God is de bezielde natuur.
De aanhangers van het dualismus scheiden wel is waar, de kracht van de stof, den geest van het ligchaam en God van de natuur, welken zij als persoonlijken God nevens de natuur of tegenover de natuur stellen en aanbidden. Maar op die wijze maken zij èn de natuur èn zich zelven in den eigenlijken zin des woords God’loos. Zij verlagen de schoone, overal levende en in millioenen polsen slaande natuur tot een geesteloos, mechanisch uurwerk, dat slechts aan doode wetten blind gehoorzaamt en van buiten de kracht moet ontvangen, welke het drijft.—Voor mij zou de natuur al hare bekoorlijkheid verliezen, indien ik haar als zoo een werktuigelijk knoeiwerk moest beschouwen.—En wat maken de dualisten van hunnen God dien zij uit de natuur hebben verdreven?—een horologiemaker die het raderwerk heeft opgewonden en nu, in werkeloosheid verzonken, daar nederzit en met behagelijke tevredenheid over zich zelven toeziet hoe alles gaat. Aan het bestaan van zulk een God kan ik niet gelooven.
Eene kracht zonder iets stoffelijks waaraan zij gebonden is, mag beschouwd worden als de voorstelling van iets onbestaanbaars, als een zinledig, afgetrokken denkbeeld. Ik geloof hetgeen ik allerwege zie, dat kracht en stof, geest en ligchaam Een, een onscheidbaar geheel zijn. Er is derhalve niets dan de natuur, welke alles is. Maar even als ons ligchaam bezield is en deze ziel in onze hersenen tot ontwikkeling komt, zoo moet insgelijks de natuur, als geheel, eene ziel hebben, welke algemeen bewustzijn bezit. In uitgestrektheid oneindig, in tijd eeuwig en onvergankelijk—beweegt zich, steeds verjeugdigd in gestalte, de bezielde stof. In den mensch, in het dier, in de planten is de wereldziel met eene grootere of geringere hoeveelheid stof verbonden, geindividualiseerd,—gebonden even als latente warmte. Deze verbinding is zoo innig, zij bedient zich in hare ontwikkeling tot bijzondere gestalten van planten, dieren of mensch zoo onveranderlijk getrouw van de algemeene physische, zoomede van de bijzondere chemische krachten, welke aan de elementaire stoffen en hare verbindingen behooren; zij volgt de wetten waarnaar de werking dezer krachten plaats heeft, zoo naauwkeurig en wijkt nimmer daarvan af; de wijze waarop zij zich uit, is zoo volkomen evenredig aan de vormen welke zij aanneemt,—in deze bloem, in gindschen boom, in den worm, in den kever, in het werveldier (visch, vogel, hond, paard, wolf of mensch), zoowel in de tijdelijke ontwikkelingstoestanden dezer geslachten, soorten en individuen, in het kind, embryo, grijsaard of in den volkomen tot rijpheid opgewassen mensch; deze uiting staat in zulk eene bepaalde, als het ware aequivalente verhouding tot de bewerktuiging van elk afzonderlijk wezen (den vorm en chemische zamenstelling), dat het resultaat der ontwikkeling van het stille (passive) plantenleven tot aan het menschelijke bewustzijn, van de kunstdrift van het insekt tot aan den hoogsten trap van zedelijke ontwikkeling des menschen en tot aan de volmaaktheid zijner scheppingen in wetenschap en kunst, niet anders schijnt te zijn dan een gevolg van de onderscheidene en onder verschillende omstandigheden plaats grijpende zamenwerking van deze zelfde stoffelijke krachten. Vele en zeer grondige natuuronderzoekers zijn tot dit resultaat gekomen; zij kennen geen anderen God dan de natuurnoodzakelijkheid, geene andere krachten dan die welke onafscheidbaar aan de stof zijn gebonden (de algemeen verbreide physische en de aan de grondstoffen en hare verbindingen eigenaardige chemische krachten) en verwerpen daarentegen het geloof aan onweegbare stoffen of onstoffelijke krachten, het geloof aan eene ziel als een verhaal waarvoor geen feit is aangewezen, als een volkomen ongegrond bijgeloof. Maar—tegen deze gevolgtrekking van zoogenaamde materialisten kunnen eenige gewigtige bedenkingen in het midden worden gebragt. Ik wil niet spreken van eene zedelijke wereldorde, van een zedelijk beginsel in den mensch, van den onuitputtelijken rijkdom en de kracht van gedachten welke zich in de kunsten en wetenschappen heeft geopenbaard,—ik wil niet spreken van de moeijelijkheid om den verbazenden rijkdom aan gestalten in de dieren- en plantenwereld, die echter voor elke soort niet alle organen welke het ligchaam heeft, met alle eigenschappen en aandriften die het dier bezit, onveranderd blijft,—of niet gewagen van de moeijelijkheid om de verscheidenheid der geslachten bij eene en dezelfde soort af te leiden uit de algemeen verbreide natuurkrachten (zwaartekracht, licht, warmte, electriciteit, magnetismus, adhaesie-, cohaesie-, expansiekracht en capillaire aantrekkingskracht, enz.) in verband met de eigenaardige chemische krachten van eenige tientallen enkelvoudige stoffen,1—ik wil slechts aan een feit herinneren, aan het bewustzijn in den mensch, die van zijn aanwezen, van den toestand waarin hij zich bevindt en van zijne eigendommelijkheden duidelijk en klaar bewust is. Waaruit heeft dat zijn oorsprong?—Uit niets kan niets ontstaan en het bewustzijn, al is het aan onze hersenen, derhalve aan stof gebonden, mag toch geene physische of chemische kracht worden geheeten.
Elk natuuronderzoeker zal met mij instemmen, dat geene kracht, geene stof, ja zelfs niet het allerkleinste deeltje eener stof nieuw ontstaan kan, maar dat alles wat is, stof en kracht, moet beschouwd worden als van eeuwigheid aanwezig te zijn geweest; wijders dat geene grondstof in eene andere zich laat herscheppen. De gedaante, waaronder zij zich voordoen, verandert; de 39 meer algemeen verbreide grondstoffen van het 62 tal dat wij op aarde kennen, zoomede de zamenstellingen welke zij vormen, gaan naar oude, eeuwige wetten onophoudelijk afwisselende verbindingen aan; maar hare massa ziet zich met geen enkel atoom verminderen of vermeerderen en evenzoo blijven de krachten, zoowel de physische welke tot de stof in het algemeen, als de eigenaardige chemische krachten die haren zetel hebben in de elementen en hunne verbindingen, onveranderlijk dezelfden.
Gelijk niet elke afzonderlijke bliksemstraal welke uit eene onweerswolk naar de aarde schiet, opnieuw geschapen wordt, maar slechts de zigtbare ontlading is eener algemeen verbreide (electrische) kracht, derhalve voortvloeit uit eene reeds lang bestaande bron, op gelijke wijze kan het bewustzijn in den mensch niet dan uit eene reeds bestaande algemeene bron worden afgeleid. Of zou dit bewustzijn elken dag geheel nieuw—uit niets—in millioenen van menschen zich ontwikkelen, terwijl de natuur zelve zonder bewustzijn is, die toch den mensch voortbrengt, hem doet opgroeijen, die al zijne ledematen, al zijne zinnen en inwendige organen tot eene harmonische ontwikkeling brengt en dit alles verrigt zonder toedoen van den mensch, ja, zonder dat hij zelfs het geringste daartoe bijdragen of daaraan veranderen kan?—Zouden welligt de chemische krachten van de waterstof, de zuur-, kool- en stikstof, van den phosphorus, der alkaliën, aardsoorten, enz., en van hare verbindingen, die in de genuttigde voedingsmiddelen bij de ontwikkeling des ligchaams door eene immer voortdurende stofwisseling werkzaam zijn, die aan de ijzeren natuurwet harer wederkeerige verwantschap, dat wil zeggen aan de haar eigenaardige, door tegenstellingen veroorzaakte neiging om zich met elkander te verbinden, gehoorzamen en die zonder te weten wat zij doen, bloed, beenderen, spieren, hersenen en andere deelen vormen,—zouden het deze krachten der elementen zijn, welke in het hersengestel dat daaruit is ontstaan, plotseling beginnen te denken en tot bewustzijn geraken? Zou het bewustzijn kunnen voortkomen uit eene natuur, die geene bewustheid bezit en aan het kind, het schepsel, den mensch eene hoogere mate van volkomenheid eigen zijn dan aan zijne moeder, de schepperin welke hem het aanzijn gaf; zou hij rede en bewustzijn bezitten, terwijl in deze slechts wetten en krachten in werking zijn, die geheel bewusteloos haren invloed doen gelden?—in deze natuur waarvan hij toch zoo geheel afhankelijk is, dat hij bij elken ademtogt zijne magteloosheid ondervindt en de duizendvoudige keten gevoelt waarmede hij aan haar is verbonden?—Dat toch zou het grootste van alle wonderen zijn, waaraan het mij niet mogelijk is te kunnen gelooven!
