Terwijl wij aldus spraken, hadden donkere wolken zich zaamgepakt en onze jongens spoorden ons aan om haast te maken, ten einde zoo spoedig mogelijk den bergtop te bereiken. Wij hadden tot nu toe een naauw pad gevolgd, ’t welk wij hadden beschouwd als een weg, door houthakkers gebaand, maar dit pad werd steeds beter begaanbaar, hoe hooger wij bergopwaarts klommen en, toen wij ten een ure den hoogsten top bereikten, zagen wij met verwondering een Pĕndopo voor ons, dat is, een open gebouw met een op vier stijlen rustend dak en onder dit dak ontwaarden wij een oud, met dik bemoste steenen bedekt en omringd graf. Vóór den grafheuvel stond eene offerschaal met wierook en enkele nog niet geheel verwelkte bloemen.
Eenige helder ratelende donderslagen wekten ons met schrik uit onze overpeinzing,—wij zagen om en bemerkten, dat de spaanders van een Ki mérakboom in het rond vlogen, die, op een geringen afstand beneden den bergtop staande, door den bliksem getroffen en geheel en al van zijne schors beroofd was geworden. Wit gelijk een spook stond nu daar, aan de helling, de ontzaggelijk hooge boomzuil, die een oogenblik te voren nog beladen was geweest met donkere mosbeddingen en nu een scherp kontrast vormde met de zwarte wolken, die zich steeds digter en dreigender rondom ons zamenpakten. Slechts op een enkel plekje ontwaarden wij, door eene spleet tusschen de wolken, een klein gedeelte van het dal, dat, ver beneden ons door het zonnelicht beschenen, nog zigtbaar was, doch ook dit verdween weldra achter de steeds lager dalende en zich verder uitbreidende wolken.—Wij bevonden ons te midden van eene onweêrswolk.—Al onze begeleiders zaten stil nedergehurkt rondom het graf; zij durfden naauwelijks adem halen, terwijl de bliksemstralen uit hunne zwarte geboorteplaats voortgeschoten, blaauw van schijnsel, maar tevens even hel verlichtend, oogverblindend als het zonnelicht, in zikzak digt voorbij onze oogen de lucht doorkliefden, terwijl de donder ratelde, zoo vreesselijk luide, dat het ons gehoor verdoofde, dat wij verstomd ter aarde zonken,—terwijl tevens de regen in ontzaggelijk groote droppels begon te kletteren, van tijd tot tijd verlicht door de bliksemstralen, die ons bij 3, 4, 5 te gelijk omsingelden, nu links, dan regts, dan van alle kanten, bliksemschietend en oogverblindend, ratelend en oorverdoovend te gelijk,—terwijl de nagalm van den donder weerklonk daar boven in de wolken en beneden langs de berghellingen rolde, zoo vreesselijk diep en luid, met zulk eene basstem en zoo geweldig dreunend, dat de gansche berg onder onze voeten scheen te beven en het ons voorkwam, als of kogels zoo groot als eene kleine aardbol boven ons hoofd over het hemelgewelf her en derwaarts—en onder onze voeten langs het gebergte afwaarts gerold werden,—daar doorkliefde ratelend weder een straal de lucht,—een dof geschrei werd ter naauwernood gehoord en een Javaan, naast wien de bliksemschicht in den grond was geslagen, zonk bedwelmd neder,—wij namen hem in ons midden, wreven hem,—maar tot in het binnenste der ziel geschokt door het al verpletterend geweld der natuurkracht, zaten wij daar digt nevens elkander gehurkt in de bange verwachting hetzelfde lot met hem te deelen,—terwijl de vreesselijkste plasregen neêrstroomde, die ons van de smalle bergkruin dreigde weg te spoelen.
Reeds vernamen wij het bruisen der nieuw gevormde watervloeden en stortbeken, die in het rond van het gebergte afwaarts stroomden,—maar de onweêrswolken begonnen te dalen en zich verder uit te breiden. De eerste en heftigste uitbarsting had plaats gehad digt boven en rondom den hoogsten bergtop, waarop wij ons bevonden, waar de wolken zich het meest en het eerst hadden verdikt. Nu daalde de onweêrsbui reeds lager langs de helling en wij zagen nog slechts enkele bliksemstralen voor ons uit, terwijl de meesten reeds beneden ons uit de wolken voortschoten.—De knaap was slechts bedwelmd geweest en herkreeg weldra zijne bezinning.
NACHT. Zijt gij niet angstig, bevreesd?
DAG. Neen; maar ik ben verbaasd en opgetogen tevens. Het schouwspel is vreesselijk schoon en prachtig. Het oogenblikkelijke van het gevaar echter, waaraan ik blootsta en dat ik niet kan ontvlieden,—het plotselinge van het lot, dat mij hier elken oogenblik kan treffen, maakt dat ik mij in mijzelven verdiep. Ik zie den bliksem, ik hoor den donder en ik sta ontsteld, want ik weet niet welken weg hij zal nemen en ik kan hem niet ontgaan. Indien ik door den bliksem mogt worden getroffen, broeder, delf dan een nieuw graf voor mij hier nevens het oude. Wie kan zeggen wie degene is, die hier begraven ligt. Indien de dooden konden opstaan, dan zou ik het liefst, gelijk deze, op den top eens bergs begraven zijn.
NACHT. Gelooft gij aan de onsterfelijkheid der ziel?
DAG. Zeer zeker.
