BEROEMDE EN VERMAARDE MANNEN,
GEBOREN TE
OUDEWATER

Oudewater heeft altijdt seer vruchbaer gheweest van goede verstanden.

Boxhorn, tooneel van Holland, p. 313.

Het doet den inboorling van Oudewater goed, wanneer hij dusdanige getuigenis van zijne medeburgers hoort, te meer, wanneer zulks gezegd wordt, door een’ Boxhorn, die zich als historicus grooten naam verwierf. Vooral mogen wij ons beroemen, op eene aanzienlijke lijst geleerde personen; echter aanschouwden ook in Oudewater het eerste levenslicht, mannen, die op andere wijzen schitterden. Wij hebben ons voorgenomen van de voornaamsten niet alleen hunne namen te vermelden, maar er ook een korte biographische schets nevens te voegen; wij doen dit in de volgorde van de oudheid der jaartallen waarin zij geboren werden, en beginnen met

DEN GODGELEERDEN
JOHANNES PALAEONYDORUS.

Deze werd geboren in het jaar 1433. Zijn familienaam is echter niet tot ons gekomen, daar het woord Palaeonydorus, niet als zoodanig mag beschouwd worden, immers het was te dien tijde, onder de geleerden de gewoonte, aan het Grieksch ontleende toenamen, aan geletterde personen te geven, en dikwijls lette men daarbij dan naar de plaats hunner geboorte. Zoo ging het ook hier, daar zijn toenaam ontleend is, naar het grieksche woord ΠΑΛΑΙΟΝΥΔΩΡ. Johannes Palaeonydorus, de naam waarin onze persoon in de geletterde wereld bekend is, beteekent dus Johannes van Oudewater. De Heer van Kinschot, en een legio andere schrijvers, roemen hem, als een voornaam Godgeleerde van de orde der Carmelieten.—Aangaande deze zijne orde, heeft hij dan ook vele werken geschreven, zoo ook over de historie der heiligen.1

Meesten tijds hield hij zich op te Mechelen terwijl hij Anno Cristi 1507 in het 74 jaars zijns ouderdoms der natuur den groote tol betaalde.2

DE LETTERKUNDIGE
CORNELIUS VALERIUS.

Deze man, die in 1512 alhier het eerste levenslicht aanschouwde, zou eenmaal schitteren, als een der geleerdste mannen van Nederland.

In de schole van zekeren Georgius Moeropedius, begon in zijn prille jeugd, zich zijn groot vernuft reeds zoodanig te ontwikkelen, dat hij daar nog geen drie jaren geweest zijnde, naar Leuven gezonden werd, en dáár oefende hij zich zes jaren in de Grieksche en Latijnsche talen in het beroemde Collegie van Busledius. Toen hij in zijn vaderland wedergekeerd was, leeraarde hij—weder zes achtereenvolgende jaren—als meester in de Redekunst; later deed hij, hoogstwaarschijnlijk met het doel, zijnen vruchtbaren geest nog meer te veredelen, eene buitenlandsche reis, en na deze volbragt te hebben, werd hij in het jaar 1557, 47 jaren oud zijnde, de opvolger van zijnen ouden vriend Petrus Nannius, als hoogleeraar in de Latijnsche en Grieksche talen te Leuven, en men had geen slechte keuze gedaan, immers men vindt vermeld, dat hij »dit ambt met zooveel vlijt en trouw” heeft bekleed, dat iedereen van oordeel was, dat niemand zuiverder en netter dan Valerius spreken of schrijven kon.

Terwijl onze groote Junius in zijn Batavia van hem getuigde, »dat hij was van eenen verhevenen geest, en dat hij zich in eenen netten en zuiveren stijl van schrijven zoo in dicht als in ondicht bij uitnemendheid deedt uitblinken.”

Ook als auteur heeft hij zich, naar aanleiding van deze getuigenis gunstig doen kennen, en zijne geschriften even als van Palaeonydorus in Valerius Andreas, Bibliotheca Belgica vermeld, regtigden Junius volkomen, tot het geven, van deze hoogstgunstige getuigenis.