Neen. Dit is in lijnregten strijd, zoowel met de rede als met de wetten der natuur.—Het feit van het aanwezen van eene bewustheid in den mensch doet het bestaan van een algemeen bewustzijn veronderstellen, eener natuurziel, die zich van gene stoffen en van de daarin aanwezige krachten slechts als middelen bedient om, naar eeuwig onveranderlijke wetten, in de plant als plantenziel, in het dier als dierenziel en in den mensch als menschenziel tot ontwikkeling te geraken.
Moge ons de wijze waarop, en de weg waar langs dit bewustzijn tot ons komt, volkomen onbekend zijn; het schijnt toch dat ons denkvermogen met stoffelijke krachten allengs in ons ontwaakt; de loop der gansche zaak schijnt ons raadselachtig toe, dewijl het embryo, de kiem in het ei, het bevruchtende zaad nog geen bewustzijn bezitten en wij ons het tijdstip niet meer kunnen herinneren, waarop wij voor de eerste maal tot ons zeiden: „ik ben;”—thans zijn wij echter inderdaad en het bewustzijn is in ons ontwaakt——; laat ons voor een oogenblik in eene nadere beschouwing van den bliksem treden: hoevele menschen hebben niet, gedurende verscheidene eeuwen, geloofd dat elke bliksemstraal een afzonderlijk iets was, dat door de hand van een bovenmagtig wezen, min of meer in de gedaante van een dondersteen, uit den hemel werd geslingerd; maar zij kenden de bron, de algemeene kracht niet waaruit de bliksemstralen voortvloeijen, evenmin als den weg, de wet die deze kracht tot aan hare ontlading volgt! en hoe vele pogingen van de natuurkundigen, hoe vele proefnemingen en scherpzinnige onderzoekingen heeft het niet gekost om de wetten der electriciteit na te vorschen, als het ware de wegen te leeren kennen, welke de electriciteit volgt en de omstandigheden die daarop invloed uitoefenen, totdat de schitterende bliksemstraal te voorschijn komt!—Zouden wij nu daarom niet aan het bestaan der ziel gelooven, dewijl voor ons kenvermogen de weg in duisternis is gehuld, langs welken zij in ons binnenste komt?
Het denkvermogen, het bewustzijn in den mensch aanwezig, is tevens het eenige onomstootelijke bewijs van het bestaan van God, dewijl alle andere aangevoerde bewijzen eerst van dit feit van het bewustzijn uitgaan en daarop steunen.
„Ik denk, derhalve ben ik.” Ik ben: God is.—Dit heet inderdaad: ik ben God, gij zijt God, hij is God; gindsch zachtaardig meisje hetwelk den kranke of gewonde zoo liefderijk verpleegt, is God evenzeer als deze sluipmoordenaar, die zijn naaste in de duisternis vervolgt en hem van het leven berooft, om zich van zijn geld meester te maken,—en de gruwzame tijger is insgelijks God evenzeer als de arme geit welke hij heeft aangetast en waarmede hij in den bloedigen muil wegsnelt.—God is de (bezielde) natuur. Buiten haar is niets.
Uit deze leer volgt: ten eerste dat het voortbestaan der menschelijke ziel na den ligchamelijken dood slechts in zoo verre denkbaar is, als aangenomen mag worden dat de algemeene wereldziel alle eigenschappen, welke het deel zijn onzer geïsoleerde d. i. menschelijke ziel en waaronder herinneringsvermogen, geheugen moeten gerangschikt worden, insgelijks, doch in een veel hoogeren graad van volkomenheid bezit. Zoodra ons menschelijk aanzijn waarin God latent is (als het ware zich zelven niet meer kent), opgehouden heéft te bestaan, moeten wij, hiernaar te oordeelen, wederom een integrerend deel der algemeene zielkracht (der Godziel) worden; maar de herinnering onzer bij deze ziel (eigenlijk van ons aan ons zelven, in den toestand van het vrij zijn aan dien van het gebonden zijn) zal eeuwig blijven bestaan. De menschelijke ziel staat tot de goddelijke ziel in dezelfde verhouding als vrije tot latente warmte.—Aan te nemen dat de menschelijke ziel ook na den ligchamelijken dood nog geïsoleerd—als op zich zelve staande—zal blijven voortduren, is even ongerijmd als te gelooven, dat elke afzonderlijke bliksemstraal als zoodanig onsterfelijk is, terwijl toch slechts de algemeene kracht, namelijk, de electriciteit welke den bliksemstraal deed ontstaan, onvergankelijk is. Hoe toch is het mogelijk tot het denkbeeld te komen, dat eenig ding afzonderlijk of individueel kan bestaan, hetwelk gelijk eens menschen geest, nadat het ligchaam ontbonden en in andere toestanden van het materiële aanzijn overgegaan is, noch vorm noch inhoud meer bezit?—Slechts als algemeene geestelijke kracht is het bestaan der ziel denkbaar, dewijl de natuur (in de bijzondere gevallen, wel is waar, veranderlijk en aan afwisseling onderhevig) als geheel beschouwd inderdaad vorm en inhoud heeft, die eeuwig en onvergankelijk zijn; de menschelijke ziel daarentegen kan als beperkt wezen, als individu slechts zoo lang bestaan, als het verband tusschen haar en de stof blijft voortduren.—Wat toch zou er uit al deze afzonderlijke zielen moeten worden, indien zij elk op zich zelve en afgescheiden van elkander konden voortbestaan, dewijl het menschelijke geslacht zich onophoudelijk vernieuwt en het tal van individuen, indien alles op dien voet nog eenige millioenen jaren voortgaat, ten slotte tot in het oneindige moet aangroeijen? De geologie leert ons dat er eenmaal een tijdperk was, gedurende hetwelk nog geene menschen op de aarde aanwezig waren, hoewel zij, door allerlei dieren bewoond, reeds vele millioenen van jaren had bestaan. Slechts hetgeen nimmer een aanvang had, dat kan eeuwig en onsterfelijk zijn. Wij menschen echter zijn slechts gedachten Godes en kunnen alléén in zijne herinnering voortleven.
Er komen misgeboorten voor die op een gemeenschappelijk ligchaam twee koppen en halzen hebben, of uit twee geheel afzonderlijke ligchamen bestaan welke slechts op eene plaats aan elkander verbonden zijn, gelijk het geval was met de bekende Siamesche gebroeders Chang en Eng in de streek van het zwaardvormig kraakbeen of met de Hongaarsche gezusters Helena en Judith die slechts met de achterzijde des ligchaams aan het heiligbeen vereenigd waren en den ouderdom van 22 jaren bereikten. In deze gevallen behooren vele aandoeningen en verrigtingen des ligchaams gemeenschappelijk aan beide individuen en de gewaarwordingen in het onderste gemeenschaplijke deel van het ligchaam wekken gelijke denkbeelden op te gelijker tijd in beider brein. Hoe zal nu hier met de zielen gehandeld worden, indien deze afzonderlijk moeten voortleven?
Ten tweede. De mensch bezit geen vrijen wil, evenmin als de plant en het dier. Mag van de bij gezegd worden dat zij een vrijen wil bezit, wanneer zij cellen bouwt en honig verzamelt, moet zij zulks niet doen?—Weet de kruisspin hoe de draad in haar binnenste wordt gevormd, waaruit zij haar net spint; kent zij de reden waarom zij juist zulk een regelmatig web spint, welks draden gedeeltelijk uit één punt uitloopen om hetwelk de overigen concentriek worden gesponnen? heeft het van haar afgehangen dat zij niet eene bij, maar wel eene spin is?—spint zij daarentegen niet, dewijl zij door hare bewerktuiging, door eene zekere aandrift onweêrstaanbaar daartoe gedwongen is?—Is de hond vrij, wanneer hij zijn meester volgt, weet hij waarom hij getrouw, waarom hij hond is? kan hij het veranderen—is de mensch in staat te veranderen dat hij mensch is, dat deze roodkleurige, gene zwarte haren heeft? Heb ik het geringste tot mijn ontstaan bijgedragen, ben ik niet geheel en al buiten mijn toedoen op de aarde geplaatst en zal ik niet op gelijke wijze, zonder dat ik daartoe de vergunning geef, van de wereld worden afgehaald, zonder dat ik kan te weten komen, wanneer deze gebeurtenis die mij van zoo nabij aangaat, zal plaats grijpen?—Is het mijne schuld, dat ik driftig van aard ben, terwijl ik liever een phlegmatisch temperament had gehad, dat ik niet in Hongarije, maar aan de Hollandsche kust ter wereld ben gekomen, dat mijne ouders Christenen en geene Joden waren, dat ik een driftigen aard van mijn vader, eene groote gevoeligheid van karakter heb overgeërfd van mijne moeder?—Weet ik waarom ik een afkeer gevoel voor wortelen en rapen of voor stokvisch en om welke reden ik gaarne spinasie en bloemkool eet? Is dat alles niet geheel en al gedwongen? Hoe kan de mensch een vrijen wil hebben, daar hij van al hetgeen aan hem is, zelf niets heeft gevormd, maar dewijl alles zoo en juist zoodanig als het is, hem gegeven is geworden?—Slaat zijn hart niet naar werktuigelijke en natuurkundige wetten, even als een uurwerk zoo en zoo vele malen in elke minuut zonder zijn toedoen,—haalt hij niet, geheel onbemerkbaar, zoo en zoo vele keeren adem in elke minuut en moet hij dit niet doen, ten einde niet te stikken en op die wijze het leven te verliezen? Dwingt de honger hem niet om voedsel tot zich te nemen, noodzaakt de dorst hem niet tot drinken, dwingt hem de wellust niet met kracht tot vleeschelijke liefde (ten einde door voortplanting het menschelijke geslacht in stand te houden),—verpligt hem niet een pijnlijk gevoel, de overblijfselen der verteerde spijzen (benevens andere afgescheidene stoffen) uit het ligchaam te verwijderen—en houdt de vrees voor den dood hem niet terug van in het water te springen, dewijl hij in het leven blijven moet?—In dit alles ligt niets vrijwilligs. Nu echter zegt men, „de geest, de ziel is toch vrij!”—Neen; ook deze is niet vrij. Ziel en ligchaam, kracht en stof zijn slechts één geheel en ook deze ziel werd ons met de stof gegeven zoo als zij is, dat wil zeggen, in zoodanige verbinding met de bewerktuigde stof dat zij zich onder de bepaalde omstandigheden welke invloed er op uitoefenden, niet anders ontwikkelen kon en zich thans niet anders uiten kan dan—juist zoo als zulks geschiedt. De domme zou ongetwijfeld liever schrander zijn, indien het van hem afhing; de platte of ingedrukte vorm des schedels veroorlooft het hem niet. De verlichte heeft zijne bekwaamheid (de aanleg om verlicht te zijn) in het hoog gewelfde voorhoofd van de natuur ontvangen en kan niet dom en bijgeloovig zijn, al wilde hij zulks, en even zoo is het den goeden, deugdzamen mensch onmogelijk, slecht en misdadig te handelen, terwijl de booze mensch zich menigwerf door eene onweêrstaanbare neiging tot het plegen van misdaden gedrongen gevoelt.