NACHT. Het is mij aangenaam die woorden van u te hooren. Voor mij is dit geloof eene behoefte; zonder dat zou ik niet gelukkig kunnen leven.—Maar zeg mij eens, indien gij daaraan gelooft, hoe verklaart gij dan het zoo allengs ontwaken van het bewustzijn in den mensch, de zoo langzame ontwikkeling van het verstand en van het denkvermogen, welk een en ander juist gelijken tred houdt met de voortgaande vorming der ligchamelijke organen, der hersenen, die van lieverlede volkomener worden?—Hoe brengt gij dat in overeenstemming met de zelfstandigheid en de onvergankelijkheid der ziel,—waar neemt zij haren aanvang in de embryo, in de foetus of in het pas geboren wicht en waar houdt zij op bij den kindsch geworden grijsaard!—waar is de grens tusschen dier en mensch?
DAG. Die grens kan ik u niet aanwijzen; wanneer mijne ziel aanving, van zich zelve bewust te zijn, weet ik niet. Overal zie ik de kracht aan de stof gebonden en ik ken geene kracht zonder ligchamelijken grondslag, en even zoo is het omgekeerde het geval; de koorts kan mijnen geest verduisteren, kan mij onzamenhangende woorden doen spreken, ja, een slag op mijn hoofd, zonder aan het ligchamelijk leven noodwendig hinder toe te brengen, kan mijn bewustzijn doen ophouden.—Maar beschouw daarentegen het onweder, dat zich voor ons oog heeft ontlast. Wie zou dezen morgen bij het ontwaren der blinkende dauwdruppelen, die zoo rustig parelden aan grashalmen en struiken, wie zou er aan gedacht hebben, dat daarin zulk eene vreesselijke kracht sluimerde, eene kracht, welke de stem des donders verwekt, de duisternis der wolken verlicht, de boomen vaneensplijt, ja, die alle zenuwen van uw binnenste hevig schokt!—Toch is het niet anders dan de door warmte opgeloste, als waterdamp opgestegene, vervolgens snel bekoelde en verdikte, in millioenen van nevelblaasjes herschapene, wolkenvormende dauwdruppel, waaruit nu door wrijving en spanning de electriciteit te voorschijn treedt.—En wanneer nu morgen vroeg wederom de dauwdruppel, even stil glinsterend als heden morgen, gelijk een paarl aan grashalmen en struiken hangt, durft gij dan gelooven, dat de kracht, welke hij thans onder de teekenen van bliksem en donder voor uwe blikken heeft ontwikkeld, er aan is ontweken, niet meer voorhanden is, of dat zij er heden morgen vroeg niet in bestaan heeft?—Zeer zeker zult gij dat niet gelooven.
Zoodanig is het ook gelegen met ’s menschen geest.—De dauwdruppel is gelijk aan het nog ongeboren of het pas geboren kind; in zijn binnenste, hoewel nog stil en sluimerend, ligt de kracht verborgen,—gelijk de waterdamp rijst hij, zich ontwikkelend, opwaarts; in het onweêr lichtend staat hij daar, de volwassen mensch, wiens geest de gansche wereld omvat en—in de regenstroomen, de stortbeken, daalt hij neder naar de oneindige zee, die hem het eerst zijne wording schonk:—de grijsaard buigt het verzwakte hoofd neder in den schoot des Eeuwigen.
Terwijl het onweder steeds lager afdaalde langs de berghellingen en wederom hier en daar blaauwe plekken boven onze hoofden zigtbaar werden tusschen de wolken, die zich meer en meer verdeelden, begon onze kleine karavaan zich te herstellen van de uitgestane angst en haalden de Javanen weder vrijer adem. Eindelijk zagen wij den bliksem ver beneden ons uit de wolken te voorschijn komen en de donder, die zich van daar voortplantte, maakte op ons, die op den bergtop stonden, juist zulk een indruk als kwam hij uit het binnenste van het gebergte voort. Waarschijnlijk stortregende het nu te Gnoerag, dat wij nog niet hadden kunnen zien; maar reeds ten 2 ure bescheen de vriendelijke zon weder den bergtop, zoo mede de oppervlakte der wolken die, zich meer en meer ontlastende, ver beneden ons waren gedaald.
Wij, benevens onze begeleiders, nuttigden nu het door ons medegebragte ontbijt en besloten nog een uurtje op den bergtop te vertoeven en te wachten, totdat de Bandjĕr’s, d. i., het zaamgevloeide water, dat nu alle kleine beken in bruisende stroomen herschapen had, hunne woede zouden hebben uitgeput. De Javanen wisten ons omtrent het grafgesticht niet veel meer te verhalen, dan dat aldaar iemand uit den „zeer ouden” (voormaligen) tijd begraven lag. Mohammedanen zijnde, gelooven zij, even als de Joden en Christenen, aan de wederopstandig des vleesches en hebben een grooten eerbied voor de graven der afgestorvenen. Het ter aarde bestellen op bergtoppen schijnt in de Soendalanden bij vorsten en voorname personen reeds eene gewoonte te zijn geweest voor den tijd van de Hindoerijken op Java,—de Brahma- en Boedhagodsdienst,—derhalve reeds tijdens het bestaan van het oorspronkelijke polytheismus der Soendanezen, en eerst sedert de invoering van den koran in onbruik te zijn geraakt. Op zeer vele, voornamelijk geïsoleerde bergtoppen vindt men dergelijke oude, met steenen omringde graven.