Nadat deze geleerde aldus een reeks van jaren, tot nut en wetenschappelijke opleiding van anderen zijn beste vermogen had veil gehad, stierf hij, in dezelfde plaats waar hij zoo uitermate schitterde, te Leuven op den 11 Augustus des jaars 1578,3 dus op zes en zestig jarigen leeftijd. Het stoffelijk omhuldsel waarin zijne groote ziel gehuisd had, werd ter ruste gelegd in de Leuvensche St. Pieterskerk. Twee en dertig jaren daarna (in 1610) heeft zijn leerling Georgius van Oostenrijk, die toen Cancelier dier hooge school was, uit dankbaarheid voor het onderwijs, hem door Valerius geschonken, in voornoemden tempel, een praalgraf laten oprigten,4 met het volgende opschrift.5

D. O. M.
CORNELII VALERII
ULTRAJECTINI
OSSA
HEIC CONDITA & CONSUMPTA:
NOMEN
ADSCRIBERE ALIENA PIETAS VOLUIT,
AN ALIENA TAMEN?
A. DISCIPULO VENIT.
ET QUANTUS ILLE QUI VENIT:
MERUIT
JUVENTUTEM BELGICAM
ORE & STYLO.
IN COLLEGIO TRILINGUI
DOCUIT,
NON MINUS DESERTUS UTILISQUE,
POSTQUAM LOQUI DESIIT,
QUAM CLARUS & ÆTERNUS,
POSTQUAM SCRIBERE.
GEORGIUS AB AUSTRIA
PRÆPOSITUS HUJUS ECCLESIÆ
ET ACADEMIÆ CANCELLARIUS
NEGLECTUM XXXII. ANN.
MONUMENTUM PRÆCEPTORI P. C.
ANN. M D C X.
VIXIT ANN. LXVI. DOCUIT XXI.
OBIIT MDLXXIIX. III. EID. SEXT.

Dat is:

Aan den besten en grootsten God!
CORNELIUS VALERIUS,
des Utrechtenaars
beenderen
Liggen hier ter Verteringe bewaard.
Een naam,
der Onsterflijkheid toegewijd door den Eerbied
van een Vreemden,
Evenwel niet van eenen onbekende,
Want het geschiedt door zijnen Leerling,
En wat was hij niet waardig, voor wien het geschiedt?
Hij toch heeft alles verdiend
van de gansche Nederlandsche Jeugd,
door onderwijs en schriften.
In de Oeffenschole der drie talen
met zoo veel ijver Leerarende,
Dat hij niet minder welsprekend en nuttig was,
na dat hij ophield te spreken;
dan hij beroemd was en vereeuwigd,
na dat hij ophield met schryven.
GEORGE VAN OOSTENRIJK,
Proost dezer Kerke,
en Cancelier der hooge schole,
heeft een XXXII jaren lang verwaarloosd
Gedenkteeken voor zijnen Leermeester laten oprigten
In het jaar M. D. C. X.
Hij Leefde LXVI. Leeraarde XXI jaren
Stierf in ’t M. D. LXXIIX jaar, den XI van Oogstmaand.

Men zou zich nu kunnen laten verleiden, dat, naar aanleiding van dit grafschrift, onze Leuvensche Hoogleeraar te Utrecht zoude geboren zijn, doch wij kunnen dit wederleggen, en wel hiermede:

Ten 1. daar alle schrijvers Cornelius Valerius als te Oudewater geboren, vermelden, en

Ten 2. dat Utrecht zich nooit de eer heeft aangematigd, dat hij dáár geboren zou zijn.

Het laat zich overigens vrij goed verklaren, waarom onze stadgenoot, op dat grafschrift Utrechtenaar genoemd wordt, immers, alle geestelijken wierden toen ter tijd genoemd, wat hunne geboorteplaats of eerste studie betrof, naar het kerkelijk regtsgebied waaronder zij behoorden. Oudewater nu, het is hiervoren reeds meermalen aangetoond, behoorde toen nog kerkelijk onder Utrecht en van daar dan ook, dat hij door zijnen dankbaren leerling, die Proost van St. Pieter te Leuven was, Utrechtenaar genoemd werd.

