„Met den ijver tot onderzoek, kwam ook allengs de overtuiging van het nut daarvan. Men kreeg hier opheldering over menig oud gebruik, over aloude wetten en instellingen, over woorden en uitdrukkingen, die sedert eeuwen duister geweest waren, en men leerde de denkwijze der vroegere tijden al beter en beter kennen, zoodat dit onderzoek ook reeds voor andere wetenschappen nut gedragen heeft.”
Mr. L. Ph. C. van den Bergh.
Zeker, die lust, deze ijver tot onderzoek, waarvan in bovenstaand motto wordt gesproken, is aangenaam en nuttig: de mensch, die geschiedenis beoefent, volkseigenaardigheden en volksgebruiken met historisch waarnemend oog nagaat, hij leeft in zekeren zin niet alleen in dezen tijd: neen, door zich te verplaatsen naar het grijs verleden, toovert hij zich personen en zaken voor den geest, geheel vreemd somtijds aan die der eeuw waarin hij leeft,—smaakt hij een genot, een verheven genoegen, hen onbekend, die omtrent de geschiedenis onverschillig zijn en alzoo hun zedelijk voordeel niet willen doen met het nut, dat zij in zich bevat.
De geschiedenis en vooral de onbeschreven geschiedenis tot leidsvrouwe, en gij kunt ver, zeer ver doordringen in den onmetelijken tijd-oceaan; zij toch is de genius die u bijstaat, om thans verlaten plekken te bevolken, met de schimmen van heldhaftige mannen, geleefd hebbende in den grijzen voortijd!
Aller landen en volkeren geschiedenis is belangwekkend. De historie der laatsten heeft ons geleerd, dat eenigen, hoe nietig in hun begin, groot werden en magtig, maar dat ook juist die magt en die weelde hen verwijfd maakten, dat het de middelen waren tot hun ondergang. Helaas, ook zij ondervonden, dat de zoete weg der weelde glibberig was en gevaarlijk te betreden.
Zoo traden dan eenmaal magtige volkeren af van het groote wereldtooneel; van velen bleef dikwerf niet eens de naam overig.
Bij anderen wisselden voor- en tegenspoed, ontwikkeling en achteruitgang elkander af, doch zij hielden zich staande tot op dezen stond.
Is dan de kennis omtrent de wisselingen van ieder land en van elk volk zoo treffend en nuttig voor den mensch, hoeveel te meer moet het ons dan aansporen de geschiedenis na te gaan van ons eigen land, en strenger nog, van die dierbare plekke gronds, waarop wij het eerste levenslicht aanschouwden, welligt ook eenmaal den grooten natuurcijns zullen betalen, en onder welks groenende kerkhofzoden ook daarna onze assche zal rusten.
Gevoelen wij ons bij die gedachte reeds opgewekt, geen vreemdelingen te blijven op de breede baan der geschiedenis, er is echter nog een prikkel, nog een drijfveer die ons daartoe geleidt: deze, dat wij geene laakbare onverschilligheid mogen toonen, omtrent het bedrijf en leven onzer vaderen, die zoo veel veil hadden voor hun nageslacht; als hunne naneven niet alleen, ook als bewoners van den grond, dien zij ontwoekerden, hebben wij welligt zelfs een pligt te vervullen; de beoefening hunner geschiedenis. En deze algemeene beschouwingen, geachte lezer, zijn ook van bijzondere toepassing op Oudewater en omtrek, de punten onzer beschrijving.
Ontrollen wij dan de geschiedbladen, en zien wij daarin, welke gevaren ons dapper voorgeslacht dikwijls trotseerde, hoe het uit menigen kamp als overwinnaar terug keerde, hoe het moed met beleid en kracht bij innige volharding wist te voegen; hoe het leefde en stierf.
En, waar die geschiedrollen ontbreken, daar zijn het alhier plaatsnamen en volksgebruiken, die ons toefluisteren van dappere voorvaderen, van krachtige mannen, blond van haar en blaauw van oog, die hunne sterkgespierde leden alleen dekten met eene ruwe dierenhuid, los om de breede schouderen geslagen en bevestigd met eene doorn, van voorvaderen, offerende aan goden die niet bestonden, aan hemelligchamen, vuur en water, aan boom en plant, aan stroomen, enz.
Ook de voormalige gesteldheid van Oudewater’s bodem, die in de eerste aflevering behandeld werd, bood zich voor dusdanige vereering uitnemend aan.
Behalve immers, dat zij hier even als elders hunnen goden konden offeren, verschafte de woudvolle toestand hun ter aanbidding boomen; in den vetten kleibodem groeiden planten in overvloed die zij vereerden, en de IJsselstroom bood hen eene woonplaats aan voor hunne watergoden en waterdienst; en dit, geachte lezer! is het verband tusschen geologie en mythologie, dat op bladz. 2 beloofd werd om aan te toonen.
En, niet waar, het is niet te verwonderen, dat wij juist bij gebrek eener zekere geschiedenis dezer streek tijdens het heidendom, die in hunne godendienst, hunne natuurvereering of mythologie trachten te zoeken, welke, als het dierbaarste wat zij bezaten, ook de veelvuldigste sporen heeft nagelaten.
Als zoodanig dan willen wij het eerst eenige heidensche feesten behandelen, waarvan sporen schijnen of wezenlijk zijn achtergebleven; daaronder zal men dan ook aantreffen de meivuren, waarvan wij zullen trachten te bewijzen: wie zij toegewijd waren, en daarna wat zij nog zijn; ten einde alzoo vergelijkingspunten verkregen worden, tusschen heidensch offervuur van vroeger en vreugdevol kinderspel van thans.
„Het geheele godenstelsel is thans niet meer in zijn geheel op te delven …. wij treffen slechts brokstukken aan …; maar deze fragmenten, die thans meer dan ooit met zorg worden verzameld, leeren ons thans nog oordeelen over het geheel dat verloren is.”
D. Budding.
„….Door al die kleine aanduidingen en bijzonderheden te verzamelen, te schiften en de een met de andere te vergelijken, bekomt men eindelijk een tweelicht, waarbij men vele voorwerpen redelijk leert onderscheiden ………. … en ik vind geene zwarigheid te veronderstellen, dat sommige dier verbalen zeer oud zijn en welligt tot de tijden des heidendoms opklimmen.”
Mr. L. Ph. C. van den Bergh.
Hoewel men niet van ons zal vergen, eene uitgebreide mythologie van ons land te leveren—wijl deze bereids bij onderscheidene auteurs bestaat en ons bestek daarvoor ook te beperkt is—zoo moeten wij echter, om in het vervolg dikwijls niet onverstaanbaar te worden, in de eerste plaats vooral den in de mythologie oningewijde opmerken, dat zij voornamelijk verdeeld wordt in drie soorten: de Oostersche-, de Westersche- en de Noordsche mythologie.
Dan moeten wij zeggen, dat, ofschoon men bij alle deze, vele gronddenkbeelden aantreft, die onderling veel overeenkomst met elkander hebben, zij toch eveneens bij vergelijking een aantal punten van verschil aanbieden.
En dit laat zich immers zeer gemakkelijk begrijpen. Zal het heidendom in het zuidelijk Europa en in Azië, dat ook eene natuurdienst had, zich in hun zonnig klimaat, onder den wolkeloozen hemel, waar andere planten en boomen tierden, zich geen veel weelderiger natuurvergoding hebben voorgesteld dan de »wilde” in Scandinavië1 en IJsland, levende in eene geheel andere omgeving. Toch, al gewerd ons de Noordsche of Odinische mythologie uit het koudere klimaat, zoo was zij toch geenszins zonder dichterlijken gloed, zeker neen: daar uit het Noorden kwam zij tot ons, die natuurdienst, dat mythenstelsel, niet alleen in legenden, schoone overleveringen en heldensagen, maar ook in oorkonden, geschreven in de zoogenaamde Norraena taal. Deze waren het echter nog niet alleen die ons der N. volkeren mythologie deden kennen: ook de twee edda’s verspreidden daarover veel licht2, en onbetwistbaar is het, dat de mythologie van dit land niet slechts het meest der Noordsche nabij komt, maar ook dikwijls de grootste overeenkomst daarmede aanbiedt: en geen wonder, ons land werd gedeeltelijk uit het Noorden bevolkt. Van daar ontleenden wij dus ook gedeeltelijk taal, wetten en heidensche eerdienst.
