbewegelijk stil te zijn? Is het hem mogelijk den gloed te temperen der zon die hare stralen loodregt op hem nederschiet, of den bloeddorst te lesschen der tijgers en panthers die, tuk op roof, des nachts rondom zijne stallen sluipen?—Is zijne bijl of zijn hakmes in staat den allerweligsten plantengroei in bedwang te houden, die zich hoog boven zijne hutten tot een gewelf zamenvoegt?—En strekt deze zelfde allerrijkste plantengroei, op dezen vruchtbaarsten aller bodems, hem niet tevens tot een uiterst gemakkelijk middel om al zijne behoeften overvloediglijk te bevredigen?—Moet de nog onbeschaafde mensch die te midden van zulk eene vruchtbare natuur geboren en groot gebragt wordt, waar een eeuwige zomer heerscht welks aanhoudende warmte te gelijkertijd eene verslappende werking op hem uitoefent, moet deze niet in eene hoogere mate dan de bewoner van meer noordelijk gelegene, koudere klimaten, innerlijke neiging verkrijgen tot traagheid en zinnelijkheid? ja, zou voor een dergelijk volk, zoo lang het nog op den eersten trap van ontwikkeling staat, een despotieke regeringsvorm niet zelfs eene behoefte mogen geacht worden?
Beschouw de zaken onbevooroordeeld en gij zult vinden dat het verband tusschen natuur en volkskarakter steeds des te inniger is, hoe lager de trap van ontwikkeling is waarop een volk staat, en dat de Javanen gelijk zij thans zijn, zich zelven niet kunnen regeren, maar geregeerd moeten worden. Al hetgeen de Javaan van der jeugd af ziet in de natuur welke hem omringt, doet zich aan zijne blikken voor als bovenmate grootsch en magtig en maakt, dat onderwerping hem ten gewoonte wordt. Hij vindt derhalve de aangenaamste bevrediging voor zijn gemoed: in het gehoorzamen aan billijke bevelen; het is hem een lust een hoofd, een regent, een resident in volle praal te midden zijns gevolgs te aanschouwen en hij acht als zijn hoogste genot: deel te nemen in de vreugde, in den feestmaaltijd zijns heerschers, terwijl de muziek des Gamĕlan weêrklinkt, die immers de Koeli even zoo goed hoort als de prins, de geringste man evenzeer als de Groote des lands. Indien gij nu bedenkt dat de vorsten in gelijke mate grootere tirannen worden, naar gelang hunne onderdanen gewilliger gehoorzamen en dat de Javasche hoofden, regenten en keizers, zoo lang zij aan zich zelven waren overgelaten en niet onder Europesche leiding stonden, op grond van denzelfden karaktertrek welke de geringen gedwee maakte, steeds zeer slecht, ja, menigwerf hoogst onregtvaardig en gruwzaam geregeerd hebben, indien gij dat bedenkt, kan het u stellig geen spijt inboezemen dat de teugels der regering in Europesche handen gelegd zijn. De ervaring toch zal u doen zien dat, sedert het Nederlandsche gouvernement over Java regeert, de bewoners niet slechts aanmerkelijk in beschaving zijn vooruitgegaan; dat niet alleen het land—de middelen van vervoer en van gemeenschap, de binnenlandsche handel, de nijverheid, de administratieve inrigtingen van allerlei aard en, meer nog dan dit alles, de bebouwing van den grond—tot zulk een trap van ontwikkeling zijn opgevoerd, dat de toestand waarin Java zich vroeger bevond de vergelijking niet kan uitstaan met dien waarin het zich thans bevindt, ja, dat geen enkel ander tropisch land zich er mede kan meten; maar gij zult daarenboven leeren inzien dat insgelijks de Javaan, sedert wij hem naar billijke wetten regeren, sedert zijne persoonlijke regten, zijn eigendom zijn gewaarborgd, veel gelukkiger en meer welvarend is dan vroeger, en zulks vooral dewijl men hem wijsselijk het genot blijft schenken: de bevelen regtstreeks van zijne eigene hoofden te ontvangen.