NACHT. Dewijl het zich laat aanzien, dat wij het waarschijnlijk voor lief zullen moeten nemen om nog eenige dagen te Gnoerag te vertoeven, komt het mij voor, dat wij onzen tijd, vooral gedurende de lange avonden, op eene nuttige wijze zouden kunnen besteden door te beproeven om de Javanen in de zedeleer en de godsdienst te onderwijzen. Zoo gaarne zou ik hen bekend maken met den inhoud van het Christelijk evangelie; ik kan niet ontveinzen, mijn broeder, dat gij menigen twijfel bij mij hebt opgewekt, maar de zedelijke waarheden, welke de Christelijke leer bevat, hebt gij niet kunnen loochenen, ja, er zelfs bijgevoegd, dat dit denkbeeld nimmer bij u was opgekomen.—Het staat u echter niet vrij het geloof van anderen aan het wankelen te brengen en twijfel in hen gaande te maken, indien gij niet in staat zijt iets beters aan te bieden, in de plaats van hetgeen gij aan hen ontneemt of ontnemen wilt. Die de stormklok luidt en de menschen uit den slaap doet opspringen, moet hun de rust weêr hergeven.
DAG. Laat ons de proef er van nemen. Geef heden avond aan de bewoners van dit dorpje, die wij in eene der ruimste hutten bijeen zullen doen komen, onderrigt in uw evangelie; morgen avond zal ik hun het mijne verkondigen. Gij kunt alsdan onder mijne toehoorders plaats nemen en wij zullen dan later zien welke der beide leerstellingen den voordeeligsten indruk op de Javanen heeft gemaakt, en of mijn evangelie in staat is geweest u tot overtuiging te brengen.
NACHT. Met genoegen neem ik dit voorstel aan en ben bereid heden avond de zaak te beginnen. Ik zal hun de Christelijke geloofsbelijdenis juist zoodanig voordragen, en wel woordelijk, al is het dan ook verkort of, beter gezegd, ik zal hen met het wezenlijke er van, bij wijze van uittreksel, op die wijze bekend maken gelijk zij aan de jeugd in ons vaderland overal wordt geleerd. Ik zal daarbij een der meest gebruikelijke leerboeken tot leiddraad nemen en dit getrouw volgen, en zulks te eerder, dewijl het mij waarschijnlijk voorkomt, dat toekomstige zendelingen denzelfden of een dergelijken weg zullen inslaan. Ik ben zeer verlangend om den indruk na te gaan, welken deze leer op de Javanen zal maken. Het spreekt van zelf, dat deze leer voor u, indien gij onder mijne toehoorders plaats mogt nemen, niets nieuws zal behelzen.
DAG. In mijn evangelie zult gij evenmin iets nieuws aantreffen; gij zult daarin slechts al de hoofdstellingen terugvinden omtrent godsdienst en zedeleer, die reeds door Jezus, ja, grootendeels door anderen als Mozes, Boedha en Confucius, langen tijd voor hem zijn geleerd en gepredikt geworden.—Het ligt niet in mijne bedoeling, de verdienste te willen verkleinen dezer voortreffelijke mannen, in wier gemoed het godsdienstig gevoel zoo luide en zuiver zich deed hooren. Ik geloof in tegendeel, dat hunne verdienste des te grooter is, naar gelang het tijdperk, waarin zij hebben geleefd, verder van ons verwijderd is en de trap van wetenschappelijke beschaving en kennis, waarop de maatschappij destijds stond, lager moet worden gesteld. Ik streef naar de bereiking van een dubbel doelwit: ten eersten om de geloofsleer te zuiveren, haar te ontdoen van al ’t geen bepaaldelijk dwaling en bijgeloof moet worden geacht en ten anderen datgene, ’t welk van de godsdienst en zedeleer overig blijft, nadat zij gezuiverd zullen zijn van de besmetting van bijgeloof en dwaling, uit de verschijnselen in de natuur en hare wetten, met inbegrip van den mensch en zijne geschiedenis, op te helderen, en er door te staven, ten einde op die wijze het verderfelijke geloof aan eene regtstreeksche goddelijke ingeving of openbaring voor goed uit te roeijen en den mensch te nopen zich aan de echte en onuitputtelijke bron van kennis, de natuur, te laven. Ik herhaal u nogmaals—en ik verzoek uitdrukkelijk, dat zulks niet worde over het hoofd gezien, ten einde de beschuldiging van ongepaste aanmatiging of onbillijkheid door u op mij niet worde geworpen,—ik geloof, dat een groot gedeelte der leer, welke mijn evangelie bevat nopens de hoedanigheden van God en de zedelijke wetten der menschen, reeds door Jezus, ja, langen tijd vóór hem door de vroeger genoemde leeraars in Egypte, Indië en China met dezelfde of meer of min verschillende bewoordingen is gepredikt geworden.
NACHT. Maar indien gij dit erkent en te gelijk aanmerkt, dat de kennis der natuur en van hare wetten ten tijde van Jezus nog geheel en al in het duister lag, ja, dat het onderzoek der natuur, waaruit gij de bewijzen voor de waarheid uwer leerstellingen, naar uw beweren, wenscht af te leiden, toenmaals nog niet was aangevangen,—waaruit kan Jezus, waaruit kunnen zijne voorgangers Boedha, Mozes, de kennis dezer waarheden toch geput hebben, dan uit eene regtstreeksche goddelijke ingeving?—Gij erkent hierdoor immers met der daad de goddelijke openbaring, die gij wilt wederleggen!