Bij die Noordsche volkeren nu, die een magt van goden en godinnen hadden, was Odin de oppergod, en Frigga zijne gemalin, en van deze twee, zegt de heer Budding, stamt bijna geheel het asen- of godenstelsel af, wier leven en bedrijf in het hemelsche Asgard, wier invloed op Midgard (de aarde) en wier togten naar de onderwereld de edda-liederen dikwijls met zulke krachtige liederen afmalen.3
Hoe groot de magt echter was die Odin bezat, stond hij evenwel onder de beschikking der Nornen of schikgodinnen.4 Dit bewijst de Baldur’s mythe en de professie der Völa van het Noorden. »Die voorspelling”, aldus vervolgt Budding, »betreft den dood van Baldur (een zoon van Odin) en geeft aan de geheele N. Godenleer behalve een behagelijk weemoedigen tint, ook eene bepaalde rigting aan alle bedrijven en heldenfeiten van het asenleven in Asgard.”
Ten volle zijn wij het met genoemden oudheidkundige eens, en wij kunnen dan ook niet aan de heidensche feesten beginnen, tenzij de vriendelijke lezer iets nader omtrent den dood van den »goeden Baldur” is ingelicht. »In het Dietsch heidendom”, zegt Mr. P. Blommaert,5 schijnt een dualismus ten gronde te liggen, hetwelk men schier in alle trappen van deszelfs natuurleer aantreft. Zoo staan Mispelheim6 en Nevelheim tegenover elkander, en door derzelver wederzijdsche werkingen, stichtten zij de wereld en het leven. In eene mindere schaal kan men deze gedachte vervolgen in de tegenstellingen van het licht tegen de duisternis, den dag tegen den nacht, den zomer tegen den winter, welke in eeuwige wisseling en als het ware in gedurigen strijd voortrollen. Dit natuurverschijnsel werd bij de Scandinaven door de schoone mythe van Haudur en Baldur voorgesteld.
»Haudur en Baldur zijn Wodan’s zonen. Baldur wordt de goede bijgenaemd; hij is zoo schoon en rijzig dat hij glanst.
»Haudur is dof van kleur en blind7, doch geweldig sterk. Hij was het, die zonder erg den doodelyken pyl op Baldur afschoot en zyns broeders onschuldige moorder werd. Zoo wordt zyn dood in de edda verhaelt.
»Baldur de goede droomde, dat zyn leven in gevaer was. Daer hy dit den Asen bekend maekte, hielden zy daerover raed, en er werd besloten, Baldur tegen alle mogelyk gevaer te verzekeren. Frig nam gevolgelyk den eed af aen het vuer, water, yzer, aen allerlei metalen, steenen, aen de aerde, boomen, ziekten, dieren, vogelen, vergiftige slangen, dat zij hem niet zouden schaden. Als dit gedaen was en aen allen bekend gemaekt, verheugden de Asen zich daerover, zoodat zij Baldur vooraen in de vergadering stelden; eenigen schoten naer hem, anderen hieuwen op hem, anderen wierpen met steenen, en wat zy ook deden, hy had daer geene schade van. Daer Loki8 dit zag, verdroot dit hem hevig; hy begaf zich onder de gedaente eener oude vrouw naer Fensal bij Frig. Die vrouw vroeg aen Frig, of zij wist wat de Asen in hunne vergadering voor hadden. Zij antwoordde: »allen schieten naar Baldur zonder hem te deeren,” er bij voegende: »ja, wapens en boomen zullen hem niet hinderen, ik heb ze allen den eed afgenomen.” Dan vroeg de vrouw: »hebt gij alle mogelijke dingen bezworen, dat zij hem niet kunnen beleedigen?” Frig antwoordde: »er wast een kleine jonge boom ten westen van Walhal9, met name Misteltein (mistel, marentak, viscum) die mij te jong scheen om in eede genomen te worden.” Daerop ging de vrouw heen. Loki trok nu den misteltein uit en ging daermede ter vergadering. Haudur, die blind was, stond aan het uiterste des kreits. Nu sprak Loki hem aen, en vroeg hoe het kwam dat hij niet op Baldur schoot. »Vooreerst,” zeide hij, »kan ik hem niet zien, en ten tweede heb ik geen wapen.”—»Ik zal u toonen waer hij staet, en schiet dan op hem met deze roede.”—Haudur nam Misteltein en schoot naer Loki’s aanwijzing op Baldur. Het schot doorboorde den goede die dood ter aerde viel. Dit is het allergrootst ongeluk, dat goden en menschen ooit te lijden hadden. De verslagenheid onder de Asen was groot, en de diep bedroefde Frig zijne moeder, bood hare gunst aen dengene, die Baldur kon verlossen. Hermoder de snelle trok daerheen, maer vruchteloos was zijne poging.”
En nu, geachte lezers! wat dunkt u van deze schoone mythe? kon de strijd tusschen dag en nacht, zomer en winter meer schilderachtig worden voorgesteld dan daar?
En thans dan, na deze mededeeling kunnen wij een aanvang maken met de beschrijving der feesten, waarin overal de gloor van dezen strijd doorstraalt.
Het zal nu wel niemand meer verwonderen, dat ons heidensch voorgeslacht den tijd niet bij jaren afbakende, zooals wij dit doen; zij deden dit in betrekking tot den stand der zon bij zomer en winter, en telden bij nachten, als slaande dit alles op den dood van hunnen beminden Baldur.
In den langsten nacht, bij hen moedernacht genaamd, dan, wanneer de zonne keerde en de strijd tusschen licht en duisternisse op nieuw aanving en zij dachten, dat deze schoone hemelbol weder op nieuw voor hen geboren werd, dan ook jubelde men, vierde feest, en slagtte een ever, dan hadden zij hun midwinterfeest10, en smaakte men gedurende twaalf dagen ongekende feestvreugde: dan ging hun jaar in.11
Zeer vele schrijvers en mannen van groote geleerdheid beschouwen het als zeer opmerkelijk, dat vele landhuren bij onze landbouwers op Midwinter verschijnen: ook dan gaat voor hen in zeker opzigt weder een nieuw jaar in.
Niet onwaarschijnlijk is dat van mythologischen oorsprong, en daar ook vele oude stukken in ons bezit zijn van landerijen, om Oudewater gelegen12, wier huur ook om dezen tijd: »sonnendaegh nae St.Martensdagh in den wynter” verschijnt, zoo zijn wij zeer geneigd aan te nemen, dat ook hier de mythologische jaaringang daarin een spoor naliet.
Daarna treedt onze
op, die insgelijks op hun midwinter, ook wel joelfeest genaamd, inviel.
De voormalige bewoners dezer landen vierden feest van het oude jaar in het nieuwe, en ook dit gebruik is alhier bij velen nog in stand, door het oude jaar uit en het nieuwe in te drinken.
Wijders bewijzen onze woorden: jolen, jool hebben, jolig zijn, volgens de meening van alle schrijvers die wij hierover raadpleegden, zonder kijf afkomstig te zijn van het mythologische joelfeest.
Eveneens het geraas maken en schieten in dien nacht, wil de oudheidkundige Budding, (en niet zonder grond) als sporen zien van de midwinterviering.
Behalve dat, zou in Oudewater het voormalige tromslaan en het tegenwoordig nog in gebruik zijnde klokkespelen van twaalf tot een uur op nieuwjaarsnacht mede daaraan kunnen herinneren, te meer nog, daar ook bij het meifeest het »klokkegebeijer” wordt vernomen.