Ongetwijfeld (antwoordt men hierop) kunnen ligchamelijke omstandigheden invloed uitoefenen op de zedelijke handelingen des menschen, maar desniettemin blijft ons besluit, de laatste uiting van onzen wil toch vrij. Indien ik heden of morgen naar de kerk of naar den schouwburg wil gaan en ik met het volle bewustzijn van mijn voornemen van twee dingen het eene kies, b. v. wanneer ik den meer gemakkelijken, maar langeren weg vermijd en den korteren weg insla, hoewel hij smal en glibberig is, of indien het leven mij ten last is en ik aanstalten tot zelfmoord maak, wie of wat verhindert mij het eene te doen of het andere te laten? is in al deze gevallen mijn wil die tot het een of het andere besluit, niet vrij?—Neen; deze vrijheid is eene begoocheling; onze wil schijnt ons toe vrij te zijn, dewijl de natuurlijke band welke oorzaak en gevolg verbindt, voor ons oog verborgen is, of dewijl de verschijnselen te ingewikkeld, te zaâmgesteld zijn, dan dat het verband naar de wetten die het regelen, duidelijk door ons zou worden ingezien.2 Dat een dergelijke zamenhang niettemin werkelijk bestaat, dat insgelijks de verschijnselen in den zedelijken kring waarin de mensch zich beweegt,—zijne denkbeelden, zijne besluiten, zijne handelingen—de noodzakelijke gevolgen van natuurlijke oorzaken zijn die haren invloed op hem uitoefenden, dit leeren ons de onderzoekingen van Quetelet3 en van Fransche en Engelsche staathuishoudkundigen, waaruit is gebleken dat het aantal misdaden van elke soort steeds eene bepaalde breuk van het getal der bevolking is, op grond waarvan men (indien de omstandigheden onveranderd dezelfden blijven) vooraf kan opgeven, hoe vele diefstallen, hoe vele moorden uit jaloezij, moorden uit hebzucht, hoe vele kinder- en zelfmoorden (gemiddeld genomen) binnen den tijd van een jaar onder de bevolking der verschillende landen en klimaten voor een bepaald aantal individuen, b. v. eene misdaad op duizend of 600 individuen—gepleegd zullen worden. Gelijk bekend is heeft de groote Belgische sterrekundige deze statistieke regelmatigheid in de verrigtingen van den menschelijken geest het eerst door vaste getallen aangetoond en bewezen, dat insgelijks onze zedelijke eigenschappen, even als de neiging: aan de verlokkingen (ten kwade) die invloed op ons uitoefenen, aan de hartstogten welke ons in beweging brengen, gehoor te geven (waaruit misdaden ontstaan), aan vaste wetten gebonden zijn.
Het regtstreeksche physiologische bewijs dat de wil door stoffelijke bewegingen, door electrische stroomingen in het zenuwstelsel wordt te weeg gebragt, is in de latere jaren door Du Bois-Reymond, Moleschott en anderen geleverd geworden; ik zal trachten den lezer het hoofdzakelijke omtrent dit punt mede te deelen.
Bewegende en gevoelende zenuwdraden loopen van alle deelen in den omvang des ligchaams naar de hersenen en het ruggemerg, waar zij digt nevens elkander liggen. De gevoelende zenuwdraden (of gelijk men zegt terugwaarts loopende draden) planten de indrukken of den prikkel van de oppervlakte des ligchaams voort naar de hersenen, waar zij deze op eenen bewegenden (of regtloopenden) zenuwdraad overbrengen, welke nu de stoffelijke verandering weder naar den omvang des ligchaams, tot in de spieren voortplant, die zich zamentrekken (verkorten) en het lid daardoor bewegen.—Eene beweging wordt willekeurig genoemd, indien in de hersenen de prikkel der gevoelende zenuwdraden, als gewaarwording tot bewustzijn komt, alvorens de beweging plaats heeft, derhalve dan wanneer de gevoelszenuwdraad den indruk des prikkels tot aan de hersenen sterk genoeg voortplantte;—overgebragte of reflexbeweging echter wordt de zoodanige geheeten, waarbij de prikkel volstrekt niet of slechts zeer zwak het bewustzijn er van in de hersenen deed ontstaan. Indien een slapende (zonder te ontwaken) zich met de hand wrijft ter plaatse, waar hij door eene mug wordt gestoken, dan heeft er eene reflexbeweging plaats (hij gevoelt den steek niet, het overbrengen van den prikkel in de hersenen van den gevoelszenuwdraad op de bewegende draad geschiedde zonder dat hij vooraf tot bewustzijn kwam);—wanneer de gewaarwording echter tot bewustzijn opklimt, wanneer een wakende naar de mug slaat, dan noemt men de beweging welke hij maakt (zeer oneigenlijk) eene „willekeurige” beweging. Tusschen beiden bestaat echter geene scherpe grens; want hoe onverwachter wij een wakende kittelen, des te zekerder is het dat hij zal lagchen, en menigwerf ontwaakt een slapende nog, nadat de onwillekeurige beweging reeds had plaats gehad, hij hoort b.v. slechts nog den zwakken nagalm des donders welke hem heeft doen ontwaken.
Even als het geval is met de prikkels welke door middel van het zintuig des gevoels en des gehoors op ons werken, zoo is het ook gelegen met de overigen, b. v. met het licht dat het netvlies van het oog prikkelt. Wanneer wij een boek of een brief lezen die ons tot het verrigten eener daad opwekt, dan geschiedt hier volkomen hetzelfde, maar de gewaarwording deelt zich door middel van de oogzenuw mede aan de hersenen en gaat van daar door de bewegingszenuwdraden naar de andere organen of ligchaamsdeelen.
Proefnemingen met de meest mogelijke naauwkeurigheid gedaan, hebben het bewijs opgeleverd dat al deze bewegingen geschieden door middel van electrische stroomingen in de zenuwen en spieren, en wij kunnen den arm niet buigen zonder dat een electrische stroom van de hand naar den schouder gerigt worde. De electrische stroomingen en hare veranderingen kunnen wederom slechts ontstaan ten gevolge van veranderde stoffelijke toestanden in de zenuwen en in de hersenen (te weeg gebragt door zinnelijke prikkels), en derhalve kan zonder eene dergelijke stoffelijke verandering geene beweging tot stand komen.
De beweging kan derhalve niet het uitvloeisel zijn van een zoogenaamden vrijen wil, maar de wil zelf is slechts de noodzakelijke uitdrukking van een toestand der hersenen, ontstaan en gewijzigd door een invloed van buiten. Zelfs wanneer de natuuronderzoeker eene proefneming doet, is dit geene daad van den vrijen wil; want de proefneming is het gevolg eener gedachte en de gedachte is eene beweging der stof, welke zelve wederom het gevolg eener zinnelijke waarneming was.
