Mythe. In den beginne was een almagtig geest of God, wiens wezen slechts bestond uit tijd en ledige ruimte en die, dewijl hij geheel alleen was, zich zeer verveelde. Hij schiep zich derhalve eene tegenstelling, deelde zich in twee gelijke deelen en stiet de eene helft van zich af, waaruit een tweede, even almagtige geest ontstond die zich duivel noemde. Deze beide (uit tijd en ruimte gevormde) tegenstellingen draaiden zich nu, even als eene dubbele ster, in een kring rondom een gemeenschappelijk middenpunt en vermaakten zich op die wijze gedurende drie millioen jaren tamelijk wel. Geest duivel verzuimde niet geest God bij elke gelegenheid tegen te spreken en geest God scherpte aan de tegenspraak zijn verstand. Maar gelijk het beste middel tot tijdverdrijf eindelijk door zijne eentoonigheid vermoeijend wordt, begon het eeuwigdurend tegenspreken ook God ten laatste te vervelen; hij verweet dien ten gevolge zijn neven- of tegengeest, dat hij een onbescheidene en ondankbare duivel was die zich tegen hem verhief, niettegenstaande hij zijn gansche aanwezen slechts aan zijne goedheid verschuldigd was, dewijl hij, God, hem eerst voor drie millioen jaren uit de tweede helft van zijn eigen ik had gemaakt. Hierop gaf de duivel hem met spottend gelach ten antwoord, dat God hem dankbaar moest zijn voor het aangename tijdverdrijf, hetwelk hij hem nu reeds gedurende zoo langen tijd had verschaft en dat hij daarentegen van den aanvang af, ja nog veel vroeger dan God had bestaan, aan wien hij verklaarde geen dank hoegenaamd schuldig te zijn. Dit snoode antwoord verbitterde den eerstgeboren geest; maar hij kon den duivel niet meer verbannen, die reeds van den oogenblik der verdeeling af, even almagtig was geworden als hij en nu met zijnen toorn spottede.—Op die wijze waren de beide oorspronkelijke geesten met elkander in twist geraakt; zij konden zich echter niet van elkander losmaken, dewijl de bestaande band van verwantschap hen bleef verbinden en tot het draaijen om een middenpunt dwong.
Eindelijk werd ook de duivel het eeuwige twisten en omdraaijen moede en beide, God en de duivel besloten op leven en dood met elkander te strijden. Zij kwamen nu overeen, om zich in een oneindig aantal oneindig kleine atomen te herscheppen en, elkander vastomstrengelend, zich in deze atomen te verbergen en te verschuilen. Zij kwamen verder overeen, dat ieder van hen beiden in elk atoom juist een millioen oorspronkelijke, verschillende eigenschappen zou bezitten, welke in aanraking komende met andere atomen zich als krachten zouden uiten en door hare verbinding met andere wederom nieuwe, afgeleide eigenschappen zouden verkrijgen, wier aantal voor elke verbinding werd vastgesteld op een millioen maal een millioen. Zij bepaalden deze eigenschappen, verdeelden ze naar gelang van haren aard onder hen beiden en regelden de wetten, waarnaar de groote strijd zou gestreden worden.
Hierop omarmden zij elkander en van dien zelfden oogenblik af hielden God en duivel op te bestaan,—er ontstond eene oneindige menigte atomen, zij vlogen snorrend uiteen en de wereld in nevelvorm, atomenvorm was ontstaan.
Gedurende drie duizend millioen jaren hebben deze atomen (in elk waarvan God en de duivel verborgen schuilt) nu reeds met elkander gestreden; zonnen, planeten en manen zijn ontstaan,—eenige van gindsche eigenschappen (die wij menschen zwaartekracht, licht, electriciteit en dergelijken noemen) hebben betrekkelijkerwijze gesproken eene groote heerschappij verkregen; andere (zoo als b. v. die welke kalium, natrium heeten) zijn op het punt geweest om verwonnen te worden; eene menigte atomen hebben zich op de planeet aarde tot planten en dieren vereenigd; in een dezer dieren, in den mensch, is de oorspronkelijke eigenschap van den eersten geest, de zielskracht, reeds in eene veel hoogere mate te voorschijn getreden, dan in de anderen,—maar nog steeds is het twijfelachtig, wie van de beide geesten, God of de duivel, op deze planeet de zege zal behalen.
Zoo zullen de atomen strijden, zich verbinden, zich scheiden, zich op nieuw vereenigen en in steeds afwisselende vormen worden herschapen, totdat de eigenschappen van een der oorspronkelijke geesten (die er in verborgen ligt) die des anderen zullen, verwonnen hebben; mogt de eerstgeborene geest als verwinnaar uit den strijd treden, dan moeten uit den vorm des menschen op deze aarde meer volkomen vormen ontstaan, begaafd met meer volkomene eigenschappen,—deze moeten steeds meer veredeld worden, de zielskrachten moeten steeds helderder, uitgebreider, meer omvattend, goddelijker worden, totdat eindelijk de duivel verwonnen en de wereldziel in zijne reine oorspronkelijke hoedanigheid weder te voorschijn gekomen,—totdat de mensch God is geworden.—Of zouden beide oorspronkelijke geesten weder even magtig uit den strijd terugkeeren?—Of zoude de duivel verwinnen?
Dit is de mythe van de herschepping en vleeschwording Gods. Thans is hij nog verborgen in de natuur en de magt der tegenstelling is groot. Maar hij ontwikkelt zich en de duur van het ontwikkelingstijdperk der schepping omvat vele millioenen maal millioenen van jaren.
Einde der mythe.
Mijn weten is mijn gelooven. Hetgeen ik niet weet of niet weten kan, dat geloof ik niet.—De grondstelling waarnaar ik mij bij al mijne onderzoekingen rigt is deze, dat elk verschijnsel zijn grond, elke werking hare oorzaak heeft. De ware natuuronderzoeker moet zich onthouden van alles wat louter bespiegeling mag heeten en in zijne gevolgtrekkingen geene schrede verder gaan, dan de gedane waarnemingen veroorloven. Hij moet de natuur door feiten, verschijnselen verklaren en ophelderen en het door hem behandelde onderwerp laten spreken. Zijne taak is: het uitvorschen van feiten, wetten. Geen verschijnsel laat zich verklaren door het afzonderlijk, op zich zelve te beschouwen, maar door datgeen wat er mede zamenhangt, goed waar te nemen en te rangschikken, komt men tot een juist inzigt in de zaak.
Even als bloote veronderstellingen schadelijk en verderfelijk zijn voor de wetenschap, zoo zijn zulks voor het menschelijke geslacht alle stelselmatig voorgeschrevene vereeringen van God. Zij doen vooroordeelen ontstaan en zijn oorzaak dat of geheel niet, of eerst later een duidelijk begrip der zaken wordt verkregen.
In absoluten, stelligen zin genomen bestaat er geene stof, gelijk reeds vroeger broeder Avondrood uitvoerig heeft aangetoond, dewijl alles wat wij stof noemen, slechts eene vereeniging is van een grooter of kleiner getal zamenwerkende eigenschappen, die zich gezamenlijk laten herleiden tot bewegingsverschijnselen (krachten). Niets rust in het heelal.—In een betrekkelijken zin beschouwd bestaat echter voor ons alles wat aanwezig is, uit stof en bestaat er niets dan stof en aan stof gebondene krachten, zonder dat hierop eene enkele uitzondering voorkomt. Kracht toch is bewogene stof. Onze gedachten zijn stof in beweging.
Hetgeen gij, broeder Dag en Nacht God noemt, is gelijk Avondrood reeds bewezen heeft, niet anders dan eene vereeniging van een zeker aantal menschelijke eigenschappen die gij in uwe gedachten zamenvoegende, aan de natuur onderschuift en welke gij, dewijl de natuur oneindig is, u voorstelt als in eene oneindige mate volkomen, weshalve het woordje Al.... er voor wordt geplaatst. Deze God bestaat uitsluitend in uwe verbeelding. Indien de geestvermogens van dier en mensch als het gevolg mogen beschouwd worden van hunne bewerktuiging, en de waarheid hiervan kunt gij niet ontkennen, waartoe moet dan eene ziel dienen?—Indien de natuurwetten de wereld regeren, tot welk einde moet dan nog een God strekken?—Ik ken geen anderen God dan de natuur en de natuurnoodzakelijkheid, dewijl alle verschijnselen die zich in haar aan ons openbaren, naar eeuwig onveranderlijke wetten plaats grijpen.
Zoo als deze natuur, deze wereld thans is, bestaat het leven slechts door middel van tegenstellingen. De tegenstelling alleen maakt dat de dingen werkelijk zijn; zij vormt de wereld. Het goede is slechts denkbaar, dewijl zijne tegenstelling bestaat: het booze.—Denkt hierover na en stemt toe, dat geene deugd mogelijk is zonder ondeugd, dat de deugd voor u geheel ondenkbaar zoude zijn, zonder de kennis van het kwade welke gij bezit. Het genot, het gevoel van behagelijkheid is zonder smart en lijden even onmogelijk, als dat het licht kan bestaan zonder schaduw, dag zonder nacht, morgen- zonder avondrood.
Broeder Avondrood, die toch den wil des menschen zeer juist heeft verklaard als te bestaan in beweging van stof, maakt zich echter aan eene groote inconsequentie schuldig, terwijl hij het verschijnsel van het zelfbewustzijn tracht op te helderen en schrijft zonderbaar genoeg! aan de gansche natuur zelfbewustheid toe, als of het eene onverklaarbare (gesteld dat het zoo ware) door een tweede dat nog veel onverklaarbaarder is, kon worden toegelicht.—Laat ons toch zulke onbewezene veronderstellingen niet maken. Is de wereld in mijn oog een wonder, dan vergenoeg ik mij met dit eene wonder en neem ter verklaring er van niet een tweede, derde en vierde wonder, d. i. geene niet-wereld, geen God en geene schepping der wereld aan.—De stof is eeuwig en beweegt zich in de wereld welke zij vormt, met hare eigenschappen (de natuurkrachten) naar noodzakelijke, van eeuwigheid er aan verbondene wetten.
De natuurverschijnselen spiegelen zich af in ons voor indrukken vatbare gemoed en brengen, even als lichtbeelden op de met jodium behandelde zilveren plaat, een indruk, een hersenbeeld te weeg. De som of het product der hersenbeelden is ons bewustzijn, hetwelk steeds des te meer volkomen en duidelijk is, naarmate de zintuigen waarmede wij in wederkeerige betrekking staan tot de omringende natuur, een hoogeren graad van volkomenheid bezitten, naarmate dit verkeer, deze oefening langer voortduurt en het aantal grooter is der beelden, waarin wij als het ware ons eigen ik, ons oog, ons oor, ons gevoel als voorwerp aanschouwen, hooren en gewaar worden. Want even als elk ding de som zijner eigenschappen is, zoo is de denkende mensch de som zijner zinnen, welke in eene bepaalde betrekking tot de dingen staan.