Niet, dat bij de heidenen het tromslaan, het buskruidschieten en klokkespelen uitgevonden was, zooals de lezer zal weten; maar het volk, gewoon op dien tijd feest te vieren, bezigde ook daarna de middelen welke latere uitvindingen hen verschaften, om geraas te maken en zich te verheugen.13
En dan, wanneer op Nieuwjaarsnacht wij die tierende jolige menigte gadeslaan, die het oudejaar uit en het nieuwe indrinkt, als wij dan het klokkenspel hooren bespelen, dan voorzeker is dit in staat, in onze verbeelding die tierenden te doen verdwijnen en de schimmen te doen optreden onzer voorvaderen, die hun joolfeest vierden.
Zeker toch, dit tieren en jolen zijn overblijfselen, maar gewijzigde overblijfselen, uit het heidendom van dit oord.
Wat al stof tot nadenken voor u en ons, wij, die in hun zonnegod slechts een deel zien van al het geschapene van den grooten Schepper: wat al stof tot overweging biedt ons het nieuwjaarsfeest aan buiten hen die dien God niet kenden. Dan, te middernacht, met het gesloten jaar achter, en het nieuwe voor ons, wel is waar geopend, maar toch schuilende achter den dikken sluijer des tijds! Gewis, dan is het tijd tot ernstige gedachten, in plaats van het smaken van uitbundige vreugde, gesproten uit het blind heidendom. En toch is, wel beschouwd, de geringste tijdverdeeling de poorte tot een nieuw levensjaar!
In hoever de
partijen, waarmede men ook in Oudewater en omtrek veel op heeft, van mythologischen oorsprong zijn, zullen wij van den Bergh14 laten beslissen:
»In Februarij had mede een heidensch feest plaats. De Indiculus superstitiones meldt: de spuralibus in Februario.15
Bijzonderheden zijn mij daarvan niet bekend, doch mij komt hoogst waarschijnlijk voor, dat daaronder niet anders te verstaan zij dan de vastenavondvreugde, die van ouds onder het volk groote deelneming vond en dikwijls tot uitspattingen aanleiding gaf.
Er moet dan echter om dien tijd een heidensch feest geweest zijn, dat niet met de christenprediking is uitgeroeid kunnen worden, want vastenavond is niet heidensch.
Ook het met de rommelpot loopen in Februarij, waarvan Budding spreekt, houdt bij ons nog stand, onder het zingen van het volgende lied:
Vrouw, ’t is vastenavond,
Ho, mannen, ho!
Ik kom niet t’huis voor t’ avond,
Zus of zoo!
Vrouw, verkoop uw beddigje
En slaap op stroo!16
In de maand Maart vierde men de lente-nachtevening. De duisternis wordt al meer en meer bestreden.
Zou onze jaarlijksche
hieraan herinneren, die het laatst van Maart of met het begin van April invalt? het is immers de maandag vóór Paschen, en
»Het mag wezen zoo ’t wil,
Paschen valt in Maart of April.”
Zie hier eenigen grond voor onze vooronderstelling:
Men beschouwde het ei bij het heidendom aldus: een ei, dat op zich zelve levenloos schijnt, bevat in hare doode omhulsels de kiem van herleving.
In den Overijsselschen volksalmanak 1840 laat Halbertsma in zijne bijdrage over de Paasch-eijeren dit ook duidelijk blijken, en Dr. Leemans teekent in zijne beschrijving der romeinsche steenen doodkisten aan: »Onder de zinnebeeldige beteekenis van het ei, komt vooral die van herleving in aanmerking.” Daarom legde men ook een ei in de doodkisten.17
Mogelijk vereerde of verkocht men elkander omstreeks den tijd van eijermaandag—ook (in verbastering welligt) eijermarkt genaamd—eijeren, als een bewijs van herleving in de natuur. Ook het Paasch-eieren eten wordt hier eveneens, in navolging der geleerden, door ons herinnerd.
In den laatsten tijd echter zagen wij, voor zoover onze herinnering zich uitstrekt, nimmer eijeren op de markt ten verkoop aangeboden. Is dit geen bewijs te meer, dat markt eene verbastering is van maandag?
Wel wordt er handel in boomen gedreven, doch ook deze vertegenwoordigen immers de herlevende natuur. Ook kramerijen worden uitgestald, de klokken bespeeld, op Bacchus’ altaar wordt meer dan op gewone dagen geofferd: in het kort, het is eene soort van kermis.
Na dit alles zijn wij niet vreemd van de gedachte, bij de talrijke overblijfselen der natuurdienst, dat de Oudewatersche eijermaandag, bij het herleven der natuur invallende, eertijds een heidensch feest was, waarin het in de mythologie zinnebeeldige ei als beeld van herleving, eene voorname rol speelde.
„Nu staen des meyentacken uitghespreit ende bloeijen schoon ghelijk roode rosen.”
Hofmann van Fallersleben.
Omtrent zeer vele feesten is op te merken, dat, op den avond vóór den feestdag zelven het vieren daarvan niet alleen reeds aanbreekt, maar er zelfs een groot gedeelte van beslaat. Zoo spreekt men bijv. van kers-avond, van St.-Nicolaas-avond, en nog een groot aantal voorbeelden zou kunnen worden aangehaald.
Dit is ook van toepassing op het meifeest, dat op mei-avond of op den laatsten April invalt. Deze aanmerkingen, geachte lezer! wilden wij vooraf laten gaan.
Het heidendom dan had drie groote of hoofdfeesten: over het eerste of midwinterfeest zie hiervoren; het tweede is het Osterafeest, aan hetwelk nu de aandacht zal worden gewijd en dat insgelijks een zonnefeest was.
»De zon heeft in de lentenachtevening gezegevierd: het reuzenvolk is bestreden; de overwinnaar treedt de blijde woning binnen en zoo ook de geheele voorjaars-aarde. Freija (de aarde) ook Asterdis genaamd, viert feest, zoo ook de gansche natuur.”18
Dan droeg men bij de verrezen lentezon in processie het beeld des doods of des winters naar den vloed of de grens der gemeente en bij het offermaal, en jubelende en in groote vreugde werd het herlevende beeld der Natuur naar het dorp gebragt.19
In Meimaand trad men in het huwelijk; dan versierde men het feestvertrek: zij, de moeder aarde, tooide zich immers ook in een met bloemen geschakeerd kleed, zij immers gaf haren kinderen het voorbeeld.20
»Met Mei”, zegt de groote oudheidkundige van den Bergh op bladz. 53 van zijn critisch Woordenboek der Ned. Mythologie, »met Mei hield men onder de duitsche volken het begin van den zomer, en vierde daarom den eersten dag dier maand.” Grimm beweert, Myth. 438, dat men daarvoor geen vasten dag bepaald had en dit slechts vaststelde naar toevallige teekenen, b.v. de komst van de eerste zwaluw of ooijevaar, of het bloeijen van het eerste viooltje. In Nederland, geloof ik, was het niet zoo, waarvan het spreekwoord: »eene zwaluw maakt nog geen zomer”. De eerste Mei bepaalde hier den aanvang des zomers, en geen andere dag werd als zoodanig gevierd.
Dan ook plantte men in Noorwegen, Zweden, Denemarken en IJsland meiboomen, met bloemen omhangen, en ontstak men feestvuren; dan was men in Denemarken gewoon te zeggen: de zomer rijdt het land binnen.
Aan dit vreugdevol meifeest namen vele aanzienlijken deel. »Des nachts van den 1 Mei,” zegt de heer Budding21, »ving de tocht aan: jonge mannen reden vooraan, daarop volgde de meigraaf (majgreve) met twee kransen versierd, waarvan eene op elken schouder; het overige gevolg had slechts eenen krans, en als zij dan op de plaats hunner bestemming gekomen waren, werden er meiliederen aangeheven. De maagden plaatsten zich dan om den meigraaf, en deze laatste koos dan eene majinde of meigravin, door een krans op haar te werpen.
Luister eens, hoe Engelberts Gerrits, onze zeer bekwame grijze historicus die meisjes bij den optogt naar het feestvuur zingen laat:22
. . . . . . . . . . . .
. . . . . . . . . . . .
. . . . . . . . . . . .
Ostera biedt haar glansen
De lentetijd is daar.