Onder het voeren van dergelijke gesprekken waren wij een koffijtuin binnen gereden.—De koffijplantaadjen doen zich hier aan het oog voor als een helder groene strook of gordel tegen den donkeren achtergrond der oorspronkelijke wouden, waarin hooger bergopwaarts geene enkele lichtkleurige plek meer wordt gevonden. Uit de verte gezien bespeurt men slechts de Dadapboomen (Erythrina indica) welke in den koffijtuin zijn aangeplant om schaduw te verspreiden, waarvan het loof veel lichter van kleur is en met groote, vuurroode bloemen is gesierd. De koffijstruiken daarentegen welke in regthoekig elkander kruisende rijen daartusschen staan, zijn veel lager en hebben een donker groen, blinkend loof, dat prachtig afsteekt bij de witte bloemen die dik, als eene laag versch gevallen sneeuw, de kransvormig geplaatste en afwaarts hangende twijgen bedekken. Elk koffijboompje heeft den vorm eener spits toeloopende piramide en het eene staat zoo digt bij het andere, dat het daar tusschen aangelegde pad ter wederzijde ingesloten schijnt door een groenen, 7 à 10 voet hoogen wand. In dezen koffijtuin—een eigenlijk koffijbosch—was alles vol leven en beweging. Honderden van Javanen, mannen, vrouwen en kinderen waren druk bezig om den grond tusschen de boomen te wieden, van onkruid te zuiveren en overal keken vrolijke gezigten tusschen de boomen uit. Hier en daar stonden Mandor’s en Loerah’s, wier pligt het was het volk vlijtig aan den arbeid te houden en rust en orde te bewaren; ook ons distriktshoofd verzuimde niet, van de gelegenheid gebruik te maken om van tijd tot tijd in het voorbijrijden eenige bevelen uit te deelen. Breede, goed onderhoudene wegen, in eene dwarse rigting den weg doorsnijdende welken wij bereden, openden van tijd tot tijd een vergezigt op Bamboeshuizen uit wier geveltop een kronkelende rookzuil opsteeg, of op een kleinen Pasanggrahan, of Pĕndopo’s en droogschuren, voor welke effen gemaakte terrassen zich uitstrekten. Al hetgeen wij hier zagen, ademde orde, welstand, vrolijkheid en nuttige bedrijvigheid.
IK. Zeg eens, broeder, wat zou er wel van dezen schoonen koffijtuin worden die, naar de berekening van het distriktshoofd, 350000 afzonderlijke koffijboomen bevat, indien de Javanen wier naarstigheid hem thans in stand houdt, aan zich zelven werden overgelaten>?
NACHT. Ik vrees dat hij weldra in het lot zou deelen der koffijstruiken die binnen de haag van het dorp Najona worden gevonden, dat wil zeggen, dat hij verlaten zou worden, dat hij zou verwilderen!
IK. Ha ha! Gij hebt u derhalve reeds overtuigd van deze natuurwaarheid, die inderdaad niet overeenkomt met de theoriën van menigen voorstander van hervormingen. Waarlijk, ik verheug mij daar over.—Indien het mogt gebeuren dat de arbeid in het binnenland van dit gedeelte van Java werd vrijgelaten, dan maak ik mij sterk om al de koffij, die dan nog binnen een jaar tijds aan de Europesche markt zal gebragt worden, op eene behoorlijke manier gezet, binnen drie dagen geheel alleen te verbruiken.
Een schaterend gelach dat wij achter ons vernamen, was oorzaak dat wij ons in den zadel omwendden,—daar zagen wij dat de Raden distriktshoofd, in lijnregten strijd met den Adat, luid schaterde van lagchen, hetwelk hij bij geene mogelijkheid scheen te kunnen bedwingen. En hetgeen nog het ergste van alles was, deze lachlust had zich het eerst voortgeplant op zijne naaste begeleiders, vervolgens aanstekend gewerkt op de achteraan komende personen—en zoo voorts, totdat eindelijk de gansche ruiterschaar even luid medelachte, zonder eigenlijk te weten waarom hij lachtte. Ja, het scheen dat zelfs de paarden onwillekeurig medegrinnikten. Zoo als ik later vernam, verstond de goede Raden een weinig Hollandsch en waren de laatste woorden welke ik mijn broeder had toegevoegd, door hem begrepen geworden. Terwijl hij nog steeds den buik vasthield van ’t lagchen, stamelde hij eindelijk (onder het maken van vele verontschuldigingen wegens zijne onbescheidenheid) de volgende woorden: „Betoel Toean! betoel sakali! Orang kitjil trada soeka kerdja,—trada maoe bekin bresih kopi, kapan trada soedah jang dapat printah; ter lebi jang soeka tinggal di roemah, dan majin sama dija poenja parampoean, tidoran di atas balé balé,—pidjit, pidjit, enak!” (Het is waar, mijnheer! ’t is volkomen waar! De geringe man houdt niet van arbeiden,—wil de koffij niet schoon maken, wanneer hem zulks niet is bevolen geworden; hij blijft veel liever te huis om zich met zijne vrouw te vermaken, gemakkelijk op de Balé balé te liggen, zich te laten strijken, kneden,29 lekker!)