DAG. Neen, mijn geliefde broeder.—De ziel des menschen is zoo van nabij verwant met den geest, die het geschapene heeft daargesteld en onderhoudt; door middel zijner vijf zinnen staat de gezonde mensch in zulk eene innige betrekking tot de schakels van de oneindige keten der natuur, waarvan hij slechts eene kleine schakel is,—dat de verschijnselen, die hij rondom zich waarneemt, voor twee of drie duizend jaren onfeilbaar denzelfden indruk op hem moesten maken als thans het geval is. Destijds bespeurde hij de regelmatigheid, de harmonie in de verschijnselen, de doelmatigheid in alle inrigtingen der natuur even goed als thans,—hij zag hoe elk diertje zich verheugde in het genot zijns levens;—hij gevoelde zich tevens overtuigd van zijne eigene vergankelijkheid en onmagt; daardoor kwam hij tot de gevolgtrekking, dat er een hooger wezen moest bestaan, als de grondoorzaak aller dingen, wiens hoedanigheden hij afleidde uit de schepping, die noodzakelijker wijze indruk op hem moest maken, al kon hij de verschijnselen, door hem waargenomen, niet zoodanig verklaren als wij, die de wetten hebben nagespeurd. Ja, de beschouwing onzer eigene, redelijke ziel leidt reeds tot het denkbeeld van het bestaan eens redelijken scheppers: „ik ben, God is er,” en dit moest vóór duizenden van jaren evenzeer het geval zijn als thans.—Deze bevattelijkheid is voor den met rede begaafden mensch een even eigendommelijk en onvervreemdbaar erfdeel als het instinct der bijen om cellen te bouwen of de kunstdrift der spin om een regelmatig weefsel te vlechten!—En lag niet reeds een groot gedeelte der wereldgeschiedenis, dat zich over vele duizende jaren uitstrekte, lag dat niet reeds achter Jezus? Was het godsdienstig bewustzijn in den Semitischen volkstam, waartoe Jezus behoorde, niet van oudsher en bij uitnemendheid, meer dan bij andere volken levendig geweest, en ontving hij van zijne voorvaderen niet een schat van wijsheid en kennis Gods ten erfdeel, welke, als kiem in den rijk begaafden knaap gelegd, tot een eigendommelijken bloei geraakte?—Uit welke bron hebben dan de oude Hindoes, Egyptiërs, Chinezen, Perzen hunne zedeleer geput,—wie heeft haar aan de Amerikaansche wilden verkondigd, die toch, in denzelfden stam, jegens elkander menschlievend, getrouw zijn en vele andere deugden beoefenen?—Waant gij, dat God ook aan hen een Messias gezonden, hun eene openbaring heeft geschonken?
NACHT. Toegestaan voor den oogenblik, dat de Amerikaansche wilden in denzelfden bevrienden stam zich menschlievend jegens elkander gedroegen, zoo waren zij echter des te gruwzamer jegens andere stammen en tegen de blanken, die zij scalpeerden. Men behoort menschlievend te zijn jegens alle menschen, zelfs jegens zijne vijanden.—Hoe is het dan toch mogelijk, dat er, naar uw beweren, menschlievendheid wordt gevonden bij de Amerikaansche wilden?!
DAG. Ik kan en durf beweren, dat zulks het geval is, mijn broeder; uit de geschiedenis kan ik u bewijzen, dat zij menschlievendheid bezaten, deugden beoefenden, waarvan bij de Jezuïten en andere blanken, die hen tot het Christendom wilden bekeeren, geen spoor te vinden was. Maar zij beschouwden de vreemde stammen en blanken als vijanden en scalpeerden hen. Of waren die blanken niet hunne vijanden? Wat deden zij dan? Overal waar zij kwamen, bragten zij hunne Christelijke liefde met zich, om—de roodhuiden, ware het mogelijk, van den aardbodem te verdelgen. En indien gij nu hier tegen aanvoert, dat de Amerikaansche wilden ook onderling, stam tegen stam, gruwzame oorlogen voerden, dan vraag ik u, hoedanig handelen in onze 19de eeuw, ja, te dezer stonde de Christenstammen, de groote mogendheden van Europa, hoe handelen die onderling?—Zij prediken op hunne schepen: „hebt uwe naasten lief gelijk u zelven, zijt vergevensgezind jegens uwe vijanden, zegent ze die u vervloeken, doet wel degenen die u haten,”—en hoe volgen zij deze leer op?—Zij bombarderen van diezelfde schepen de kuststeden van hunnen christenbroeder, steken zijne magazijnen in brand, boren zijne schepen in den grond, en vernietigen alles dat zij vernietigen kunnen.
NACHT. Laat ons daarover niet verder uitweiden, - - - gij zult mij bij eene volgende gelegenheid wel eens ophelderen, waarom het geloof aan goddelijke openbaring door u verderfelijk wordt genoemd, - - zie daar ginds!—een regenboog, hoe prachtig! en wend uwe blikken naar beneden in het dal, dat door de zon wordt beschenen; hoe vriendelijk lacht het ons weder toe!
Het onweder had zich nu ook in het dal geheel en al ontlast en voor ons geene zigtbare sporen nagelaten dan gindschen ontschorsten boom en het opgewoelde plekje aarde in de nabijheid van het graf. Slechts het dof geruisch der gezwollene bergstroomen getuigde nog van de omkeering, welke in het luchtruim had plaats gegrepen. De wolken echter waren uiteengestuwd en slechts hier en daar hing nog eene enkele aan de met woudgeboomte bedekte hellingen van het gebergte.