Op een geëtst portret, dat van dezen geleerde bestaat, komt hij om dezelfde reden als Utrechtenaar voor, en onze wederlegging daaromtrent is als boven.

Aan het hoofd van deze afbeelding staat:

Decessit Louan III Idus Aug. CIↃ IↃ LXXIIX Act. LXVI. (daarna het portret en waaronder het volgende lofschrift.) Cornelius Valerius Ultrajectinus orator et poeta, Quisquis es, et magni nescis decora alta Valeri, Adspice magnorum nomina clara virûm Lipsius hunc coluit, Schottus, Canterus et omnes Belgica nobilitas est venerata ducem.

Aub. Miraeus.

DE GESCHIEDKUNDIGE
GERARDUS DE ROO.

Ofschoon wij den juisten tijd van zijne geboorte en overlijden niet geboekstaafd vinden, zoo aarzelen wij toch niet, dezen naar ouderdom van geboorte in onze reeks nu te laten volgen. Hij is bekend als groot historicus, »van een uitmuntend verstand, en geene gemeene geleerdheid, en was opziener der Bibliotheek van Ferdinand, Aartshertog van Oostenrijk en heeft zich als Chronijk Schrijver van dat gewest gunstig onderscheiden.”6

PROFESSOR
RUDOLPHUS SNELLIUS VAN ROOIJEN.

Deze geleerde, uit een adelijk geslacht geboren, aanschouwde alhier in het jaar 1547 het eerste levenslicht, en bragt later een gedeelte zijner jeugd te Marpurg in Hessen aan het onderwijzen van kunsten en wetenschappen met lof door. Na verscheidene reizen door Europa volbragt te hebben, heeft hij zich het meest op de geneeskunde toegelegd, doch had zich ook bijzonder bekwaam gemaakt, in de Grieksche en Hebreeuwsche talen. Nadat hij uit Marpurg vertrokken was, werd hij aan de Hooge School te Leiden bevorderd, tot Hoogleeraar in de wiskunde en Oostersche talen; hij bekleedde die betrekking zóó uitmuntend en met zóó veel ijver, dat hij de hooge achting van den Prins van Oranje en den Landgraaf van Hessen verwierf. Nadat hij gedurende 34 jaren aldus tot heil zijner medemenschen gearbeid had, en hij zich ook als schrijver gunstig had doen kennen, stierf hij te Leiden in 1613, op 66 jarigen leeftijd. Zijne assche rust in de groote kerk alhier, en het opschrift van zijn grafmonument, hebben wij op bladzijden 180 en 181 hier voren ter neder geschreven.

PROFESSOR
JACOBUS ARMINIUS.

De vader van dezen alom bekenden inboorling van Oudewater heette Herman Jacobszoon en was messenmaker van beroep, terwijl zijne moeder zich Angelica Jacobsdochter noemde. Arminius bekwam dus bij zijn doop in 1560, den naam van Jacobus Hermanszoon. Toen hij echter later als Theologant een grooten naam verwierf, werd hem, naar het Latijn, den naam van Arminius gegeven, zooals toen ter tijde onder de geleerden gebruikelijk was.

Reeds in zijne prille jeugd, werd hij vaderloos, en ter opleidinge tot zich genomen, door Theodorus Aemilius, priester te Oudewater, die echter tot de nieuwe leer was overgegaan. Deze naar Utrecht wijkende, nam zijnen jeugdigen beschermeling met zich, alwaar hij hem eene wetenschappelijke opleiding bezorgde. Niet lang daarna stierf Aemilius, toen zijn gunsteling nog slechts 15 jaren oud was. De reeds bekende en vermaarde Rudolphus Snellius van Rooijen, zijn stadgenoot, trok zich zijner aan, en nam hem met zich naar Marpurg. Doch ook dáár werd zijn jeugdig gemoed weldra verontrust, door de heillooze mare, dat zijn geboortestad door de Spanjaarden was ingenomen. Hij reisde derwaarts, doch zag zijne moeder, zijn broeder en zijne zuster niet weder; zij waren gevallen onder ’s vijands moordend staal.