Maar dit verkeer met de buitenwereld heeft plaats door middel van stoffelijke beweging die, verbonden met electrische stroomen in de zenuwen, in de hersenen gewaarwordingen te weeg brengen. Hoe menigvuldiger nu deze stoffelijke bewegingen zich herhalen, b. v. hoe menigvuldiger de klank op ons oor, het licht op ons oog werkt, des te helderder kennis verkrijgen wij, des te levendiger wordt het bewustzijn, hetwelk uit dien hoofde bij het kind, gedurende de eerste maanden zijns levens zeer weinig en bij de lagere diersoorten, zoomede bij het embryo nog volstrekt niet of slechts ter naauwernood is ontwaakt. Er zijn gezonde zintuigen en menigwerf herhaalde werkingen noodig, om eene gewaarwording (den indruk der dingen in onze hersenen) als een helder bewustzijn te behouden. Oesters (die oogen, noch ooren hebben) bezitten een minder volkomen bewustzijn dan meikevers of spreeuwen,—doofstommen, blinden of menschen die in de duisternis waren opgesloten (zoo als het geval was met Caspar Hauser) minder dan menschen, die gelukkig genoeg waren om hunne vijf gezonde zinnen 30 jaren lang te oefenen.—Het bewustzijn is derhalve eene eigenschap der stof en bij dieren en menschen slechts verschillend naar de mate waarin zij het bezitten.—Hetgeen men verstand, oordeel, rede noemt, zijn geene op zich zelven staande, enkelvoudige krachten of vermogens, waarvan men de zoogenaamde geestesverrigtingen als bloote uitingen of gevolgen zoude kunnen afleiden, maar deze gewoonlijk als eenheid beschouwde vermogens zijn zelve niet anders dan het resultaat eener lange rij van schakels in eene keten, tot welker kennis de physiologen nog ter naauwernood den weg hebben gebaand.
Gij hebt gezien waarheen gij wordt gevoerd, wanneer gij van den weg der ervaring, der waarneming afwijkt, wanneer gij de grens der gevolgtrekkingen waartoe wij mogen komen op grond van stellige feiten, overschrijdt en onbewezene stellingen aanneemt. Een van u laat God zijne wereld als een tol aan de vinger rond draaijen; de andere laat hem in elken tijger, in elken moordenaar spoken; nu eens ontkent gij, met het doel om aan u zelven een vrijen wil te verzekeren, dat uw God de voorwetenschap bezit welke den mensch toch in zekere mate wel degelijk eigen is, en dan weder schrijft gij hem de kennis toe van de geringste kleinigheid, zoo als b. v. het uitvallen van een haar, en laat hem dit millioenen van jaren, zoo niet voor alle eeuwigheid vooraf bepalen!—Zijn dat geene ongerijmdheden?
Wanneer wij nagaan wat op deze aarde leeft en zich beweegt, dan zien wij dat vele dieren, ja zelfs de mensch, ten einde het leven te behouden, gedwongen zijn andere, met gevoel begaafde wezens die zich in hun aanzijn verheugen, van het leven te berooven, te vermoorden en te eten. Dit beschouw ik als een bewijs dat het zonnestelsel, of althans de planeet die wij bewonen, eene der onvolkomensten, een der minst ontwikkelden in het heelal is. Er moeten hooger ontwikkelden worden gevonden, waar alle levende, met eigen gevoel begaafde wezens vreedzaam met elkander kunnen zijn zonder elkander te verdelgen, en waar slechts de hun van natuur ingeschapene wet welke den levensduur regelt, aan het bestaan der individuen een einde maakt. Ik geloof, dat wij tot die hoogte zullen geraken en dat het in onze ontwikkelingswetten ligt, voedingsstoffen, zoo als eiwit, melk en vleeschachtige ligchamen, uit de zoogenoemde onorganische stoffen, uit aarde, rots, water en lucht te leeren bereiden.
Het doel des levens en van ’s menschen aanwezen kan toch geen ander zijn dan dit: steeds grondiger, meer omvattende kennis te verkrijgen van de natuurwetten, opdat wij ze leiden en beheerschen kunnen, opdat wij ze aan ons dienstbaar kunnen maken, opdat wij steeds onafhankelijker er van worden, opdat de storm ons schip niet meer kan verbrijzelen, de koude ons niet meer hinderen, de honger ons niet kwellen, de bliksem ons huis niet meer in brand kan steken, opdat wij de teugels der natuurwetten—de draden welke oorzaak aan gevolg verbinden—in onze eigene handen nemen, ja, opdat wij eindelijk buiten den tooverkring der natuurnoodzakelijkheid treden en ons tot vrijheid, tot absolute vrijheid van wil verheffen!
Een eerste natuurwet echter beveelt ons, dat wij niet als kluizenaars, maar in eene maatschappelijke vereeniging zouden leven, dewijl slechts de vereeniging van vele menschen aan de vereischten van een volkomen en gelukkig aanzijn beantwoordt;—eene tweede natuurwet bevat den inhoud onzer zedeleer en zegt: gij kunt op den duur, te midden van zoo vele menschen levende, zelf niet gelukkig zijn, niet vrolijk, niet tevreden blijven, indien gij er niet naar streeft insgelijks de anderen gelukkig te maken. Hebt derhalve uwe naasten lief en betracht de leer, die reeds door genen voortreffelijken Hebreër van Nazareth werd verkondigd: hetgeen gij wilt dat anderen u doen, doe hen desgelijks; wijs den verdwaalden den regten weg, onderrigt de onwetenden en bedrogenen, schendt de regten van uwe broederen niet en help hen, indien zij in nood zijn.
Mijn God zijn wij zelven: de mensch. Mijn godsdienst is de anthropologie. Mijne voorzienigheid is het verstand, de wil, de liefde, welke in mijn boezem levendig zijn. Ik bekommer mij niet om de vraag naar absolute vrijheid of niet-vrijheid van den wil. Deze vragen zijn van louter bespiegelenden aard. Absoluut genomen is er niets in de natuur dat vrij is, dewijl het eene van het andere afhangt en alles gelijkelijk moet bukken voor den albeheerscher, voor den tijd. Ik ben echter vrij, dewijl ik duidelijk en met vreugde bewust ben van de natuurlijke noodzakelijkheid mijns aanwezens, der betrekkingen waarin ik sta, der eischen en vorderingen die ik maken kan, der grenzen en der uitgestrektheid van mijn werkkring.—Mijn lot ligt in mijne hand, dat ik met te meer vastheid kan besturen, naar gelang ik dieper inzigt heb in de wetten der natuur, met inbegrip van die welke het menschdom als geslacht beheerschen, welke de innerlijke vatbaarheid des menschen voor indrukken bepalen.—Mijn geluk is mijne keuze.—Mijn geloof is de ontwikkeling der menschheid tot iets schooners, door eigene, haar ingeschapene kracht. Moge deze wilskracht door beweegredenen bepaald, derhalve aan natuurwetten gebonden zijn, deze natuurwetten zijn niettemin van dien aard dat zij mijne ontwikkeling begunstigen, ik kan deze wetten toch leeren kennen, beheerschen, aan mij dienstbaar maken, mij er boven verheffen, en in dat opzigt is de kring waarin mijne vrijheid zich beweegt, groot—oneindig groot,—in dat opzigt is mijn wil vrij! en in het volste bewustzijn dezer vrijheid maak ik er van gebruik.
Dit is het doel des levens: het goede moet zich uit de natuur ontwikkelen, zich verzoenen met zijne tegenstelling;—de mensch moet de natuurwetten leeren beheerschen, hij moet zich er boven verheffen en zich veredelen tot—God op aarde!
AVONDROOD. (In vervoering geraakt, springt van zijn zetel op.) Kom in mijne armen, beste broeder! Dit denkbeeld is grootsch, schoon, heerlijk. Uw stelsel is het ware. Gij hebt de waarheid gevonden. Heerlijk, heerlijk!—Derhalve: er is een dag, een algemeene dag, een eenige dag vooraf gegaan;—daarop volgde een nacht;—maar thans is God herschapen in de natuur, hij bestaat niet, maar ontwikkelt zich weder uit deze natuur?—Heb ik u goed begrepen?—Hier, leg uwe hand in de mijne: ik kom tot uwe zijde over, ik word Morgenrood.—De mensch is derhalve uw God, in wien het goede met het kwade strijd voert?—Ja, daarin is het ware der zaak gelegen; daar verrijst in duidelijk schrift de geheele zedeleer voor mijne oogen, de tegenstrijdigheden zijn opgelost, het onzinnige geloof aan de voorbeschikking, de voorwetenschap van alle eeuwigheid heeft opgehouden te bestaan; onze voorzienigheid zijn wij zelven: het booze moeten wij bestrijden en algemeene liefde voor al onze naasten voeden,—God moeten wij worden!—Wij hebben een vrijen wil; wij ontwikkelen ons; het noodlot, de gansche wereld ligt in onze eigene handen!—Dank, broeder, dank zij u! voor dit gelukkige denkbeeld; dit geeft moed, dit geeft kracht, dit geeft onverdelgbare, voorwaarts strevende hoop!—Nogmaals, beste broeder, breng ik u mijn innigsten dank voor de mededeeling van uw voortreffelijk denkbeeld. Menschen willen wij zijn en de drie absolute magten, waardoor God zich uit den mensch tracht te ontwikkelen, verstand, wil, liefde!—deze willen wij vereeren en aankweeken.—En wat zeggen nu broeder Dag en broeder Nacht hierop?
NACHT. (In diep nadenken verzonken, langzaam.) Les extrêmes se touchent.