Hoe toch kan de mensch een vrijen wil hebben, daar hij van het hoofd tot de voeten, van de moederlijke borst tot aan het graf geheel gedwongen is hetgeen hij is,—daar hij niet in staat is het kleinste haar zijns ligchaams te laten groeijen of te doen uitvallen, wanneer hij zulks mogt wenschen, en daar hij zelfs de vlugtigste gedachte zijner ziel niet als het uitvloeisel kan beschouwen van een eigenmagtigen wil. Ja, indien ik zeggen kon: „tijd, sta een oogwenk stil,” en hij stond werkelijk stil, dan was ik vrij. Maar zelfs staande den duur dezer gedachte leeft de tijd in mij voort, de gedachte zelfs is slechts een gewrocht des tijds: hoe kan zij dan vrij zijn? hoe kan ik een vrijen wil hebben? Ik wordt immers door overmagtige krachten zonder ophouden voortgestuwd! „De mensch is het gewrocht van ouders en voedster, van plaats en tijd, van lucht en weêrsgesteldheid, van voedsel en kleeding, van geluid en licht.” Zijn wil is het noodzakelijke gevolg van al die oorzaken, gebonden aan eene natuurwet, die wij aan de verschijnselen er door te weeg gebragt, herkennen. De wilsuiting staat als werking steeds in eene regte rede tot de oorzaak welke haar voortbrengt. Zou b.v. de beschouwing welke ik in dit opstel heb ontwikkeld, of het op ’t papier brengen er van, ja, slechts een enkele der daarin voorkomende woorden, het resultaat van mijn vrijen wil zijn?—
Bezwaarlijk kan zulks het geval zijn; ik kan niet anders denken, ik moet zoo denken; het is niet anders dan het noodzakelijke gevolg van oorzaken, die hare werking op mij hebben uitgeoefend en waarvan eenigen (zoo als b. v. het vergaan van een schip met vele mij dierbare personen) mij bekend, anderen mij niet bekend zijn, of waarvan ik ter naauwernood eenig vermoeden kan hebben, maar die mij niettemin tot nadenken bragten en dit tegenwoordige geschrift als het resultaat der eerste werking ten gevolge hadden. Niets kan vrij zijn, dat in tijd en ruimte leeft. Slechts wat tijd en ruimte zelf is, d. i. God, kan een vrijen wil hebben.—En indien iemand gelooft dat Jezus ten hemel gevaren is, een ander daarentegen het niet gelooft, zelfs zijne stem er tegen verheft en boeken schrijft waarin hij dat geloof als een schadelijk bijgeloof verwerpt: wie van beiden heeft dan een vrijen wil?—beide?—of is het gelooven bij genen en het niet gelooven bij dezen niet een gevolg van natuurlijke oorzaken en omstandigheden des levens, die op ieder van hen op verschillende wijze en in verschillende mate invloed hebben uitgeoefend?—Kunt gij, broeder Dag, b. v. gelooven wanneer gij wilt, dat God een zoon of eene dochter, of eene moeder en grootmoeder heeft? Ik betwijfel het en even onmogelijk zal het genen zijn, zoo te denken en te gelooven of niet te gelooven, als de ziel in uwe hersenen doet. Eene onverbiddelijke natuurwet maakt ons tot hetgeen wij zijn. Wij moeten zoo handelen, zoo denken gelijk ieder doet. „Hier sta ik, ik kan niet anders. God helpe mij. Amen,” zeide Luther en ik voeg er bij: wij denken eigenlijk niet, wij leven niet,—wij zijn hier niet uit eigen wil, wij zijn niets uit vrije keuze,—vroeger waren wij niet, later zullen wij niet meer zijn:—wij worden geleefd. Wij zijn gedachten Godes. Ons uiterlijke staat onder den invloed der algemeene natuurkrachten en ons binnenste gehoorzaamt (gelijk een nieuwe, geestige denker zegt) aan drie absolute, goddelijke magten—rede, wil en liefde—welke ons bezielen, drijven, beheerschen en die volstrekt onweêrstaanbaar zijn. Er kan slechts een vrije wil in de gansche wereld zijn en deze zelfs schijnt ons toe niet vrij te zijn, dewijl hij zich slechts uit naar vaste wetten, waarvan hij (zoo ver menschelijke waarneming reikt) nog nimmer is afgeweken.
Ten derde. Er bestaat geen absoluut onderscheid tusschen goed en kwaad, dewijl het kwade slechts de noodzakelijke tegenstelling, de schaduwzijde van het goede is. Alle individuen zijn goed in hunne eigene schatting en wie zou willen beweren, dat de tijger of wolf onregt pleegt wanneer hij, om het leven te behouden, gedwongen is eene arme geit of een mensch te dooden en op te vreten?—Indien nu echter de mensch geen vrijen wil heeft, maar de wil een aan vaste wetten onderworpen natuurverschijnsel, een noodzakelijk gevolg van voorafgegane oorzaken is, dan wordt daardoor—’t is waar—aan de zedeleer, in den gewonen zin, haar grondslag ontnomen en de toerekenbaarheid, de verantwoordelijkheid van het individu houdt op te bestaan. Er behoort derhalve een andere maatstaf ter hand te worden genomen ter beoordeeling van goed en van kwaad, van deugd en ondeugd, dan vroeger is gebezigd. Deze zedelijke maatstaf moet worden gevonden in de natuur des menschen zelve.—”Goed is, hetgeen op een bepaalden trap van ontwikkeling beantwoordt aan de behoefte der menschheid; kwaad is, dat strijdt met hetgeen zij vereischt—en het regt om te straffen ligt in de ingeschapen zucht tot zelfbehoud, welke het geslacht beheerscht. Het regt daartoe wordt grooter naar gelang van de behoefte er aan. De straf zelve wordt slechts dan tot eene misdaad, wanneer zij (gelijk de doodstraf) onmenschelijk, wanneer zij gruwzaam is.”
Er blijft derhalve voor het gezellige verkeer niets anders over, dan de gewone verhouding der theorie tot de praktijk om te keeren en het gemis aan vrijen wil als eene praktische waarheid te beschouwen, maar daarentegen theoretisch aan te nemen en zich in te beelden dat de mensch een vrijen wil heeft en overeenkomstig hiernaar te handelen, hetgeen in het empirisch leven buitendien reeds ieder doet.—De tegenwerping dat het geloof aan een niet vrijen wil een verlammenden, verzwakkenden invloed op het karakter zou uitoefenen en dat de leer der onverantwoordelijkheid het individu tot zucht naar genot, tot buitensporige bevrediging van zinnelijke lusten zou vervoeren, steunt op geen redelijken grond, en wel hierom dewijl de wil aan vaste wetten is gebonden, dewijl hij een natuurverschijnsel is en de mensch niet in staat is zijne hartstogten naar willekeur bot te vieren.—De grondslag der zedeleer behoort te zijn: de overtuiging, dat de deugdzame en wijze mensch meer geluk en meer genot in het leven zal hebben, dan de booze en domme; men moet de menschen inprenten en hen aansporen op grond hiervan naar deugd en wijsheid te streven.
Tegen deze mijne beschouwing—welke God voor de natuur zelve houdt en in alles wat leeft, slechts God ziet, dat wil zeggen gedaanteveranderingen Gods, of verbindingen der wereldziel met verschillende deelen en hoeveelheden stof, als het ware (op de wijze der Brahminen gesproken) vleeschwordingen Gods,—mag de tegenwerping niet worden gemaakt, dat dan de gansche wereld een kluchtspel zou schijnen te zijn, een spel van God met zich zelven, waarin geen zin, geen redelijk doeleinde is te ontdekken!—Wanneer ik u thans vraag wat dan naar uwe wijze van beschouwing het eigenlijke doel des levens zijn moet,—waar dit bonte, veelvormige en aan vele wisselvalligheden onderhevige aanzijn der schepselen die elkander menigwerf verslinden, zou heenvoeren; waarheen het onophoudelijk drijven der menschen zou geleiden, die elkander zoo menigwerf beoorlogen en in den krijg of door epidemische ziekten dikwerf bij duizenden plotseling weggeraapt worden en die op elkander bij millioenen van geslachten volgen, waarvan het eene geslacht uit de graven van het voorbijgegane opgroeit;—wanneer ik u nu vraag, wat dan het eigenlijke doel is der gansche in de ruimte bestaande en door den tijd doorleefde wereld? welk antwoord kunt gij mij daarop geven dan „nescio,” of „zij is een droom, eene gedachte van den wereldgeest,” of indien gij toch iets wilt zeggen om althans een streven naar een doel uit te drukken en waartoe geologische nasporingen gegronde aanleiding geven: „de wereld ontwikkelt zich naar een onbekend! doel; alles wordt beheerscht door eene alles doordringende wet van gestadige herschepping en omzetting, welke zich echter doet kennen als eene voorwaarts strevende, meer de volkomenheid naderende ontwikkeling; waar en waarmede deze echter aanving en waarheen zij zal geleiden, wanneer en waarmede zij zal eindigen, hiervan is ons niets bekend.”