Weldra kwamen wij aan het einde van den koffijtuin en zagen ons omringd door de donkere schaduwen van het hoogstammige, oorspronkelijke woud dat wij nu hadden bereikt, waar de wegen smaller, moeijelijker te berijden en de bodem vochtiger, glibberiger werd. Wij bevonden ons nu ongeveer ter hoogte van bijna 4000 voet boven den spiegel der zee. De laatste sporen van menschelijk verkeer en menschelijke bedrijvigheid waren reeds geheel uit onze oogen verdwenen en ter naauwernood verried nog hier en daar een voetstap, welke in den weeken, leemachtigen woudbodem zigtbaar was, dat somtijds een Javaan, met het doel welligt om Rotan te zoeken, deze wildernis doorkruist. Wij zetteden onzen togt voort over smalle paden gebaand door rhinocerossen en wilde stieren, door een maagdelijk woud dat nog nimmer door de vernielende bijl was geschonden en ons wijd en zijd omgaf. Hoewel het gebergte hier geene vlakte vormt, maar doorsneden is met kloven en dalen wier wanden en hellingen menigwerf zeer steil zijn, waar tusschen meer of minder breede, deels vlakke, deels zeer oneffene bergruggen liggen, heeft het hier echter op dezelfde gemiddelde hoogte eene zeer groote uitgestrektheid; dit gansche terrein nu, dat eene lengte en breedte van verscheidene dagreizen heeft, is alom bedekt met oorspronkelijke wouden waarin slechts wilde dieren huizen.
De Javaan die op warmte is gesteld en hoofdzakelijk van de rijstteelt leeft, vermijdt zoo veel mogelijk het koele klimaat dezer hoog gelegene bergstreken, zoo lang althans het Palmen en Pisang voortbrengende heete laagland hem de vereischte ruimte verschaft tot verdere uitbreiding van den landbouw door hem beoefend.
Het woud bestond nu eens hoofdzakelijk uit eiken en Podocarpussoorten, dan weder uit Poespaboomen (Gordonia Wallichii), op andere plaatsen uit Laurineën, waar tusschen echter allerwege eene groote menigte afzonderlijk staande individuen van andere, als Ki tĕrong (Fagraea lanceolata)-, Bĕngang (Thespesia altissima)-, Palaglar (Dipterocarpus)-, Kajoe soeren (Cedrela febrifuga)-boomen en andere soorten werden aangetroffen; op de lijnregte, zuilvormige stammen van dit geboomte verhieven zich de loofkroonen welke hoog boven onze hoofden een enkel bladerendak, een onafgebroken gewelf vormden, waar onder onze stem en het getrappel der paarden als onder een hoogen koepel dof weêrgalmde. Alle stammen en takken waren met dikke beddingen van mos, boomvarens en andere parasietplanten bedekt, waar tusschen de prachtige, bontkleurige bloemen der Orchideën in het oog blonken. Rotansoorten en andere lianen verbonden den eenen tak met den anderen, omslingerden met hunne ranken stam op stam, strekten zich menigwerf in eene dwarse rigting van den eenen boom tot den anderen uit en Cissus- (wilde wijngaard) ranken hingen als reusachtige touwen van de hoogste toppen der boomen tot op den grond, waar sierlijk gevinde boomvarens hunne schermpjes uitbreidden over het digt ineengegroeide kreupelhout. Hier en daar verhief zich de slanke stam van een Soewangkoeng- (Caryota) palm. Geen enkel plekje van den bodem, hoe gering ook, was onbedekt; ja, digt aan den rand der kloven stonden nog boomzuilen ter hoogte van 100 voet en hooger en vormden aldaar met hunne loofkroonen een gewelf dat ver over den rand heen reikte. Op enkele plaatsen hing aan den top van een dergelijken boom een Cissus-rank en deze droeg aan zijn uiteinde een nestvaren (Asplenium Nidus L.), een digt ineengegroeide bos bladeren welke eene lengte hebben van 3 à 4 voet en in den vorm van een rad of roos zijn geplaatst,—dan zweefden deze nestvarens, hoog boven den afgrond vrij in de lucht, als een lichtkroon door den wind ginds en herwaarts geschommeld.