De meiboom spreidt zijn kleuren
En weeft een blanke kroon;
Staakt, droeven! staakt uw treuren:
De lente strooit haar geuren,
Verheugt u in haar schoon.
Laat ons de goden loven,
Brengt Frei en Freja eer;
Zij vieren feest daarboven:
Wat winter mogt ontrooven,
Dat brengt de lente weer.
God Baldur zal herleven
In goud en zonneglans;
In dalen en langs dreven
Gaat hij een feestkleed weven;
Komt, zusters! in den dans!
Daarna laat hij de meiboom plantende knapen hunne takkebossen nederwerpen bij het beeld van Freja.23 De oudste der barden neemt een brandenden spaan en ontsteekt de houtmijt, onder het afsmeeken van den zegen over de veldvruchten. De Gydien knielen rondom het beeld en den houtstapel; de priesters en de overigen plaatsen zich er achter. Dan neemt de bard het offermes, het lam wordt gebonden, voor het beeld gelegd, en het vlijmend offermes glijdt door den malschen hals, en het bloed bepurpert de blanke vacht. Terwijl het dier den doodstrijd kampt, sprenkelt de priester het bloed in de vlammen, over de hoofden der priesteressen, en de roep: »heil Frei en Freja!” wordt heinde en ver herhaald.
En zoo ver het oog draagt, ziet men heldervlammende lentevuren, terwijl de lucht wedergalmt van blijde feestliederen, en de bard de ingewanden van het offerdier onderzoekt, en daaruit voorspellingen maakt over oogst en vrede. De priesters verlaten daarna de plaats en verschaffen der menigte vrijheid, hunne lentevermaken te vervolgen. Alle meisjes vormen nu een wijden kring rondom den boom en den meigraaf, en naar de toonen van der skalden instrumenten huppelt men, zingende terwijl het feestvuur knettert:
O Maigreef, zie in ’t ronde,
Het blijde feest is daar!
Kies u een schoone blonde
Met bloemen in het haar.
Kom, zoek u een majinde,
In onze reijen uit!
Ligt wordt zij uw beminde
En dan uw zoete bruid.
Dan laten de verdienstvolle schrijvers van »Ons Vaderland” den meigreef, nadat hij de maagdenrei langs hem heen heeft doen huppelen en zijne bloemkransen heeft opgeheven, aldus zingen:
Maar als ik heb gekozen,
Dan baat geen schuchter neen,
En met angstvallig blozen
Sluipt geen Majinde heen.
De meikroon zal ik bieden
Als waardig minnepand,
En zoo ze bloo wil vlieden,
Het meisje draag’ de schand!
En als dan de meigraaf gekozen heeft, zong men weder. Andere jongelingen namen dan ook daaraan deel, en zoo verlustigde men zich, totdat de laatste vonken van het feestvuur waren uitgedoofd.
Overigens merken wij nog op, dat, bij den grooten strijd van zon en duisternis, door Haudur en Baldur voorgesteld, men nog zomer en winter vergeleek bij twee kampvechters die elkander den voorrang benijdden.
Er is echter nog niet bepaald gezegd, wie dat feest was toegewijd.
Aan een, bepaald was het zulks ook niet. In het voorgaande evenwel heeft men reeds Ostera meermalen aangetroffen, en deze zal aan de bijzondere vereering van het feest niet vreemd zijn geweest.
Grimm verhaalt, dat de Aprilmaand in Duitschland nog Ostermonat genoemd wordt, en deze Ostera, zegt hij, moet, even als het angs. Eastre, een hooger wezen van het heidendom beteekend hebben. Het oude h.d. adv. Ostar beduidt het aanbreken van den dag, evenzoo het oude n. Austr.
Ostera, Eastre mag alzoo eene godheid van den stralenden morgen, van het opstijgende licht geweest zijn, eene vreugde en heil aanbrengende verschijning. Ook Buddingh, Etmuller en Hoeufft denken aan een herrijzingsfeest.
Doch niet vermoedelijk alleen aan Ostera, ook aan de godinne der liefde was het feest gewijd.
Dat wijders de godin Ostera ook aan watervloeden en waterstroomen vereerd werd, wil de oudheidliefhebber Buddingh bewezen hebben uit den plaatsnaam Oosterlee: Ooster van Ostera, lee van water, alwaar hij ontwijfelbare sporen van waterdienst wil zien. Het planten en opsieren van meiboomen leidt hij het liefst uit hunne boomendienst af.
Ook, zegt hij, waren de Friezen gewoon hunne feestvuren op hoogten te ontsteken.
Ofschoon nu echter ons Meifeest in April of Meiavond begint, dat ons meer aan de viering alleen in April zou kunnen doen denken, zoo smelt dit feest ongemerkt bij het meifeest in. Daarom hebben wij Ostera’s en meifeest in elkander laten vloeijen.24 Welligt was er ook in het heidendom geene grens.
En nu het Meifeest, zoo als dit ongeveer een 15tal jaren terug door ons werd medegevierd.
Reeds eenige dagen vóór die zoozeer gewenschte meiavond daar is, zijn de knapen ijverig bezig voornamelijk het hunne tot het vieren daarvan aan te brengen. Allerwege houden zij zich onledig brandstoffen te verzamelen, en menige bewoner van Oudewater en omtrek wordt met kinderlijken aandrang aangezocht eenig hout voor hun doel af te staan.25
De brandstoffen, door de knapen vergaderd, worden alsdan op den bewusten avond buiten de Broekerpoort (nu gesloopt) in Hekendorp gebragt, alwaar men die in brand steekt.
Terwijl men dan de houtmijt die reeds aanmerkelijken omvang heeft, bij den IJssel ziet opgestapeld, en een aantal knapen in griendjes en het Schakenbosch nog meerder hout zoeken; verbeidt men met ongeduld het bespelen van het klokkenspel, dat te zes ure een aanvang neemt, want dit is het sein tot het ontsteken der vuren. Twee aanvoerders, die met de regeling van een en ander belast zijn26, steken dan, zoo spoedig het teeken uit den grijzen toren gehoord wordt, het vuur in de brandmijt, en weldra knapt en knettert het meivuur, zijne roodgele vlam al meer en meer verheffende en spattende vonken van zich werpende.
Thans stijgt de vreugd ten top; knapen met stokken gewapend, huppelen van vermaak, heffen bij het opstijgende meivuur een lied aan, en lustig worden petten gezwaaid.
Nadat men zich aldus geruimen tijd in dartelheid vermaakt heeft, en de brandstofverzamelaars geen voldoenden voorraad meer aanbrengen, de vlam begint te verkleinen en het vuur zich niet meer stoort aan de opwakkeringen van de stokende knapen, begint men te spreken van dokken27, dat gewoonlijk ook bijval vindt. De aanvoerders hebben hun gezag verloren, springen door het verflaauwende meivuur en dokken mede. Men werpt petten, zoo men kan, ook elkander er in, en het meivuur is tot genoegen van deelnemers en toeschouwers afgeloopen.
Dat groote meivuur uitgenomen, ziet men daarenboven hier en daar in om de stad gelegene tuinen en elders, kleinere vuren ontsteken.
Ook was men vroeger tijd gewoon, hier meiboomen plaatsen, waarboven eene kroon was gesteld, welke veel overeenkomst had met die voorwerpen van hoepelhout en papier, waarmede men het verkrijgen van nieuwe haring kenmerkt. Op het Roodzand28 werd, nog geen vijftig jaren geleden, dusdanige boom gezien, om denwelken in dolzinnige vreugde werd heen gesprongen.
Insgelijks kwamen eertijds vele ingezetenen met de meifeesten op de stoepen bijeen, en dan werd de avond in blijden kout doorgebragt, en nog wordt des zondags gedurende geheel de Meimaand het klokkespel van zes tot zeven ure bespeeld.
En nu, geachte lezer, willen wij het verband van vroeger en nu aantoonen, door ons op bladz. 40 beloofd.