Hierop keerde hij terug naar Hessen, eene toen ter tijd nog al aanmerkelijke reis, vooral als men haar te voet bij gebrek aan geld, zoo als Arminius, moest afleggen. Dan om de troebele tijden naar Rotterdam gevlugt zijnde, geraakte hij aldaar in gunst van Ds. Petrus Bertius, die hem daarna met diens zoon naar Leidens pas gestichte Hooge Schole zond, waar hij van zijn studie-tijd een zoo ijverig gebruik maakte, dat toen de Magistraat en de Predikanten hem naar Amsterdam zonden, hij onder bescherming genomen werd van de hoofdlieden van het Kramers-gilde. In het jaar 1582 werd hij op kosten van Amsterdam naar Genève gezonden, alwaar hij zich vermaarde mannen tot vrienden maakte, doch ook vele vijanden bekwam, omdat hij de wijsbegeerte van Ramus met ijver verdedigde. Om laatstgenoemde rede ging hij naar Bazel, alwaar hij weldra zoodanig de aandacht der geleerden tot zich trok, dat Jacobus Grijnaeus, Theologiae Professor aldaar dikwijls onder zijn gehoor kwam. Ja—vermeldt van Kinschot—dit ging zoo ver, dat de gemelde Hoogleeraar, wanneer er in de openbare disputen een moeijelijk stuk voor kwam om op te lossen, zich niet ontzag, om Arminius midden onder de andere studenten staande, toe te roepen en te zeggen »Laat mijn Hollander voor mij antwoorden.” Nadat de Godgeleerde faculteit vervolgens aanbood, hem op hare eigene kosten te doen promoveren, weigerde hij uit zedigheid die eer, en keerde weder naar Genève, waar hij nogmaals drie achtereenvolgende jaren met vlijt zijne studie voortzette. Daarop ondernam hij in 1586 met Adrianus Junius eene reis naar Padua, om den Hoogleeraar Jacobus Zabarella aldaar te hooren; toen zij daarna Rome en menige andere Italiaansche stad bezocht hadden, keerden zij nogmaals weder naar Genève terug.

Na eenigen tijd aldaar vertoefd te hebben, kwam hij in het jaar 1587 te Amsterdam, dewijl hij vroeger, om de protectie van die stad genoten, zich verbonden had, wanneer hij daartoe geregtigd was, niet dan met toestemming van den Magistraat in eene andere stad te prediken. Den 4 Februarij 1588 promoveerde Arminius aldaar, tot Doktor in de Theologie, en den 21 Julij werd hij tot Predikant te Amsterdam beroepen, op 28 jarigen leeftijd. Hij maakte zich echter al meer en meer vijanden, want in leeringen en geschriften, was hij bekend, het met Galvinus en Beza volstrekt niet eens te zijn, op het punt van onwederstaanbare vrije genade en volstrekte praedestinatie, waardoor hij dan ook de grondlegger werd van het Remonstantismus, en vooral met Gomarus, die zijne grootste tegenstrever in het land was, in groote onmin geraakte. Een en ander gebeurde echter geruimen tijd, nadat hij 14 jaren lang predikant te Amsterdam geweest zijnde, met groote moeite en op bijzondere voorspraak van Anthonius Thysius, in het jaar 1603 tot Professor aan de Hooge School te Leiden beroepen was, willende de Amsterdamsche Predikanten hem niet ontslaan, dan onder voorwaarde, dat hij met Gomarus in tegenwoordigheid van de Synodale Gedeputeerden in gesprek zoude treden, dat plaats had en ten gunste van onzen stadgenoot uitviel. Te Leiden aangekomen, maakte hij weldra veel opgang, en geraakte zoodanig in aanzien, dat hij in Januarij 1605 tot Rector Magnificus benoemd werd, doch in het volgende jaar legde hij het Rectoraat weder neder, terwijl hij bij die gelegenheid eene oratie over »het verschil in de Godsdienst” deed.