Wat betreft de ontwikkeling der bewerktuigde wezens, ten deze opzigte wordt door de meeste natuuronderzoekers geen twijfel meer gevoed, dat de onderscheidene soorten van planten en dieren niet dadelijk van den aanvang af die mate van volkomenheid hebben bezeten, welke wij thans bij hen waarnemen, maar dat in de groote geologische tijdperken scheppingen van hooger bewerktuigde planten en dieren op lager staande, op meer eenvoudige zijn gevolgd en dat minder volkomen wezens gedurende den loop van duizenden, ja, millioenen van jaren—door van lieverlede plaats grijpende veranderingen in hunnen bouw, welke gelijken tred hielden met veranderingen van klimaat (warmte, drukking der lucht, vochtigheid, grooteren of geringeren rijkdom der atmospheer aan koolzuur en vele andere omstandigheden in verband staande met de natuur, welke hen omringt),—zich tot hoogere volkomenheid hebben ontwikkeld. Naar de analogie te oordeelen, was ook de mensch niet van den aanvang af hetgeen hij thans is, maar heeft ook hij verschillende physische ontwikkelingsgraden doorloopen, waarmede ongetwijfeld ook de telkens zich kenbaar makende zielsuitingen even als alle andere hoedanigheden in overeenstemming waren, wat betreft de mate harer volkomenheid of onvolkomenheid. Indien op grond van sommige nieuwe onderzoekingen als waarschijnlijk mag worden aangenomen, dat de menschen uit een apengeslacht zijn voortgesproten en dat onze oudste voorvaderen apen (Chimpanse’s of Orang oetang’s en Pongo’s) zijn geweest, daarin moge voor onzen trotsch iets vernederends gelegen zijn; maar het is niet te min waar, dat de ligchaamsbouw der onvolkomenste menschen welke tegenwoordig op de aarde leven, de oorspronkelijke bewoners van Nieuw-Holland (Australië)—in den vorm van gelaat en schedel, dikken buik, hunne lange, smalle ledematen en dunne kuiten—eene groote mate van overeenkomst hebben met de vormen der hoogere aapsoorten, welke zij in hoedanigheden des geestes slechts weinig overtreffen, dewijl zij eene hoogst onvolmaakte taal hebben, een geheel dierlijk leven leiden, geene vaste woonplaatsen bezitten, geene hutten bouwen en niet verder dan tot 7 kunnen tellen. Door de geloofwaardigste reizigers is daarentegen bevestigd geworden, dat de 5 à 6 voet hooge Chimpanse (Pithecus Troglodites) hutten bouwt, zich bij het gaan van afgebrokene takken bedient en daarmede slagen uitdeelt, negerinnen rooft welke hij in eene gruwzaam wellustige gevangenschap houdt, en dat men hen (tam gemaakt zijnde) zeer gemakkelijk kan leeren aan tafel aan te zitten even als een mensch, of achter den stoel te staan om te bedienen.—Dat de geestvermogens bij de dieren van die des menschen niet in aard (qualitatief), maar slechts in de mate welke zij er van bezitten (quantitatief) verschillen, dat leert ons op eene onwedersprekelijke wijze eene onbevooroordeelde beschouwing hunner zielsverrigtingen en eene opmerkzame vergelijking van hunne hersenen en van hunnen schedel met dien van het Australische menschenras, der negers en van het Kaukasische menschenras. „Door het verstand van den hond bestaat de wereld,” zegt een der oudste gedenkteekenen van menschelijke beschaving, de heilige schrift der Zend Avesta, en langs welken weg, in welke verbinding met organische stof, in welken dierlijken vorm het verstand het eerst op aarde gekomen (dat wil zeggen, uit de stof het eerst zich een weg heeft gebaand, tot ontwikkeling gekomen) is, dat weten wij niet.
Elk landbouwkundige kent het merkwaardige verschijnsel dat het gevolg is van het kruisen van rassen onzer tamme dieren, waaruit steeds edeler vormen voortspruiten. Ook de bastaarden der verschillende menschenrassen zijn vruchtbaar. Om de bestendigheid der soorten (species) wat de verschillende dieren betreft, te bewijzen en aan te toonen dat de onderscheidene diersoorten, wel is waar, bastaarden kunnen verwekken, maar dat zij niet zamensmelten, dat geene tusschenvormen, tot de voortteeling geschikt, kunnen worden voortgebragt, beroept men zich gewoonlijk op de bastaarden welke het gevolg zijn eener paring van een ezel met eene merrie, zoomede van een hengst met eene ezelin, op de muildieren en muilezels welke in den regel onvruchtbaar zijn. Maar in dit opzigt is onze ervaring zeer beperkt en strekt zij zich uit over een zeer gering getal soorten.—Niet alle gevallen waarin individuen van onderscheidene diersoorten zich gepaard en bastaarden geteeld hebben die weder vruchtbaar waren, zijn ter mijner kennis gekomen. Van het konijn (Lepus Cuniculus L.) met den gemeenen haas (Lepus timidus L.), en van dezen met den Alpen- of witten haas (Lepus variabilis L.) is het echter bewezen; ook de bastaarden van gemzenbokken (Antilope Rupicapra L.) met tamme geiten (Capra Hircus L.)4, van vossen (Canis vulpes L.) met teeven (Canis familiaris L.), van honden met wolvinnen (Canis Lupus L.), en van steenbokken (Capra Ibex L.) met geiten, waren vruchtbaar. Er bestaat wijders volstrekt geen grond om aan te nemen dat, behalve de hier genoemden (waarbij het toevallig werd waargenomen), niet nog vele andere verschillende diersoorten vruchtbare bastaarden kunnen teelen, indien slechts de bouw hunner geslachtsdeelen zoodanig is, dat de paaring kan plaats grijpen. En mogten de bastaarden van eenige dezer dieren thans onvruchtbaar zijn, dan mag hieruit nog niet het besluit worden getrokken dat de bastaarden van andere diersoorten in den voormaligen tijd, onder den invloed van een geheel ander klimaat onvruchtbaar waren.—Om kort te gaan, het voortteelingsvermogen der bastaarden van een aantal verschillende diersoorten van den huidigen tijd is bewezen. Stel nu, dat eenige Chimpanseapen negerinnen hadden bezwangerd en dat de bastaarden, door haar gebaard, onderling zich voortplanten, later dan weder met negers of Australiërs (welke laatstgenoemden onder de menschen op den laagsten trap staan en het meest met Chimpanse’s overeenkomen) zich vermengen, waaruit individuen ontstaan die reeds eene meerdere volkomenheid bezitten als de eerste bastaarden van apen en negerinnen, en die zich later met individuen van het Kaukasische ras paren en kinderen ter wereld brengen, dan zal het tweede en derde geslacht dezer laatsten, indien zij zich in een gunstig klimaat kunnen ontwikkelen, geene grootere overeenkomst met een Chimpanse meer hebben dan tusschen Lord Palmerston en een Papoea bestaat, of tusschen eene goed gevormde Lady en eene Hottentotsche vrouw, die wel is waar geen vetstaart draagt gelijk de schapen in haar land inheemsch, maar niettemin aan haar ligchaam zeer overeenkomende uitwerkingen der eigenaardige gesteldheid van dit land en zijn klimaat vertoonen kan, even als het schaap.
Het gemis eener geschiedenis die verder reikt dan tot op 5 à 6000 jaren vóór onzen tijd; de niet opgehelderde duisternis, waarin de oorsprong van het menschelijke geslacht zich verliest, strekt even zoo zeer ter bevestiging van de hier voorgedragene beschouwing, als de trapsgewijze opklimming van het eenvoudigste tot het meest zaamgestelde, welke in de gansche natuur wordt waargenomen, en even zoo zeer als de slechts van lieverlede meer volkomen wordende, voortgaande ontwikkeling van elk individu,—en de reden er van is waarschijnlijk juist hierin gelegen dat de mensch niet onmiddellijk als zoodanig, in die volkomenheid welke hij thans in het Kaukasische ras heeft bereikt, geschapen werd, maar dat hij, na uit eene volmaakter gevormde apentype langzamerhand te zijn ontstaan, welligt nog duizende jaren noodig had, om uit zijn half dierlijken toestand welke overeenkwam met dien der Boschjesmannen of der oorspronkelijke bewoners van Nieuw-Holland, tot eene meerdere volkomenheid op te klimmen, zich trapsgewijs en familien- of rasgewijze te veredelen, te ontwikkelen.
Daar echter de wereldziel welke zich met de stof verbindt ten einde zich zinnelijk te openbaren, naar voor ons raadselachtige, misschien voor immer onnaspeurlijke wetten, zich op geene andere wijze uit, dan evenredig en overeenkomstig aan de vormen welke zij telken male aangenomen en de organen die zij gevormd heeft, en welke wijze volkomen overeenstemt met de verschillende stoffelijke zamenstelling dezer organen—b. v. met het spinwerktuig bij de spin, met het zangorgaan bij den nachtegaal, met de kleinere hersenen bij den aap (die meer regelmatige kronkelingen en minder talrijke, in hunne omtrekken onderling meer overeenkomende schiereilanden hebben), met de grootere en zich vooral door een veel grooteren voorhoofdslap kenmerkende hersenen bij den mensch (waarvan de hemispheren de kleine hersenen geheel en al bedekken),—kan hieruit, wel is waar, het vermoeden ontstaan, dat insgelijks het menschelijk geslacht zoowel naar het ligchaam als naar den geest steeds tot hooger volkomenheid zal opklimmen, maar te gelijk volgt daaruit eene nieuwe bevestiging van mijne beschouwing: dat de mensch geen vrijen wil hebben kan.