Het was wel niet te verwonderen, dat het heidendom met Mei een feest aan den lentegod en aan Freja offerde. Zij kenden immers den grooten God niet dien wij aanbidden, en wat kon hen, die natuurdienst hadden, wel meer daartoe aansporen dan de zoete Mei? Dan, als de boomen ontloken, de aarde met schoone bloemen bezaaid was en met jeugdig groen bedekt, de geur van meitakken op den adem des winds door de lucht werd gedragen en de vogels hunne nesten bouwden, hun lief gezang aanhieven en eijeren legden, die hen aan de herleving herinnerden.
Dachten zij reeds zoo, het zou welligt immers eene ijdele poging zijn het getal dichters op te sommen, die in onzen tijd nog de lente hebben bezongen.
De lezer zal opgemerkt hebben, dat het gebruik uit het Noorden, van meiboomen te planten, waarvan is melding gemaakt, ook in Oudewater in gebruik was.
De grens of vloed van het dorp, waarheen wij zagen, dat het beeld des winters werd gedragen, komen beide hier in aanmerking, in betrekking tot de plaats waar het meivuur gebrand wordt: nu nog is het de gewoonte, met onbeduidenden wind het meivuur omstreeks een boogscheut afstands van de grens der gemeente te ontsteken. Welligt was het ook toen reeds in gebruik, het feestvuur op die grens te branden, wijl zij ook dat voor heeft dat zij aan den IJsselvloed ligt: dit toch verkrijgt te meer grond, doordien Buddingh meent (zie hierover bladz 55) dat de godin Ostera ook aan watervloeden vereerd werd, en dat de Friezen gewoon waren hunne vuren op hoogten te ontsteken. Dit treffen wij alhier immers aan, wijl het meivuur langs den IJssel gestookt wordt in Hekendorp: dorp komt hier af van terp, en terp is hoogte, en dat Hekendorp vroeg bewoonbaar was, zal de lezer zich uit de geologie herinneren kunnen.
In de aanvoerders zien wij de meigraven of barden waarvan wij spraken, en het voormalige meivuren branden op verschillende punten hield, zooals werd aangetoond, immers in onze kinderjaren nog stand.
Het oude noordsche spreekwoord: »de zomer rijdt het land in” wordt herinnerd door ons gezegde: »de zomer is in het land”.
Het zingen en springen bij het feestvuur wordt nog door de knapen herhaald.
Met Mei trad men in het huwelijk en versierde het feestvertrek; maar de meimaand is immers ook nu nog de geliefkoosde maand om de huwelijksboot in te stappen, terwijl ook de meitakken nog in de huizen niet zeldzaam zijn.
De klokken worden Zondag in Mei bespeeld, het meifeest was mede en voornamelijk een zonnefeest.
Niet waar, geachte lezer! treffende gelijkenis, o. i. onomstootbare bewijzen dat het meifeest een zonnefeest was; maar ook aan de godin der liefde gewijd werd.
Wat al gedachten kan zulks opwekken, nu wij immers eenigzins het verschil kennen, tusschen heidensch offervuur van vroeger en vreugdevol kinderspel van thans!
In Junij vierde men in tegenoverstelling van het Midwinter-, het
De zon, in den eersten nacht van het Joelfeest geboren, heeft op 21 Junij haar hoogste standpunt. Nu ook wordt de strijd tusschen duisternis en licht beslist. Baldur, de zonnegod, moet het onderspit delven, Haudur heeft met den misteltein den eerste gedood.
De feestvuren van elders, spelen niet onduidelijk op den lijkbrand van Baldur.
»Op Pinkster,” zegt Hofdijk, »kwamen de afgevaardigden der zeven Friesche Zeelanden bij den bekenden Upsal-boom te zamen, en deze historische bijzonderheid doet aan Baldur denken,” enz.
Het vroegere oude gebruik van Gouda om zich voor Pinksteren met daauwslaan te verlustigen, is volgens Buddingh nog een overblijfsel van het midzomerfeest. »Insgelijks bestaat nog de oude feestgewoonte,” zegt hij immers, het midzomerfeest beschrijvende, »om namelijk op pinkstermorgen vóór dag en dauw, zoo men het noemt, de stad te verlaten, zich in het veld te verzamelen en met groen en bloemen te versieren, dat men dauwtrappen of dauwslaan noemt. Wie bij deze gelegenheid te laat in het veld komt, is van de geheele menigte de luilak.
In deze plaats verlaat men den zaturdag vóór Pinksteren zeer vroeg zijne slaapplaats, en die te laat komt, of liever bij wien men het huis gesloten vindt, behangt men de woning met zoogenoemde kikkerbloemen (van de familie der coroniferae); zoodanige slaper is dan de vuiglak; vuig, weet men, is traag, vadsig; lak komt van laken, verafschuwen.
De dag zelf draagt nog den naam van
Vuiglak, vuiglak!
Vuiglak is vroeg opgestaan
En toen weer naar zijn bed gegaan”
wordt dikwijls ten spot van zoodanige tragen gezongen.
Bij het stuk over het meifeest, geachte lezer, hadden wij u reeds bekend kunnen maken met iets van zoo groot belang voor de mythologie of liever voor hare afschaduwingen in ons leven, dat dit nu toch niet langer verzwegen zij, hoewel het ook nader nog meermalen in herinnering zal worden gebragt. Hiervoor zij dus uwe bijzondere aandacht verzocht.
Toen het Christendom ook in ons land over het heidendom allengs begon te zegevieren, werd menig gebruik van der heidenen natuurleer of godendienst, tot kinderspel verlaagd, de namen hunner goden werden dikwijls door verachtelijke namen in afschuw gebragt; in één woord, menigmaal stelde men wat vroeger zeer in aanzien stond, in een bespottelijk daglicht, en zoo stak de duisternis van hunne dienst nog sterker af bij het licht, door de geloofsverkondigers ontstoken.
Daarom werd het meivuur alligt vreugdevol kinderspel, en daarom moeten wij ook hierna nog dikwijls, met in onze taal verachtelijke woorden hunne voormalige godendienst aantoonen.
De reden, dat zulks nu door ons wordt vermeld, is deze, dat wij nog in de vuige Pinksteren iets gissen te zien, dat als eene nieuwe gedachte bijzonder den geleerde met de meeste bescheidenheid zij voorgelegd.
De lezer kan nu weten, dat de zonnegod in den moedernacht werd geboren. Vroeg in het jaar dus, wijl het jaaringang was.
Moet hier de lichtgod Baldur den luilak niet verbeelden, van wien men zingt:
»Luilak is vroeg opgestaan”?
Op de luilakken die lang slapen, kunnen wij toch wel niet toepassen, dat zij vroeg opstaan.
In Junij waarin onze Pinksteren gemeenlijk invalt, heeft de zon haar hoogste standplaats in deze gewesten bekomen en gaat al lager, zij legt zich hoe langer hoe meer ter ruste, en dan vindt ook Baldur ruste in den dood.
Wordt dit niet herdacht door:
»En toen weer naar zijn bed gegaan”?
Hoe het zij, de gelijkenis was o. i. te treffend om ze den mytholoog te onthouden, vooral als de latere verafschuwing hunner leer en menigvuldige mythologische overblijfselen dezer plaats hiermede worden in verband gebragt.
Vierde men op aarde het midzomerfeest met groote vreugde, ook de Asen deden zulks in Walhalla, ter eere van den zoo men immers meende, onkwetsbaren Baldur.
Buddingh meent, dat men dit godenleven op Midgard of de aarde navolgde door het steekspelen, balslaan, en doelschieten.
Hierin kunnen wij ons met genoemden schrijver vereenigen.
Behalve, dat het doelschieten ook hier eertijds plaats had, zou dan ook het balslaan in het nabijgelegen Polsbroek, waar dit nog plaats grijpt, hierop toegepast kunnen worden. Dit balslaan en kaatsen moet zelfs in 1605 te Oudewater nog zoo sterk in zwang zijn geweest, dat daartegen een verbod van den magistraat werd afgevaardigd, dit toch onder de kerkdienst te laten:
»Dat niemandt van den burgheren ofte inwoonderen deser stede, wie hy sy, op sondaghen ofte geordonneerde biddaghen, van ’smorgens ten neghen tot elf uren toe, zal mogen kaetsen.”