Onze blikken gleden langs deze sombere wouden benedenwaarts en rustten op de velden en beemden, bedekt met Alang alanggras, die als een helderkleurig tapijt zich beneden de wouden uitstrekten, terwijl nog lager, te midden des dalbodems, op enkele plaatsen de Tji-Nagnéak zigtbaar was, die als een zilveren band zich door de vallei kronkelde. Gelijk de stralen der zon ons hier op nieuw beschenen, zoo lachte zijn vriendelijk schijnsel ons ook uit dit dal weder te gemoet, alwaar wij ons klein dorpje op den voorsprong des bergs ontwaarden; duidelijk viel het ons echter niet in het oog, want de bruinkleurige hutten kwamen slechts op enkele plaatsen en nog ter naauwernood uit het bosch van vruchtboomen te voorschijn. De natuur was op nieuw verkwikt, de lucht bekoeld en hare opstijgende, dampenopvoerende stroomen hadden opgehouden; de ongelijkmatigheid in de uitzetting des dampkrings boven de verschillende gedeelten des lands was weggenomen, de rust hersteld en geen togtje liet zich meer bespeuren.—Insektenkoren begonnen in het woud te snorren, te gonzen, te fluiten en te zingen; de Manoek kaso verhief weder zijne stem en het kontrast tusschen het vorige en het tegenwoordige tooneel schonk aan het groene en bloeijende landschap en aan den zonneschijn, die het zoo liefelijk bescheen, eene dubbele bekoorlijkheid.—Zoo wordt ook in het menschelijk leven elk genot verhoogd door de ontbering; zonder ongeluk, zonder ellende, zou geen geluk worden gesmaakt;—zonder leelijkheid zou de schoonheid niet erkend,—zonder de zekerheid des doods het leven niet gewaardeerd worden. De wederwaardigheden des levens moeten ons nimmer den moed doen verliezen, maar wij behooren te gelooven, dat ongeluk, ziekte, ellende, armoede en ontbering door den wijzen Schepper der natuur worden toegelaten, dewijl zij nuttig zijn voor het geheel en moeten uit het onweêr leeren, dat ook de ongelukken, die het leven van enkelen teisteren, zoo mede de stormen in de geschiedenis der menschheid tot het wijze plan behooren, waarnaar het geheel door Hem wordt geregeld, dat zonneschijn en bloesems veel schooner dan vroeger daarop zullen volgen, en dat dit alles slechts verschijnselen zijn eener groote, steeds voorwaarts strevende wet der ontwikkeling.
Ten 3 ure begonnen wij den terugtogt;—wel bleek het gaan over den humusrijken woudbodem, die door den regen was opgelost, zeer bezwaarlijk te zijn, doch wij bereikten echter behouden het dorpje Gnoerag, van waar ons de toonen der Gamĕlan te gemoet klonken en ons een voortreffelijke maaltijd was bereid. Wij verhaalden de Javanen, dat wij een hert hadden geschoten, hetwelk wij niet in de gelegenheid waren geweest mede te brengen, en oogenblikkelijk was een half dozijn mannen—veel meer dan noodig was—op de been om het te gaan halen. Dat deden zij gaarne.
Nu gaven wij aan de dorpsbewoners te kennen, dat wij hen een en ander omtrent onze godsdienst en zedeleer wenschten mede te deelen, en daar zij bereidwillig verklaarden ons gaarne te zullen hooren, zeiden wij hun, dat wij beide tot eene verschillende geloofsbelijdenis behoorden, omtrent welk onderwerp wij nog niet tot eenstemmigheid hadden kunnen geraken. Indien zij nu genegen mogten zijn, ons gedurende een of twee uren de noodige aandacht te verleenen, dan zou mijn broeder Nacht hun heden avond zijne leer ontvouwen, terwijl ik hun morgen avond mijne geloofsleer zou verklaren. Toen zij hiermede volgaarne instemden, rieden wij hen aan over hetgeen zij zouden hooren, later na te denken en dit te bepeinzen. Wij gaven hun de verzekering, dat wij zulks deden met de goede bedoeling om hun nuttig te zijn, dat het hun echter volkomen zou vrijstaan in hun tegenwoordig geloof te blijven, in geval geen van ons beide in staat zou zijn hen van iets beters te overtuigen.—Nadat dit alles voor goed was bepaald, werd de grootste hut in het dorp gekozen tot de plaats van zamenkomst; al het huisraad werd bijeen op den achtergrond gelegd en hiervoor een gordijn gespannen, ten einde zulks aan het oog te onttrekken.—Het was zes ure. De zon was ondergegaan en de gezamenlijke bewoners van het dorp, zoo mannen, vrouwen als kinderen, waren in de hut bijeen, alwaar Nacht de volgende voordragt hield.—De Javanen hadden zich, met de beenen kruisselings over elkander, op den grond nedergezet en Nacht zat op een stoel in de nabijheid van den wand, waaraan twee brandende lampen waren bevestigd.
Voor zich op eene bank had hij den bijbel, benevens een vraagboekje tot onderwijzing in de Christelijke leer nedergelegd, en hier tusschen beide stond het zinnebeeld van het Christelijk geloof, een houten kruisbeeld.
(Te Amsterdam, bij Mortier Covens en Zoon.)
Alles wat wij weten en geleerd hebben, weten wij uit den Bijbel; p. 92.1
In den Bijbel kunnen geene dolingen voorkomen; want ook het oude testament werd door Jezus als Goddelijke schrift bekrachtigd. De Bijbel is eene verzameling van Goddelijke,—door God ingegevene—boeken, waarin God zelf tot ons spreekt; p. 93 en 95.
Wij moeten den Bijbel als een uitmuntend geschenk der Goddelijke liefde dankbaar erkennen en deszelfs leer als den eenigen regel van ons geloof en wandel aannemen; p. 95.
Al hetgeen ik u nu leeren zal, is uit dezen Bijbel getrokken, die voor ongeveer 1800 jaren te boek is gesteld en onveranderd is gebleven, zoo als hij hier voor mij op de bank ligt.
God heeft al, wat is, geschapen. God is groot, wijs en goed; ik moet hem eeren en liefhebben; p. 1.