DAG. (De ongehuichelde verrukking van Avondrood die, het laatste overblijfsel van zijn God uit de natuur verloren hebbende, zich des te inniger aan den mensch vastklemde, deed mij heete tranen storten en ik had eenigen tijd noodig, om mijne ontroering meester te worden.) Mijn beste broeder Morgenrood en Avondrood! Is het niet vreemd, dat in u—atheisten gelijk men u noemen zal, dewijl gij aan geen God gelooft—dat deze God, deze wonderbaarlijke, redelijke geest in de natuur juist in u, die aan zijn bestaan niet gelooft, op het heerlijkst en schoonst zich openbaart?! Want zoo waarlijk gij een deel zijt der natuur, hetgeen gij niet kunt ontkennen, evenzoo behoort de geest die uit u spreekt, die u bezielt, ontvlamt, verrukt,—toch insgelijks tot de natuur; hij ligt dus er in, in de natuur.—Hoe kunt gij weten, welke schepselen op verwijderde hemelligchamen leven, op zonnen en planeten die, even als haar omvang grooter is, insgelijks veel volkomener kunnen zijn dan deze aarde, en of in die schepselen die geest zich niet nog treffender, meer volkomen openbaart? En deze menschengeest in wien het gansche heelal zich afspiegelt, zou dagelijks voor onze oogen uit het bewustelooze niets ontstaan? Het is waar, gij zegt, dat men het eene onverklaarbare niet door eene tweede dat nog onverklaarbaarder is, den geest des menschen niet door God, het individuële bewustzijn niet door een algemeen bewustzijn moet trachten te verklaren;—maar hierin zijt gij, niettegenstaande alle schijnbare consequentie, toch met u zelven in tegenspraak. Gij zegt zeer te regt dat er geene werking zonder oorzaak is en dat geene nieuwe kracht, geene nieuwe stof kan ontstaan, maar dat alles wat is, als van eeuwigheid bestaande moet aangemerkt worden. En toch beweert gij dat er geene bron des bewustzijns is, maar dat dit menschelijke bewustzijn, deze geestverschijnselen elken dag op nieuw zich zouden vormen en ontwikkelen in elken opgroeijenden mensch.—Gij tracht, wel is waar, die tegenstrijdigheid uit den weg te ruimen, door alle geestverschijnselen die men van oudsher aan eene ziel heeft toegeschreven, uit een zuiver materiëel oogpunt te verklaren en tot stoffelijke bewegingen terug te voeren.
Indien wij nu echter ook moeten bekennen, dat elke werkzaamheid des geestes, het bewustzijn, de gedachten, wilsuitingen, wat betreft de wijze waarop zij plaats hebben, in bewegingen van stof bestaan of zinnelijk daardoor worden geboren en tot stand komen,—wat bewijst dit ten slotte anders dan dat de geest, het denkbeeld, door middel van de stof tot werkelijkheid komt, zich van de stof bedient om zich zinnelijk te uiten?—De geest, de gedachte is derhalve toch aanwezig, absoluut aanwezig en openbaart zich in de natuur en in den mensch!
Indien wij niet kunnen ontkennen, dat insgelijks de menschelijke wil een natuurverschijnsel, een noodzakelijk gevolg van oorzaken is, dan zie ik niet in, waarom wij ons deswege zoo zeer zouden moeten bedroeven. Mij daartegen komt het voor, dat de wetenschap welke ons leert dat de menschelijke wil is verbonden aan vaste natuurwetten, veeleer iets troostends en bemoedigends voor ons moest hebben, dewijl zij ons de zekerheid verschaft dat ons lot als individuën en als geslacht, niet aan het blinde toeval is prijs gegeven, maar daarentegen aan wetten is onderworpen, waarin zich eene ontwikkeling tot iets schooners, meer volkomens openbaart.
In dien zin, waarin broeder Morgenrood den vrijen wil aan het slot zijner geloofsbekentenis heeft opgevat, waarmede gij, broeder Avondrood, uwe ingenomenheid op zulk eene levendige wijze hebt te kennen gegeven, in die beteekenis reik ik u met vreugde de hand. Met deze beschouwing nopens de vrijheid van den menschelijken wil, kan ik mij ten volle vereenigen.—Maar, uit het vroeger gezegde zal u tevens duidelijk zijn gebleken, dat ik voortgaan zal met te gelooven aan een levenden God in de natuur, aan een eeuwig, redelijk bewustzijn des heelals, in voege als zulks door mij vroeger in mijn evangelie der natuurlijke godsdienst en zedeleer is ontwikkeld.—Openbaart hij zich dan niet overal rondom ons, in ons, door ons? Heeft broeder Avondrood niet een al te grooten sprong gemaakt, toen hij—na alvorens het niet-bestaan der stof aangetoond en geleerd te hebben, dat alles wat wij stof noemen, slechts de som van een zeker aantal eigenschappen is,—eerst God, den geest in alles zag en eensklaps overging tot het geloofstelsel van broeder Morgenrood, die het bestaan van den geest, het bewustzijn in de natuur loochent, dewijl alles stoffelijk verklaard, d. i. tot bewegingsverschijnselen der stof kan terug gebragt worden?—Begrijpt gij beide dan niet, dat voor ons uit stof gevormde menschen die niet meer en niet minder dan vijf punten van aanraking met het heelal hebben, als het ware poorten, ingangen waardoor wij eenig en alleen in staat zijn, kennis te verkrijgen van de verschijnselen die buiten ons plaats hebben, begrijpt gij niet, dat voor ons geen ander verkeer des geestes mogelijk is dan juist dat, hetwelk door middel der stof geschiedt, terwijl wij hooren, zien, ruiken, smaken, gevoelen?—Wij toch zouden niets, volstrekt niets van de ziel in de natuur, van de geest kunnen bespeuren, indien deze zich niet in en door stofbeweging te verstaan gaf, juist dewijl alleen stofbeweging in staat is een indruk teweeg te brengen op ons oog, ons gehoor, op onze reuk-, smaak- en gevoelszenuwen en dewijl andere organen of zintuigen, waarmede andere dan stoffelijke bewegingen of verschijnselen zouden kunnen waargenomen worden, ons geheel en al ontbreken.
Broeder Avondrood noemt den mensch eene „gedachte Godes” en verklaart de individuële onsterfelijkheid der ziel op deze wijze, dat wij in de „herinnering” Gods voortleven. De onmogelijkheid echter, om zich dit algemeene, redelijke bewustzijn der natuur voor te stellen als onbekend met de natuurwetten welke „het zelf is” of „waardoor het zich openbaart,” derhalve de noodzakelijkheid (als eene natuurlijke gevolgtrekking uit het voorafgaande) aan dit redelijke wezen volkomen bekendheid met de natuurwetten, dus ook voorwetenschap van alle toekomstige gebeurtenissen toe te schrijven,—dit voerde hem op den glibberigen, tusschen afgronden heenloopenden weg der predestinatie en moet waarschijnlijk als de aanleidende oorzaak worden beschouwd, dat hij zijn vorig stelsel verlaten en zich in de armen van broeder Morgenrood heeft geworpen, toen deze om de klippen van het eeuwig noodlot te ontwijken waarop troost noch raad gevonden wordt, God loochende en het bewustzijn aan de natuur ontzei.
Ik beken het, wij staan hier werkelijk aan een tweesprong. Hier verdeelt de weg zich in verscheidene nieuwe wegen; wij trachten uit te vorschen, welke de regte weg moge zijn, maar er is geen wegwijzer aanwezig die ons de ware rigting zou kunnen aanduiden.—Aan te nemen dat de natuur bewusteloos is, dat geen God bestaat, dat kan ik niet, dewijl het in lijnregten strijd is met mijn verstand, uit eene aan zich zelve onbewuste hoeveelheid stof een ding of wezen als de mensch te doen geboren worden, hetwelk zich zelf tot het voorwerp zijner beschouwing maakt en over alles wat buiten hem nog is, met bewustzijn denkt en navorscht, hetwelk derhalve in de volkomenheid zijner eigenschappen hoog boven de natuur zou staan, waaruit het niettemin zijn oorsprong nam en van welke het zoo geheel en al afhankelijk, waaraan het door middel van duizende ketenen verbonden is.—God van de natuur te scheiden en hem daaraan persoonlijk—als een tweede ik—tegenover te stellen, dit kan ik evenmin, dewijl ik daardoor (gelijk Avondrood reeds zeer juist heeft aangemerkt) de schoone, heerlijke natuur en mij zelven van God berooven, den God echter tot een levenloos, niets beduidend schaduwbeeld zou maken; neen, mijn God is de levende, alles bezielende, redelijke geest in de natuur.—Maar te gelooven, dat deze wereldgeest alles wat geschieden moet, op alle eeuwigheid vooraf weet en bepaalt, dit valt mij niet minder moeijelijk.— —Ik verzink daarover in steeds dieper gepeins, maar in plaats van den grond te peilen, hoor ik slechts gene waarschuwende stem, welke mij de beteekenisvolle woorden toeroept: „Er zijn nog vele dingen tusschen hemel en aarde, waarvan uwe schoolwijsheid zich zelfs geen denkbeeld kan vormen.”
Waarlijk, broeders, gij beide die gezegd behoord te worden den overgang van dag tot nacht en nacht tot dag daar te stellen, alwaar de uitersten elkander aanraken, waar licht en schaduw zamensmelten en de denkbeelden wekkende zone der schemering ligt,—waarlijk gij hebt al uwe krachten ingespannen om de lichtbeelden van den dag uit te wisschen, de droomen van den nacht te vernietigen en al datgene hetwelk ons menschen heilig en verheven is, waarnaar wij het vurigst haken en wenschen, weg te redeneren en te loochenen. „Natuurnoodzakelijkheid is het eenige dat regeert; het is alles stof en alle natuurverschijnselen, met inbegrip van hetgeen wij verrigtingen des geestes noemen, bewustzijn, vrije wil, enz., zijn bewegingen van stof.” Zoo spreekt gij.—Maar, waarde broeders, één ding hebt gij vergeten, dat gij niet kunt weg redeneren en dat geen stof is. Stof is het totaal van zekere eigenschappen; niet waar? Maar wat is dan TIJD?—Bestaat hij uit stof?—Bezit hij eigenschappen?—Ik ken er geene.
MORGENROOD. O, gij dweeper Dag, welke hersenschimmen koestert gij!—De tijd is een maat, een maat voor den duur der dingen, voor hetgeen na elkander plaats grijpt, doch eigenlijk (op zich zelven genomen) is hij niets.
DAG. Een maat?—De afstand tusschen twee nevens elkander voorkomende dingen is een maat met betrekking tot de ruimte; maar is de ruimte, op zich zelve genomen, een maat of eigenlijk niets?—De afstand van twee na elkander voorkomende dingen is een maat met betrekking tot den tijd, maar is om die reden de tijd, op zich zelf, een maat of, gelijk gij zegt, eigenlijk niets?—En aan welke na elkander voorkomende dingen of verschijnselen ontleent gij dan deze maat? Ontleent gij haar aan de wenteling der aarde om hare as, der maan om de aarde, der aarde om de zon,—of van Mercurius om de zon, of van Neptunus om de zon, of van de zon om eene onbekende centraalzon? Hebben niet de aarde, de maan, Mercurius of Neptunus en de zon, elk dezer hemelligchamen eene andere maat? Waar moet nu echter de ware,—de normaalmaat met betrekking tot den tijd worden gezocht?