En op eene andere plaats:
»Dat ook niemandt binnen deser stede op ter straten, op ten kerckhove, uyte wateren bij de ramen, mitter kolven den bal slaen, noch metter slingher29, ofte ander instrument steenen, ofte yet quetselikx werpen en sullen moghen, Ghelijck oock niemandt met boghen, bussen, ofte diergelicken gheweren,…. buyten den doelen zal mogen schieten ….”30
Ook het haan den kop afslaan31 en katknuppelen op de zoogenaamde en zotklinkende
merkwaardig altijd tweede Pinksterdag invallende en omstreeks Hoenkop plaats hebbende, zijn welligt sporen van het heidensche Midzomerfeest.
De kermis op het nabijgelegen Haastrecht, die op den tijd van midzomerfeest invalt, biedt eveneens nog een treffend spoor daarvan aan: als de kermis begint, wordt aan beide zijden van het dorp een kruis opgerigt, en wie dan balling was mogt op dien tijd ongehinderd het dorp binnenkomen. Dit laat zich uitmuntend verklaren als men weet, dat ook met het Baldursfeest welligt alle veten zullen zijn vergeten en het zwaard in de scheede bleef.
Toen nu Baldur in den strijd bezweken was, treurden daarover de goden en ook de gansche natuur in de volgende weken, daarom ook staat in Julij Heimdall, de wachter der goden, op de tinne des hemels, en houdt de wacht tegen Mispelheim’s zonen, want zwoel is de lucht en groot het gevaar na Baldur’s dood. De vuren, in de vorige maand ontstoken, duren des nachts voort, opdat het monster der duisternis, als het tegen de zon mogt aanrukken, moge verschrikt worden.32
Het geldersch gebruik, om bij het invoeren van den laatsten oogst met emmers en gieters vol water achter eene deeldeur te staan oppassen, om zoowel den aanvoerder als de veldvrucht daarmede te begieten, omdat dezelve in den algemeenen rouw niet droog mag binnenkomen, hield voor jaren en houdt misschien nog stand in den omtrek van het nabijgelegen Bodegraven, alhoewel eenigzins gewijzigd.
In Augustus gaat de rouw der godenmoeder ten einde, zij bezoekt weder de woningen der menschen, voor wie weder feesttijd aanbreekt.33 Het is de tijd van den oogst immers, en wie zou zich dan niet verblijden? De heidenen deden dit reeds, want de geheele oogsttijd was een vreugdetijd, en geen der geringste, wijl het derde groote jaarfeest daarin plaats had.
Wederom een treffend bewijs hunner natuurvereering. De natuur toch, die in Mei, boomen en planten met kracht deed ontluiken en in Junij en de volgende maand als het ware stilstond even als de godenmoeder treurende, herleeft in Augustus merkbaar, gelijk ook bij de koningin van Asgard, wier rouw ten einde gaat. De natuur doet het plantenheir nog eenmaal met kracht ontluiken, en daarna is de ontwikkeling voor dat jaar geëindigd, en de bladeren en de bloemen vallen weder af.
Loopen wij echter onzen tijd niet vooruit.
Men meende, dat in Augustus de
door de lucht reed. In Oudewater vindt men het geloof daaraan nog niet geheel uitgedoofd. Wat echter die wagen was, zullen wij duidelijk trachten te maken.
Het was in de mythologie altijd een bewijs van eene groote godheid, als men haar het bezit van een wagen toekende, waarmede zij door de lucht reden. Zoo hadden Wodan, Thor enz. wagens.
Veelvuldig zijn nog in het noordelijk deel van ons land de sprookjes van rijdende wagens. Zoo kent men ergens een vurigen, op eene andere plaats een ijzeren, onder Hedum een gloeijenden, in de Over-Betuwe een helwagen, enz.
Alleen te Zwartewaal in Zuid-Holland maakt Wollff34 gewag van den Oegstwagen. Doch deze laatste spelling Oegst met eene g daartusschen houden wij voor onjuist. Zie hier de reden van onze meening.
Men heeft zich waarschijnlijk in den waan gebragt, dat Oegstwagen is gelijk Oogstwagen, als in den oogsttijd rijdende; doch daar wij in Oudewater nooit van Oegst- altijd van Oestwagen hoorden gewagen, houden wij zulks voor niets dan eene verbastering van Oster- of Osterawagen. Bekend is het toch dat Ostera een wagen had, daar men zeide: de zomer rijdt het land binnen. Welnu dan, diezelfde gedachte gissen wij nu vervolgd met den Oestwagen in de laatste maand van den zomer, wanneer men welligt zal gezegd hebben: de zomer rijdt het land uit.
Deze gissing, die wij echter niet met eigenwaan willen doordrijven, zij alzoo met bescheidenheid aan het oordeel der mythologen onderworpen.
In Oudewater—werd ons verhaald—kwam men voorheen dikwijls bij stillen avondstond of nacht bijeen, om den oestwagen te hooren rijden. Hoewel dit echter nu niet meer plaats heeft, is dit toch zeker, dat ons gepasseerde jaar nog in allen ernst verzekerd werd, dat men den Oestwagen nog kan hooren rijden.
Voorzeker moeten wij ons hier verwonderen, hoe zoodanig bijgeloof zoo stand kon houden; de eenvoudige werkman zeide echter ook: veel van die zaken waren niet meer zooals ten tijde van zijn vader en toen hij »een jongen” was, aanwezig, want toen de Franschen in het land waren, hebben deze dat weggenomen. En inderdaad, de man had hierin gelijk, dat op dien tijd het bijgeloof zoo in deze plaats als elders zeer veel verminderde, dat hier echter de plaats niet is om te bewijzen.
En hiermede vooreerst genoeg van de feesten in Augustus. Zien wij nu, wat er van dit oord in September te verhalen is.
Welligt viel naar de gissing van den Delfschen mytholoog omtrent dezen tijd het derde jaargerigt der volksvergadering in, waarvan wij de eerste in het voorjaar, de tweede in den zomer, en de derde in het najaar kennen.
Zoo werd nog in 1329 door hertog Jan III bepaald, de jaargedingen te houden des maandags na Driekoningen, na beloken Paschen en St. Jan-Baptist.
Op welken tijd die nog in 1605 werden bepaald te zullen gehouden worden in Oudewater, zal nader worden aangetoond, wijl deze op meerdere mythologische feesttijden slaan.
Opmerkelijk mag echter de oude kermistijd genoemd worden, welke de laatste week in September, omstreeks St. Michael daar was. De herfstnachtevening, die alsdan gevierd werd, zou nader, volgens gis van prof. Rooijaards, op het feest van dien heilige zijn overgegaan. Hoe het zij, de feestdag van St. Michiel werd in allen gevalle vroeger zeer luisterrijk alhier gevierd, wijl de oude parochiekerk dien tot patroon had.
In October vinden wij alhier geene sporen van heidensche eerdienst.
En van die in November, als het feest van St. Maarten bij de Christenen inviel, en in December als het midwinterfeest daar was, is reeds gesproken, en wij treden daaromtrent niet in herhaling.
Gingen nu, geachte lezer, sommige zaken die men groot waardeerde, tot diepe verachting en kinderspel over, dat echter ging niet met alle heidensche feesten zoo.
Het heidendom liet niet zoo gemakkelijk zijne blijde feesten glippen, voor die van het christendom.
Wijsselijk besloot men dus waar dit kon en niet met de kerk streed, de feesten van eerstgenoemden op die der laatsten over te brengen; alzoo waren de heidenen spoediger voor het christendom gewonnen.
Daarom ook werd het midwinterfeest, waarbij zij hunne zonnegeboorte vierden, veranderd in ons kersfeest, waarin de Christen de geboorte herdenkt van den Zaligmaker.
Het Osterfeest, waarin men het verrezen zonlicht herdacht, werd het feest van den verrezen Godmensch. Nog noemt men in Duitschland April Ostermonat, en het Paaschfeest Ostern. »De opstanding van onzen Goddelijken Verlosser was de opgang van het morgenlicht der eeuwigheid,” zegt de heer Hofdijk, »van het licht der onsterfelijkheid, glansender en heilrijker dan het rijzend licht van Astera.” Ziedaar genoeg om het feest der godinne in dat van den verrijzenden Heiland te vervormen.