Indrukwekkend was de stilte welke in dit wijd uitgestrekte woud heerschte die, gepaard aan het schemerachtige duister hetwelk onder het loofdak verbreid was, insgelijks op het menschelijke gemoed een diepen indruk te weeg bragt en het tot nadenken stemde. Geen zonnestraal drong door het hooge gewelf en het gesnap en geschater onzer vrolijke karavaan waren, in overeenstemming met dit oord waarin wij ons bevonden, allengs verstomd, niettegenstaande ieder hunner onbewust was van den geheimen invloed daardoor op zijn gemoed te weeg bragt. In diepe stilte bewonderden wij de grootheid der natuur. Elk geruisch, elk gesproken woord deed een echo ontwaken en wijd in het woud weêrgalmde het schallend geluid van den koekoek (Cuculus chalcites) welke zich van tijd tot tijd liet hooren, benevens de diepe, koerende bastoon der groote houtduif (Columba aenea), of het pikken der spechten die tegen de boomstammen opliepen,—somtijds ook het gefluit van een Soerili-aap (Semnopithecus mitratus) die zich bij onze nadering snel tusschen het loof verborg. Van de rhinocerossen (Badak) en wilde stieren (Banteng) hoorden wij niets en zagen slechts het spoor dat zij in den weeken bodem hadden achtergelaten, en de groote eekhoorntjes (Sciurus bicolor) die over de takken rondklauterden, veroorzaakten slechts somwijlen een ligt geritsel in het loof, wanneer zij een buitengewoon grooten sprong van den eenen tak op den anderen gemaakt hadden.—Een paar malen verschrikte ons een dof, kort afgebroken gebrul, dat uit het diepste van den gorgel eens roofdiers scheen voort te komen en hol weêrgalmde door het woud; de paarden stapten echter rustig voort, want zij schenen den klank te kennen van het geluid waardoor de zwaarmoedige zwarte aap Loetoeng (Semnopithecus maurus), hoezeer slechts zelden, de plaats verraadt waar hij zich in het loofgewelf ophoudt.
Menigwerf zagen wij ons genoodzaakt steile kloven te doorklauteren, waarvan wij de aanwezigheid reeds op een aanmerkelijken afstand vernamen door het doffe bruisen der woudbeken, welke over haren bodem stroomden. Immer luider klonk ons dan bij het voortgaan het gedruisch der schuimende en cascaden vormende beek te gemoet, totdat wij aan den rand der kloof aangekomen en van het donderend geklots der wateren verdoofd, ons verpligt zagen elkander aan het oor te schreeuwen om ons wederkeerig te doen verstaan. Dan klauterden wij te voet langs den steilen wand naar beneden, ons paard bij den teugel achteraan trekkende, waarbij het niet zelden gebeurde dat het dier uitgleed en over zijn geleider heentuimelde, of dat een al te koene ruiter die niet had willen afstijgen, met zadel en al over den kop van het paard heengleed. Beneden aangekomen zijnde, zetteden wij ons weder in den zadel en waadden met hoog opgetrokken beenen te paard zittende, door den snellen stroom; het dier dat tot den buik in het water stond, ging dan met langzame schreden voort en zette geen poot op den grond dan nadat het eerst zorgvuldig had gevoeld waar hij neder kwam, want het liep gevaar op de hobbelige rotsbedding te struikelen, of over de gladde rolssteenen uit te glijden en met ruiter en al in het koele bad te storten. Hadden wij dan gelukkig, de een na den anderen, den tegenovergestelden oever bereikt, dan moesten wij, de paarden bij den teugel geleidende, wederom op gelijke wijze de een na den anderen tegen den steilen wand opklauteren, waarbij wij (menschen zoowel als paarden) niet weinig te lijden hadden van kleine springbloedzuigers, Padjĕt (Hirudo zeylanica), die in deze hoog gelegene wouden, vooral op dergelijke vochtige plaatsen en oevers van beken, bij millioenen werden gevonden. Zij springen van het eene blad op het andere en kunnen zich in éénen zet op een afstand van eenige voeten vrij door de lucht voortbewegen. Daar zij, bij eene lengte van een halven tot een Rijnlandschen duim, aanvankelijk zoo dun zijn als een draad, zoo kruipen zij zelfs door de fijnste mazen der kousen en zuigen zich in een oogenblik vast aan de voeten, aan den hals, aan de armen, waar zij eindelijk ter dikte van een pink opzwellen, indien zij niet van het ligchaam worden verwijderd.—Zoodra wij dan weder eene drooge plaats in het woud hadden bereikt en allen bijeen waren, was ons allereerste werk om elkander wederkeerig rondom te bezien en van de lastige Padjĕt’s te ontdoen, waarop wij uit meer dan eene gestokene kleine wond bloedende, ons op nieuw in beweging zetteden.