De tijd heeft geene eigenschappen, is geheel en al onligchamelijk en toch is hij wel degelijk iets; ja, hij is iets zoo gewigtigs, dat zonder hem geheel niets anders bestaan kan, dat zelfs de vlugtigste gedachte zonder hem niet denkbaar is.—Ons voorstellingsvermogen is bijna niet in staat, om zich eenig begrip te vormen van het eigenlijke wezen van den tijd en zulks uithoofde wij er geene eigenschappen aan kunnen waarnemen. Hij schijnt ons volkomen raadselachtig toe. Sta mij toe dat ik eene gelijkenis bezig, ontleend aan de snelheid van de beweging des lichts, om aan te toonen dat de tijd zich als het ware in de ruimte oplossen of terug gaan kan in de ruimte.
Gij weet dat het licht in eene seconde een afstand van 42000 geographische mijlen doorloopt. De zon is 20 millioen en 682440 dergelijke mijlen (of 24043 halve middellijnen der aarde) van ons verwijderd en deze ruimte doorloopt het licht in 8¼ minuten.—De helderste vaste ster Sirius (die men vroeger met Herschel beschouwde als de digste bij de aarde geplaatst te zijn) is 10 billioen mijlen van ons verwijderd, dat is 500 duizendmaal zooveel als de afstand der zon van de aarde bedraagt, en het licht heeft 7⅔ jaren noodig om dezen afstand—een Siriusafstand—af te leggen. Er zijn echter sterren of sterregroepen (sterrehoopen, nevelvlekken) die 5000, 10000, ja, 30000 maal een Siriusafstand (elk van 10 billioen mijlen of 7⅔ jaren lichtsnelheid) van ons verwijderd zijn en van waar het licht derhalve een tijdsverloop van vijf duizend, tien duizend, ja dertig duizend maal 7⅔ jaren vereischt om tot ons te geraken.—In vergelijking van den afstand waarop deze verwijderste wereldstelsels van ons staan, die gedeeltelijk slechts W. Herschel door middel zijner reusachtige telescopen als nevelvlekken kon waarnemen, is een afstand van 763½ maal eene Siriusverte niet groot, niettegenstaande het licht 5854 volle jaren noodig heeft om dezen afstand1 te doorloopen. Van eene ster der 12de grootte (gerekend op 521½ maal een Siriusafstand) zou het licht in 4000 jaren tot ons komen.
Stellen wij ons nu voor, dat op eene ster die 763½ maal een Siriusafstand van ons afstaat, zich een wezen bevindt, voorzien van een buitengewoon volkomen gevormd oog, dat zelfs nog voor de zwakste lichtsindrukken vatbaar is en zoo scherp ziet, dat het alles wat op deze aarde voorvalt duidelijk kan waarnemen, dan zal dat oog heden datgene zien hetwelk voor 5854 jaren op aarde geschiedde, dewijl de lichtstralen die (als teruggekaatst zonnelicht) vóór 5854 jaren deze aarde verlieten, eerst thans aldaar zijn aangekomen. Wij zullen dit oog het „Alziend oog” noemen en verder aannemen (om onze gelijkenis te voleindigen) dat dit wezen niet op gindsche ster bepaaldelijk moet verblijven, maar dat het ’t vermogen bezit om zich van daar met de snelheid der gedachte, b. v. in een uur of zelfs in eene seconde tijds op onze aarde en van hier weder terug op gindsche ster te verplaatsen. Het is waar, wij kennen tot heden geene kracht, geene beweging die grootere snelheid bezit dan het licht; maar nog vóór eenige tientallen van jaren was de snelste beweging welke wij kenden om onze brieven te bezorgen, een goede coerier die te paard ongeveer 4 geographische mijlen in twee uren tijds aflegde. Later vonden wij spoorwegen en locomotieven uit welke in plaats van 2 uren slechts 30 minuten behoeven om dezen afstand te doorloopen, en nog later ontdekten wij de electro-magnetische telegraphen die in stede van 30 minuten slechts een enkelen oogenblik daartoe noodig hebben, ja, welke onze brieven niet 4, maar 42000 mijlen ver in ééne seconde kunnen brengen;—hieruit nu volgt dat de maat van tijd nooit anders dan betrekkelijk is, dewijl wij de ware maat niet kennen. Wij meten den loop des tijds slechts af naar bewegingen of verschijnselen die wij kennen, doch weten niet hoe snel de snelste beweging loopen kan en er is volstrekt niets ongerijmds gelegen in de veronderstelling, dat het Alziende oog zich in een uur tijds van gene ster naar de aarde bewegen, derhalve 763½ maal een Siriusafstand binnen dezen tijd doorloopen kan en in staat is in een uur alles te zien, dat in den loop van 5854 jaren op deze aarde is geschied.2
Evenzeer moeten wij toestaan, dat een dergelijk, buitengewoon sterk gezigtsvermogen als dat hetwelk wij aan het bedoelde oog toeschrijven, zelfs in een strengen, natuurwetenschappelijken zin als mogelijk moet beschouwd worden. Onze veronderstelling weêrspreekt zich, naar de regelen van eene logische en redelijke redenering in geenen deele, bevat derhalve geen onzin en is ontleend aan een onloochenbaar feit: aan de voortplanting der lichtbeelden (van den vorm, der kleur en omtrekken der ligchamen) door de golfvormige beweging des ethers, welke met eene snelheid geschiedt van 42000 mijlen in ééne seconde. Het is waar, het licht verzwakt bij zijne verbreiding in eene steeds grootere ruimte in de evenredigheid van het vierkant des afstands, maar het is ons niet mogelijk te bepalen waar de grens ligt van de voortplanting des lichts, of waar het zoo zeer is verzwakt dat het zelfs op de volkomenste, allergevoeligste oogen geen indruk meer maakt, dewijl zelfs menschelijke oogen, gewapend met menschelijk grove werktuigen gelijk die van W. Herschel, op een afstand van 35000 maal een Siriusverte (van waar het licht eerst in 268333 jaren tot ons kon komen) nog sterrehoopen of nevelvlekken ontdekten, ter plaatse waar andere waarnemers met hunne minder kolossale telescopen, al waren het ook voor het overige uitmuntende werktuigen, reeds lang niets meer zagen. Slechts voor gezigtsorganen die zoo gevormd zijn als de onze, kan de voortplanting des lichts hare grenzen hebben.3
Gesteld nu, dat het Alziende oog heden, den 1sten Januarij 1855, juist ten 10 ure des voormiddags de ster verlaat en binnen een uur den weg tot op onze aarde aflegt, dan zal het in dit ééne uur het levendige, steeds wisselende beeld aanschouwen der gansche wereldgeschiedenis en in elke minuut zien, hetgeen op onze aarde gedurende elke 97 jaren en ongeveer 7 maanden is voorgevallen. Het ontmoet alle lichtstralen welke sedert den aanvang der menschelijke tijdrekening van de aarde zijn uitgegaan.—Eerst ontwaart het de oudste gebeurtenissen van het menschelijke geslacht hetwelk in China, in Voor-Indië en in andere deelen van Azië zich reeds tot groote staten heeft vereenigd, dat reeds naar Egypte is heengetogen;—het ziet weinige oogenblikken later koning Menes te Memphis op den troon zitten, welken hij voor 5746 jaren (of 3892 jaren vóór de christelijke tijdrekening) besteeg; daarop worden de piramiden gebouwd, in Indië verheffen zich tempels, als eerste vruchten der beschaving en vorstengeslachten vestigen haren zetel in China.
Ten 10 ure 21 minuten bespeurt het oog den volksstroom die, met Abraham aan de spits, Mesopotamië verliet om zich naar Kanaän heen te begeven, en reeds 4 minuten later blikt het op den heertogt der joden die Mozes (vóór 3374 jaren of ten jare 1520 vóór Christus) uit Egypte geleide, door de Roode Zee, waarin Pharao door den vloed werd verzwolgen.—Ras komen nu volkstammen in Griekenland en Rome tot bloei en wassen op tot magtige staten; anderen zinken weder in het niet;—de val van Troje (voor 3054), de verwoesting des tempels van Jeruzalem (voor 2440 jaren of 586 voor Ch.) door Nebukadnezar, de bloeitijd van Griekenland en Rome, de daden van Alexander den Groote en eindelijk Rome’s onverdeelde heerschappij over Griekenland, met al de treffende gebeurtenissen, snellen als lichtbeelden de eene na de anderen voorbij het Alziende oog; het ziet in het joodsche land een man met 12 jongeren rond trekken, kranken genezen, lijdenden troosten en menschenliefde prediken,—totdat het ten 10 ure en 41 minuten bijna drievierde gedeelten zijns wegs heeft afgelegd. Daar ontwaart het op een berg voor Jeruzalem dienzelfden man aan een kruis genageld en gehoond tusschen twee misdadigers,—een droevig beeld dat van hier af aan nog 4000 jaren lang door het wereldrond moet wandelen om, tot schande der menschheid, aan de bewoners van gene ster zigtbaar te worden. Voor het Alziende oog echter zijn vierduizend aardjaren binnen minder dan 42 minuten verloopen.
Met de snelheid der gedachte ijlt het steeds verder voort en nadert het de aarde; ziet vroegere staten vervallen en nieuwe ontstaan; ziet hoe de leer des gekruisigden duizende menschen ontvonkt, in beweging brengt en tot een martelaarsdood wijdt; maar ook hoe zij weldra misvormd en misbruikt wordt; hoe bisschoppen te Rome zich de drievoudige kroon des gezags op het hoofd plaatsen en koningen en keizers zalven, die zich nu „christelijke en allerchristelijkste” noemen. Zij verheffen zich met hunnen schepter en hunne kroon, de eene na den anderen en verdwijnen in het niet.—Ons oog echter zet zijn vlugt onophoudelijk voort en komt ten 10 ure 52 minuten aan in de streek, waar het beeld van het slotplein van Canossa voorbijsnelt en waar (in 1077 na Ch., derhalve vóór 777 jaren) een keizer—in het hemd, barrevoets en ootmoedig—voor een paap nederknielt en boete doet. De bisschoppen van Rome toch doen het tegendeel van de leer die zij bespotten: „mijn rijk is niet van deze wereld,”—want zij heerschen nu over keizer en bedelaar en de rook van brandstapels, waarop zij menschen verbranden, zijn de duidelijke teekenen van hunne magt. Van tijd tot tijd flikkert nog het vuur van Auto da Fé’s in het Alziend oog, hetwelk echter ook den Columbus bespeurt op zijn schip (in 1492 na Ch.) waarmede hij eene nieuwe wereld wil ontdekken,—den monnik die voor de Elsterpoort te Wittenberg (in 1520) de pauselijke bul in het vuur werpt, en dat den veldslag bij Lützen aanschouwt waarin (ten jare 1632) Gustaaf Adolf sneuvelde,—allen beelden welke binnen een verloop van weinige minuten op elkander volgen en van eene reactie, van een nieuwen geest getuigen, die zich openbaart; want reeds ten 10 ure 59 minuten is het Alziende oog tot op dien afstand van de aarde genaderd, van waar het de veldslagen bij Rossbach en Praag ontwaart die (in 1756 na Ch.) door Frederik den Groote werden geleverd, en het behoeft nog slechts eene minuut om van daar op aarde aan te komen en het nog overige 97½ jaar lange stukje van de geschiedenis der menschheid af te zien.