»In Junij, de maand waarin Pinksteren gewoonlijk invalt,” zegt laatstgenoemde schrijver weder, »en de zon heur hoogste standplaats heeft, vierden de noordsche goden het feest van Baldur, den schoonste van hen allen, den lichtgod, en de menschen hielden ter zijner eer het midzomerfeest. En om die onuitwischbare vierdagen te verchristelijken, werd het feest der uitstorting van den heiligen Geest daarop overgebracht.” In plaats van den zoo zeer beminden Baldur werd het feest van den zachtmoedigen Johannes den Dooper daarna gevierd.
Van daar dus, zooals wij zagen, ook onze kaaloorsche kermisvreugde en die van Haestrecht; van daar de zoo wijd beroemde of welligt beruchte Stolksche Pinksteren; van daar niet onzeker, dat St. Joannes nog de patroon is der kerken van de nabijgelegen plaatsen Gouda en Montfoort.
Het herfstfeest werd daarna welligt gewijzigd in het feest van St. Michiel, de patroon der kerk, waarbij ook tevens de vroegere kermis inviel.
Zie, zoo moesten en ook zoo konden de feesten van het heidendom worden vervormd in die van het lichtende Christendom, dat toch ook zijn feesten had.
Nog kwam ons zeer opmerkelijk voor, dat de oude jaargerigten, die, zoo als wij zagen, in Augustus plaats hadden en ook, volgens bepaling van een van Hollands graven, nog op drie andere tijden, ook in Oudewater na gehouden vacantie op eigenaartige tijden werden hervat.
»Schepenen voors sullen onghehouden zyn ter vierschare te compareren, omme partyen regt te administreren op de ordinaris vacantiedagen, Beginnende d’eerste vacantie, vastelavontsdagh,35 ende ghedurende acht daghen. De tweede beginnende acht daghen voor Paesschen36 ende expirerende acht daghen nae Paesschen, De derde beginnende drie daghen voor den vijfden Junij, wesende alsdan binnen dezer stede ordinaris peerdemarckt ende gheduyrende drie daghen nae den selfden vijfden Junij. De vierde, beginnende Pinxteravont37, ende ghedurende acht daghen lanc, de vijfde beginnende den XVIIIen Septembris38, wesende ordinaris Soutmarckt, ende gheduyrende veertien daghen, De seste beginnende XVIIII daghen39 voor kerkmisse, ende eyndigende veertien daghen nae kerkmisse.”40
Uit een en ander is het nu gebleken, dat vele heidensche feesten nog lang in afschaduwing stand hielden en nog stand houden; sommigen echter hoe lang nog?41
De Christelijke feesten zullen zeker blijven bestaan, doch de feestvreugde op nieuwjaarsnacht? het tromslaan is niet meer in zwang, en het schieten vernamen wij in de laatste jaren niet meer, nu dit van wege het plaatselijk bestuur wordt verboden. Alleen het klokgebeijer, het zingen van de nachtwacht en het jolen der menigte bleven.
Tegen de vastenavond-buitensporigheden wordt nog even als vroeger door kerkelijk gezag gestreden.
Den eijermaandag zagen wij in eenige jaren zeer verflaauwen en veel van zijn ouden luister verliezen.
En het meivuur en de meivreugde? Waren de knapen in onze jeugd nog bezig, dagen te voren uren en uren den speeltijd ontwoekerd, brandstoffen voor het meifeest te verzamelen, thans schijnen zij eerst daaraan te worden herinnerd, als het lustige
Hei, ’t was in de Mei!
uit den—bouwkundig beschouwd—zoo schoonen toren hen tegengalmt. Wel worden dan nog eenige brandstoffen in der haast bijeengeraapt, doch—en dit laat zich zeer goed begrijpen—de mijt verheft zich niet meer zooals vroeger, en weinig daarenboven zouden de veelal natte twijgen aan het voorgestelde beantwoorden, hadde in den laatsten tijd, de oudheidminnaar de knapen niet in staat gesteld, de smeulende takken door gekocht hout te verlevendigen.
Ook de aanvoerders die eertijds nog fungeerden, worden niet meer benoemd.
Voeg bij deze verflaauwing der knapen, de wet van 22 October 1836, Prov. blad No. 82, luidende geen zaadstroo of ruigte, op het open veld te verbranden, dan 16 Ned. ellen van den grooten weg of de passage, een maatregel om het schrikken der paarden te voorkomen, en de geachte lezer, maakt met ons ongetwijfeld de gevolgtrekking, dat ook dit weldra niet meer zal worden aanschouwd.
Alleen het brandde dit jaar nog in Hekendorp, nog aan den IJssel, nog omstreeks de stadsgrens.
De Vuige Pinksteren geraakt al meer en meer in vergetelheid. Zelden wordt de Chaerophyllum silvester (kikkerbloem) meer van haren stengel gerukt om, ten teeken van spot, aan de huizen te worden gebonden.
De Kaaloorsche kermis wordt telkens minder, verplaatst zich, en verliest daardoor van hare eigendommelijkheid.
Ook de oude kermistijd (herfstnachtevening en St.-Michiel) is nu verplaatst in Augustus, en wel sedert besluit van den raad op 29 April 1854, hetwelk in Junij deszelfden jaars door Gedep. St. werd goedgekeurd,—en eindelijk, Oudewater heeft geene schepenen meer, die hunne gerigten op de aangetoonde zeer interessante tijden hervatten.
Dit alles zouden wij kunnen verlengen, doch waarvoor? Er is antwoord op de vraag: hoe lang nog? en dat antwoord is: niet lange meer.
En de minnaar van onderzoek, zal alzoo na verloop van eenige jaren slechts te vergeefs zoeken, naar de overblijfselen van vele dier mythologische feesten, en de niet minnaar van onderzoek?… Weinig zal hij er aan gedacht hebben, dat hij zoo lang de instandhouder was van de heidensche feestviering, en wij, mogten wij in dit opzigt voor het reeds ter neder geschrevene waarheid gesproken hebben wat daaromtrent in het prospectus werd beloofd, onzerzijds gered en ter neder geschreven, wat de tijdgeest van het volkseigen nog niet geheel vernietigde en met zich voerde in den wijden stroom der vergetelheid.
De maanden alzoo mythologisch beschouwd zijnde, zullen wij nog een weinig bij de dagen der week verwijlen, wier benamingen insgelijks van heidenschen oorsprong zijn, als bij de noordsche volkeren voornamelijk van goden afgeleid zijnde.
Zoo heeft Zondag betrekking op de zonvereering. Op Zondag is dan ook gebleken, dat in Meimaand de klokken bespeeld worden, en treffend genoeg was het Meifeest een zonnefeest.
Maandag. Iedere gezindte, zegt Tydeman42, diende hare godheid op zijnen maandag der week. Deze dag wordt bij zeer vele landlieden daardoor nog in eer gehouden, dat zij op denzelven tot geen prijs eenig akkerwerk zullen beginnen; hij was dus oudtijds de rustdag voor landbouw en vee. Het heidensch volk was gewoon op den heiligen weekdag, van min noodzakelijke werken uit te rusten en gedeeltelijk den dag, avond en nacht onder spel en met vreugde door te brengen. Ook vond het gelegenheid, om dan bij tempels de wetten en bevelen te hooren afkondigen, en de waren te verruilen of te verkoopen: van daar dat de marktdagen en kermissen aan de heilige tijden verbonden werden.
Van daar dan welligt eveneens den eijermaandag; van daar dat de tweede vacatie van schepenen op Maandag werd hervat; van daar de Kaaloorsche kermis op Maandag. De zesde vacatie van schepenen was insgelijks op Maandag geëindigd; het begin van het oude kermisfeest was op dien dag, en ook liet zich het carillon vóór eenige jaren van tien tot elf ure op Maandag hooren. Zie, het zou toch al heel toevallig zijn, zoo hier geene mythologie ten grondslag ligt en alles toeval is.