God schiep twee eerste menschen, een man Adam en eene vrouw Eva, naar zijn beeld; zij waren wijs, heilig, onsterfelijk en gelukkig; p. 2.
Maar zij werden ongehoorzaam aan het gebod van God; zij aten van de vrucht van den verboden boom en nu werden zij veranderd in dwaze, verdorvene en ellendige menschen, die aan den dood onderworpen waren.—God gaf hun echter eene vertroostende belofte; p. 2 en 3.
Vervolgens vermaande hij de menschen; maar zij luisterden niet naar hem, neen! de boosheid nam meer en meer toe, zoo dat aan God geen ander middel overbleef, dan het geheele menschdom, behalve Noach en zijn huisgezin, te verdelgen en door den zondvloed te verzuipen; p. 4.
Maar helaas! ook dit hielp niet, want de menschen werden, na den zondvloed, niet wijzer, noch vromer dan de vorige waren; zij zondigden noch erger en gaven zich over aan Afgoderij; p. 5.
God verliet hen echter niet en gaf hun van den berg Sinaï de tien geboden: gij zult God alleen aanbidden en geene vreemde Goden nevens hem hebben, gij zult zijnen naam niet ijdelijk aanroepen, den Sabbatdag heiligen, uwen vader en moeder eeren, niet doodslaan, geen overspel doen, niet stelen, geene valsche getuigenis afleggen, uwes naasten huisvrouw, noch zijn overig eigendom begeeren; p. 10.
Maar ook dit hielp niet veel; de menschen gingen gedurig voort zwaar tegen God te zondigen. Maar God troostte hen en herhaalde zijne belofte; om hen eenen toekomstigen Verlosser te zenden. Later openbaarde God aan David, dat de Verlosser uit zijn nageslacht zou voortkomen, wiens koningrijk tot de eeuwigheid zou zijn; p. 13 en 16.
Intusschen maakten zich de menschen aan Beeldendienst, Afgoderij en allerlei gruwelen schuldig. God liet hen telkens door buitengewone leeraars, Profeten, waarschuwen en strafpredikatien doen, maar ook dit had weinig nut; p. 17 en 18.
Toen verscheen eindelijk de beloofde Verlosser en werd te Bethlehem, door de kracht des Heiligen Geestes, uit de onbevlekte maagd Maria geboren. Op bevel van een engel werd hij Jezus, d. i. Zaligmaker genoemd. Toen hij door Johannes den Dooper gedoopt werd, daalde de Heilige Geest zigtbaar op hem neder en eene stem uit den hemel riep: deze is mijn Zoon, mijn geliefde, in wien ik mijn welbehagen heb.—Wat kunnen wij nu krachtiger bewijzen verlangen, dat Jezus, te Bethlehem geboren, waarlijk de lang beloofde Verlosser, de Christus is!? p. 26 tot 29.
Hij had 12 discipelen, die naderhand als zijne Apostelen zijne leer alom verkondigden. De Farizeën en Schriftgeleerden waren zijne vijanden, maar hij was door Gods geest onderwezen en sprak gelijk „zijn Vader” (God) hem had geleerd. De Goddelijkheid van zijne leer bleek vooral uit de wonderwerken, waarmede hij ze bevestigde; p. 31 tot 34.
Door den haat der Farizeën en Schriftgeleerden werd hij valschelijk beschuldigd, eindelijk ter dood veroordeeld en gekruisigd. Na zes uren lijden, gaf hij den geest en werd door twee vrienden deftig en eerlijk begraven. Dewijl hij heilig en onschuldig was, leed en stierf hij tot vergeving der zonden; p. 36 tot 40.
Maar op den derden dag is hij uit de dooden opgestaan, gelijk hij te voren gezegd had, en velen hebben hem gezien.—Dat was ten hoogste noodig, want daardoor moest blijken dat hij waarlijk de Christus was, die door lijden in heerlijkheid moest ingaan. Indien Jezus in den dood gebleven was, had hij ons niet kunnen zalig maken; p. 40 tot 42.
Veertig dagen na zijne opstanding is hij, voor de oogen zijner discipelen, van de aarde ten hemel gevaren. Daar is hij nu gezeten aan Gods regterhand, van waar hij eens weder komen zal, om al de zijnen volkomen zalig te maken.—En zijne discipelen werden, onder de heerlijkste teekenen uit den hemel, allen vervuld met den Heiligen geest en verkondigden nu aan alle volken zijne leer; p. 42 tot 45.—Deze leer luidt als volgt.
God is de Vader. Jezus Christus is Gods eenig geboren Zoon. De Heilige geest is de geest der waarheid, die van den Vader uitgaat. Deze drie Goden, Vader, Zoon en Heilige geest, zijn de eenige waarachtige God en wij moeten hun eene gelijke goddelijke waardigheid toekennen.—Want deze drie zijn een.—Dit begrijpen wij, wel is waar, niet, maar wij moeten ons verheugen, dat wij God dus uit zijn woord tot zaligheid hebben leeren kennen; p. 53 en 54.
God is het eenige volmaakte en allerhoogste wezen, een overal tegenwoordige, alwetende, onveranderlijke en getrouwe, onafhankelijke en almagtige, goedertierende, barmhartige, lankmoedige, heilige, regtvaardige en eeuwige Geest.—Hij onderhoudt en bestuurt alles, ook alle onze daden, door zijne voorzienigheid; p. 54 tot 57.
Behalve de Goddelijke Drieëenheid bestaan nog andere wezens, volkomener dan wij, namelijk goede en booze engelen. De goede engelen zijn voortreffelijke hemelgeesten, ten dienste der geloovigen. Maar de kwade engelen verleiden gaarne de menschen; p. 61.