Het ontwaart nu den gruwel der revolutie in Frankrijk en is 32 seconden vóór elf ure ooggetuige van een veldslag, waarin Napoleon de Mamluken verslaat bij dezelfde piramiden, die het eenige minuten na 10 ure—voor 5354 aardjaren—eerst had zien bouwen. Nog een paar seconden en de intusschen gekroonde keizer komt zegevierend terug uit vele veldslagen in Duitschland,—een vreeselijke brand verdrijft hem uit het rijk des Czars en de veldslag bij Leipzig maakt een einde aan zijne wereldheerschappij.—Ten 11 ure min 5 seconden komt ons oog aan in de streek van Sirius, derhalve op dien afstand van de aarde, welke 10 billioen mijlen bedraagt en door den lichtstraal in 7⅔ jaren wordt doorloopen. Het ziet van daar de bewoners der aarde in hun 1846ste jaar na Christus, vredelievend kunsten en wetenschappen beoefende, die hun eene betere, meer gelukkige toekomst schijnen te belooven. De magt van het papenbedrog en bijgeloof schijnt gebroken te zijn. Maar neen; bij zijne aankomst ten 11 ure op het aardrijk is de eerste indruk welken het oog ontvangt, krijgsgewoel en toerustingen ten strijde,—het belegeren van Sebastopol.
Zoo hebben wij het Alziend oog op zijnen togt van gindsche 763½ maal een Siriusafstand van ons verwijderde ster tot aan de oppervlakte der aarde gevolgd en de beelden van de geschiedenis der menschheid van af het jaar 4000 voor de Christelijke tijdrekening aanschouwd, tot aan het belegeringstooneel dat zich heden aan onze blikken vertoont.
Daar echter de bewoners dier ster op hetzelfde tijdstip, heden ten 11 ure, hoe scherp van gezigt zij ook mogen zijn, eerst datgene ontwaren hetwelk voor 5854 jaren op de aarde is voorgevallen, ligt ten gevolge daarvan ons aardsche heden voor hen nog in eene verwijderde toekomst, dewijl het licht zoo vele jaren noodig heeft om van hier aldaar aan te komen.
Met den lichtstraal gaat de tijd terugwaarts in de ruimte voort.
Reist echter het „Alziende oog,” na zijne aankomst op de aarde ten 11 ure, terstond weder af en ijlt het met gelijke snelheid waarmede het naar beneden kwam, weder terug naar gindsche ster, alwaar het ten 12 ure aankomt, dan zal het weten hetgeen daar nog niemand weet, hetgeen (wat ginds betreft) nog niet gebeurd is en het zal de bewoners dier ster, met onfeilbare zekerheid, 5854 volle jaren vooraf kunnen zeggen al hetgeen sedert den bouw der piramiden op onze aarde, dag voor dag, jaar voor jaar, tot op de belegering van Sebastopol zal voorvallen.
Indien het oog, in plaats van in één uur, zich in één enkel oogenblik van de ster naar de aarde en van deze terug naar de ster begeeft, dan zal het—even als de tijd—„Alomtegenwoordig” en Alwetend genoemd kunnen worden.
Ik gevoel zeer wel, dat ik met deze beschouwingen slechts een tweede raadsel bij het eerste, onopgeloste gevoegd heb, dewijl slechts de mogelijkheid der goddelijke voorwetenschap in een betrekkelijken en zuiver physieken zin door mij is aangeduid geworden. Ik vermeet mij ook niet deze vraag der voorkennis te kunnen oplossen, neen, verre van daar; maar ik roep u met Shakespeare andermaal de woorden toe: „Er zijn vele dingen tusschen hemel en aarde, waarvan uwe schoolwijsheid zelfs niets vermoedt!”
Wij kennen toch onzen eigen aanvang niet. Wij dagteekenen onze geschiedenis van eene willekeurig vastgestelde gebeurtenis, maar zijn niet in staat te zeggen sedert wanneer wij zijn, sedert wanneer het zonnestelsel en die sterrehemel bestaat die wij in de oneindige ruimte aanschouwen, en wij weten niet of wij de eersten of de laatsten zijn in de schepping.—Zouden onze oogen de eenige in het heelal zijn die aan redelijke schepselen behooren? Zouden wij, juist wij—op deze kleine, ondergeschikte, ter naauwernood van hare geologische omkeeringen tot rust gekomene planeet—de volkomenste wezens zijn, die het aanzijn hebben ontvangen? Zouden er in het onmetelijke heelal, op al de groote en menigte zonnen die wij vaste sterren noemen (en hare planeten), niet meer volkomene oogen met sterker gezigt, ja, zou er niet een allervolkomenst, alomtegenwoordig oog bestaan, dat——
Beste broeders! in een woord: waar het weten ophoudt, vangt het geloof aan. Of God alles vooraf weten kan, weet ik niet; ja, wanneer ik geloof dat hij het weet, dan begrijp ik hem niet. Maar ik geloof aan de heilige, eeuwige zelfbewustheid der natuur, aan een alzienden, alomtegenwoordigen God, die alles weet wat voorvalt, dien ik juist daarom dewijl ik hem niet begrijpen kan, aanbidden moet.
MORGENROOD. Indien de schoonheid en verhevenheid der natuur u dwingt, een denkend, alziend wezen er in te plaatsen en dit wezen te aanbidden, wel nu—bid dan in vredesnaam. Geen goed mensch zal u daarin hinderen. Elk heeft zijne eigene behoefte. In mijn oog is de natuur schoon en verheven gelijk zij is, ook zonder dat ik mij een dergelijke God er in voorstel. Menigwerf bewonder ik haar in stilte. Maar ik bid niet; ik onderzoek en handel. Niets heeft der menschheid sedert anno: „driemaal een is één” zoo veel onheil berokkend en hare ontwikkeling dusdanige hinderpalen in den weg gelegd, als juist dat bidden.
Uwe bewijsredenen, beste broeder, zijn zeer schoon, ja zij vinden een luiden weêrklank in ons gemoed. Zij verdienen alle achting. Wat mij echter betreft, ik word er niet door overtuigd, dewijl zij in mijn oog moeten wijken voor het gewigt der talrijke, positieve feiten door mij daartegen aangevoerd.—Waartoe toch kan mij zulk een God strekken als de uwe, die de natuurwetten haren vrijen loop laat, dien ik niet zien, dien ik niet hooren kan en die mij niet hoort wanneer ik hem aanroep, mij niet antwoordt wanneer ik hem iets vraag; die mijne bede nimmer vervult, mij nimmer hulpe biedt wanneer ik daaraan behoefte heb, wanneer ik mij in nood bevind; die mij niet waarschuwt wanneer gevaren mij bedrijgen, die mij door schipbreuk doet vergaan, door een tijger verscheuren of mij verhongeren laat, wanneer ik mij zelven niet beschutten of geen voedsel verschaffen kan,—een God die mij in al deze gevallen aan mijn eigen lot, d. i. aan mij zelven, de natuur aan zich zelven overlaat en die daarenboven nimmer het geringste teeken van zijn aanwezen geeft!? Een dergelijke God kan er klaarblijkelijk niet zijn voor mij, hij moet derhalve slechts uitsluitend voor zich zelven bestaan, namelijk in uwe verbeelding.
Ik weet maar al te wel wat de „vrome” lieden, die van de ligtgeloovigheid des volks leven en met zijne domheid zich mesten, die de verlichting schuwen als de das de stralen der zon, dewijl zij duchten met de ligtgeloovigheid des volks hun vet, d. i. hunne „geestelijke” goederen: hunne pastorijen, prebenden, tienden, kloosters, vrome legaten, vicarijen, erfenissen enz., enz., te verliezen; ik weet wat deze heeren kandidaten en professoren in de theologie, kapellaans, diakenen, pastoors, dominé’s, pausen, monniken, bedelmonniken, bisschoppen, aartsbisschoppen of welken naam aan al die paapjes moet gegeven worden, daarop ten antwoord zullen geven. Zij zeggen: „God liet het schip vergaan, waarbij 70 personen vol hoop en verwachting, benevens onschuldige kinderen het leven verloren, ten einde een voorbeeld te geven hoe vergankelijk al het aardsche is, ten einde ons tot ootmoed aan te sporen; naar gene stad werd door Hem in de gedaante der cholera „„de slaande engel”” gezonden, ten einde het volk over zijn steeds wassend ongeloof te bestraffen,” Ik echter zeg u, het schip zou niet zijn vergaan, indien wij de natuurwetten beter gekend, indien wij den barometer zorgvuldiger gadegeslagen, de draaijingswet der winden naauwkeuriger in acht genomen en ons daarnaar gerigt hadden; de cholera zal ophouden, d. i. onmogelijk gemaakt of genezen worden, zoodra wij zoover zullen zijn gevorderd en de natuurwetten zoo diep zullen hebben doorvorscht, dat wij hare stoffelijke oorzaken hebben leeren kennen.—Is de wind nu echter juist nog ter regter tijd gedraaid en het schip daardoor aan het dreigende gevaar ontkomen, of heeft een stukje brood, door eene milde hand toegereikt, den armen bedelaar van den hongerdood gered, dan roepen de paapjes uit: „aanschouwt dit, gij ongeloovige! O! knielt neder en erkent in dien veranderden rukwind, in dit stukje brood des milden gevers, Gods wijze besturing; erkent de zorg welke de genadige vader voor zijne zondige kinderen draagt, die hij tot bevordering van hun eigen heil wel eens kastijdt, maar nimmer laat vergaan.” Zeer juist! antwoord ik u: erkent de natuurwet welke de instandhouding van het geslacht ten doel heeft; ziet de natuurkrachten, de natuurnoodzakelijkheid slechts goed in het oog en verstout u om haar te leeren kennen; dan zult gij vinden dat gij deze „vreesselijke” natuurwetten kunt beheerschen. Maar gij durft het kind niet bij den regten naam te noemen.
Mijn geloof is in overeenstemming met mijn weten. Sedert millioenen van jaren bestaat God slechts als natuur en natuurwetten, waarin hij zich heeft herschapen. Deze zijn de ware God en deze moet de mensch leeren kennen en ten nutte leeren aanwenden, leiden, opdat God zich uit hem en door hem op nieuw ontwikkele. Het menschelijk geslacht bevindt zich werkelijk nog in het allereerste begin zijner ontwikkeling. Wat toch beteekenen een paar duizend jaar in de eeuwigheid?—Wanneer gij den bewonderenswaardigen vooruitgang gadeslaat, welke in de natuurwetenschappen, vooral in de chemie en physica binnen het korte tijdsbestek der laatst verloopene 50 jaren is gemaakt, waardoor zaken ontdekt en in het licht zijn gesteld die tien jaren vroeger tot de onmogelijkheden werden gerekend, dan zult gij ’t mij zekerlijk niet ten kwade duiden, wanneer ik beweer dat de menschheid de schitterendste verwachtingen voor de toekomst mag koesteren!