Zijne geschillen met Gomarus, namen echter zoodanig in hevigheid toe, dat beide meer dan eens voor den Hoogen Raad te ’s Gravenhage ontboden werden, om hunne stellingen te wederleggen. Ieder dezer mannen had natuurlijk zijne aanhangers, maar terwijl beide partijen al hun vermogen aanwendden ter verdediging hunner zaak, werd Arminius door zoo veel werken afgemat en door zijn veel bewogen leven verzwakt, door hevige koortsen aangetast, die derwijze toenamen, dat hij den 19 October 1609 in den mannelijken leeftijd van 49 jaren overleed—nadat hij zes jaren het Professoraat bekleed had.

Hij was op dertig jarigen leeftijd gehuwd geweest, met zekere mejufvrouw Reäal, dochter van een Amsterdamsch Schepen, en liet hij bij zijn overlijden zijne echtgenoot negen kinderen na. De weduwe ontving van de Staten »uit zonderlinge gunst,” voor de goede diensten aan de Hooge School te Leiden door haar man bewezen, uitgenomen ’s mans jaarwedde, nog eene van drie honderd ponden (het pond à 40 grootten).7

Dus was het leven van den grooten Remonstrant, die hoewel vele vijanden gehad hebbende, van een aantal vermaarde tijdgenooten de hoogste lof en genegenheid ontving; immers op 28 jarigen leeftijd, werd hij reeds genoemd, »de vijl der waarheid, de wetsteen der verstanden en het snoeimes der aangroeijende dwalingen.”

In 1737—en niet eerder—is het portret van dezen Hoogleeraar bij dat der Professoren aan de Academie te Leiden gediend hebbende, gevoegd geworden.

De nagedachtenis van zijn 200 jarige dood werd nog op den 22 October 1809 door Ds. Stolker te Rotterdam feestelijk herdacht, in een leerrede over Hebr. 13 vs. 7; terwijl omstreeks dezen tijd eenige aanzienlijke Remonstranten het plan gehad hebben, te Oudewater, vóór zijn reeds door ons beschreven geboortehuis, een standbeeld op te rigten, dat echter om het terrein geen doorgang heeft gehad.8

Dr. ABRAHAM VAN STIPRIAAN LUÏSCIUS.

Deze geleerde, een zoon van den edel Achtbaren Heer Herman van Stipriaan, in leven Schepen enz. dezer stad, en vrouwe Agatha Copper, werd geboren te Oudewater den 10 October 1763, en is te Delft overleden den 2 Mei 1829. Deze beroemde geneesheer, deed in October 1787 aan de Leidensche Hoogeschool zijn doctoraal examen, vestigde zich in 1788 te Delft, alwaar in 1789 ook de post van Lector in de scheikunde door hem werd aanvaard. Voorts werd hij in 1790 benoemd door de koninklijke Maatschappij van geneeskunde te Parijs, tot derzelver buitengewoon correspondent, in 1791 tot lid van het Bataafsch Genootschap der proefondervindelijke Wijsbegeerte te Rotterdam, in 1792 tot lid van het Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen te Vlissingen, in 1794 tot lid van de Hollandsche Maatschappij te Haarlem, in 1802 tot lid van het provinciaal Utrechtsch Genootschap van kunsten en wetenschappen; in 1809 correspondent der eerste klasse van het koninklijk Instituut, in 1819 lid van dezelfde klasse, in 1824 corresponderend lid van het Bataviaansch Genootschap, in 1825 lid der Maatschappij van Nederlandsche Letterkunde te Leiden en in 1826 Ridder der orde van den Nederlandsche Leeuw.

Hij was van 1801 tot in 1814 vice president van de provinciale Geneeskundige Commissie, gevestigd te ’s Gravenhage, en daarna tot aan zijnen dood president van dezelve, en tevens lid van de regering der stad Delft.