Reeds hadden wij onzen togt op die wijze in het schemerduister van het woud, berg op berg af, gedurende ruim vier uren voortgezet. Van tijd tot tijd liet de Manoek kaso (Muscicapa cantatrix) zijne stem hooren, welken vogel wij aan zijn eigenaardig, wel is waar eentoonig, doch niettemin liefelijk gezang terstond herkenden,—wijd en zijd weêrklonk het dan onder het groene gewelf en verheugde het ons; maar wij waren vermoeid, onze paarden waren vermoeid, de hemel was bewolkt, het sombere weder vermeerderde nog de duisternis van het woud——daar schemerde ons door het geboomte iets helders in het oog, de paarden begonnen te brieschen, zij wierpen den kop in de hoogte en versnelden den stap,—de boomen weken ter zijde, het woud opende zich en vóór ons lag het spiegelende vlak van een fraai, uitgestrekt meer.
Wij sprongen uit den zadel en riepen het doel van onzen togt een juichend hoezee! toe, dat door de groene wanden welke het woud rondom het meer vormde, beantwoord en als echo werd teruggekaatst. Wij bevonden ons aan den westelijken oever van de Tĕlaga-Nagnetap en ontwaarden aan de tegenovergestelde zijde, tusschen de stammen van het aldaar gedeeltelijk gevelde woud, een aantal grootere en kleinere hutten, wier helder geelachtig bruine kleur duidelijk afstak tegen den donkergroenen achtergrond. Het distriktshoofd zeide ons dat het de van Bamboes en Alanggras vervaardigde hutten van onze broeders waren. Uit een er van steeg een blaauwachtige rook op, die allengs in het woud verdween. De kroonen van dit geboomte die zich min of meer in de breedte uitstrekten, vereenigden zich boven de hutten tot een hoog en schilderachtig gewelf, en tusschen hunne helder grijze stammen zag men ver in den duisteren, diepen schoot van het woud.—Welk een heerlijk plekje in de eenzaamste eenzaamheid des wouds!—Een gezigt des vredes, een beeld in het klein van de oneindigheid in den spiegel des meers, eindig voorgesteld en omzoomd met groene en bloeijende oevers,—met wouden die, zich hoog verheffende, aan elk verwijderd oog het uitzigt op het meer en den met gras begroeiden zoom die het omvat, beletten!—De hutten onzer broeders waren gebouwd op een schiereiland, dat op een aanmerkelijken afstand van den oever in de watervlakte reikte en aan welks tegenovergestelde zijde het meer zich nog verder scheen uit te strekken; want aan die zijde verloor het zich geheimzinnig tusschen de sombere, met woudgeboomte bedekte oevers. Slechts op enkele plekken verhieven zich rotsen aan den oever of rezen er te midden van het meer boven het water, op welks spiegel hier en daar eene Fulica lugubris of een waterhoen (Gallinula-soorten) zich schommelden, terwijl op andere plaatsen hals en kop van den onder water gedoken slangenvogel (Plotus melanogaster) werden gezien.—Het geboomte van het woud dat zich overal reeds op een geringen afstand van den oever verhief, op menige plek in de onmiddellijke nabijheid er van oprees, bestond voornamelijk uit Podocarpussoorten (Ki bima-, Ki poetri- en Ki mérakboomen), waar onder de prachtvolle, statige Kimérak met fijne naaldvormige bladeren (P. cupressina) het meest werd gevonden. Zwarte apen sprongen door hunne twijgen rond.