DAG. Beste broeders! Wij allen zijn, even als gij Morgenrood, doordrongen van den wensch om ons weten in overeenstemming te brengen met ons geloof, en gevoelen ons door eene bijna onweerstaanbare weetgierigheid aangespoord om de verschijnselen in ons en rondom ons te leeren doorgronden, om de natuur in haren zamenhang, als een geheel, als kosmos te begrijpen. Dit begrijpen echter is het toppunt van den berg der kennis, die nog door geen sterfelijk wezen is bestegen. Vele wegen geleiden tot een en hetzelfde doel. Ieder kiest dien weg, welken hij als den besten en gemakkelijksten beschouwt. Op dezen weg gaan wij lang ongehinderd voort, naar het doel van ons streven. Wij verklaren de verschijnselen welke wij aantreffen en brengen die in een harmonisch verband. Reeds wanen wij den top te zijn genaderd, maar—daar stuiten wij op hinderpalen, tegenstrijdigheden, onoplosbare problemen die ons tot den terugkeer nopen. Wij zoeken nu een anderen weg en komen langs allen ongeveer even ver vooruit; maar de een voert ons ten laatste aan den rand eens afgronds; de tweede eindigt in eene diepe kloof, aan den voet van een hoogen rotswand die een onoverkomelijk beletsel aan alle verdere pogingen tot vooruitgang in den weg stelt; de derde verdeelt zich tusschen rotsblokken in duizenden van zijpaden, waarvan men niet weet welke als de regte moet beschouwd worden, en de vierde voert den wandelaar aan den oever van een onmetelijk groot meer, waarover geen veer is, geen vaartuig wordt gevonden om zich te doen overzetten.—Wij keeren dan om en niemand van ons allen heeft den top des bergs gezien. Maar een top moet de berg toch hebben!—Dat gelooven wij allen en derhalve bouwen wij ons voorloopig een idealen top; wij maken ons een denkbeeld hoedanig de top wel zou kunnen zijn en vormen een beeld, dat evenwel bij ieder onzer verschillend is en eene verschillende kleur heeft en hebben moet, dewijl de weg dien wij naar den top insloegen, het levenspad hetwelk wij volgden, de opvoeding die wij kregen, de lotgevallen die wij ondervonden, bij allen verschillend waren.
Ik geloof niet dat er grond voor is, om ons zeer te bedroeven over het onderscheid hetwelk bestaat in onze godsdienstige beschouwingen, al ware het dat het ons ook later niet mogt gelukken om elkander wederkeerig te overtuigen, mits wij slechts in het toegepaste gedeelte onzer geloofsleer met elkander overeenstemmen, mits de wegen door ons ingeslagen bij het eerst door ons in het oog gevatte doel ineenloopen, mits wij slechts wat onze ZEDELEER betreft met elkander instemmen en menschenliefde, gepaard met het streven naar eene steeds grondiger kennis der natuur, als de eenige bron der openbaring, in de eerste plaats stellen.
Welligt gelukt het dan aan onze nakomelingen, het toppunt der kennis te bereiken. Wij spannen te vergeefs alle krachten in om den eigenlijken grondslag der verschijnselen te peilen. Vele wegen liggen voor ons open,—maar welken weg wij ook pogen te bewandelen: nimmer zullen wij verder komen dan tot aan zeker punt, alwaar wij moeten bekennen, hier houdt ons bevattingsvermogen op; hier is de grens, aan de overzijde waarvan wij niets meer begrijpen kunnen!
„Bravo, juist zoo! Ja, daar staan zij met de handen in ’t haar en zijn ten einde raad!”
Deze woorden die op een lagchenden toon luide werden gesproken, klonken onverwachts door de geopende deur; getroffen en min of meer ontevreden wendden wij ons om en—zagen binnentreden, gevolgd door den regent, eenige distriktshoofden en eene menigte Javanen die brandende fakkels droegen, den—resident Praktischman.
„Jongens, jongens, ik heb u beluisterd. Wat zijt gij onverstandig! Ik heb Faust ook gelezen en zeg u: een vent die speculeert, gelijkt een beest op het dorre veld, door eenen boozen geest steeds in het rond geleid en om dien kring ligt aan alle kanten eene schoone, groene weide.—Eene weide, ja, visschen in het meer, eenden in het riet; hoort gij ze niet snateren? Laat ons liever gaan jagen! Kom aan! Maar eerst wil ik wat eten. Hier Singkil! Abdoel! Karang! ambil makanan, boeka botol anggor, bawa champagne!” en zoo ging het nog eenigen tijd voort. Alles geraakte op de been en in een oogwenk was het gansche tooneel veranderd.
Daar wij allen wisten welk een uitmuntend mensch de heer Praktischman was, ijlden wij hem gezamenlijk te gemoet, drukten hem de hand en heetten hem hartelijk welkom.—Groot was onze verrassing, toen wij hem in deze wildernis, in het holste van den nacht zoo onverwachts in ons midden zagen.—De medegebragte kisten werden nu terstond ontpakt en haren inhoud bij den reeds aanwezigen voorraad van mondbehoeften gevoegd. Spoedig was de tafel gedekt en in eene vrolijke stemming zaten wij aan. De regent nam echter weldra afscheid van ons en vertrok ten einde zich eene legerstede op te zoeken, terwijl de lagere hoofden na hem, de een voor en de andere na, in de stilte en eerbiedig wegslopen.—Terwijl de resident zich het eten goed liet smaken, verhaalden wij die reeds voor eenigen tijd van tafel waren opgestaan, elkander nog het een en ander van ’t geen ons was bejegend, sedert wij elkander niet meer hadden gezien. Tegen het einde van den maaltijd kwam het gesprek op zendeling-, bijbel- en traktaatgenootschappen.
PRAKTISCHMAN. Luistert eens, beste vrienden. Ik stem volkomen met u in dat het christelijke dogma niet de waarheid bevat en haar niet bevatten kan, en dat het derhalve niet geoorloofd is eenvoudige menschen, gelijk de Javanen zijn, iets op te willen dringen waaraan duizenden onder de Christenen zelven niet gelooven, ja, hetgeen juist de beste en verlichtste koppen in Europa voor dwaling houden. Maar buitendien beschouw ik de invoering van het Christendom op Java als hoogst onpraktisch, ondoelmatig en nadeelig, en ik hoop dat ik van hoogerhand nimmer bevel zal ontvangen om de pogingen, in het werk gesteld door deze dwaze, met blindheid geslagene menschen, zendelingen en halve huichelaars, in mijne residentie te ondersteunen.
DAG. Ik ben van oordeel dat onze regering te verstandig en tevens te wel met den zedelijken toestand der Javanen en hunne behoeften bekend is, dan dat wij voor zoo iets zouden behoeven te duchten. Het eenige ware toch dat het Christendom bevat, de kern zijner zedeleer, is immers lang onder de Javanen inheemsch.
PRAKTISCHMAN. Ja stellig; dit geloof ik ook. Maar die bijbelvereenigingen, zendelinggenootschappen en al die vrome lui, die zich veel minder laten gelegen liggen aan eene christelijke aarde dan aan den christelijken hemel, die „Gods Zoon met scharen van heilige engelen” gaarne op den top van elken palmboom zouden willen zien, deze maken het de regering somwijlen wat lastig. Ik vraag u: is het niet onzinnig, dat men de Javanen iets wil leeren hetgeen zij reeds van zelven doen, ja, wat zij beschouwen als iets dat niet behoeft geleerd te worden, dewijl iedereen dit van zelf verstaat, namelijk „elkander lief te hebben en elkander te helpen,” en is het niet beschamend voor ons, wanneer wij hen dat leeren moeten, terwijl zij toch elken dag met eigen oogen kunnen zien dat de groote meerderheid onder de Christenen het volstrekt niet, of althans in veel geringere mate doet dan zij Javanen zelven?—Gesteld dat het aan de zendelingen eenmaal gelukt ware, de Javanen van de Christelijke noodzakelijkheid te overtuigen van „andere menschen even lief te hebben als zich zelven,” en dat de Javanen van ons consequent verlangden dat ook wij deze leer strikt zouden opvolgen en zij alsdan eens tot ons zeiden: „komt hier, lieve Christenbroeders, helpt ons koffij planten; hebt ons lief gelijk u zelven; het is een goddelijk gebod dat Isa el Meseh, zijn eenig geboren zoon, onze verlosser ons heeft geopenbaard; helpt ons suikerriet snijden; wij gebruiken noch koffij noch suiker; wij doen dit slechts ter liefde van u;—komt hier, verrigt nu de helft van het werk ter liefde van ons!”—Wat zal er dan gebeuren? He?—Dan pakken wij uit Christelijke liefde onze zaken bijéén; de Javasche broeders brengen ons uit Christelijke liefde aan boord en wij gaan uit Christelijke liefde—naar huis. Abis perkara.
DAG. Belon abis perkara. Neen; dan komen andere Christelijke broeders uit Europa, welke de Javanen minder Christelijk zullen behandelen dan wij Nederlanders thans doen.