Met het beantwoorden van prijsvragen in verschillende vakken van geleerdheid heeft hij, zoo binnen als buiten den lande, grooten roem verworven, en ten slotte deden zijne vele geleerde geschriften en de zoo gelukkige uitoefening der geneeskunde in deszelfs uitgebreiden omvang, hem al vroeg onder de grootste geneesheeren van ons vaderland stellen.9


Voorts dienen nog onder de benoemde mannen van Oudewater gerangschikt te worden:

Wijlen de schout-bij-nacht DE JONG VAN RODENBURG.10

De Rotterdamsche burgemeester M. VERROEN enz. enz.

Onder de nog levende noemen wij met achting:

den oud-resident van Tagal op Java J. A. VRIESMAN, ridder der orde van den Nederlandschen Leeuw enz., enz.,

den hoofd-Ingenieur van den Waterstaat N. I. VAN DER LEE te Deventer,

den priester J. BAALE, oud Biechtvader aan het Zweedsche hof van H. M. de Koningin,

den oud Missionnaris op Curaçao, gem. Sancta Rosa J. J. PUTMAN, nu R. K. Priester en Kanunnik te Utrecht, en

den bekenden schrijver R. C. H. RÖMER, Dtr. in de theologie en predikant te Deil en Enspijk.


Op bladzijde 164 dezes werks, mijne geachte lezers, eindigden wij de onbeschreven geschiedenis van het oord onzer beschrijving, zijnde wij alstoen genaderd aan anno 1265, het jaar waarin de beschreven geschiedenis van Oudewater aanvangt.

Wij hebben toen—als onzes inziens het beste geschikt om de ontwikkeling der stad te kunnen nagaan—de voornaamste gebouwen van Oudewater beschreven, zoowel wat hunne gedaante, als geschiedenis betrof, gingen de regeringsvorm en regeringspersonen kortelijk na, die hier waren of nog zijn, en besloten met de vermelding der voorname en geleerde mannen, die in de plaats onzer beschrijving het eerste levenslicht aanschouwden.

Veel is er echter nog, dat wij in deze hoofdstukken niet konden inlasschen. Zoo hebben wij, bij voorbeeld slechts vlugtig, of in het geheel niet kunnen gewagen, van belegeringen, van rampen, brand en ziekten, die het stadje te verduren had, van den bloei en welvaart die het vervrolijkte, enz. Wij hebben bijna geen personen of corporatien hunne treurige of niet treurige rollen zien afspelen, hen niet handelende kunnen laten optreden, en aangezien wij dit alles nu, volgens ons plan nog willen beschrijven, in de gelegenheid gesteld door meerdere oorkonden, handvesten, enz. enz. dan waarvan wij reeds gewaagden, zoo hopen wij dit alles kortelijk te schetsen, in het volgende hoofdstuk, dat wij om bovengenoemde redenen, willen noemen zoo als hier achter volgt.


1 Zie hen allen vermeld bij Johannes Trethemius. 

2 Val: Adreae Bibleotheca Belgica, tom. II, pag. 708. 

3 Boxhorn, tooneel van Holland, pag. 313. 

4 Batavia Sacra, Dl. II fol. 266. 

5 Val. Andreae, Bibl. Belg. tom. I, pag. 221, bij G. R. van Kinschot, beschrijving van Oudewater, blz. 137 en 138. 

6 Van Kinschot blz. 141. 

7 Resol. van Holland van 3 Dec. 1609 fol. 285.

Wij hebben dit levensverhaal kortelijk naar van Kinschot gevolgd.

Op het Gemeente Archief alhier, berust nog een eigenhandigen brief van Arminius, om de Wed. van Ds. Petrus Bertius (Pieter de Bert) in Oudewater komende wonen, in hunne bescherming te nemen—gedateerd 5 Mei 1607. 

8 Verder verwijzen wij naar Kasper Brandt, Historia vitae Jacobi Arminii Amst. 1705. 

9 In F. Allan „De stad ’s Gravenhage en hare geschiedenis,” vinden wij nog gewag gemaakt van den bekenden Watergeus Gerrit Gerritsen als te Oudewater geboren. Zie pag. 38. 

10 Prof. Scheltema, heeft van dezen grooten man, in de werken van het Nederlandsch Letterkundig genootschap, waarvan hij Lid was, op eene waardige wijze, eene biographische schets geleverd.