Al onze begeleiders hadden zich op den grond nedergelegd. De paarden, hoewel gezadeld en getoomd, liepen grazend langs den oever en wij verzadigden onze blikken aan het heerlijke schouwspel dat dit schoone, vreedzame tooneel ons opleverde, en rigtten ze voornamelijk naar die streek waar—de hutten stonden. Naar het scheen, had men ons aldaar nog niet bemerkt. Wij losten derhalve onze geweren, wier knal de Loetoeng’s van schrik door de takken van het geboomte deed ijlen en een zwerm wilde eenden uit hare schuilhoeken verdreef. Eenigen fladderden digt voor onze voeten uit het oevergras en vlogen kwakend over den spiegel van het meer. Het was de groote Javasche bergeend (Anas superciliosa), welke eene staalgroene vlek op den vleugel heeft. Onmiddellijk daarop werden eenige gestalten aan den tegenover gestelden oever zigtbaar,—wij zagen een vuurglans in verscheidene rookwolken flikkeren en hoorden de schoten vallen die tot antwoord op de onzen werden gelost,—een donker voorwerp, als eene boot, verliet den oever, gleed over den spiegel van het meer naar ons toe,—het kwam nader, wij herkenden onze broeders - - -
Ieder lezer male het tooneel van ons wederzien naar zijne eigene behoeften, naar de mate zijner verbeeldingskracht, of naar de herinneringen die hem zijn bijgebleven, indien hij zich reeds vroeger in een dergelijken toestand heeft bevonden. Ik wil alleen dit hieromtrent zeggen, dat wij broeders alle vier regt gelukkig waren en dat ook al de goede Javanen zich met ons verheugden. Ook mag ik niet nalaten hierbij aan te merken, dat de mensch die zich in de eenzaamheid van uitgestrekte wildernissen bevindt, zich inniger verbonden gevoelt met den mensch dien hij aldaar aantreft, dat hij in naauwer betrekking tot hem staat dan in bevolkte steden.—Mijne broeders hadden uit twee uitgehoolde boomstammen, door middel van daarop vastgemaakte dwarsbalken die bedekt waren met Bamboesbuizen, matten en dergelijken, een vlot vervaardigd, en hiermede waren zij overgestoken naar de zijde van het meer alwaar wij ons bevonden. Dewijl echter dit vlot, behalve de ter wederzijde geplaatste Javanen die als roeijers werden gebezigd, niet meer dan nog twee personen kon dragen, besteeg ik, de jongste, met den oudsten van ons vieren (met Avondrood) het nieuwerwetsche vaartuig, terwijl mijn broeder Nacht, in gezelschap van Morgenrood benevens de bij ons behoorende Javanen, zijn weg nam langs den oever van het meer, ten einde op die wijze de hutten te bereiken. Bijna gelijktijdig kwamen wij aldaar ten 12 ure aan en bemerkten met genoegen, dat onze broeders zich regt comfortabel hadden ingerigt. Een tiental hutten stond verstrooid tusschen het geboomte en in de grootste (waaraan de eenigzins hoogdravende benaming van „Pasanggrahan” was gegeven) waren de bedienden juist bezig om de tafel te dekken. Mijn broeder Nacht en ik sprongen eerst in het meer, om een bad te nemen en noodigden de jongens uit om ons voorbeeld te volgen, dat door hen echter niet dan schoorvoetend werd gedaan. De Javanen zijn zeer ingenomen tegen het baden in hooge bergstreken, dewijl zij uiterst gevoelig zijn voor de grootere koude van het water, en uit dien hoofde baden zij zich liever niet, niettegenstaande zij in het laagland zeer zindelijk op het ligchaam zijn en meer dan eenmaal daags te water gaan. Zij wilden ons bang maken voor krokodillen (Boeaja), hoewel zij zoo goed als wij met zekerheid wisten, dat op zulk eene hoogte waarop dit meer gelegen is (4790 voet boven den spiegel der zee), ja, zelfs veel lager geene krokodillen meer gevonden worden.