PRAKTISCHMAN. Juist. Engelschen, Noord-Amerikanen, enz., zouden allen gaarne hunne Christelijke liefde op Java zaaijen, om—koffij, suiker en indigo als vruchten daarvan naar huis te voeren. Luistert, beste jongens! wij zijn hier onder ons: ik voor mij geloof, dat de zendelingen beter zouden doen met het evangelie der Christelijke liefde onder de Christenen in Europa te prediken in plaats van hier op Java. Gij weet, ik ben een praktisch man; ik ben van onder op begonnen en zoo ben ik van trap tot trap opgeklommen; sedert 25 jaar ben ik in de gelegenheid geweest de zeden der Javanen te leeren kennen en ik zeg het u, zij zijn een beter soort van menschen dan de Christenen in Europa en betere menschen dan de Christenen op Java.—De algemeene invoering van het Christendom op Java kan niet anders dan verderfelijk zijn voor ons en voor hen. Dat is mijne innigste overtuiging. Indien wij hun welzijn willen betrachten uit ware, wel begrepene menschenliefde, zonder ons zelven op die wijze te benadeelen, dan behooren wij voort te gaan hen te besturen en hen werkzaam te houden, dewijl zij even als alle tropische volken tot traagheid geneigd zijn. Hun arbeid moet geschieden onder onze leiding en wij behooren hen bekend te maken met nuttige zaken en uitvindingen; wij moeten hunne positieve kennis der voorwerpen in de natuur en der natuurkrachten pogen te vermeerderen;—wij behooren hen te onderrigten in het lezen, schrijven, in handwerken, kunsten, in de eerste beginselen der natuurwetenschappen; wij moeten hen praktisch opvoeden: dan zullen zij in dezelfde mate als hunne beschaving toeneemt, steeds meer en meer leeren inzien dat de leer „alle menschen even lief te hebben als zich zelven” eene even groote onmogelijkheid is, als eene volkomen maatschappelijke gelijkheid onder de stervelingen, die ten gevolge van de ongelijke mate der geestvermogens, der vatbaarheid voor ontwikkeling, het verschil van aanleg toebedeeld aan de verschillende individuen, nimmer kan verwezenlijkt worden. Dan zullen beide, Javanen en meer verlichte Europeërs, in vrede en gelukkig nevens elkander kunnen bestaan. Maar daarentegen onheil, ontevredenheid, verwarring, oproer, omverwerping van al het bestaande,—regeringloosheid onder de Javanen en het verlies der kolonien voor ons—kunnen de gevolgen zijn van de ontijdige of plotselinge pogingen, aangewend tot zoogenaamde bekeering of beschaving der Javanen, waartoe de zich noemende vrijheidsapostelen, hervormingspredikers en evangeliedweepers de regering op eene onmatige wijze trachten aan te sporen.
MORGENROOD. Dat zijn de theoretici die de Javanen, zoo als zij werkelijk zijn, niet kennen. Een man die 25 jaren lang in hun midden heeft doorgebragt, zal hen wel degelijk kennen en de spreuk „groen is des levens gulden boom” niet logenstraffen. Ik ben het volkomen eens met mijnheer den resident. Mijn stelregel is: de natuurwetten te leeren kennen gelijk zij zijn en ons daarnaar te rigten. Alleen daardoor is het, dat wij wind en water hebben gedwongen koorn te malen en boomstammen tot planken te zagen, in plaats dat wij zulks met ons eigene handen doen; alleen daardoor dat wij elke natuurwet op hare wijze, elk in haar eigen spoor laten werken, hebben wij den waterdamp genoodzaakt onze wagens voort te trekken in plaats van daartoe paarden te bezigen; ja, de electriciteit zelve heeft zich er moeten schikken om aan onzen wil te gehoorzamen en als onze brievenpost langs ijzeren of koperen draden voort te loopen, waarheen wij willen dat zij loopen moet.
Handelen wij echter in strijd met de natuurwetten of doen wij ze, tegen hare natuur geweld aan; indien wij hennepen touwen in plaats van koperen of ijzeren draden nemen om de electriciteit er langs voort te planten; indien wij den stoomketel bovenmate verhitten, het buskruid op den gloeijenden oven droogen, indien wij tegen wind en stroom zeilen en het Christelijk evangelie prediken willen waar het niet past, of indien wij den arbeid vrijstellen en vrijheid van drukpers willen invoeren bij een volk, hetwelk nog niet tot dien trap van ontwikkeling is gestegen om zulke kost te kunnen verteeren, dan zal de overladene maag noodzakelijkerwijze moeten bersten of gebrekkige spijsvertering zal daarvan het gevolg zijn, en wij zullen geen ander resultaat verkrijgen dan stilstand, of uitbarstingen, terugwerking, verwarring.
PRAKTISCHMAN. (Lagchend.) Sidoekari! Sidoekari!—Gij beide, beste Morgen- en Avondrood, gij hebt het exemplaar van slechte spijsverteering gezien! Het is jammer, Dag en Nacht, dat gij er niet bij zijt geweest. Jongens, weet gij wat? Komt naar mijne residentie. Ik zou gaarne nog eenigen tijd onder u, natuurwormen! hier in de wildernis willen doorbrengen; maar daartoe ontbreekt mij den tijd. Overmorgen vertrek ik en ga over Gnodnab den grooten weg op terug naar mijn nest. Reist met mij naar Oost-Java! Daar zult gij een zoogenaamd Christendorp onder de Javanen zien en leeren kennen, een waar model (zoo als Morgenrood zeide) van slechte spijsvertering, van zwakheid van maag, een zendelingmiserere, eene echte Christenakeligheid!—Ik zal u daarentegen ook andere dingen laten zien, scholen die ik op last der regering heb gesticht en een menigte andere inrigtingen, alwaar de Javaan de gelegenheid vindt om nuttige dingen van verschillenden aard aan te leeren, zich te oefenen in handwerken, kunsten en dergelijke zaken, en die u zullen doen ontwaren dat die mannen van de oppositie quand même zich aan laster schuldig maken, zoo dikwerf zij beweren dat onze regering niets uitrigt, dat strekken kan om het stoffelijk welzijn en de verlichting der Javanen te bevorderen.
Broeder Nacht was buitengemeen ingenomen met den voorslag van den resident en verzocht mij dringend, de uitnoodiging aan te nemen en mede naar de residentie S.... te gaan. Hij reikhalsde van verlangen om eene Javasche Christengemeente waarover hij in eene reisbeschrijving gelezen had, met eigene oogen te zien en algemeen genomen, een meer bebouwd gedeelte des eilands, eene talrijker en meer beschaafde bevolking te leeren kennen. Naar zijn oordeel hadden wij ons lang genoeg in „oorspronkelijke wouden” opgehouden.—Ik voor mij had liever nog eenigen tijd in dit gedeelte van Java, bij mijne andere broeders verwijld; maar de gelegenheid die zich nu aanbood, om mijn broeder in den kortst mogelijken tijd ook met de hoogere klassen der maatschappij onder de Javanen bekend te maken en hem in den kring van vorsten en hoofden in te leiden, was te gunstig om haar ongebruikt te laten voorbijgaan.—Ik nam derhalve den gedanen voorslag aan en er werd nu bepaald, dat de resident en wij beide overmorgen naar de naastbij gelegene hoofdplaats (die aan den grooten weg ligt) zouden vertrekken, terwijl Avond- en Morgenrood besloten nog langer hier te blijven en hunne onderzoekingen in dit westelijk gedeelte des eilands voort te zetten.
De resident onderhield zich daarop nog met mijne broeders over Javasche bijbelvertalingen en daarmede verwante onderwerpen. Ik verontschuldigde mij echter uithoofde van vermoeidheid—het was reeds laat geworden—en wenschte het gezelschap „goeden nacht.”
Alvorens ik mij in mijne hut, op de legerstede nedervleide en mij aan de armen van den God des slaaps toevertrouwde, dreef een vurig doch onbestemd verlangen mij in de vrije lucht, om vooraf nog een afscheidsblik van de natuur in haren nachtelijken tooi gedost te ontvangen en—als stof tot droomen—mede naar mijn leger te nemen. Dewijl het in eene dergelijke wildernis en in dit nachtelijk uur niet raadzaam was ongewapend uit te gaan, nam ik een mijner jagtgeweren ter hand en verliet het bivouak.
Duizende elkander doorkruisende gedachten rezen in mijn bewustzijn op, toen ik met zachte tred en onbemerkt voortstapte onder het geboomte, ten einde den oever van het meer te bereiken. De Javanen die met den resident waren aangekomen, hadden hunne Bamboesfakkelen (Obor) in de wachtvuren geworpen, welke in de nabijheid onzer hutten hier en daar nog in het woud brandden. Het heldere schijnsel echter dat zij in het rond verbreidden, werd allengs zwakker en slechts nog zelden teekenden zich de omtrekken van menschelijke gestalten af, die zich als donkere schaduwen voor de vuren ginds en herwaarts bewogen. De handen dergenen die de vuren moesten onderhouden, waren vermoeid en het meerendeel der Javanen had zich binnen de hutten begeven. De anderen sliepen nevens de meer en meer uitdoovende houtskoolhoopen, wier doffe gloed niet langer in staat was het hoogrijzende loofdak des wouds te verlichten. Bij hun roodachtige schijnsel waren nog slechts enkele der naastbij staande boomstammen zigtbaar en ook deze verloren zich bijna allen in de duisternis van den achtergrond, toen ik uit het woud te voorschijn trad en den oever van het meer bereikte.
Geen enkele wolk was meer aan den hemel zigtbaar en de volle maan, van licht omstraald en op een grooteren afstand door duizende flikkerende sterren omringd, zag uit de hoogte op mij neder en, bijna even helder, van beneden uit den diepen boezem der wateren naar mij opwaarts.
Ik zag en luisterde. Maar in het woud was alles stil. Spiegelglad was de oppervlakte van het meer en slechts zelden rimpelde zich het beeld der maan en vertrok het zich tot dwarsche lichtstrepen, wanneer de plassende eenden van den tegenoverliggenden digt begroeiden oever eene ligte golving in het meer hadden doen ontstaan. Haar gesnater ’t welk volkomen geleek op dat der Europesche tamme eenden, was bijna het eenige geruisch, waardoor de nachtelijke stilte van tijd tot tijd werd afgebroken. Uit de hutten die ver achter het geboomte gelegen, geheel en al aan het oog waren onttogen, liet zich hier geen geluid meer vernemen. Hooge Kimérakboomen welfden zich ter linker- en ter regterzijde over den oever. De oppervlakte benevens de zoom hunner kroonen waren helder door de maan verlicht, maar onder dit gewelf zag men in het donkere, geheimzinnige binnenste des wouds, dat even somber door de naastbij gelegene strook van het meer werd teruggekaatst. Slechts enkele meer naastbij staande boomstammen kwamen als helder verlichte zuilen tegen dien donkeren woudzoom uit. Te midden van het meer weêrkaatste vreedzaam de gansche sterrenhemel. In mijn binnenste werd de eene gedachte door de andere verdrongen.
„Was von Menschen nicht gewusst oder nicht bedacht,
Durch das Labyrinth der Brust wandelt in der Nacht.”