Dingsdag, Woensdag en Donderdag lieten in onze omstreken geene sporen van heidensche herinnering na, uitgenomen in hunnen naam, en dit is alles behalve plaatselijk.
Den naam Vrijdag, die aan Freija, ook aan Freja kan herinneren, schrijven wij het liefst, gelijk anderen, aan de laatste, de godinne der liefde, toe, omdat de Vrijdag ook alhier de dag is, waarop men het meest aanteekent ten huwelijk; zonder dat het den verloofden bewust is, wordt alsdan, in de verlichte negentiende eeuw, nog menig offer aan Freja, de liefde-godin, gebragt, door op heur naamdag ten aanteekening te gaan.
Overigens nog herinneren de woorden: vrijen, vrijer, vrijster, aan Freja.
Zaturdag doet aan Satur denken. De Vuige Pinksteren op Zaturdag invallende, heeft echter op dezen god geene betrekking.
En hiermede besluiten wij de feesten en feesttijden.
1 Het Scandinavië van vroeger is het Zweden en Noorwegen van thans. ↑
2 Budding. N. Godenleer.
De edda’s werden 100 jaren na elkander vervaardigd. De eerste werd verzameld omstreeks 1100, nog ten tijde van het heidendom; de tweede honderd jaren later. ↑
3 D. Budding, N. Godenleer, bladz. 7. ↑
5 Mr. Blommaert, Aloude Geschiedenis. ↑
6 Mispelheim bet. Vuurwereld. ↑
7 Schoone beelden, niet waar? Baldur is hier het licht, Haudur de verpersoonlijkte duisternis. ↑
8 Deze was boosaardig en luimig, hij wordt de lasteraar der Asen genoemd en eene schande voor goden en menschen. Blommaert, A.W., bladz. 119. ↑
9 Walhalla is het verblijf der gezaligden en met roem gesneuvelden. ↑
10 De oude Friezen noemden dit feest Midwintra. D. Budding. ↑
11 In sommige gedeelten van ons land worden midwintervuren ontstoken. ↑
12 Nader meer over deze stukken. ↑
13 Meermalen zagen wij openbare mededeeling door geleerden van oude plaatsgebruiken, volksliederen en zelfs kinderliederen, klommen die ook niet altijd tot het heidendom op. Den beminnaren van onderzoek waren deze bijdragen ongetwijfeld welkom; maar wij zagen ook, dat het bij anderen den lachlust opwekte. Niettegenstaande dit laatste willen wij ook nog eenige bijzonderheden mededeelen omtrent het vieren van het nieuwjaarsfeest in deze plaats, alhoewel het ook met deze bijdrage bij de laatsten zoo gaan zal. Ter zake nu: Het is N.jaar, de klokken „beijeren” en men begeeft zich met de nachtwacht naar de woonhuizen der voornaamste ingezetenen, welke de volgende zingende luidruchtige zegenwensch ontvangen, aangeheven door eene golvende menigte, voornamelijk uit den spinnersstand:
„Het uur van twaalven is geboren,
Het oudejaar dat gaat verloren;
Het nieuwe jaar van God ontvangen,
Daar zoo veel menschen na verlangen
’t Zij jong en oud
En ongetrouwd;
Ik wensch de heeren en burgers met malkaar,
Veel heil en zegen in het nieuwe jaar.”
Daarna wordt eenige malen met de klap geslagen, en het „veel heil en zegen in het N.jaar” gaat van mond tot mond. In dien tijd echter gaat de kroeze rond, door de „heeren en burgers” den wenschenden geschonken, en men herhaalt bij anderen denzelfden deun en ontvangt hetzelfde vocht.
Ten een ure is de menigte die de wacht vergezelt, al meer en meer verdunt; men zingt nu:
„David was een jonge held
Toen hij trok met den reus in ’t veld,
Al met den slingersteen.
De klok het een!”
Klap gaat het daarna eenmaal, ten teeken van een uur.
Het volgende is echter in onbruik geraakt; het is welligt 150 jaar geleden, sedert dit het laatst gezongen werd. De reeds oude tak van nijverheid in Oudewater, het touwspinnen, wordt daarin herdacht:
„Die zijn kostje met spinnen moet winnen,
Die rept en die spoedt hem wat ree;
Die der wil wasschen en ook wil plassen,
De klok het twee.”
Klap, klap! zal het daarna den eenvoudigen voormaligen bewoners weder in de ooren geklonken hebben.
Of men na dit nog meerdere liederen zong, weten wij niet. ↑
14 Van den Bergh, Mythologie, bladz. 48. ↑
15 De Spural in Februario, of van de afschuwelijkheden in Februarij. ↑
16 Inderdaad, ook wij meenen dat de rommelpot zeer oud is: een potje immers, overspannen met zwijns- of koeblaas, waardoor een riet gaat, kan ook bij de onbeschaafde heidenen reeds vervaardigd zijn. Potten hadden zij, dit weet men uit menige overblijfselen; riet groeide hier in overvloed, en het gebruik van koe- of zwijnsblaas was hun welligt niet onbekend. ↑
19 Zie Blommaert, bladz. 159 a.w. ↑
22 Zie het 3e deel Ons Vaderland, hist.-rom. Schetsen, blz. 19 en verv. ↑
23 Freja niet te verwarren met Freija; de eerste is de godin der liefde, de laatste reeds eenigzins bekend gemaakt. ↑
24 In Ons Vaderland, door G. Engelberts Gerrits, wordt insgelijks menige bijzonderheid van Ostera in het meifeest besproken. ↑
25 Als voorname voorstander van dit oud gebruik, ondersteunde wijlen de heer A. van der Lee Cz. dikwijls dit feest door toevoeging van takkebossen, enz. ↑
26 Vroeger viel ons zelf den eerpost van aanvoerder ten deel. ↑
27 Dokken is op het vuur slaan, totdat de vlam bijna is uitgedoofd. ↑
28 Roodzand, een straatnaam. ↑
29 Dit instrument was reeds bij de oude Germanen in gebruik. ↑
30 Zie Kevren der stede van Oudewater des Graefschaps van Hollant, 1605. Ook in ’s Gravenhage werd in 1506 o. a. nog een verbod tegen het balslaen, caetsen gemaakt. ↑
31 Over den haan in de Mythologie nog nader. ↑
35 Zie omtrent de vastenavond hiervoren, bladz. 48. ↑
36 Acht dagen voor Paschen is daags voor eijermaandag. Acht dagen na Paschen, beloken Paschen (Zie bevel van graaf Jan III, bladz. 65). ↑
37 Pinksteravond, men denke aan het midzomerfeest. ↑
38 XVIII Septembris en veertien dagen daarna: herfstnachtevening, kermis en St. Michiel. ↑
39 XVIII dagen vóór kerkmisse: Midwinterfeest. XIV dagen daarna omtrent Driekoningen. Zie bevel van Graaf Jan III. ↑
41 Men denke echter niet dat er voorheen tegen al dat bijgeloof niet werd geijverd zulks te beletten, en ook om dat heidensch offervuur tegen te gaan. Indien wij toch een tal van boeken inzien, waaruit het tegendeel blijkt, is dit maar al te waar. Zoo zien wij b.v. in den eersten jaargang de Navorscher, bladz. 45 en 46, het stukje van D. J. Veegens over de Paasch- en Ostera-vuren. „Dat gebruik” zoo staat daar, „heeft zich staande gehouden in weerwil van den tegenstand der geestelijkheid, die niet ophield daartegen te ijveren. Zoo leest men b.v. in art. V van de ordonnantiën der eerste kerkvergadering onder Bonifacius, van 21 April 742, den last van Carloman aan iederen Bisschop, om met behulp van den graaf, die de beschermer zijner kerk is, zorg te dragen tegen het plegen van heidensche bijgeloovigheden, en daaronder van die heiligschendende vuren die zij nedfrates noemen. Batavia sacra, bladz. 298. ↑
42 Oostersche, Westersche en Noordsche Mythologie, 298 en 299. ↑