Wij zijn sedert de ongehoorzaamheid van den eersten mensch Adam ellendige zondaren en worden uit onze ouders verdorven geboren. Door de zonde is de dood in de wereld gekomen en zoo zijn aan den dood alle menschen onderworpen geworden. Wij zijn van nature ten kwade geneigd en uit het binnenste van ons hart komen voort kwade gedachten.—De zonde is snoode ondankbaarheid tegen God en zal zwaar gestraft worden in een onuitblusschelijk vuur, dat geen einde heeft.—Door de zonde worden wij dus allerellendigst en zouden zonder Gods genade onherstelbaar verloren geweest zijn; p. 61 tot 63.—Want God was boos op ons en toornig.
Maar Gods toorn bedaarde. Want hij is goed en barmhartig en zond ons in zijne goedertierenheid een Zaligmaker, een vlekkeloozen heiligen Verlosser; hij zond ons zijn eenigen Zoon!—Deze heeft door zijn gehoorzaam lijden en sterven de straf onzer zonden gedragen, en door dit lijden en sterven is God nu met ons zondaren verzoend en schenkt ons genade, vergeving der zonden. Gods zoon heeft zich voor ons ten offer gebragt aan den Vader; p. 64 tot 66.
Gods zoon is nu weder in den Hemel, waar hij voor onze belangen bij den Vader zorgt. Hij is onze getrouwe voorspraak bij den Vader. Hij brengt ons in den hemel, en hij is de eenige Zaligmaker, zonder wien wij niet behouden kunnen worden; p. 66 en 68.
Maar die zaligheid zal eerst dan volkomen zijn, wanneer Jezus komen zal, om de dooden op te wekken en het laatste oordeel te houden.—De ure komt, in welke allen, die in de graven liggen, zijne stem zullen hooren en zullen uitgaan, die het goede gedaan hebben tot de Opstanding des levens,—zij zullen zalig gesproken worden en eeuwig bij Christus en al de Heiligen leven, en die het kwade gedaan hebben, zij zullen uitgaan tot de Opstanding der verdoemenis! p. 67.
Om zalig te worden moeten wij in Jezus gelooven, ons bekeeren; wij moeten hartelijk en ootmoedig bekennen, dat hij onze eenige, algenoegzame en vrijwillige Zaligmaker is, op wien wij vertrouwen. Zonder dit geloof is geene zaligheid; p. 69.
Wij moeten ons op Heiligmaking toeleggen en Jezus boven alles, zelfs boven ouders en kinderen, liefhebben; p. 73 en 74.
Wij moeten alle menschen, zelfs onze vijanden liefhebben. Wij moeten het kwaad en de beleediging ons aangedaan, aan onzen naaste altijd gaarne vergeven; p. 74 en 75.
Wij moeten nederig zijn, ons zelven verootmoedigen, onze geringheid en onwaardigheid gevoelen, ons zelven verloochenen en onzen naaste liefhebben gelijk ons zelven; p. 76 tot 79.
Wij moeten veel gebruik maken van het gebed; p. 80.
Wij moeten God dikwerf danken en met volharding bidden, en wanneer wij in Jezus naam bidden, dan zal God onze gebeden verhooren; p. 83.
De Hervormde kerk heeft zich van de Roomsche om derzelver dwalingen afgescheiden; p. 80.
Gij moet u laten doopen om christen te worden.—In den Doop leert en verzekert God ons de afwassching onzer zonden; maar zij alleen worden zalig, die de belofte Gods, in den doop aan hen gedaan, geloovig aannemen; maar die niet geloofd zal hebben, zal verdoemd worden; p. 88.—De ontvangen Doop verpligt ons om christen te zijn, zelfs indien wij nog jonge kinderen waren, toen wij gedoopt werden.
Gij moet dikwerf het avondmaal gebruiken.—Want het gebroken brood en de geplengde wijn beteekent en verzekert ons, dat Christus ligchaam gebroken en zijn bloed vergoten is tot vergeving der zonden, p. 90.
Elk der vermelde stellingen had Nacht nader toegelicht door er langere of kortere verklaringen bij te voegen, die ik echter, even als de bijbelplaatsen, welke hij voorlas, onnoodig heb geacht hier mede te deelen. Hoe dienstig toch deze ophelderingen moesten beschouwd worden voor Javasche toehoorders, even overtollig zou eene herhaling er van hier in Nederland zijn, waar elk scholier met deze leer bekend is. Geen enkele maal hadden de Javanen mijn broeder in zijne rede gestoord; allen, zelfs de kinderen, hadden opmerkzaam toegeluisterd; hunne op elkander gelegde handen rustten op hunnen schoot en velen verhieven ze van tijd tot tijd en bragten de vingertoppen eerbiedig aan het voorover gebogen voorhoofd (dat wil zeggen, zij maakten een Sĕmbah), zoo menigwerf de naam Toean Allah (God) werd genoemd.—Nadat Nacht zijne rede had geëindigd, vroeg ik hem of hij mij wilde vergunnen nog eenige woorden er bij te voegen; dit mij bereidwillig toegestaan zijnde, sprak ik de Javanen op de navolgende wijze toe:
Geliefde Javasche Vrienden! Hetgeen mijn broeder Nacht u zoo even heeft voorgedragen, is de leer der Christelijk Hervormde kerk, gelijk zij in Nĕgara-Wolanda (Holland) overal wordt geleerd en gepredikt. Zij steunt op den Heidelbergschen Catechismus, die op zijne beurt den bijbel tot grondslag heeft; ongeveer twee derde gedeelte der bewoners van Holland belijden deze leer. Dewijl echter de bijbel door de onderscheidene geloofsmannen, priesters, op zeer verschillende wijze wordt uitgelegd, is niet slechts de Hervormde kerk in zeer vele sekten verdeeld, maar er bestaat nog eene andere groote hoofdkerk, welke de Katholieke of Roomsch-Katholieke kerk wordt geheeten en deze telt het overige derde gedeelte der bewoners van Nederland tot hare belijders.—Naar de wijsselijk gestelde bepalingen onzer grondwet mag ieder gelooven, hetgeen hij als zoodanig wil aannemen; ditzelfde is ook aan u vergund. Wenscht gij misschien Katholieke Christenen te worden, dan moet gij gelooven: dat in het brood en den wijn bij het avondmaal het werkelijke vleesch en bloed van Jezus wordt genuttigd, die voor meer dan 1800 jaren is gestorven,—dat de Paus (zoo noemen de Katholieken hunnen opperpriester, die te Rome, dat is ver van Holland, woont) de stedehouder Gods op aarde is, wiens uitspraken onfeilbaar zijn en wien gij onvoorwaardelijk moet gehoorzamen, ja, die het regt heeft al uwe zonden te vergeven of te doen vergeven;—gij moet vlijtig ter biecht gaan; vervolgens moet gij geloof hechten aan de wonderdadige kracht der relikiën en de heiligen aanroepen, welke bij God in den hemel uwe voorspraak zijn,—hoofdzakelijk echter moet gij, behalve God den VADER en den Zoon, ook de heilige Maria aanbidden; want zij was de—MOEDER—van—Gods—Zoon.