Nadat wij ons ligchaam uitwendig verfrischt en ons bij die gelegenheid nog van enkele bloedzuigers die hier en daar waren blijven zitten, ontdaan hadden, zetteden wij ons aan de Bamboestafel, ten einde ook den inwendigen mensch te restaureren. Naar oostersch gebruik vatteden onze jongens post elk achter den stoel van zijn meester, ten einde hem te bedienen, en wij namen nu een ontbijt, bestaande uit rijst, Kĕri, eijeren, Dengdeng van hertevleesch, gebradene wilde eenden, tamme kippen, vruchten, enz., enz., dat ons uitmuntend smaakte. Niettegenstaande onze herhaalde uitnoodiging hadden wij het distriktshoofd niet kunnen overhalen om deel te nemen aan onzen maaltijd, maar was hij op een eerbiedigen afstand blijven zitten, van waar hij zich niet verwijderde dan nadat hij daartoe vergunning gevraagd en bekomen had. Wij zonden hem eene flesch wijn in zijne hut, welk geschenk hij in geenen deele versmaadde. Terwijl wij nog aan tafel zaten, kwamen de Koeli’s reeds! aan met onze pakkaadje, die weldra geopend en in de voor ieder onzer afzonderlijk bestemde hutten werd gebragt. Nadat wij verzadigd waren en het overschot van onzen maaltijd weder aangevuld was geworden met een half dozijn korfjes vol gekookte rijst, werd dit voor de tweede maal opgedischt en wel op matten (Tikar), die vóór den Pasanggrahan op den grond waren uitgespreid; hier om heen zetteden zich de mindere hoofden, onze bedienden en de overige Javanen in verscheidene kringen neder. Naar ’s lands gebruik bedienden zij zich van stoelen noch van tafels, maar hurkten met de beenen kruiselings over elkander op den grond, ten einde nu insgelijks hunnen maaltijd te houden. Een stuk Pisangblad diende hun als bord, de vingers bezigden zij als vorken en fijn gestampte Spaansche peper was hun geliefkoosde specerij.—In dit land der onbegrensde gastvrijheid en zorgeloosheid voor hetgeen de dag van morgen zal baren, zou het hatelijk hebben geschenen eenig gedeelte der spijzen van een gehouden maaltijd voor zich of voor den volgenden dag te bewaren. De Adat vordert: dat, hetgeen de Heeren niet eten, aan de bedienden of Koeli’s wordt voorgezet en hetgeen deze overlaten, aan de honden (indien er zijn) voorgeworpen of aan de visschen in het meer wordt gegeven.—Met genoegen beschouwden wij de bonte groepen Javanen die daar op den grond zaten, met grooten eetlust de voorgezette spijzen nuttigden, schertsten en lachten,—vervolgens zich plat op den rug nedervleiden en een liedje neurieden of eene cigaar rookten en insliepen.
Wij volgden in zekere mate het door hen gegeven voorbeeld, begaven ons in den Pasanggrahan en leiden ons neder op de met matrassen belegde Balé balé’s die in het rond nevens de wanden waren geplaatst. Weldra hadden wij elkander wederzijds onze ontmoetingen medegedeeld en kreeg het gesprek eene andere wending, hetwelk nu over godsdienstige onderwerpen werd gevoerd. Mijne broeders Avondrood en Morgenrood schonken, algemeen genomen, hunne goedkeuring aan het streven dat ten doel had, de invoering van het Christendom op Java op grond van degelijke bewijzen te bestrijden; maar deze bewijzen benevens het stelsel van godsdienst en zedeleer, dat ik den Javanen in plaats van het Christelijke dogma ter aanneming had aanbevolen, wenschten zij nu ook uitvoeriger te leeren kennen, ten einde de doelmatigheid onzer pogingen te kunnen beoordeelen.—Ik begaf mij derhalve naar mijne hut, haalde het handschrift en las mijne broeders de 25 hoofdstellingen voor der „natuurlijke godsdienst en zedeleer,” zoo als ik die vroeger het eerst in onze taal had te boek gesteld. (De Maleische overzetting was later bearbeid geworden en bevatte slechts een kort overzigt er van.)—Aan menige stelling viel de onverdeelde bijval mijner broeders ten deel; op het hooren van anderen schudden zij het hoofd of gaven hun ongeduld op de eene of andere wijze te kennen. Toen ik geëindigd had, heerschte er gedurende eenige oogenblikken eene algemeene stilte welke door Avondrood met de navolgende woorden werd afgebroken.
AVONDROOD. Lieve broeder! Uw streven: het bijgeloof met redelijke bewijzen te bestrijden en tegenover de dwalingen natuurwaarheden te stellen, mag lofwaardig worden genoemd. Het is het eenige middel om den weg te banen ter invoering van eene betere, meer redelijke godsdienst en om Java te behoeden voor een groot onheil, dat geestdrijvers er aan willen berokkenen. Maar de godsdienst- en zedeleer welke gij in de plaats van het Christelijke leerstelsel wenscht ingevoerd te zien, kan mede niet anders zijn dan een overgangsmaatregel en in zoo verre—als een overgangstoestand daardoor wordt te weeg gebragt—wel is waar nuttig, echter niet bestendig van duur zijn, dewijl zij niet de volkomene waarheid bevat.