Welligt zult gij hierop antwoorden dat het een denkbeeld zou moeten genoemd worden Gode onwaardig, indien men aannam dat hij de drijfkracht, de ziel is in gindschen aap, in den krokodil, in den vraatzuchtigen wolf of in den bloeddorstigen tijger; dat dezelfde God die hier in de gestalte eener barmhartige zuster met opofferende liefde een kranke verpleegt, of ginds in een Kant of Newton nadenkt over de wetten van het zuiver verstand, of over de zwaartekracht welke de gansche wereld beheerscht,—insgelijks in genen dief of moordenaar werkzaam is, die zijne bijl wet tot het plegen der roekelooze daad, of die in het nachtelijke duister bij zijn buurman inbreekt om hem te berooven, of in dien vijand des lichts die op den drievoudig gekroonden stoel te Rome zit en plannen smeedt om het menschelijke geslacht in onwetendheid te dompelen en in slavenboeijen te klinken;——dit toch zou geene wederlegging mijner beschouwing, hoogstens eene tegenwerping mogen heeten, waarop ik u onder anderen zou kunnen antwoorden, dat de tijger die het lam verscheurt, of de kat welke eene vreedzame muis van het leven berooft, indien zij over hunne handelwijze konden nadenken, zeer zekerlijk in hunne eigene oogen, even als in de onzen volkomen geregtvaardigd zouden zijn, dewijl de ijzeren natuurwet hen onweêrstaanbaar dwingt andere levende wezens te vermoorden, ten einde zelven in het leven te kunnen blijven en dat op gelijke wijze elke dief, of moordenaar, of bedrieger eene verontschuldiging voor zijne misdaad en voor het door hem gepleegde bedrog zou kunnen opgeven welke hem, althans bij gelegenheid van de volvoering der daad, in zijne eigene oogen regtvaardigt.
Er bestaat voor ons geene absolute mate van goed en kwaad, dewijl elke maatstaf dien wij ter hand kunnen nemen, slechts een vergelijkende of betrekkelijke maatstaf is, afhankelijk van den graad van beschaving dien wij hebben bereikt, van het standpunt waarop wij staan en van waar wij iets beoordeelen. Zelfs van het geloof aan een persoonlijken God kunt gij geen meer zekeren maatstaf ontleenen. Want stel, dat gij God van de natuur scheidt en hem als een koetsier op den bok laat zitten en de teugels der natuurwetten in Hoogstdeszelfs eigene handen nemen, ten einde de vele duizende krachten welke in de wereld werkzaam zijn, in hare behoorlijke baan te houden en voortdurend zelf te besturen: dan moet gij toch in elk geval toegeven dat deze God insgelijks den tijger bestuurt, zoomede den teugel des wolfs die met het lam in den bloedigen muil wegsnelt, in de hand houdt,—dat hij mede aan den moordenaar, aan den dief den weg wijst, of (indien gij dit liever wenscht te hooren) de teugels somwijlen loslaat, opdat de dief of moordenaar zijn eigen weg gaan en de misdaad bedrijven kan. Gij moet dan toch toestemmen dat uw persoonlijk regerende (almagtige) God het kwaad, het booze, de zonde, het ongeluk, b. v. het stranden en vergaan van een schip, aan boord waarvan zich 72 ten deele zeer onschuldige en goede menschen bevonden, toelaat.—En nu vraag ik u, heeft het niet volkomen dezelfde beteekenis, is het, wat den zin betreft, ten slotte niet volkomen hetzelfde, wanneer men zegt gelijk de Christenen doen: „de persoonlijk regerende, Almagtige God laat het booze toe, veroorlooft den tijger en den menschelijken booswicht te rooven en te moorden,”—of wanneer men zegt gelijk broeder Avondrood doet: „de tijger, de moordenaar is God zelf, dat wil zeggen eene vereeniging der wereldziel met verschillendsoortig gevormde stof.”— —?
Dat echter de kracht niet gescheiden kan worden van de stof en de uit de natuur verdrevene God der Christenen slechts in hunne verbeelding bestaat, heb ik reeds aangeduid. Deze Christelijke God is in der daad niets anders dan de mensch, voorgesteld als buiten zich zelven te staan:—eene som van menschelijke eigenschappen, die men zich in eene oneindige volkomenheid denkt en versiert met den titel van al-magtig, al-goed, al-wijs. Er kan evenmin een God zijn zonder wereld, als eene kracht zonder stoffelijken drager. Even als het wezen van elk afzonderlijk ding de som zijner eigenschappen is, zoo kan God niets anders zijn dan de som van de eigenschappen der natuur, dat is het wezen der natuur, of met andere woorden de natuur zelve.
Vele menschen vormen zich van datgene ’t welk men het „wezen” van iets noemt, de wonderlijkste, verwardste denkbeelden. Het zal misschien niet ongepast, maar in tegendeel hier de regte plaats zijn om aan te toonen, zoo als reeds Spinoza heeft geleerd, dat het wezen van iets niet anders is dan de som zijner eigenschappen. Ten einde dit te bewijzen, moeten wij datgene hetwelk gewoonlijk stof, materie wordt geheeten, wat van naderbij en grondiger beschouwen en ik verzoek u, waarde broeders, mij tot dat einde nog gedurende eenige oogenblikken uwe aandacht te willen verleenen.
Ontleden wij dit begrip „stof” en kiezen wij tot voorwerp van ons onderzoek eenig ligchaam naar welgevallen, welks eigenschappen ons het best bekend zijn, b. v. het papier waarop wij schrijven, dezen inktkoker met hetgeen hij bevat, of een billardbal, eene ijzeren staaf, of dit stuk gemunt goud dat ik hier in de hand heb.
Dit goud heeft de navolgende eigenschappen, welke ik door middel van mijne zintuigen deels regtstreeks kan waarnemen, ten deele eerst na in het werk gestelde proefnemingen kan leeren kennen. Het heeft—1o. uitgebreidheid, volumen, dat wil zeggen het beslaat eene zekere ruimte, waarin zich te gelijkertijd geen ander ligchaam bevinden kan; het is, zoo als de natuurkundigen zeggen, „ondoordringbaar.” Zijne kleinste deelen worden door „cohaesiekracht” aan elkander gehouden.—2o. Het bezit logheid (traagheid, vermogen om weêrstand te bieden), dat wil zeggen, het kan geene verandering in zijn toestand te weeg brengen uit zich zelf; er is eene buiten hetzelve liggende oorzaak noodig om het te veranderen b. v. uit den toestand van rust in beweging te brengen.—3o. Het bezit de eigenschap (ten gevolge van den invloed van andere oorzaken) om zijn volumen te veranderen, namelijk, nu eene grootere, dan weder eene kleinere ruimte te beslaan; het laat zich tot in zekere mate zamendrukken en door middel van warmte uitzetten; een hoogen graad van warmte geeft aan de kleinste deeltjes „uitzettingskracht,” ten gevolge waarvan hun aggregatie-toestand verandert en het metaal vloeibaar, ja, zelfs gedeeltelijk dampvormig wordt.—4o. Het beslaat de ruimte welke het inneemt, niettegenstaande zijne digtheid, niet volkomen gelijkmatig, maar is vol van uiterst kleine (onzigtbare) tusschenruimten, waarin vreemdsoortige stoffen eene plaats kunnen vinden, door welke b. v. water kan heendringen, wanneer men een met water gevulden gouden kogel aan eene zeer zware drukking blootstelt; het is derhalve poreus.—5o. Het is in kleine en immer kleinere deelen deelbaar, welke eindelijk zoo klein zijn dat zelfs het sterkst gewapende oog ze zinnelijk niet meer kan waarnemen en dat het bestaan er van als „atomen” slechts gedacht kan worden.—6o. Het is zwaar, dat wil zeggen, het bezit de neiging om naar het middenpunt der aarde te vallen, welke laatste benevens de vroeger genoemde eigenschappen het gemeenschappelijk met alle andere ligchamen, dat is met de stof in het algemeen bezit.
Buitendien heeft het nog een aantal eigendommelijke eigenschappen, waardoor het zich van alle andere ligchamen onderscheidt. Het heeft een soortelijk gewigt en is (bij nul graad temperatuur) 19 3⁄10 maal zwaarder dan een gelijk volumen van gedestilleerd water, dat wil zeggen, de graad zijner digtheid of massa is zoo vele malen (19,325) meer dan van water.—7o. Indien de gewigtsverhouding (het zoogenaamde chemische aequivalent) van de waterstof gelijk 1 gesteld wordt, dan heeft het de eigenschap zich in de gewigtsverhouding van 196,4 met andere stoffen b. v. met chloor te vereenigen. Het aequivalent van chloor is 35,5 en met even vele gewigtsdeelen (grein, lood) verbinden zich ten allen tijde 196,4 en nimmer een grooter, nimmer een kleiner aantal gewigtsdeelen (grein, lood, enz.) goud tot enkelvoudig chloorgoud en evenzoo verbindt zich driemaal zooveel chloor met hetzelfde aequivalent (196,4) goud tot drievoudig chloorgoud.—8o. Deze eigenschap om zich met chloor tot drievoudig chloorgoud te verbinden, openbaart zich wanneer men het in koningswater (een mengsel van chloorwaterstof- en salpeterzuur) oplost; dan vormt het eene geele vloeistof, die geene der vroeger genoemde en volgende eigenschappen van het goud meer bezit en waaruit enkelvoudig chloorgoud, zoomede andere verbindingen en deze wederom met verschillende eigenschappen daargesteld kunnen worden. Alle andere zuren echter, zoomede zwavel oefenen er geenen invloed op uit, evenmin als de zuurstof des dampkrings, waardoor het niet aangedaan wordt; het roest niet en behoudt voortdurend zijn glans.—9o. Het is een goede geleider van warmte en van electriciteit. Zijne soortelijke warmte (warmtecapaciteit) bedraagt 0,0324, dat wil zeggen, indien de hoeveelheid water welke vereischt wordt, om een gelijke gewigtshoeveelheid water van nul graad tot op 1° temperatuur te verwarmen, gelijk 1 gesteld wordt, dan is deze hoeveelheid voor het goud slechts 0,0324.—10o. Het smelt bij sterke witgloeihitte (van ongeveer 1200° C.) en wordt, indien de stroom eener sterke electrische batterij door een gouddraad wordt ontladen, zelfs dampvormig. Bij het verkoelen kristalliseert het in teerlingvorm.—11o. Het bezit de hoogste mate van rekbaarheid, meer dan elk ander metaal en laat zich door hameren tot zeer dunne blaadjes slaan. Het is minder vast dan ijzer, vaster dan lood en wordt in den vorm van een draad ter dikte van 2 millimeters eerst door een gewigt van 68 pond Nederlandsch van elkander gescheiden.—12o. Het heeft een sterken glans, is ondoorzigtbaar en heeft de eigenschap die lichtstralen terug te kaatsen, welke ons geel toeschijnen.