Ter naauwernood had ik deze woorden uitgesproken, of boven het lage gordijn, dat op den achtergrond der hut was uitgespannen, verhief zich een man, wiens hoofd met een witten tulband was omwonden. Wij waren beide, zoowel Nacht als ik, zeer verwonderd in dit kleine gehucht zulk eene verschijning te zien, maar loochenen konden wij het niet,—zijne kleederdragt toonde zulks duidelijk aan,—het was een Mohammedaansche priester. Hij hield eene Maleische overzetting van koranteksten in zijne linkerhand en met oogen gloeijende van een onheilspellend vuur en zijne regterhand dreigend opwaarts heffende, zoo dikwerf een der alhier cursief gedrukte woorden zijn mond ontrolde, riep hij met eene fanatiek luide, half zingende, half gillende stem:
Gelooft aan God en aan zijne gezanten, doch spreekt niet van eene drieheid. Er is slechts een, eenige God.
(Koran, 4de soera.)
Maar hoe vele bewijzen er in den hemel en op de aarde ook mogen gevonden worden voor de eenheid Gods, gij zult die uit het oog verliezen en u steeds verder daarvan verwijderen.
De meesten, die aan God gelooven, aanbidden te gelijk afgoden.
(Koran, 12de soera.)
Zij zeggen: de Albarmhartige teelde eenen zoon; maar daarmede spreken zij godslastering, en weinig verschilde het, dat de hemel werd vaneengereten en de aarde zich opende, en de bergen instortten, dewijl zij het durfden wagen den Albarmhartige kinderen toe te schrijven, dien het niet voegzaam is kinderen te verwekken. Niemand in den hemel en op de aarde mag den Albarmhartige naderen, dan slechts om zijn dienaar te willen zijn.
(Koran, 19de soera.)
Na deze onverwachte slotrede verlieten wij zwijgend de hut; stil, bijna beangst slopen de Javanen weg. Nacht verkeerde blijkbaar in eene onaangename stemming en was met zich zelven in tweestrijd. Ik was nog minder bevredigd dan hij, ja, ik was treurig gestemd en gevoelde geene neiging om te slapen. Nacht trad onze hut binnen. Ik begaf mij naar den rand der kloof, waar ik mij in den maneschijn nederzette. Ik trachtte harmonie en rust voor mijne ziel te putten uit de beschouwing der natuur, der levende schepping van den goeden God en—vond die. Terwijl, op mijn verzoek, de Gamĕlan de toonen van zachte melodiën in de verte deed hooren, die plegtig en droefgeestig schoon door het eenzame dal weêrklonken,—terwijl elk geruisch in de diepste nachtelijke stilte verzonken lag, viel ook ik eindelijk in slaap. Mijne bedienden wekten mij niet, maar legerden zich, om mij voor gevaren te hoeden, rondom mij en—zij sliepen nog, toen ik den volgenden morgen op dezelfde plaats ontwaakte.
Gedurende den loop des daags hadden wij ons met kruidkundige en geologische onderzoekingen onledig gehouden en waren nu weder bijeenvergaderd in dezelfde hut, alwaar Nacht gisteren avond zijn evangelie gepredikt had. Het was reeds 6 ure en nog was onze bode niet teruggekeerd. Gisteren was ik een toehoorder van Nacht geweest, nu zag ik hem in de rij mijner toehoorders en bemerkte insgelijks den Mohammedaanschen priester, die zijn incognito nu had afgelegd, onder de overige Javanen.—Ik deelde hierop den Javanen, deels bij wijze van korte uittreksels, deels met uitvoerige verklaringen, het navolgende mede.
Voor mij op eene bank had ik eene aard- en hemelglobe, een sextant en kunstmatigen horizon, een verrekijker, een chronometer, een barometer, een thermometer, een psychrometer, een kompas, een kunstmagneet, een microscoop, een aräometer van Nicholson, een driezijdig prisma, eene draagbare camera obscura, een daguerréotypetoestel, een kastje met scheikundige reagentia en andere dergelijke werktuigen der toegepaste wetenschap, als zinnebeelden van mijn geloof, ten toon gesteld.