Ik verzocht mijn broeder mij dit nader te willen verklaren, toen eenige donderslagen die weldra overgingen in een diep rollend geluid ’t welk alles deed dreunen, ons verkondigden dat het tijdstip van den dag was aangebroken, waarop de met waterdamp verzadigde hoogere luchtlagen der atmospheer zich gewoonlijk ontladen. Terstond daarop vernamen wij het geruisch van enkele, zeer groote vallende droppelen, dat gevolgd werd door het verwijderde bruisen van den regen welke zich op het woud uitstortte en meer en meer naderde. Onze bedienden snelden ijlings toe, ten einde te zien of alles zorgvuldig gesloten was en werden later weggezonden met het uitdrukkelijke bevel, dat zij tegen het invallen der schemering (na 6 ure) ons avondeten gereed moesten maken, doch zich overigens tot dien tijd van alle zorg voor ons ontslagen konden rekenen, indien zij niet geroepen werden. De gevolgen van een onweêrsregen in het gebergte kenden wij te goed, dan dat wij ons niet geluk wenschten: vóór het invallen er van onder dak te zijn gekomen.—Wij raden derhalve ook alle reizigers die de hooger gelegene, bergachtige streken van Java en vooral het woudrijke, westelijke gedeelte des eilands bezoeken, zorg te dragen dat zij vóór twee ure, en kan het zijn vóór een ure des middags ter bestemder plaatse zijn aangekomen. In het binnenland van Java bestaat weinig onderscheid tusschen den droogen en den regenachtigen moesson. Des nachts en gedurende den voormiddag is de hemel gewoonlijk helder. Tusschen 1 en 3 ure echter begint het in ’t gebergte bijna dagelijks te regenen, onverschillig in welk jaargetijde het moge zijn; dan wordt de woudbodem opgelost en herschapen in eene soort van pap waar de wandelaar tot over de enkels inzinkt,—een troebel, modderachtig water stroomt den reiziger van alle zijden der berghellingen te gemoet,—de tot stroomen opgezwollene beken kan men niet meer doorwaden en de bliksem die het woud in alle rigtingen doorklieft en de zwaarste armen van het geboomte verbrijzelt, doet de paarden schichtig worden. Het is waar, dit duurt slechts een of twee uren, maar tot aan het invallen van den nacht blijft de gemeenschap alsdan toch zeer bemoeijelijkt, zoo niet geheel en al afgebroken.
Wij waren derhalve zeer verheugd, in de goed gedekte drooge hut zoo vertrouwelijk bij elkander te kunnen zitten. Wel is waar, het scheen dat het zwaarste onweder zich op eenigen afstand van de streek waar wij ons bevonden, ontlastte; maar er begon hier een fijne regen zoo gelijkmatig te vallen dat wij op geen korten duur er van konden rekenen, terwijl daarenboven de koude temperatuur des dampkrings (welke 65° Fahr. bedroeg) ons niet bijzonder uitlokte om naar buiten te gaan. Wij besloten derhalve van alle verdere ondernemingen voor heden af te zien en kwamen overeen, dat wij in onze hut blijven en elkander wederkeerig mededeelingen zouden doen omtrent onze godsdienstige beschouwingen.
Avondrood werd nu andermaal uitgenoodigd om zich nader te verklaren nopens den vroeger door hem geopperden twijfel. Hij gaf ons hierop te kennen dat hij dit, naar zijn oordeel, het best zou kunnen doen door ons een geschrift voor te lezen, waarin hij zijne wijze van beschouwen had uiteen gezet; uithoofde dit handschrift echter tamelijk uitgebreid was, durfde hij—zonder vooraf verkregene toestemming daartoe—met de lezing er van geen begin maken, dewijl hij beducht moest zijn ons geduld daardoor op eene te sterke proef te zullen stellen.
Wij gaven hem de verzekering dat wij zeer verlangend waren zijne beschouwingen te leeren kennen, waarop hij de navolgende geloofsbekentenis voorlas, welke hij de zijne noemde.