De rhinocerossen liggen stil in hunne moerassige schuilhoeken en de wilde stieren rusten nu insgelijks; welligt grazen hier en daar nog enkelen in stilte op eene kleine grasplek, die tusschen het geboomte overblijft. Tijgers dwalen zelden af tot op deze hoogte, dewijl het niet ligt gebeurt dat hier zwijnen, herten en reeën worden gevonden; hier is niets dan woud, en gras en weidevelden worden er niet dan schaarsch aangetroffen. De Kalong’s van het laagland worden op deze hoogte niet gezien; geen Kaprimulgus laat hier zijn geklap bij nachtelijke stilte rondschallen, ja ter naauwernood verneemt men hier het gegons van een insekt, het tjilpende gezang van eene cicade of ziet men hier en daar een enkelen vuurkever langs den oever rondflikkeren. De zwarte apen, Loetoeng, roeren zich niet in de loofkroonen, zij zitten stil op de takken; de eekhoorntjes hebben zich in hunne nesten of in de spleet van een ouden boomstam verscholen en alle vogels slapen. Misschien klautert nog hier of daar eene wilde kat (Felis minuta) met hare blinkende oogen voorzigtig op de bemoste takken heen, om een armen vogel in zijn nest te overvallen, of sluipt een Paradoxurus Musanga even stil en behoedzaam over den grond heen, om een wilde hen of eene patrijs te kapen; maar alle andere dieren zijn ter rust gegaan. Ook de waterhoenders en de slangenvogels (Plotussoorten) zitten stil in het hooge, rietachtige gras der oevers, of op een omgevallen boomstam die zich over den waterspiegel uitstrekt; de visschen in het meer bewegen zich niet, de kleine kreeften, de schelpen maken geen geruisch en de gansche overige schepping zwijgt.—Maar onder dit zwijgen gaat het leven voort, in het water, in de lucht en op de aarde, in millioenen geheime polsen te slaan die weldra, wanneer de geleende glans die thans van de schijf der maan afstraalt, voor het ware licht der zon zal zijn geweken, op nieuw zich bewegen en het tooneel met eene menigte van de verschillendste, door elkander wemelende gestalten zullen verlevendigen.—Natuur, gij zijt schoon, bij dag en bij nacht en gij spreekt eene taal welke slechts hij geheel verstaat, die met genen zoo dikwerf miskenden en nog menigvuldiger misbruikten man in vromen eenvoud kan vragen: „die het oor gemaakt heeft, zou die niet hooren?—Die het oog gemaakt heeft, zou die niet zien?”
Mijn broeder Morgenrood zegt: „De natuur is bewusteloos, zonder ziel, zonder God! Het bewustzijn in den mensch is slechts het afschijnsel der natuur die, even als ginds de maan in het meer, zich afspiegelt in onze hersenen en een indruk maakt, een beeld ’t welk uit ons binnenste terug in de natuur verplaatst en daar als het ware buiten ons wordt aanschouwd!—Het bewustzijn is de betrekking onzer vijf zinnen tot de buitenwereld,—het is de betrekking der buitenwereld tot onze vijf zinnen, waarop gene zijne werking uitoefent en van deze zinnen plant zich de indruk door stoffelijke beweging of electrische strooming tot in de hersenen voort, alwaar de stralen zich dan als in een brandpunt vereenigen en een algemeen beeld vormen, dat wij bewustzijn noemen.—Niets dan heen- en wederbeweging van stofdeelen, die onophoudelijk van elkander worden gescheiden en telkens nieuwe verbindingen aangaan!”—Zoo spreken zij.
Wel geloof ik dat dergelijke stoffelijke bewegingen als middel dienen om het bewustzijn daar te stellen en te onderhouden, maar het gewaarwordende beginsel dat in mij zetelt, ’t welk in het brandpunt dier stralen staat en de beelden opvat, dat denkt en begrijpt, hetgeen—als het ware—van het bewustzijn bewust is,—ik bedoel datgene, hetwelk aan de stof gewaarwording geeft om het bewustzijn te kunnen opvatten, dit moet toch iets anders zijn dan stof!—Dit kan niet anders zijn dan eene absolute, goddelijke eigenschap.
Tracht alle bewegingen der stof welke als middel daarbij dienen, op het grondigst te doorschouwen; leert de wijze waarop deze bewegingen plaats grijpen, op het naauwkeurigst kennen; nooit zult gij u in staat gesteld zien het feit van het bewuste gewaarworden stoffelijk te verklaren en nimmer zal het u gelukken, te kunnen bewijzen dat door de werking van chemische en physieke krachten een oog, een oor kan gevormd worden. Wat toch zon het licht zijn dat van de zon in 8¼ minuten tot aan de maan en van daar in ééne sekonde tot op de aarde snelt, alwaar het andermaal door den spiegel van het meer wordt teruggekaatst, indien mijn oog niet bestond waarin het zich ten derde male afspiegelt, wanneer mijn gewaarwordend binnenste niet daar was waarin het driewerf teruggekaatste beeld voor het eerst tot werkelijkheid wordt, dewijl het tot bewustzijn komt?—Daar echter het beeld in de maan, in den spiegel van het meer, op het netvlies van mijn oog nog niet bewust was, is het licht voor mijn oog en mijn oog benevens alle andere zintuigen aanwezig voor het bewustgeraken. Tot bewustzijn geraken is het eerste doel des levens. Mijn menschelijk bewustzijn echter is zeer beperkt en afhankelijk van vijf zintuigen, die slechts een klein gedeelte van het heelal kunnen omvatten.—Zou nu dit heelal geene ziel hebben waarin alle verschijnselen tot bewustzijn geraken,—zou er geen algemeen bewustzijn wezen, waarvan het mijne herkomstig is?—Dat twijfelaars twijfelen.—De gansche natuur spreekt eene taal en ik geloof aan u, eeuwig licht, alziend oog, eeuwig redelijk bewustzijn!
Zoo zat ik eenzaam, in nadenken verzonken, aan den oever van het meer welks spiegel door geen golfje, ja niet door den kleinsten rimpel werd bewogen. Geen blaadje ritselde in het woud, geen windje suisde mij den geringsten ademtogt toe; ik had kunnen wanen, dat ik mij in eene verlatene, uitgestorvene natuur bevond, indien mijn eigen hart in mijn boezem niet geklopt, indien mijn bewustzijn mij niet gezegd had dat onder mij, nevens mij, boven mij leven sluimerde, geschikt om bij den eersten lichtstraal weder te ontwaken,—ja, indien het licht der maan (hoewel slechts langs een omweg teruggekaatst, geleend licht) mij niet verkondigd had: waar licht is—in het gansche heelal—moet insgelijks warmte, beweging, leven zijn!
Een krijschend geschreeuw klonk door de doodsche stilte van den nacht. Ik vernam een akeligen, klagenden toon die uit het geboomte klonk en jammerlijk genoeg te hooren was om iemand, vreemd in de Javasche bergwouden, angstig te maken. Daar het te donker onder het loofgewelf was om eenig voorwerp duidelijk te kunnen onderkennen, scheen het geschreeuw aanvankelijk van onder, tusschen de boomstammen te voorschijn te komen, later klonk het mij van boven uit de lucht toe en het scheen nu eens hier, dan weder elders te zijn. Men had ligtelijk in den waan kunnen geraken dat een dof hulpgekerm, het zuchten van een stervende, menigwerf ook het geschrei van een jong kind werd gehoord. Ten gevolge hiervan is het dan ook menigmaal gebeurd, dat vroegere reizigers zich de avontuurlijkste denkbeelden van de oorzaak van dit geschreeuw gevormd, ja op het eiland Ceylon er een duivelsspook—een spookachtigen, duivelachtigen vogel van gemaakt hebben.4 Mij echter was dit verschijnsel reeds bekend; ook zag ik kort daarna het voorwerp hetwelk die kreten slaakte, nadat het digter bij den onbedekten, door de maan verlichten meeroever was gekomen. Ik zag het hier—met uitgespannen vleugelhuid, strak en onbewegelijk, als een papieren draak—van den eenen boom naar den anderen door de lucht zweven; dit geschiedde echter in eene schuine rigting, zoodat het van den top eens booms afgaande, ongeveer ter halver hoogte van den stam eens anderen booms aankwam, waartegen het dan tamelijk vlug weder opklauterde. Het was eene zoogenaamde vliegende kat (Galeopithecus variegatus), een geheel onschuldig dier dat zich des nachts in zijn aanwezen verheugt en in het woud rondvliegt, om vruchten op de boomen te zoeken. Even akelig als zijn geschrei in een menschelijk oor klinkt, dewijl het herinneringen aan menschelijke ellende en ongeluk in den mensch wekt, even liefelijk en troostrijk zal zijn geroep voor de andere Galeopitheken zijn, dewijl de welbekende stem hun te kennen geeft dat zij niet alleen, maar dat ook nog anderen huns gelijken aanwezig zijn, die zij vinden zullen, indien zij de lokkende stem slechts volgen.
Dit was weldra het eenige geluid, dat ik van tijd tot tijd nog in het steeds stiller wordende woud vernam. Voor mij had het niets onheilspellends meer. Met volle teugen schepte ik genot in het aanschouwen der natuur en het scheen mij toe, als of ik de verwantschap, de sympathie gevoelde, welke alle levende wezens zaamverbindt.—De maan neigde reeds ten ondergang; ik stond op van den rotsblok waarop ik had gezeten en wenschte de maan en de sterren, het meer en de eenden, het woud met zijne millioenen bloemen, knoppen en vruchten, de Galeopitheken en alle andere dieren die, elk op zijne wijze, genieten en zich in hun aanzijn verheugen: goeden nacht!—Schoone, onuitputtelijke, door Gods adem bezielde natuur, tot morgen: goeden nacht!
(Vervolg hierna.)
1 Naauwkeurig genomen bedraagt deze afstand voor 5854 jaren lichtsnelheid iets meer dan 763½ Siriusverten,—een gering verschil hetwelk bij deze algemeene beschouwingen niets ter zake doet, evenmin als de resultaten van latere waarnemingen, b. v. die van Maclear en Henderson, welke de ster a van den Centaur als de naastbij staande vaste ster (op 4½ billioen mijlen of 3½ jaren lichtsnelheid) beschouwen, terwijl Struve de door hem het naauwkeurigst waargenomen Wega (a in de Lier) op 16 billioen mijlen of 12 1⁄12 jaren lichtsnelheid schat en dezen afstand een „enkelvoudige vastesterafstand” (gelijkstaande met 800000 maal een zonsafstand) noemt. ↑
2 Uithoofde de aarde zich binnen dit tijdperk 5854 malen om de zon draait en te gelijkertijd 1 millioen 460000 maal om hare eigene as wentelt, zal het alziende oog haar van alle zijden overzien; een menschelijk oog echter zou niet in staat zijn de lichtbeelden duidelijk op te nemen, ten gevolge van de snelheid der beweging, van den korten duur staande welken de lichtstralen hunne werking uitoefenen. ↑
3 Gelijk bekend is, hebben photometrische metingen nog niet tot zekere resultaten geleid. ↑
4 De zoogenaamde „duivelsstem op Ceylon,” welke door de overdrevene beschrijvingen van ligtgeloovige reizigers (zoo als Wolff en Knox) en mystieke natuurphilosophen (zoo als Schubert) eene zekere mate van beruchtheid heeft verkregen, is hoogst waarschijnlijk niet anders dan het onschuldige geschreeuw van een nachtelijk rondfladderenden Pteropus of Galeopithecus, waarschijnlijk G. volitans. ↑