De som dezer eigenschappen is het wezen van het goud. Stellen wij ons nu voor, dat deze eigenschappen, de eene na de andere, aan het goud worden ontnomen, wat blijft er dan van het goud over?—Antwoord: geen GOUD, derhalve niets, volstrekt niets.—Ontnemen wij er b. v. de twaalfde eigenschap aan en stellen wij ons voor, dat het goud de eigenschap: lichtstralen terug te kaatsen, volstrekt niet bezit, dan zou het noch geel zijn, noch eene andere kleur hebben, maar daarentegen doorzigtig wezen gelijk de lucht, derhalve voor ons volkomen onzigtbaar;—nemen wij verder voor den oogenblik aan dat zijne onder no. 6 opgetelde eigenschap: met een gewigt 19 malen zwaarder dan water, naar het middenpunt der aarde te drukken,—zoomede zijne 1ste eigenschap, de z.g. cohaesie, de kracht van zamenhang zijner kleinste deeltjes, waardoor het zijne bepaalde grenzen en ondoordringbaarheid behoudt, niet aanwezig zijn,—dan zou het stukje goud uit mijne hand spoorloos verdwijnen, dewijl al de andere negen eigenschappen slechts in verband met de drie opgenoemden denkbaar zijn, met welke zij juist die constante som uitmaken, welke wij gewoon zijn massief of regulinisch goud te noemen.—Indien ik op gelijke wijze de eigenschappen, welke dit stukje ijzer bezit, of de eigenschappen van den phosphorus in mijne verbeelding er aan ontneem b. v. zijne geringe zwaarte (=1,77), zijne gemakkelijke smeltbaarheid (reeds bij 44,2°), zijne doorschijnendheid, kleurloosheid (of geelachtige kleur), zijne groote verwantschap met de zuurstof der lucht, ten gevolge waarvan hij voortdurend is omringd met een rook welke in de duisternis licht van zich geeft, wanneer hij aan den invloed des dampkrings is blootgesteld, zijne gemakkelijke ontvlambaarheid, enz.,—wat blijft er dan van den phosphorus over?—Natuurlijk: geen phosphorus, derhalve algemeen genomen geene stof, d. i. niets.
Op gelijke wijze kunnen wij alle in het gemeene leven zoogenaamde stoffen of ligchamen, zoowel enkelvoudigen als zamengestelden, bewerktuigden als onbewerktuigden aan onze beschouwing onderwerpen, die ons allen, zonder eene enkele uitzondering, dezelfde slotsom zullen opleveren: dat er, in den eigenlijken zin, volstrekt geene stof bestaat, dewijl alles dat ons als stof of als eene zekere soort van stof voorkomt, slechts de hoeveelheid of de som van een bepaald, hetzij grooter of kleiner getal eigenschappen is, die bij hare ontmoeting met andere tegengestelde eigenschappen (z. g. stoffen) nieuwe eigenschappen ontwikkelen en zich daardoor als kracht, als bewegingsverschijnsel laten waarnemen.—De stelling derhalve dat geene kracht bestaat welke niet aan stof is gebonden, is eene onomstootelijke waarheid, dewijl al hetgeen wij tot ons gemak in het gewone leven stof noemen en waaraan wij verschillende benamingen geven, niet anders is dan het product van eigenschappen, die onderling in verbinding tot elkander zijn getreden en haren invloed gelijktijdig uitoefenen, waardoor zij zich als „stof” aan onze zintuigen voordoen. Eene som van dergelijke zamenwerkende eigenschappen zijn b. v. ook de 62 z. g. enkelvoudige stoffen of elementen der scheikundigen elk afzonderlijk. Sommigen hunner eigenschappen, zoo als vorm (omvang, uitgestrektheid), kleur, zwaarte, warmte laten zich door ons regtstreeks waarnemen, dat wil zeggen, onder den invloed der algemeen heerschende krachten waaronder wij in den dampkring leven; anderen komen ten deele eerst te voorschijn bij hare ontmoeting van vreemde eigenschappen („aanraking met andere stoffen”) b.v. eenige van de eigenschappen welke wij kalium heeten, zoodra zij in aanraking komen met de som van eigenschappen welke water wordt geheeten,—of wanneer het geheel der eigenschappen genaamd zink, in aanraking komt met de som van eigenschappen, geheeten verdund zwavelzuur, enz.
In het dagelijksche leven, het is waar, wordt algemeen de stof op een gansch andere wijze beschouwd, welke door eene langdurige misleiding ons tot gewoonte is geworden. Men beoordeelt haar juist als ware zij het eenige dat positief aanwezig is en geeft aan al de vereenigingen van gelijktijdige eigenschappen, welke zich onder de gewone omstandigheden niet veranderen of die slechts zeer langzaam eene verandering ondergaan b. v. aan ijzer of hout, zoo lang als aan een eigendommelijk ligchaam of stof eene afzonderlijke benaming, totdat het ijzer in roest is overgegaan, of het hout tot koolzuur, water en asch is verbrand geworden. Deze benamingen mogen kortheidshalve voor het geheel der telkens aanwezige gelijktijdige eigenschappen volstrekt onontbeerlijk worden geacht.
Het gaat echter den scheikundige die, om te wegen, vóór zijne schaal zit, met deze zoogenaamde stoffen volkomen op dezelfde wijze, als den criminelen regter voor wien het wetboek ligt opengeslagen, met den vrijen wil der menschen. Gene schrijft stof toe aan elke vereeniging van eigenschappen welke de schaal zijner balans naar de aarde doet neigen, derhalve zwaarte heeft,—deze vrijen wil aan elken mensch die tegen de wet heeft gezondigd. De zwaartekracht is echter evenmin een bewijs van het aanwezen van stof, als de zonde van vrijen wil. Want de zwaarte is ten duidelijkste niets anders dan eene eigenschap, eene betrekking tot een middenpunt in het heelal, welke zich kan openbaren in verband of in zamenwerking met eene grootere of geringere menigte andere eigenschappen, b. v. met die welke wij lood, staal, steen noemen, maar die niet noodzakelijk met alle eigenschappen zich gelijktijdig behoeft te uiten, die b. v. met de eigenschappen genaamd licht, warmte, electriciteit, magnetismus niet verbonden is.—Zonderling toch dat de natuurkundigen juist op grond hiervan en in tegenspraak met zich zelven deze eigenschappen „onweegbare stoffen!” noemden, niettegenstaande zij toch, even als de zwaarte, slechts bewegingsverschijnselen d. i. eigenschappen zijn. Andere geleerden scherpten hun verstand, om tegenover de leer der zoogenaamde materialisten, iets geestelijks in de natuur te ontdekken. Zonderbare misleiding! Geest wordt allerwege gevonden, maar het is de stof, welke ontbreekt en zeer moeijelijk, ja, onmogelijk mag het geacht worden, het bestaan van stof, van materie in absoluten zin te bewijzen.
Indien er werkelijk stof of stoffen bestonden en zij niet uitsluitend betrekkelijkerwijze tot onze zinnelijk grove opvatting voorhanden waren, dan moesten hare eigenschappen ook onder alle omstandigheden steeds dezelfden blijven. Wanneer ik echter een stuk kalium op het water leg, dat binnen weinige oogenblikken voor mijne oogen spoorloos verdwijnt (dewijl het zich met de zuurstof van het water verbindt, het gevormde kalihydraat in het water wordt opgelost en de vrij geworden waterstof verbrandt),—of wanneer ik 4 deelen zwavel met 25 deelen kwik dooreenwrijf en dan deze beide zie veranderen in zwart kwikzilvermoor dat, door sublimatie, weder wordt omgezet in vermiljoen, hetwelk ik tot in de allerfijnste deelen kan verdeelen en tot poeder maken, zonder dat ik in staat zal zijn iets anders dan vermiljoen of ook slechts een enkel der vorige zwavel- of kwikdeeltjes weder te ontdekken,—moet ik dan hieruit niet tot het besluit komen dat de voormalige toestanden, als kalium, zwavel en kwik, geene werkelijke materie zijn geweest, maar slechts eene hoeveelheid eigenschappen die, in strijd gerakende met andere tegengestelde eigenschappen, hare vroegere eigenschappen moesten afleggen, terwijl zich in de plaats daarvan nieuwe, tot dusverre sluimerende eigenschappen ontwikkelden.
Hierop zullen welligt vele scheikundigen antwoorden: ongetwijfeld veranderen deze stoffen haren vorm en hare eigenschappen wanneer zij zich met andere stoffen verbinden, dewijl dan eene nieuwe stof ontstaat welke wederom andere vormen en eigenschappen heeft; voor elke soort van stof echter is vorm en eigenschap even onveranderlijk als de gewigtshoeveelheden (aequivalenten) constant zijn, waaronder zij zich verbinden;—maar waarmede, vraag ik weder, verbindt zich dan de phosphorus—eene enkelvoudige stof—wanneer hij in de luchtledige ruimte (geheel en al afgesloten van elke aanraking met de zuurstof der lucht en van alle andere stoffen), alléén doordien de zon er op schijnt of eene sterke hitte zijn invloed er op uitoefent, voor het oog des beschouwers wordt omgezet in een karmijnrood poeder, dat niet vergiftig is en in het algemeen geheel andere eigenschappen bezit dan de phosphorus, welke echter (na herhaalde destillatie in eene koolzuur-atmospheer) weder op nieuw en zonder verlies van gewigt in denzelfden kleurloozen en vergiftigen phosphorus met al zijne eigenschappen overgaat? Zou men ook deze verschijnselen stof mogen noemen?—Onmogelijk; want dan zou het bewijs zijn geleverd dat eene stof, eene enkelvoudige stof gelijk de phosphorus, kan overgaan in eene andere welke geheel verschillende eigenschappen bezit, en dat deze tweede stof zich op nieuw kan herscheppen in de eerste met alle eigenschappen die zij vroeger had, zonder dat er iets aan toegevoegd of van verloren geraakt is. Wie toch zou het karmijnroode, onschadelijke poeder, den zoogenaamden amorphen phosphorus als identiek beschouwen met de halfdoorsnijdende, kleurlooze, ligt ontbrandbare, in de lucht rookende en in het donker licht gevende, hoogst vergiftige zelfstandigheid, welke wij gewonen phosphorus noemen, indien hij den overgang van het eene in het andere niet had waargenomen en zulks niet elken dag in zijn laboratorium kon waarnemen?
Wij moeten derhalve aannemen, dat geene onveranderlijke, derhalve volstrekt geene stof in de natuur aanwezig is en dat wij overal slechts verschijnselen, eigenschappen zien, welke door andere eigenschappen, gelijk hier bij den phosphorus door het licht of de warmte, in het leven geroepen, of vernietigd d. i. aan de zinnelijke waarneming onttogen worden.
Dewijl echter deze verschijnselen, d. i. het verband tusschen zekere bijéén behoorende, gelijktijdig werkende eigenschappen steeds naar vaste wetten wederkeeren en zelfs in de grootste veranderingen, in de werking der meest mogelijke hoeveelheid eigenschappen welke een wederkeerigen invloed op elkander uitoefenen, zich dergelijke vaste wetten laten waarnemen, stelt men zich deze eigenschappen voor als aan „stof” gebonden; men neemt het bestaan van kleinste of oneindig kleine deeltjes van deze stof aan, welke men atomen heet en verklaart de verschillende eigenschappen dier ligchamen, welke scheikundig op gelijke wijze zijn zamengesteld, b. v. der beide vroeger bedoelde toestanden van de zoogenaamde enkelvoudige stof phosphorus, zoomede van vele zamengestelde (der zoogenaamde isomere) ligchamen hypothetisch door eene „verschillende ligwijze” dezer atomen.
Daar echter deze atomen door geen sterfelijk oog ooit kunnen worden gezien en met betrekking tot onze geschiktheid ter waarneming niets anders zijn dan bloote mathematische punten, die slechts gedacht kunnen worden en welke men zich moet voorstellen oneindig klein en in oneindig groot aantal aanwezig te zijn, dan volgt hieruit ten duidelijkste dat alle stof, dat de gansche ligchamelijke wereld zuiver denkbeeldig is. Het is waar, de scheikundige beschouwt de atomen niet als oneindig kleine deelen, maar als de zoodanigen die niet voor verdere verdeeling vatbaar zijn.5 Dit is echter eene veronderstelling welke tot onoplosbare tegenstrijdigheden voert, zoo als het navolgende voorbeeld duidelijk zal doen zien. Suiker, zetmeel en hout zijn drie verschillende ligchamen welke verschillende eigenschappen bezitten, en niettemin alle drie gelijkmatig uit 5 atomen water-, 5 zuur- en 6 koolstof bestaan. Deze atomen nu moeten in de drie verschillende ligchamen eene verschillende ligwijze hebben (op eene andere wijze geordend of nevens elkander geplaatst zijn) en daardoor de verschillende eigenschappen van suiker, zetmeel en hout te weeg brengen. Maar—een atoom moet immers ondeelbaar zijn en echter bestaat, naar deze theorie, elk atoom suiker uit 5 atomen water-, 5 zuur- en 6 koolstof, derhalve uit zestien verschillende deelen of enkele atomen!6—Hieruit volgt dat het aannemen van het bestaan van atomen als niets anders kan worden aangemerkt dan als een hulpmiddel ter vergemakkelijking, waarin men bij gebrek van eene verklaring, voorloopig eene uitdrukking vindt voor de aan wetten gebondene orde der verschijnselen, maar dat er in absoluten zin geene stof bestaat, er geene bestaan kan. Daarmede verdwijnt de tegenstelling tusschen geest en ligchaam en elk onderscheid tusschen ziel en stof valt weg.
Hoedanig deze wijze van beschouwing ook in tegenspraak moge zijn met de alledaagsche opvatting der zaak, kan men zich echter gemakkelijk van hare waarheid overtuigen, en zelfs met betrekking tot die eigenschap der zoogenaamde ligchamen, welke het aanwezig zijn van stof op het handtastelijkste schijnt te bewijzen, namelijk de uitgebreidheid, het volumen der ligchamen en den tegenstand welken zij bieden aan een vreemd daarop invloed uitoefenend ligchaam, b. v. mijn vinger, mijne hand. (Ik wil hier niet spreken van de oorspronkelijk lucht- of gasvormige ligchamen en evenmin van het feit, dat alle druipbare, ja de meeste vaste ligchamen door hitte gasvormig kunnen gemaakt worden, maar heb hier uitsluitend het oog op de werktuigelijke deelbaarheid der vaste ligchamen.) In deze hand heb ik een stuk zwavel, goud, krijt of kamfer, of een stuk muskus en noem dit stuk zwavel of muskus een ligchaam, eene stof. Deze stof kan ik echter voortdurend in kleinere deelen verdeelen welke eindelijk, indien ik voortga ze fijn te wrijven, zoo klein worden, dat ik ze met het bloote oog niet meer kan zien en ze alleen nog door middel van de sterkste vergrootglazen kan waarnemen. Deze kleinste, microscopische deeltjes kan ik slechts om die reden niet verder verdeelen, dewijl mijne hand en mijne werktuigen te grof zijn om de verdeeling onder het microscoop nog verder voort te zetten.—Elk deeltje bezit nog steeds de eigenschap van zwavel, of van muskus.—Dat de verdeeling echter nog veel verder kan gaan, bewijst de muskus die gedurende een gansch jaar in mijne kamer kan liggen zonder van gewigt te verminderen en toch de geheele kamer met den bekenden, hem eigenaardigen reuk vervult. Deze in de lucht zwevende muskusdeeltjes kan ik zelfs met de sterkste vergrootglazen niet meer waarnemen. Er bestaat echter noch eene natuurlijke, noch eene logische reden, om te veronderstellen dat deze in de lucht zwevende deeltjes, wier aanwezen slechts en uitsluitend nog door middel der reukzenuwen kan worden waargenomen, niet nog verder, ja tot in het oneindige kunnen verdeeld worden, zoodat zij ten laatste nog slechts wiskunstige punten zijn.—Euclides reeds verklaarde het geometrische punt te zijn datgeen, hetwelk geene deelen, of GEENE UITGEBREIDHEID heeft.
Indien er nu geene stof bestaat en het wezen van iets de som is zijner eigenschappen, hoe kan God dan iets anders zijn dan voor zich zelven: het eeuwige bewustzijn, en voor ons: de som of het totaal van alle eigenschappen der natuur?—Twee zijner eigenschappen zijn ruimte en tijd, in en door welke hij zijne gedachten tot werkelijkheid maakt. Deze gedachten zijn de verschijnselen in de natuur. Wij zijn slechts eene van deze verschijnselen, hoewel wij de slotsom van millioenen maal millioenen zamenwerkende, doch verschillende eigenschappen mogen genoemd worden. Wij zijn de buiten zich zelven geplaatste God, waarin de groote wereld der verschijnselen zich in het kleine terugkaatst,—waarin God zich als het ware ten tweede male denkt.